Het hol van Kaan

Part 7

Chapter 74,082 wordsPublic domain

De andere jongens, die eerst pleizier hadden in de ruzie, zijn nu bang, dat door al dat lawaai hun heiligdom wel eens ontdekt zou kunnen worden. Ze trachten dus sussend tusschenbeide te komen, hetgeen ze ook gelukt, want Chris laat Puckie’s been los en deze laatste houdt op met schreeuwen.

Als de rust in het Hol weêrgekeerd is zegt Piet kalm:

„Ja, hoor es, Chris, als je d’r geheimen voor ons op nahoudt, dan moet je maar je biezen pakken. We houwen voor mekaar niks achterbaks; da’s flauwe kul! Of je zegt ’t ons, òf je gaat maar naar Ambro.”

„Natuurlijk,” stemmen de anderen toe.

Ze leggen Chris het vuur na aan de schenen en hij eindigt met Piet gelijk te geven.

„Ja,” zegt hij dan. „Nu ie ’t mij verteld heeft, hebben jullie net zooveel recht het te weten.”

En snel laat hij er op volgen: „Ambro heeft een meisje!”

Dat bericht valt als een bom temidden van de jongens en wordt met gemengde gevoelens ontvangen.

„Wat een idioot!—Wat mankeert ’m!—O, is het dàt!!”—

Tot eindelijk Karel nieuwsgierig vraagt: „Wie is het?”

„Margot Hoevers.”

„Dàt schaap!—Die aanstelster!”—

„En komt ie nou nooit meer met ons spelen,” vraagt Paul, die Ambro steeds bewonderd heeft en heel dikwijls steun bij hem vond wanneer hij als jongere en zwakkere op hun avontuurlijke tochten in gevaar verkeerde.

„Dat zie je,” zei Piet nijdig. „Al drie middagen heeft ie z’n tijd verknoeid. Dan wandelt ie zeker met z’n schoone jonkvrouw!!”

„Nou, ik vind ’t niet zoo’n naar kind,” zegt Chris. „En ze brengt altijd appels voor hem meê.”

„O, doet ie ’t daarom,” zegt Puckie vol minachting. „Die kan ie van mij ook krijgen, we hebben er genoeg thuis.”

„Neen, niet alleen daarom,” verdedigt Chris hem. „Hij vindt haar heel lief. Hij heeft warempel al drie weken z’n zakcenten gespaard om d’r een doosje chocolade te koopen.”

„Wat een halve gare!” roept Karel. „Niks voor Ambro! Maar wedden, dat ’t hem gauw gaat vervelen!”

Chris begint ’t nu ook jammer te vinden, dat Ambro door dat meisje niet meer in hun midden is en hij, die Ambro’s geheim eerst zoo goed wist te bewaren, hij stemde nu met de jongens in, dat Ambro’s gedrag zeer was af te keuren.

„Ik stel voor,” zegt Karel, „hem weer voor ons te veroveren en dat zal ons lukken ook. Ik weet zeker, als hij moet kiezen tusschen ons en dat malle kind, hij ons zal kiezen.”

„Hoe wil je dat dan aanleggen?” vraagt Piet.

„Wel, door hem op te zoeken en hem voor de keuze te stellen.”

„Best,” zegt Chris. „Dan zal ik zeggen waar hij is.”

„Nou, waar dan; zeg op!”

„Op het weiland, achter den Provenierssingel. Daar laat hij een vlieger met d’r op.”

„Vooruit jongens, we gaan er heen,” roept Puckie.

Behoedzaam sluipt de bende het Hol uit, en in looppas gaat het den tuin uit naar het weiland. Bij den overweg van het spoor gekomen, roept Piet plotseling: „Ja, hoor, ik zie ’m staan!”

„Wie zie je staan?” vraagt Paul.

„Wel, dáár, kijk dan!” en hij wijst omhoog, waar tegen den blauwen hemel een groote witte vlieger onbewegelijk staat.

„Ik herken hem aan den staart. Die heeft ie vol gekke tierlantijntjes gedaan.”

„Ja, dat is Ambro z’n vlieger,” roept Chris. „Ik zie het roode hart in ’t midden.”

De vlieger wijst hun den weg en al heel gauw zien ze in de verte twee kleine figuurtjes die op een berm zitten.

Ambro, in z’n blauwe trui, Margootje, in haar matrozenjurk. Haar groote stroohoed ligt naast haar, en de wind speelt met de lange, blonde krullen, die aan weerskanten van haar gelaat hangen.

„Wat een lol, om daar met dat schaap te zitten,” zegt Piet met de diepste minachting.

„Hij let meer op den vlieger, dan op haar, zie je wel!” spotte Puckie.

„Vooruit jongens, nou voorzichtig omloopen en dan gaan we achter den berm zitten en kunnen we afluisteren wat ze spreken.”

Zoo gezegd, zoo gedaan.

In minder dan geen tijd ligt het vijftal op hun buik achter den berm. Ze houden zich muisjesstil. Ambro, zich van niets bewust, haalt langzaam z’n vlieger in.

„Vin-jij ’t hier leuk?” vraagt hij.

„Och, jawel,” zegt zij.

„Maar we moeten nu eens ergens anders heen. Altijd op dat weiland gaat zoo vervelen,” zegt Ambro.

„Mij ook goed,” zegt Margootje, tamelijk onverschillig.

„Vragen je vriendinnen nooit waar je uithangt?”

„O, die weten ’t wel. Ze hebben me genoeg uitgelachen.”

„Dan hengst je d’r op,” zegt Ambro.

„Wel zeker! dat doen wij nooit.”

„Lam genoeg van jullie!”

„Vragen de jongens dan nooit waar jij bent?”

„Ze moesten ’t lèf hebben,” snijdt Ambro op. „Dat gaat ze immers niks aan.”

„Vin-jij ’t leuk zoo met z’n tweeën,” vraagt ditmaal Margootje.

„Leuk, dàt is ’t woord niet,” zegt Ambro meer oprecht dan beleefd.

„Me neefje heeft ook een meisje... enne... ik dacht dat ’t aardig was.”

„Jakkes! wat ben jij een hark van ’n jongen.”

„’n Hark! Als je een knul was, kreeg je een opstopper.”

„Zeg es, je bent niet onder je vriendjes.”

„Nee, jammer genoeg,” zegt Ambro nu heel nijdig.

Achter den berm klinkt een onderdrukt gelach, dat gelukkig door het tweetal niet gehoord wordt.

„Jij bent altijd zoo kattig,” zegt Ambro.

„Da’ ben je zelf,” vinnigt Margootje.

„Een jongen doet nooit kattig.”

„Dan ben jij een meisje.”

„Och, loop rond, saai schaap!”

„Ik heb je altijd een echte nare jongen gevonden.”

„Maar me chocolaadjes die lustte je wel.”

„Nou, ik gaf je toch appels.”

„Poeh! drie rotte waren er bij.”

Margootje begint te snikken.

Ambro schrikt van dien plotselingen tranenvloed. Hij wil haar eerst uitlachen, maar nu hij tusschen de blonde krullen die met tranen gevulde kijkers ziet, wordt ’t hem toch te machtig en terwijl hij lang in z’n broekzak zoekt, diept hij er eindelijk zijn kostbaarsten schat uit op, een grooten glazen knikker met prachtige gekleurde strepen erin, dien hij haar voorhoudt met de woorden:

„Hou nou op met janken, Go. Kijk eens, wat ik daar voor je heb?”

Maar het geschenk werd niet aanvaard.

Ze schudde koppig met haar hoofdje en duwde de hand met den knikker weg.

„Nou, graag of niet,” zei Ambro wiens medelijdende stemming van korten duur was. „Met jullie meisjes is niks te beginnen.”

„Ik maak ’t uit,” zegt Margootje.

„Dat heb ik allang gedaan,” spot Ambro.

„Naarling!”

„Mal schaap!!”

De tranen zijn verdwenen en ze is weer het kleine katje van straks.

Ambro haalt intusschen zijn vlieger in, die met duikenden zwaai naar omlaag komt. Hij ontdoet hem van den staart en maakt het touw los.

„Nou, ik smeer ’m,” zegt hij. „Go, laten we nou niet als kwaje vrienden van mekaar gaan. We vervelen ons samen toch maar. Geef me de vijf.”

„Nee, hoor, nee!” en het kleine juffertje stampvoet van nijd.

„Dàn niet!” En Ambro loopt fluitend weg, Gootje aan haar lot overlatend.

Hij loopt in de richting van den Overweg en als hij heel ver is, staat ook Margootje op en begeeft zich langs denzelfden weg huiswaarts.

Als ze ver genoeg verwijderd is, richten de jongens achter den berm zich voorzichtig op.

„Hoe is ie?” vraagt Chris.

„Heb ik ’t je niet gezegd, dat ’t niets voor Ambro is,” vraagt Karel.

„Hij verveelt zich immers dood met zoo’n kind.”

„Ik wed, dat ie nou naar ’t Hol is,” zegt Puckie.

„Laten we dan ook gauw gaan,” zegt Paul.

„Wel neen,” antwoordt Piet. „Nou mag ie es voor niks komen.”

Maar de anderen zijn ’t niet met hem eens.

„Ga mee, jongens,” zegt Chris. „Als we hard loopen, kunnen we hem nog net inhalen.”

En dan gaat ’t met een spurtje over de wei, den Diergaardesingel langs, naar den Dierentuin.

En ’t was zooals ze dachten, in het Hol vonden ze Ambro.

Chris had ze onderweg bewerkt om nu toch geheel onbevangen te doen en niets te laten merken van wat ze gezien en gehoord hadden.

Dus begroetten ze Ambro heel gewoon en vroegen niet waar ie al dien tijd gebleven was.

Ieder maakte het zich weer gemakkelijk in ’t Hol en de meesten gingen lezen.

Ambro lag languit op den grond. Die stilte beviel hem niet. ’t Ergerde hem, dat ze hem niet gemist schenen te hebben.

Een paar maal trachtte hij door het vragend optrekken van z’n wenkbrauwen de aandacht van Chris op zich te vestigen. Maar deze, ofschoon hij dit gebaar zeer goed zag, deed, alsof hij hem niet begreep en ging voort met zijn Buffalo Bill te verslinden.

„Waar zijn jullie al dien tijd geweest?” waagde Ambro het eindelijk te vragen.

„Nou is t’ie goed!—Hij zeit wat!—Mot je nog boontjes, of lust je niet meer!” riepen verschillende stemmen.

„Wij??... Jij!!!... Dàt mogen we jou wel vragen.”

„Ik... ikke... ik heb gevliegerd.”

„In je eentje?” vroeg Puckie met een doodonschuldig gezicht.

„Chris, jij hebt me verrâje! En de beloofde opstopper zal je niet ontgaan, man!”

„Dat lieg je! Jongens, heb ik ’m verrâje? Puckie wou naar je huis gaan om te vragen waar je bleef en toen heb ik ’m bij z’n poot gepakt.”

En Chris vertelde de heele toedracht der zaak.

Onmiddellijk was Ambro ’t er mee eens.

„Nou, ik ben blij, dat ik er af ben!” zei Ambro met een zucht van verlichting. „’t Is niks gedaan, ’t kost je al je weekgeld en je verveelt je.”

„En je schoot er bijna nog je mooien knikker bij in,” barst Puckie in een schaterlach uit.

„Verroest! hoe weet jij dat!” valt Ambro uit.

„De berreme hebbe oore, jongeheer!” zegt Piet hoogst theatraal.

„Wat ’n vuile streek! Jullie hebben geluisterd,” en een blos van schaamte kleurt Ambro’s dikke wangen.

„Ja, jôh, nou zit je d’r in,” plaagt Karel.

„Toch naar voor Margootje,” zegt Paul weekhartig.

„Laat ze voor mijn part ophoepelen,” zegt Ambro. „Nogal een lief ding om partij voor te trekken. Je mag ze van me cadeau, Paul.”

Nu wendt zich de spotlust tot Paul.

„Hèèèè! Paul met een meissie! Zou je wel durreven, Paultje?”

„O, ja,” zegt Paul parmantig. „Maar ik zou niet willen. ’t Is niks echt.”

„Ik heb honger,” zegt Ambro. „En ’t is vijf uur. Ik ga naar huis.”

„Ik ook.”

En ’t heele stel stapt op. Allen zijn innerlijk dol verheugd, dat Ambro niet verloren ging voor de bende.

„Ga je met ons mee morgenmiddag,” roept Puckie. „Of ga je weer vliegeren in de wei?”

„Met jullie mee,” zegt Ambro en met een vaartje rent hij op z’n huis toe.

KAREL’S EERSTE OPTREDEN.

„Karel, wanneer is je concert?” vraagt Ambro op zekeren dag aan zijn in het Hol vergaderde kornuiten.

„Me concert!!” lacht Karel.

„Nou ja, die uitvoering dan, waar je op speelt.”

Chris kijkt belangstellend op.

„Speel je op een uitvoering?” vraagt hij.

„Ja,” zegt Karel kwasi-onverschillig.

„Ik speel op een uitvoering van de muziekschool, over een week of drie, geloof ik.”

„Moet je alleen spelen?” vraagt Paul, die het geval zeer huiverig vindt.

„Nou alleen! Natuurlijk met begeleiding van piano.”

„Jôh, wat keetig,” vindt Puckie.

„Zeg, mot er een snaar springen!”

„Liever niet,” zegt Karel. „Dan kan ik de fiedel wel meteen neerleggen.”

„Kan je dan niet op drie snaren spelen?” vraagt Puckie.

„Nee, man, dat gaat niet. Ik lap ’t ’m tenminste niet.”

„En wie speelt er piano?” vraagt Piet.

„O, een van de oudere leerlingen, een meisje, geloof ik.”

„Hm, hm!” laat Ambro veelbeteekenend hooren.

Karel vat direct vlam. „Toe, schei uit, flauwerik!”

„Ik zeg niks,” beweert Ambro, maar z’n ondeugende kijkers zeggen genoeg.

„We moeten er allemaal heen,” zegt Chris.

„Natuurlijk,” beaamt Ambro. „Zeg, jôh, kan je ons kaarten bezorgen?”

„Ik denk ’t wel,” zegt Karel met het air van een groot artist.

„Dan gaan we met z’n allen boven zitten en we zullen voor je klappen, jôh, dat hooren en zien je vergaat.”

„En als ik nou slecht speel, of in de war raak,” twijfelt Karel.

„Bê-je! Jij krijgt geen plankenkoorts,” zegt Ambro, die veel vertrouwen in Karel’s spel schijnt te hebben.

„Wat speel je,” vraagt Chris.

„Een viool-concert van Seitz,” zegt Karel gewichtig. „Drie deelen, jôh, moet je niet uitparemesanen!”

„Wel een beetje lang,” vindt Puckie, die niet erg muzikaal aangelegd is en een gramophoon veel mooier vindt dan zoo’n lang concert.

„Dan ga je niet,” zegt Karel beleedigd.

„Zal je gewaar worden! Als ’t me verveelt ga ik maffen.”

„Nou, Paganini, ik ga naar huis,” lacht Ambro. „Wie gaat er mee?”

Het heele troepje volgt hem en het Hol is weer voor een poosje verlaten door zijn bewoners.

Een paar dagen later loopen Chris en Ambro na schooltijd samen een straatje om.

Ze hebben iets gewichtigs te bespreken en Ambro’s kop neigt zich geheimzinnig naar Chris over.

„Weet je al wat?” vraagt hij.

„Hij is van den bakker, hoor!” zegt Chris vol pret. „Ik heb er m’n zus voorgespannen, die d’r vriendin is ook op de muziekschool.”

„Fijn, man, fijn!” juicht Ambro. „Wie is het?”

„’t Is een meisje van zestien jaar, ze heet Dina Terlaken.”

„En je weet zeker, dat die Karel begeleidt?”

„Vast en zeker, me zus wist zelfs te vertellen, wat ze speelden.”

„Oei ha! Nou kunnen we hem er tusschen nemen.”

„Zouden de anderen mee willen doen?”

„Vast hoor! En als ze ’t niet doen, kan ’t me nog niks schelen, want dan geef ik er den riks voor dien ik van Opa kreeg.”

„Nou, ik heb er graag een gulden voor over, als de anderen niet mee doen. Ik heb m’n eene verfdoos verkocht an me neefie en nou heb ik weer lood.”

„Wat zal ie fijn worden! We motten er bijtijds voor zorgen.”

„Laat dat maar aan mij over.”

De volgende dagen wordt er door alle jongens, behalve Karel, hevig beraadslaagd en ’t is een vreeselijk geheimzinnig gedoe, waarbij telkens onderdrukte lachjes weerklinken.

Veertien dagen later.—In den huize Boekers heerscht een gejaagde drukte. De avond is namelijk aangebroken, waarop Karel’s debuut zal plaats hebben. Deze loopt, in een fonkelnieuw pakje, gejaagd door de kamer. Telkens werpt hij tersluiks een blik in den spiegel om zich ervan te overtuigen, dat zijn kuif nog even mooi zit als straks, toen nicht Marie hem met veel moeite in orde bracht. De twee zussen, in mooie witte jurken, zitten met hoogroode kleuren aan tafel, in afwachting van het rijtuig, dat de familie naar de concertzaal zal brengen.

„Jongen, is je viool heelemaal in orde?” vraagt moeder bezorgd. „Heb je wel snaren in je kist?”

„Ja, moeder, heusch, heusch,” zegt Karel gejaagd.

„En ligt je muziek klaar?” klinkt vader’s zware basstem van achter de courant, waarin hij nog gauw even zit te lezen.

„O, da’s waar ook, m’n muziek,” schrikt Karel op.

De zussen hollen al naar den muzieklessenaar, doch „Seitz” staat er niet op.

Karel kijkt wanhopig. Het stond er toch altijd op.

„In de muziekkast misschien?” vraagt moeder.

Karel rommelt in angstige haast de heele kast omver—doch „Seitz” is niet te vinden.

„Op de piano,” zegt nicht Marie en haast zich er naar toe.

„Het rijtuig,” gillen de zussen er tusschen door.

„Moet maar even wachten,” kalmeert vader.

Allen zijn nu aan het zoeken, doch het verloren schaap komt niet terecht.

„Wat moet ik nu beginnen?” jammert de ongelukkige solist.

„Kalm blijven en eens goed bedenken waar je het ’t laatste zag,” zegt vader.

Nicht Marie heeft intusschen op Karel’s kamer gezocht, doch zonder resultaat.

„Heb je ’t ook in je overjas gestoken?” vraagt moeder.

„Ja, ja,” roept Karel blij. „Nu weet ik ’t. Uit angst, dat ik ’t vergeten zou, heb ik het er in gedaan.”

En jawel! In Karel’s overjas, zit heel veilig het muziekrolletje.

Nu gaat de heele familie haastig naar het rijtuig, dat ze vlug naar de concertzaal brengt.

De zaal is stampvol. Familieleden en vrienden der jeugdige executanten zitten allen in spanning te wachten op de dingen die komen zullen.

Op de galerij zitten de roovers uit het Hol van Kaan allen naast elkaar. Ze wisselen groetjes met schoolvriendjes en gedragen zich zeer behoorlijk.

„Daar heb je Karel,” roept Ambro, als hij de familie Boekers de zaal ziet binnentreden.

„Tsjonge, wat ziet ie d’r piekfijn uit,” zegt Puckie bewonderend.

„Kijk es, hij heeft een lèf-doekie in z’n jaszak!” lacht Chris.

„Da’s om z’n viool af te vegen,” verdedigt Paul direct.

„Nou, ik begrijp wel, dat ie d’r zijn gaffel niet in snuit,” zegt Chris beleedigd.

Het concert wordt geopend met een vierhandigen marsch, gespeeld door twee kleine meisjes, die als ze voor de piano zitten, als twee druppelen water op elkaar gelijken.

„Kijk daar es,” galmt Puckie.

„De Siameesche tweelingen!”

„Hou je kop,” roept Ambro.

„Straks worden we d’r nog uitgetrapt.”

„Ik had een strikkie aangedaan als ik haar was,” fluistert Piet, doelend op een reusachtig haarlint van een der spelende slachtoffers, een lint, schier grooter dan haar kopje.

„Karel krijgt straks ook een lintje in z’n kuif,” grinnikt Ambro.

„Sttt,” roept nijdig een zenuwachtig heertje, dat dichtbij ze zit.

„Vast d’r pipa,” waagt Ambro het te fluisteren.

De Siameesche tweelingen spelen niet onverdienstelijk en als het nummer uit is, zijn ze in de achting van de bende boven gestegen, maar, als ze, dankend voor het hun ten deel gevallen applaus met een stijve „kniks” bedanken, beginnen de jongens onbedaarlijk te lachen.

„Wat een aanstelsters,” hoont Ambro.

„Dat hebben ze vast bij die lieve juffrouw Hesterman geleerd.”

„Wat krijgen we nou?”

„Gedresseerde honden!”

„Nee, eerst Maciste, de krachtpatser!”

„Wie heeft een programma?”

„Hier,” zegt Paul schuchter.

„Waar is het mijne?” zegt Piet, terwijl hij overal rondzoekt.

„Bijna beneden,” is het antwoord van Ambro.

Deze laatste heeft van het zijne een proppenschieter gemaakt, terwijl hij dat van Piet voor de munitie-aanmaak gebruikte.

De rakker is met den grootsten ijver bezig een kaalhoofdig heer onder hem, onder vuur te krijgen.

Af en toe ziet hij een dame verbaasd een propje uit haar schoot opdiepen, doch als ze naar boven kijkt, trekt de schelm zoo’n onschuldig gezicht, dat niemand hem van kwaad zou verdenken.

„Pas op,” waarschuwt Piet. „De zaal-chef staat vuil op je te loeren.”

Ambro, uit angst de zaal uitgezet te zullen worden, alvorens Karel het glansnummer van den avond gespeeld heeft, houdt nu zijn gemak een beetje.

„’t Hoeveelste nummer komt Karel ook weer?”

„Het derde gelukkig,” zucht Paul, die erg in angst zit voor Karel.

Het tweede nummer is een van de oudere leerlingen, die een aria zal zingen.

Het is een tamelijk corpulente jongedame, die met alle allures van een groote concertzangeres het podium betreedt.

„Wat een Paasch-os,” zegt Chris.

„Ze lijdt aan ondervoeding,” smaalt Ambro.

Net zal de juffrouw haar aria inzetten, als Ambro, die den lust tot kattekwaad niet kàn weerstaan, plotseling Paul een hevige kneep in z’n zitvlak geeft, waarop deze met een gil van pijn „Au” schreeuwt. De pianist houdt op en de geheele zaal werpt verwoede blikken naar de plaats, waar de gil vandaan kwam.

De directeur van de muziekschool loopt vertoornd de trapjes op naar het tooneel en zegt:

„Jongelui, wanneer jullie niet kalm kunt zijn, zal ik je er uit laten zetten, begrepen? Als je nog te klein bent, om je op een concert behoorlijk te gedragen, dan moet je de zaal verlaten. Dit is de eenige waarschuwing die ik jullie geef.”

Met korte, driftige pasjes verlaat hij het podium en de jongens blijven met beschaamde gezichten zitten.

Het nummer wordt nu onder doodelijke stilte afgewerkt en als het uit is, zien de jongens Paul zitten, met betraande oogen.

„Ben je ontroerd?” vraagt Piet.

„Neen, van die kneep,” hapert Paul.

„Gemeen van je,” zegt Piet tegen Ambro. „Als we straks buiten komen zal ik je afknokken.”

„Ik wist niet, dat ie zoo hard aankwam,” zegt Ambro berouwvol en reikt Paul een halve Kwatta toe.

Paul, altijd vergevensgezind, neemt het geschenk dankbaar aan en lacht door z’n tranen, die meer hun oorsprong hadden in de berisping van den directeur in het openbaar, dan om de kneep zelf.

„Ze zullen toch wel op tijd komen,” zegt Chris bezorgd.

„Wie?” vraagt Ambro.

„De...” fluistert Chris.

„Natuurlijk, ik heb die vent een fooitje gegeven.”

Dan komt het groote moment... Karel’s optreden.

„Daar heb je hem,” zegt Paul zacht, met een stille bewondering in zijn stem en, als gold het hen zelf, zijn ze nu allen, stil als muisjes.

De jongedame, die Karel begeleiden zal, tikt zacht een a op de piano aan, en Karel stemt nog even zijn viool, die door de temperatuursverandering alweer ontstemd was.

Dan speelt ze de eerste maten en valt Karel mooi op tijd en met krachtigen streek in.

„Hij lapt ’t ’m!” fluistert Ambro.

„Ik vind ’t prachtig,” zegt Chris.

„Ssst!” zegt Piet, die over de balustrade hangt, om toch geen nootje te verliezen van het ten gehoore gebrachte.

Het eerste deel is ten einde en alvorens het tweede te beginnen, heeft Karel al een flink applaus te pakken. Dat geeft hem moed en met nog meer durf begint hij aan het tweede deel. Dit, en het laatste, loopen dan ook best van stapel en het publiek is klaarblijkelijk zeer ingenomen met de vorderingen van het jeugdig violistje.

Boven van de gaanderij weerklinkt zoo’n salvo van toejuichingen, met uitroepen als „leve Karel”, dat ditmaal het publiek niet vertoornd, maar lachend naar boven kijkt.

Temidden van dit tumult verschijnt eensklaps de zaal-chef op het podium, die het meiske, dat Karel begeleidde, een mooien bouquet aanbiedt.

Het meisje is geheel verlegen door deze bloemenhulde en neemt den bouquet aan, als ware het een natte parapluie.

Dan verlaat het tweetal, onder hernieuwde toejuichingen het podium.

Ze nemen hun plaatsen op de daarvoor gereserveerde eerste rijen weer in.

Het meisje wordt direct door de andere meisjes-leerlingen bestormd met de vraag van wie ze die bloemen wel heeft. ’t Is immers een gebeurtenis dat iemand op een uitvoering van de muziekschool bloemen krijgt.

„Toe Dien, zeg dan eens, van wie heb je ze,” zegt haar buurvrouw.

„Gut kind, ik weet ’t niet, ik ben zelf zoo verbaasd.”

„Daar hangt toch het kaartje!”

„Dat had ik niet eens gezien.”

Dit heele tooneeltje wordt van boven, door de bende, met speuroogen gevolgd. En al hooren ze niets van het gesprek daar beneden, de drukke gebaren zeggen hun genoeg.

Intusschen heeft Dina met bevende vingers het kaartje uit de enveloppe gehaald, en tot groote hilariteit van de anderen leest ze de in sierlijke letters geschreven naam...

Karel Boekers

en in kleine letters staat er onder:

„Uit dank voor uw heerlijk spel.”

Dien kijkt eenigszins teleurgesteld, ze had de hulde hooger-op gezocht. Even had ze... aan Frits gedacht... die al een lange broek draagt... en die den laatsten tijd opvallend veel haar huis passeert.

Haar buurvrouw, die haar ontstemming opmerkt zegt:

„Vin-je ’t niet eenig van dat joggie?”

„Wat verbeeldt ie zich wel, die aap!”

„Hè Dien, wat onaardig,” zegt valsch-verontwaardigd buurvrouwtje, die diep in haar hartje een gevoel van innig leedvermaak verbergt, voor Dien’s teleurstelling.

Dien, die haar doorziet, neemt zichzelf voor, te doen, alsof ze zeer blij is met de bloemen-hulde en zegt liefjes:

„Ik moet hem toch eens even toeknikken.”

Ze draait zich om en knikt allervriendelijkst naar Karel, terwijl ze de bloemen in de hoogte houdt en er eenige keeren haar neusje in laat te gast gaan.

Karel, die niets van die manoeuvre begrijpt, lacht verlegen terug en geeft door een handbeweging te kennen hoe mooi hij de bloemen vindt.

Boven, op de gaanderij, duiken vijf jongenskoppen weg, krimpen de roovers in mekaar van ingehouden lach.

„Hij is alweer reusachtig,” grinnikt Ambro. „Zag je wel, Karel snapt er niets van.”

„Straks gaat ze hem bedanken, en dan is ie heelemaal fijn.”

„Laten we nou koest zijn, want ’t begint weer,” zegt Piet waarschuwend.

Ze hooren nu dit laatste nummer voor de pauze rustig aan.

„Hè, ik ben blij dat het pauze is,” zegt Puckie. „Ik zit toch liever in het circus. ’t Is eigenlijk allemaal één pot nat zoo’n uitvoering.”

„Nou opletten, wat er verder gebeurt,” zegt Ambro, die geen oog afliet van Dina en Karel.

Laatstgenoemde is van zijn plaats gegaan en bij zijn familie gaan zitten. Juist is ie bezig aan een glas limonade als plotseling Dina voor hem staat, hem hartelijk bij de hand pakt en deze zóó krachtig schudt, dat de limonade naar alle kanten vliegt.

„Wat aardig van je,” zegt ze, hem liefelijk toelachend.

„Hè,... wat bedoel je...,” zegt Karel bedremmeld.

Mijnheer en mevrouw Boekers buigen zich vol aandacht naar het tweetal over.

„Ja, hou je nu maar niet van den domme,” lacht ze schalks. „Ze zijn prachtig, hoor! Mijnheer en mevrouw, u wordt ook vriendelijk bedankt.”