Het hol van Kaan

Part 6

Chapter 64,196 wordsPublic domain

Piet Kaan heeft ’t veel makkelijker, die slaapt in een kamertje vlak bij den tuin, hij hoeft zich maar uit ’t raam te laten zakken en dan over de heining te klauteren en hij is buiten.

Maar voor z’n lust tot avonturen is dit veel te gemakkelijk en hij besluit een touw om zijn middel te doen, het andere einde vast te binden aan een poot van het bed en zich zoo naar beneden te laten zakken.

Chris slaapt aan den voorkant en is met één sprong op straat en Puckie slaapt op de eerste verdieping, doch kan met een beetje moeite en voorzichtigheid langs het balcon naar beneden komen. ’t Is een tocht die hij reeds zóó vaak bij dag ondernomen heeft, dat hij er niet tegen opziet die in het nachtelijk duister te volbrengen.

„Ik heb een dievenlantaarn,” zegt Piet.

„Die heb je toch niet noodig, kalf! We hebben volle maan!”

„En tòch neem ik ’m mee,” houdt Piet vol. „En me lasso en me pijl en boog ook.”

„Allemaal overlast,” bromt Ambro.

Intusschen zijn ze het punt genaderd waar hunne wegen zich scheiden.

Ze spreken nog eens secuur af om twaalf uur precies op den Nieuwen Binnenweg te komen. Mocht een van hen allen niet op den afgesproken tijd present zijn, dan zouden de anderen tot kwart over twaalven wachten en dan op stap gaan.

Chris en Puckie, die vlak bij elkaar wonen gaan samen weg, Ambro en Piet blijven nog even het plan bespreken.

„Als ze ’t thuis maar niet in de smiezen krijgen,” zegt Piet, die zich wat minder zeker begint te gevoelen.

„Dat zou je eigen stommieteit zijn,” antwoordt Ambro. „Als alles stil is, piep je ’m voorzichtig en maak geen kabaal, want dan ben je verloren, man! Ik ben er ’s nachts al eens in m’n eentje op uit geweest, maar dat is niks gedaan, je hebt heelemaal geen pret. Wat een stilte, zeg, als zoo’n heele stad maft. Héél wat anders dan over-dag.”

„Hoe laat komen we weer thuis?” vraagt Piet bezorgd.

„Om vier uur, want dan wordt het licht. Je durft toch wel, zeg! anders blijf je ook maar thuis. Even goeie vrienden!”

„Durven? O, natuurlijk durf ik,” laat Piet er gauw op volgen, bang, dat Ambro hem van lafheid mocht verdenken.

Eigenlijk vond hij het heele avontuur een beetje gewaagd, maar hij liet het niet merken.

„Ik zal op tijd zijn,” beloofde hij Ambro en hij holde weg.

Thuis gekomen, blijkt Piet erg zenuwachtig te zijn en verscheidene malen hoort hij niet eens dat hem iets gevraagd wordt.

„Wat doe je toch vreemd, jongen,” zegt zijn moeder bezorgd. „Er is toch niets gebeurd? Was op school alles goed?”

„Doe ik vreemd?” zegt Piet kwasi-verwonderd, maar tegelijk komt er een roode blos op z’n wangen.

Het huichelen gaat Piet slecht af; hij is gewend niets voor zijn ouders te verbergen en vooral moeder alles te vertellen wat er in hem omgaat.

Avontuurlijk was hij in hooge mate en dat wisten zijn ouders ook wel. Dol was-t-ie op Indianenverhalen en hij voelde zich vaak het opperhoofd der Inka’s. Maar, dat alles alleen in zijn verbeelding of in onschuldig jongensspel.

Maar nu dat plan van Ambro, jongen, ’t leek hem toch wel wat kras.

Eerst had hij het erg toegejuicht, want fijn was het, maar... zoo stiekum er ’s avonds van door te gaan... het zou hem moeilijk vallen.

Moeder ging gelukkig niet door met vragen en vader had even van zijn courant opgekeken, maar gelukkig niets gezegd.

Na het eten nam moeder hem even apart, dat deed ze wel meer, en Piet herinnerde zich heel wat gesprekken met z’n moeder, waarin ze hem voor veel leelijks en kwaads gewaarschuwd had.

„Is er nu heusch niets gebeurd, jongen?” vroeg ze. „Heb je ook gevochten?”

„Wel nee, moeder,” stelde Piet haar gerust.

„Is er dan misschien toch iets op school voorgevallen?”

„Neen moeder, ook niet.”

Moeder dacht eens even na en keek haar jongen aandachtig aan.

„Neen Piet,” zei ze ernstig. „Je verbergt iets voor me. Maar ik zal je er niet meer om vragen en liever wachten tot je ’t me uit jezelf vertelt. Je weet, jongen, dat je moeder alles kunt vertellen.” Daarop verliet ze hem.

Piet voerde een zwaren strijd met zichzelf. Zoo gaarne had hij zijn moeder de waarheid gezegd, maar het was niet zìjn geheim alleen, hij zou daarmee zijn makkers hebben verraden.

En dàt stuitte Piet tegen de borst.

Hij besloot dus, zijn belofte aan Ambro te houden.

De avond verliep als alle avonden. Piet maakte zijn huiswerk, bleef nog een uurtje in de huiskamer zitten lezen en ging op den gewonen tijd naar bed.

Bij het goeden nacht zeggen viel ’t zijn moeder weer op, dat de jongen anders was dan gewoonlijk, en het verontrustte haar zeer.

Ze nam zich voor nauwkeurig op haar jongen te letten.

Totnogtoe was dit bij Piet niet zoo noodig geweest. Alle schelmenstreken werden altijd naar waarheid opgebiecht en de manier waarop de ouders met hun jongen omgingen, maakte, dat Piet nooit achterbaks behoefde te zijn.

Toen mijnheer uit zijn studeerkamer kwam, kon zijn vrouw niet nalaten hem te vragen, of hij niets bizonders aan Piet had opgemerkt.

„Aan Piet!” zei mijnheer heel verbaasd. „De jongen was net als anders. Wat haal je je nu weer voor muizenissen in ’t hoofd?”

Het antwoord bevredigde mevrouw maar matig en zonder er verder op door te gaan, bleven haar gedachten nog lang bij haar jongen verwijlen.

En zoo gebeurde het, dat, toen reeds alles in diepe rust was, zij nog met open oogen lag en den slaap niet kon vatten.

Ze had de klok reeds elf en half twaalf hooren slaan, keerde zich om en om en voelde zich hoogst onrustig.

Plotseling hoort zij in de stilte van den nacht een geluid als het piepen van een raam dat opengeschoven wordt.

Even denkt ze nog dat het bij de buren is, doch dan, als gedreven door een voorgevoel, staat ze haastig op, en begeeft zich ijlings naar Piet’s kamertje.

Ze opent de deur....! Daar staan moeder en zoon tegenover elkaar. Piet, met jas aan en pet op, juist gereed om het raam uit te klimmen, blijft als versteend staan.

Zijn moeder kijkt hem met een mengeling van verbazing en verdriet aan en dit stille kijken treft den jongen dieper dan hevige verwijten hadden kunnen doen.

En Piet, het Opperhoofd der Inka’s, de ontdekker van het Hol van Kaan, barst in snikken uit, terwijl hij, net als toen hij nog klein was, z’n hoofd tegen haar schouder aan verbergt.

„Wàt wilde je doen, jongen, nu mag je ’t me toch vertellen,” vraagt ze zacht.

Ze gaat op den rand van zijn bed zitten en Piet vertelt haar met horten en stooten het geheele plan.

Hij ziet er zóó ontdaan en verdrietig uit, dat moeder medelijden met hem heeft, want ze voelt heel goed, wat ’t voor hem is, zijn makkers te verraden.

„Dàt was ’t dus, Piet. Ja, moeder voelde wel, dat er iets gaande was. Ik wil je verder geen verwijten maken, alleen wil ik je zeggen, dat je een domme, roekelooze jongen bent geweest. Want, denk je er eens even in, dat ik wat later was gekomen en je bed leeg had gevonden. Kun je voelen, vent, hoe ’n radelooze angst je ons dan bezorgd had?”

Weer ging Piet’s hoofd schuil in moeder’s schouder.

„En luister nu eens, jongen; diezelfde angst kunnen vannacht de ouders van drie jongens hebben. Mogen we dit toelaten?”

Bij die woorden kijkt Piet verschrikt op.

„Niet ze verraden,” wil hij zeggen. Maar moeder kijkt hem ernstig in de oogen en zegt:

„En als er nu vannacht, eens een ongeluk met een van je vriendjes gebeurt, Piet!... Denk eens aan Bob van Eest...”

„Dat is waar, moeder,” zegt Piet haastig. „Ze mogen niet gaan. Ik ga ’t ze zeggen.”

„Neen baas, dat zullen we vader laten doen. ’t Is wel hard, om hem uit z’n rust te halen, maar ’t is noodig.”

In minder dan geen tijd is mijnheer Kaan in de kleeren. Het was een heel werk geweest, hem uit z’n vasten slaap te halen en hem in korte trekken de toedracht der zaak duidelijk te maken.

Gelukkig nam hij het geval nogal niet te zwaar op. Piet kreeg een voorloopigen uitbrander met het bevel onmiddellijk naar bed te gaan.

En toen toog mijnheer er in den nacht op uit om de drie andere roekelooze knapen op het rechte pad te brengen.

Het is precies vijf minuten over twaalven als mijnheer op den Nieuwen Binnenweg aankomt. Even vóór het huis waar Ambro woont, ziet hij drie kleine, donkere gedaanten heen en weer loopen.

„De schelmen,” bromt mijnheer in zichzelf. „Ze hebben ’t dan toch gewaagd.”

Hij besluit hen achterop te loopen. De jongens hebben er geen flauw idee van, dat ze bespied worden. Ambro, die tusschen Puckie en Chris loopt, raadpleegt z’n horloge en zegt ongeduldig:

„Piet komt niet, hoor! Dat valt me van hem tegen, hij is toch anders altijd van de partij.”

„Laten we een steentje tegen z’n raam gooien, misschien is ie in slaap gevallen,” zegt Chris.

„De wekker zal ie niet hebben laten afloopen,” grinnikt Puckie.

De laatste woorden werden gehoord door den heer Kaan, die het drietal zachtjes is genaderd.

„Zoo heeren,” klinkt z’n stem tamelijk hard door de stille straat. „Nog zóó laat op ’t pad?”

De drie nachtbrakers blijven als versteend staan.

„Waar gaat de tocht heen?”

„Wandelen naar Overschie,” zei Ambro, die als altijd de moedigste was.

„Een vreemd uur om zoo’n wandeling te maken. Weten jullie ouders daar wel van?”

„Natuurlijk niet, mijnheer, u begrijpt, dat we dan zooiets niet zouden mogen doen. Die slapen nu allen gerust en hebben geen flauw idee, dat we niet in ons bed liggen.”

„Behalve de moeder van Piet,” zegt mijnheer. „Die slaapt niet gerust.”

„Nou mijnheer,” zegt Chris. „Piet is toch niet meegegaan.”

„Neen, dank zij de oplettendheid van zijn moeder, die hem op heeterdaad betrapte toen hij al met één been buiten het raam stond.”

„Zie je wel,” verdedigde Puckie, „Piet heeft ons niet verraden.”

Hiermede gaf hij eigenlijk een antwoord op de gedachten van alle drie.

„Neen jongens, je begrijpt ’t verkeerd. Over Piet is m’n vrouw niet meer in onrust, wel over drie andere roekelooze bengels.”

Het begon tot de jongens door te dringen en ze keken verlegen naar den grond. Ambro schopte denkbeeldige steentjes van de straat weg.

Er volgde een pijnlijke stilte, die eindelijk onderbroken werd door meneer Kaan.

„Nu, wat denken jullie te doen? Wordt het plan doorgezet?”

„We zijn stom geweest, meneer,” bekende Ambro volmondig. „We hebben aan alles wat u daar zegt, niet gedacht.”

„Wie weet, of mijn moeder nou ook niet in onrust zit,” zei Puckie, wiens geweten begon te spreken.

„Als ik jullie een goeden raad mag geven, kruip dan weer net zoo zacht je bed in, als je er uitgekomen bent en vertel morgen aan je ouders wat je hadt willen doen. Ik hoop, dat jullie in het vervolg verstandiger zult zijn en ik vertrouw jullie nu verder.”

Meneer reikt ze daarop alle drie de hand en de druk van die drie jongenshanden bewijst hem, dat hij naar hun hart gesproken heeft en dergelijke grapjes niet weer zullen voorkomen.

Mijnheer verdwijnt in den donkeren nacht en haast zich huiswaarts, teneinde niets meer te verliezen van zijn kostbare nachtrust.

De jongens gaan op een drafje naar huis en ’t gelukte hen allen even vlug hun slaapvertrek te bereiken als ze dit verlaten hadden.

Den volgenden morgen, aan het ontbijt, vertelde Ambro de geschiedenis aan zijn ouders, die het eerst niet gelooven wilden en hem zeiden: „je hebt vast gedroomd.”

Maar toen het dienstmeisje, dat de thee binnenbracht, met een verbaasd gezicht vertelde, dat vanmorgen de knippen van de straatdeur waren en het raampje open stond, moesten zij het wel gelooven.

Nadat hij Ambro flink de les had gelezen, zei de heer Verbrugge:

„We kunnen meneer Kaan niet dankbaar genoeg zijn en ik wil niet wachten, hem onzen dank te gaan betuigen.”

Zoo dachten ook de ouders der andere jongens erover en meneer Kaan ontving dien dag drie dankbare vaders, die ’t er met hem over eens waren, dat hun zoontjes schelmen van ’t zuiverste water waren.

De heer Kaan vond het noodig nog even tot hun verdediging aan te voeren, dat het wel rakkers waren, maar dat bij geen van het ondeugende stel een kwaad hart zat.

HET GEHEIMZINNIGE APPARAAT.

Ambro en Karel loopen langs de Schiekade. Ze komen van gymnastiek en daar ’t Woensdagmiddag is, willen ze nog naar het Hol, waar ze weten dat de jongens hen wachten.

Een steenen paal, langs den weg, lokt ze echter eerst tot haasje-over springen. De paal is hooger dan Ambro’s schouder. Niettegenstaande dit, weet hij er met een flinken afzet handig over heen te komen.

Karel heeft er meer moeite mee en al eenige malen heeft zijn buik op een onaangename manier kennis gemaakt met den harden paal.

Eindelijk gelukt het hem zijn aanloop groot genoeg te nemen en hij vliegt met een vaart over den paal heen, waarbij echter dezen keer zijn zitvlak in zoo’n hevige botsing komt met den paal, dat dit een eind maakt aan het spel.

Ambro staat te gieren van pret om de pijnlijke grimassen die Karel maakt bij het wrijven langs bovengenoemd lichaamsdeel.

„Je bent ook een reuzen-os,” zegt Ambro.

„Je moet je aanloop grooter nemen.”

„Ik vertik ’t langer,” zegt Karel kwaad.

„Als je nu niet meegaat, ga ik alleen.”

„Goed,” zegt Ambro. „En dan nemen we den paal mee.” Hij doet alsof hij den paal met alle geweld uit den grond wil trekken.

„Maciste, de groote krachtpatser is er niks bij,” lacht Karel. „Schiet op,” laat hij er op volgen, „anders komen we nooit verder.”

Het tweetal vervolgt zijn weg.

Maar daar krijgt Ambro het pontje in de gaten, dat voor twee centen de liefhebbers naar den overkant brengt.

„Nou weet ik een goeie,” zegt hij.

„Wat dan?”

„We zullen dien pontjes-baas er tusschen nemen.”

„Hoe dan?”

„Ik loop zoo hard als ik kan om, en als ik aan den overkant ben, wacht jij af aan welken kant het pontje ligt en dan doen we net of we elkaar niet kennen. Ligt het nou aan mìjn kant, dan doe jij net of je mee wil. Ik doe natuurlijk net zoo als ie aan joùw kant ligt. Vaart hij nou over, dan smeer je ’m! In dien tusschentijd sta ik aan de andere kant en probeer hetzelfde. Als dàt lukt, is ie volmaakt.”

„Potverdrie, ja! dàt zullen we ’m lappen,” zegt Karel.

In vollen draf rent Ambro de Heulbrug over en nu loopt het tweetal op gelijke hoogte, ieder aan een kant van de Schie. Het pontje komt juist, met twee juffrouwen als vracht naar Karel’s kant toe.

Karel vervolgt kalm zijn weg.

Het pontje is intusschen aangekomen en Ambro staat aan den overkant kalm en geduldig te wachten, tot de pontjesbaas hem komt halen.

Deze keert dan ook onmiddellijk terug en zonder dat de man het in de gaten heeft, is Ambro reeds verdwenen en houdt hij zich schuil in het portiek van een huis.

De man begrijpt er niets van en zal wel gedacht hebben, dat hij droomde. Nog net ziet hij een jongetje staan en—weg is ie!

„Zoo’n aap,” bromt de man. „Laat me daar voor niks overvaren! Dat zal me geen tweeden keer gebeuren!”

Hij blijft nog even wachten en als hij eenige passagiers bij elkaar in z’n bootje heeft, onderneemt hij de reis naar den overkant.

Dit is een groote teleurstelling voor Karel, want nu het bootje vol is, kan hij hem den tocht niet te vergeefs laten maken. Dùs blijft hem niets anders over, dan Ambro te fluiten en hem toe te schreeuwen weer samen te komen op het Hofplein.

„Jammer, dat ie de tweede keer mislukte,” zegt Ambro, als ze weer bij elkaar zijn.

„Zeg, jôh, wat is ’t al laat; ga je mee naar ’t hol?”

„Mij best, de anderen zijn er nu ook.”

Nu gaat het in looppas naar den Dierentuin. Bij het hol gekomen, laat Ambro een zacht fluitsignaal hooren, dat onmiddellijk wordt beantwoord en, na even goed rond gekeken te hebben, schieten zij als konijnen weg tusschen de dichte bladeren.

Op hun buik voortkruipend, komen ze eindelijk op hun zorgvuldig in orde gehouden paadje en bevinden zich alras in het hol, waar zij Chris en Puckie aantreffen. Beiden liggen te lezen.

„Wat zijn jullie laat,” zegt Chris.

„We hebben keet gemaakt aan de Schie.”

En ze vertellen hun maar half gelukte grap met den pontjesbaas.

Puckie vindt het „een flauwen bak”.

„Omdat jij ’m niet verzonnen hebt,” bijt Ambro hem toe.

„Neen, dan hebben wij een beteren voor vanavond,” zegt Chris. „Hè, Puckie?”

„Nou, ’n fijne!” stemt Puckie toe.

„’t Zal wat zijn,” smaalt Ambro.

„Als jij ’t niet verzint, kan ’t niet deugen,” zegt Chris.

„Wat zijn jullie strijdlustig vandaag,” zegt Karel, die zich behagelijk heeft neergevleid op den zachten grond en naar de plekjes blauw van den hemel kijkt, die door de boomen zichtbaar zijn.

„A la routschkia de Baviani, met den kikvorsch op den schouder, van de boesa van de bombernades!” zegt Ambro met een onweerstaanbaar mal gezicht.

„Wàt zeg je nou?” vragen de jongens vol verbazing.

„Dat is Russisch,” zegt Ambro gewichtig.

„Wat beteekent het?” vraagt Chris geamuseerd.

„Juffrouw, haal je katje naar binnen, want het begint te regenen.”

„Och, malle, hou je snater,” giert Puckie.

„Toe, zeg ’t nog eens,” vraagt Chris.

„Neen, ik zing me liedje geen twee keer. Kom op met je plan, Chris, wat is ’t?”

En ze komen er mee voor den dag.

Chris neemt het woord en zegt met het gezicht van een toovenaar:

„Ik zie kans om in een heele straat belletje te trekken, door maar één bel aan te raken.”

„Da’s onmogelijk,” zegt Karel.

„Neen, dàt kan niet,” bevestigt Ambro.

„En òf ’t mogelijk is,” zegt Chris. „Vanavond, als ’t donker genoeg is, moeten jullie komen kijken en dan zal ik je bewijzen, dat ik waarheid spreek.”

„Top,” zegt Ambro. „Hoe laat moeten we komen, en waar?”

„Ik heb vioolles,” zegt Karel bedrukt.

„Tot hoe laat?”

„Tot half acht.”

„Nou, dat is net mooi, want dan is ’t donker genoeg om te beginnen.”

„Zeg nou es hoe je dat doet?” vraagt Ambro nieuwsgierig.

„Je zal ’t vanavond zien,” zegt Chris op vastberaden toon. „Komen jullie nou om kwart voor achten op de Heulbrug.”

„Wat een eind weg,” klaagt Karel.

„Ja, in een drukke straat gaat ’t niet.”

„Nou, vooruit dan. Ik zal er zijn. En we zullen Piet en Paul ook nog even waarschuwen.”

„Ja, da’s best.”

De klok slaat half acht.

Op de Heulbrug wachten Chris en Puckie en kijken in donker uit, of ze de anderen nog niet zien verschijnen.

En jawel! in de verte hooren ze een vroolijken deun fluiten en even daarna komen hun makkers, in marsch-tempo, aangestapt.

„Hallo!” schreeuwt Ambro. „Daar waren we.”

„Het spul kan beginnen,” lacht Chris.

Op een drafje gaat ’t nu naar de bewuste zijstraat van den Bergweg waar het wonder vertoond zal worden.

Het is intusschen al goed donker geworden.

De straat, die Chris uitgezocht heeft tot het terrein zijner operatiën, is wel een der stilste van deze wijk, hetgeen voornamelijk komt, doordat ze doodloopt en begrensd wordt door een hooge houten schutting.

Geen enkel levend wezen vertoont zich in de straat, uitgezonderd een zwarte poes, die, door een krijgskreet van Ambro opgeschrikt, in dwaze vlucht wegijlt.

„Hou je bakkes,” zegt Chris met ingehouden woede. „Ze mogen ons niet hooren!”

Met „ze” bedoelde hij de argelooze bewoners der straat.

„Nou jongens,” zegt Chris. „Ik zal aan ’t laatste huis beginnen, mot je kijken.”

Hij haalt uit z’n zak een groot kluwen stevig touw. Het einde daarvan maakt hij vast aan den deurknop van het huis en loopt dan, het touw flink strak houdend, naar den overkant, waar hij het touw aan de trekbel bevestigt.

Dan snijdt hij het touw af en bindt aan den deurknop van hetzelfde huis weer een eind vast, om vervolgens de bel van het huis aan den overkant daarmee te verbinden.

En zoo gaat hij voort, tot hij bij het zesde huis gekomen, bemerkt geen touw meer te hebben en den arbeid dus moet staken.

„Nou, opgelet, jongens,” zegt Chris. „Nou zal je een lol beleven.”

Mèt begeeft hij zich naar het eerste huis, waar hij het touw aan den deurknop vastbond en trekt hard aan de bel.

Het resultaat is schitterend!

In een portiek staan de jongens te kijken naar het effect.

De eerste deur wordt geopend, maar diezelfde deur brengt de bel van den overkant in beweging. Ook daar wordt geopend en met hetzelfde resultaat. En warempel, geen enkele deur die zijn plicht niet doet, geen enkele bel, die weigert.

Dan verschijnen zes hoofden aan beide zijden van de straat, en nijdige uitroepen weerklinken van „wie daar!!!” „Wie belt daar toch zoo!!”

Een juffrouw ontdekt het touw dat aan haar deurknop is bevestigd en in haar verwoede pogingen om het touw te verwijderen, klingelt, door die beweging, de bel bij haar overbuurman, als bezeten door het huis, met het gevolg, dat een man in hemdsmouwen naar buiten komt rennen, die eveneens het touw ontdekt en de verschrikte juffrouw aan den overkant vraagt, of ze gek is geworden en wat dat bellen van haar te beduiden heeft.

„Ik bel niet,” zegt de juffrouw nijdig.

„U belt wèl,” houdt de man vol.

„Nou kom dan kijken,” zegt de juffrouw met een hoofd als een kalkoenschen haan.

Intusschen zijn nog meer bewoners naar buiten gekomen, die geen van allen begrijpen hoe dit fopschellen zonder de aanwezigheid van kwajongens kan plaats hebben.

De jongens in het portiek rollen over elkaar van het lachen en besluiten, alvorens ontdekt te worden, het hazenpad te kiezen en in volle vaart hollen ze naar de Heulbrug terug. Ze worden niet achtervolgd, want de menschen hebben te veel werk om de touwen van hun knoppen en bellen te verwijderen, maar de liefelijkste verwenschingen worden ze achterna geroepen.

Geheel buiten adem door het harde loopen, komt het stel op de Heulbrug aan.

„Hè, hè!” zegt Ambro voldaan. „Hij was van den bakker! Je hebt er alle eer van, Chris! Hoe ben je op ’t idee gekomen?”

„Dat weet ik zelf niet. Maar we zullen ’t meer doen! ’t Is alleen jammer, dat je je touw kwijt raakt bij zoo’n grap. ’t Was vast een eind van 100 Meter.”

„Nou, dan leggen we botje bij botje en we koopen weer eens een kluw.”

Dit vonden ze allen best.

Het was intusschen kwart over acht geworden en hoog tijd om naar huis te gaan.

Dus keerde de vroolijke troep lachend en joelend huiswaarts en Ambro droomde dien nacht dat hij stond in een grooten kring van juffrouwen en vloekende kerels die groote schellen in ’t rond zwaaiden en hem steeds dichter naderden.

VAN EEN VLIEGER EN EEN MEISKE.

„Hè! is Ambro er weer niet?”

Deze uitroep verbreekt de stilte die in het Hol heerschte, waar de jongens rustig zaten en lagen te lezen.

Piet kijkt uit z’n boek op en zegt eveneens:

„Neen, hij is er weer niet, da’s warempel al de derde keer, dat ie ontbreekt, en na school gaat ie altijd direct naar huis. Zóó vreemd is-t-ie nog nooit geweest.”

„Zou ie kwaad zijn om ’t een of ander?” vraagt Paul.

„Kwaad! Daar is heelemaal geen reden voor.”

Het gezicht van Chris, die al dien tijd gezwegen heeft, verraadt, dat hij meer van de zaak weet.

„Chris, jij weet er van,” zegt Karel. „Ik zie ’t aan je heele bakkes.”

„Och, kletsika! Ik weet van niks,” bromt Chris.

„Je liegt, man! Jij weet er meer van,” houdt Karel vol.

Dan wordt Chris kwaad.

„En al zou ik er meer van weten, dan hoef ik ’t jou toch niet aan je neus te hangen.”

„Ah! zei ik ’t niet,” triompheert Karel. „Wat heeft ie je beloofd als je niks zegt?”

„Een oplababbel als ik ’t wèl zeg,” lacht Chris.

„Wat kan ’t mij ook verder schelen,” roept Puckie, die met dezen kwasi-onverschilligen uitroep een laatste poging doet om achter het geheim te komen.

„Dat dacht ik ook,” zegt Chris, die zich niet in de kaart laat kijken.

Karel geeft ’t echter nog niet op.

„Och, jôh! Chris doet maar net of ie iets weet, hij weet net zooveel als wij.”

„Zoo is ’t,” zegt Chris, maar z’n gezicht logenstraft zijn woorden.

De jongens gaan weer door met lezen, maar hun nieuwsgierigheid is geprikkeld en lang kunnen ze er niet over zwijgen.

„Weet je wat ik doe,” zegt Puckie plotseling. „Ik ga naar z’n huis; ik zàl weten waar ie uithangt.”

„Dat zal je laten,” zegt Chris woedend.

„Daar heb jij niks over te zeggen,” bijt Puckie hem toe.

„Heb ’t lef es te gaan!” dreigt Chris.

„Dat zal je gewaar worden,” zegt Puckie, terwijl hij opstaat.

Chris, die op den grond ligt, pakt Puckie’s been vast. Deze begint te trappen en te schreeuwen.

„La’me los!”

„Ga dan niet naar z’n huis!”

„Los!” blijft Puckie schreeuwen en geeft Chris een klap op z’n hoofd.