Part 5
„Je zoudt me verlegen maken, jongen,” lacht mijnheer, terwijl hij naar mevrouw toe gaat.
„Mag ik me dan maar even voorstellen, mevrouw. Mijn naam is Reens, dokter Reens.”
Mevrouw reikt hem vriendelijk de hand, terwijl ze zegt: „Mevrouw Boekers.”
En dan laat ze er op volgen: „Mag ik u verzoeken aan ons tafeltje te komen zitten en met ons op Karel’s gezondheid te drinken, wij vieren n.l. zijn verjaardag.”
„Heel graag, mevrouw,” zegt Dr. Reens en onder gejuich van de jongens wordt hij door de meisjes onder den arm gepakt en gaan ze naar mevrouw’s tafel waar ze gezellig plaats nemen.
„’t Is net of we mijnheer al jaren lang kennen,” zegt Ambro.
„Nu,” zegt mevrouw, „dat ben ik met je eens, jongen, ik vind zelfs, dat mijnheer een zeer bekend gezicht heeft en toen ik klein was, ging ik op de bewaarschool met een zekeren Jan Reens, die drie huizen van ons af woonde en waar mijnheer heusch nog op lijkt.”
„Juist mevrouw, datzelfde jongetje ben ik,” lachte mijnheer. „En wacht eens—dan is u Lize Gardens. ’t Is wel héél toevallig, dat we elkaar na al die jaren hier ontmoeten. Wat hebben we veel kattekwaad samen uitgehaald!”
De kinderen spitsen de ooren, daar zouden ze wel eens wat meer van willen hooren, maar mevrouw schijnt ’t niet noodig te vinden dat haar kroost alle ondeugende streken te hooren krijgt die ze in haar jeugd uitgehaald heeft en ze zegt:
„Dat is alweer ruim dertig jaar geleden. Waar blijft de tijd.”
„Ja, ja, mevrouwtje,” lacht de dikkert. „We worden oud.”
„Wat zult u er koddig uitgezien hebben in een kort broekje,” zegt Ambro.
„Jullie kunt je mij toch ook niet voorstellen in een kort matrozenjurkje,” zegt mevrouw, die bang is voor plagerijen van de jongens.
„Mijnheer, heeft u wel eens in een lantaarnpaal gezeten,” vraagt Puckie, terwijl z’n blikken langs mijnheer’s dikke buikje glijden.
„Ja, jongen,” lacht mijnheer goedmoedig. „Maar toen leek ik zelf veel op een telefoonpaal en dus ging ’t me makkelijk af.”
De jongens lachen hartelijk en vinden mijnheer een echte fideele vent.
Niet lang hebben ze echter geduld om naar het gesprek der oudere menschen te luisteren en ze gaan de werktuigen weer opzoeken.
Karel en Puckie staan samen op den schommel, ze gaan verbazend hoog en Chris roept ze van beneden toe: „Jongens, niet meer opzetten, jullie hebt slappe touwen.”
De jongens blijven nu rustig staan en suizen heerlijk in volle vaart door de lucht. Dan opeens wil Paul, de anders zoo voorzichtige, het moment waarnemen dat ze hoog in de lucht zijn om onder door te kruipen en zoo bij de jongens aan den anderen kant te komen.
Plotseling struikelt hij, en krijgt net den schommel, die in volle vaart is, tegen de heup aan.
Zonder een kreet te geven, valt hij neer en blijft met gesloten oogen liggen.
Twee jongens houden de schommel tegen, Ambro vliegt naar Dr. Reens, de anderen staan met angstige gezichten om Paul heen, die bewusteloos terneer ligt.
In minder dan geen tijd zijn Dr. Reens en de dames bij Paul.
Dr. Reens neemt het bewustelooze ventje voorzichtig in de armen en draagt hem in een bij den tuin gelegen zaal.
Mevrouw gaat met hem mee. Ze is geheel van streek door het ongeluk.
De anderen blijven in angstig afwachten buiten staan.
Na een kwartier komt Dr. Reens weer buiten, en de jongens zien direct aan zijn opgewekt gezicht dat het niet erg met Paul is. Ze stormen op hem los en allen willen ze weten hoe ’t nu met Paul is.
„Nu jongens, dat liep nog goed af. Paul heeft een lichte wond aan de heup, doch ’t heeft niets te beteekenen.
„We hebben ’t jongske verbonden en nu gaat hij straks rustigjes wat buiten zitten en dan met het rijtuig mee naar huis.”
Het was een ware vreugde voor de jongens te hooren dat het niet ernstig was en ze wilden nu allen naar Paul toe, maar daar gaf Dr. Reens geen permissie toe.
„Straks komt hij,” zei hij en ging weer naar Paul toe.
„Zou hij nu niet bij ons mogen eten?” vroeg Karel bedrukt.
„Ik denk ’t niet,” zei Ambro. „Hij moet misschien meteen naar z’n bed als hij thuis komt.”
Dat vonden ze allen bar sneu voor Paul en de feeststemming begon erg te dalen. Maar daar kwamen de dames en dokter weer naar buiten en tusschen hen in, Paul.
Hij zag nog wat bleek, maar lachte de kameraden al weer vroolijk toe.
„Zoo patiënt,” zei dokter. „Nu ga je rustig bij ons aan het tafeltje zitten en als je je dan heel kalm gehouden hebt, dan geef ik je permissie om den maaltijd bij je jarigen vriend te gebruiken.”
„Hoera!” schreeuwden de jongens en ze maakten zóó’n spektakel, dat dokter ze allen wegjoeg.
De meisjes mochten echter blijven, die konden Paul dan rustig en aangenaam bezighouden.
„Wat ben ik u toch dankbaar, dokter,” zei mevrouw hartelijk. „U nam me een pak van ’t hart toen u zei dat onze Pauleman zich niet ernstig bezeerd had.”
„Tot uw dienst, Mevrouw,” zei dokter eenvoudig.
„Nu heb ik een aardig plannetje bedacht,” zei mevrouw, terwijl ze omkeek of de jongens haar niet hooren konden.
„U zei me straks, dokter, dat u vandaag nog in uw hotel bleef en pas morgen naar uw woonplaats terugkeerde. Nu zou ik ’t zoo heel aardig vinden, als u vanmiddag ons eenvoudig maal deelde en vanavond ... ja, ik kan ’t u nu niet zeggen omdat de meisjes en Paul het nog niet mogen weten ... maar of u dan den avond in ons gezelschap wilt doorbrengen.”
Dit vond dokter een heel aardig plan en volgaarne nam hij mevrouw’s vriendelijke invitatie aan.
„Moeder, daar hoor ik de brik,” riep Tine Boekers.
„Gaan jullie dan de jongens roepen, meisjes,” zei mevrouw. „En Paul, voel jij je nu goed genoeg om de terugreis te aanvaarden?”
„Ik voel me zoo gezond als een visch, mevrouw,” zei Paul.
„Hij heeft weer kleur op z’n wangen,” zei dokter, terwijl hij hem een fikschen kneep in zijn koonen gaf.
Daar kwamen de jongens al aangerend, Karel voorop. Hij schoot direct op Dr. Reens af en terwijl hij hem vertrouwelijk bij de mouw van zijn jas pakte, vroeg hij: „Hè, dokter, rijdt u met ons mee, ’t zou zoo moppig zijn.”
„Nu,” zei dokter met een ondeugend lachje. „Een eindje wil ik dan wel meerijden.” En hij knipoogde eens naar Paul, die wel beter wist.
Nu werd de terugreis aanvaard. Paul zat nu niet op den bok, maar moest naast dokter zitten, daar die hem dan in toom kon houden als hij soms al te vroolijk zou worden.
De jongens letten in het geheel niet op, dat mijnheer nergens uitstapte, doch als ze eindelijk voor hun huis aankomen, vraagt Karel blij: „Gaat mijnheer met ons mee?”
„Heb je er vrede mee,” vraagt mijnheer.
„Nou en óf,” juichte Karel.
„En mag het nieuwe vriendje dan ook mee aan tafel,” vraagt mijnheer.
Karel kijkt z’n moeder eens aan en als hij deze ondeugend ziet lachen, begrijpt hij ’t en roept: „O, wat een dag vol verrassingen!”
Alle jongens zijn blij dat die gezellige mijnheer nu bij hen blijft en als vader thuis komt is ’t een gesnater door elkaar om toch te vertellen wie die vreemde heer is.
En al heel gauw is ’t ook voor vader geen „vreemde” heer meer en zitten die twee te boomen of ze elkaar al heel lang kenden. En dan gaan ze allen aan tafel.
’t Is een reuzen-tafel en mevrouw en nichtje Marie hebben zoo recht feestelijk en smaakvol gedekt
De heele tafel is versierd met guirlanden van groen en bloemen en hier en daar staan aardige, kleine lampjes die een gezelligen, warmen schijn werpen op den feestelijk gedekten disch, en de vroolijke gezichten der aanzittenden.
Ze laten zich het maal smaken en ’t is goed, dat mevrouw rekening hield met de hongerige jongensmagen.
Als slot van het menu kwam een reuzen-taart op tafel, waarin twaalf kaarsjes staken, die allen branden. Net zooveel kaarsjes, als Karel jaren telt.
’t Was een alleraardigst gezicht en ’t gaf telkens een pret van belang als mevrouw een stuk taart uitsneed, waarbij dan weer een kaarsje flauw viel.
Toen de maaltijd afgeloopen was, tikte Ambro met een gewichtig gebaar tegen z’n waterglas (hij had dit bij een feestje vader eens zien doen) en vroeg of hij een paar woorden mocht zeggen.
Dit verwekte een algemeen gelach.
En mijnheer Boekers zei vol pret: „steek van wal met je speech, maar maak ’t niet te lang, want we moeten ... hm, hm, we moeten nog ergens heen.”
Ambro trok z’n das eens recht, zette een onweerstaanbaar moppig gezicht en zei, terwijl hij z’n keel schraapte: „Geachte dischgenooten! Ik geloof dat ik uit naam van alle jongens spreek, als ik mijnheer en mevrouw Boekers hartelijk dank voor den heerlijken dag dien we vandaag hadden. En ... en ... ja, wat wou ik ook weer zeggen ... o ja, dokter Reens bedanken we ook en Juffrouw Marie en ... lang leve allemaal!”
Een oorverdoovend lawaai volgde op Ambro’s schoone speech en de „lang zullen ze leven’s” waren niet van de lucht.
Toen eindelijk het lawaai ophield zei mijnheer, terwijl hij z’n horloge raadpleegde:
„Zoo kinderen, nu ga je allemaal met nicht Marie mee naar boven om je wat op te knappen en dan... nu, dat zullen jullie wel zien.”
Vol verwachting togen ze allen naar boven, en toen ze netjes gewasschen en gekapt naar beneden kwamen stonden mevrouw en de beide heeren al gekleed om uit te gaan en werd ze gezegd zich vlug aan te kleeden.
Toen het heele gezelschap op straat stond, werd een tram genomen, waar ze allen genoegelijk hij elkaar zaten te overwegen wáár ze toch wel heen zouden gaan.
En toen ze zagen welke route de tram nam, begon ’t eindelijk bij ze door te dringen dat ze... naar het circus gingen.
En jawel! daar stapten ze al uit, nog een eindje loopen en daar stonden ze voor het circus.
Het was weer een gejuich van wat ben je me. Vlug werden jassen en hoofddeksels in bewaring gegeven en namen ze allen plaats in een groote, voor de feestelijke gelegenheid besproken loge.
O, wat genoten ze van de voorstelling.
Daar had je dien eenigen August de Domme, die nu letterlijk overal te laat kwam, over alles struikelde en iedereen in den weg liep. De kinderen schaterden het uit om al z’n malle grimassen.
En dan die prachtige paarden! Jôh! wat renden die er over heen, de kluiten zand vlogen de toeschouwers om de ooren.
En een mijnheer met gedresseerde hondjes. Hoe kreeg ie ’t gedaan van de beesten. Moesten ze direct thuis met hun hond probeeren.
IJselijk! die acrobaten! Ze lieten zich uit den nok van ’t circus vallen en kwamen ongedeerd in het vang-net terecht. Je werd er koud van.
August kwam met een gedresseerd ezeltje, dat volstrekt niet naar hem luisterde en niets anders deed dan achteruit trappen.
Iederen keer dat het beest zoo deed, maakte August een diepe buiging voor het publiek, met een gezicht alsof hij zeggen wilde: „Wat zeggen jullie van m’n dressuur.”
’t Einde van het lied was, dat de ezel weg liep en August, om hem tegen te houden aan z’n staart ging hangen en door den koppigen ezel het circus uitgesleurd werd.
Het publiek schaterde van pret en niet ’t minst het jolige troepje in de groote loge.
Toen in de pauze een kellner kwam met voor ieder een portie ijs op zijn blad, steeg de vreugde ten top.
Wat zaten ze te smullen! Zulke kleine hapjes namen ze, want ze moesten er lang wil van hebben.
Dat het ijs in de warmte van de zaal ging smelten, daaraan dachten ze niet en toen ze een roomachtigen plas zagen komen vonden ze ’t zoo ook fijn.
Ook na de pauze vermaakten ze zich bizonder goed, vooral toen de voorstelling besloten werd met een alleraardigst ballet.
Hoe schitterden hun oogen bij het zien van al die prachtige costumes en mooi opgetuigde paarden.
Je wist niet waar je ’t eerst naar zou kijken.
Toen de voorstelling afgeloopen was, verdrongen ze zich allen om mijnheer en mevrouw Boekers om ze hartelijk dank te zeggen voor dien heerlijken dag.
En toen ging ’t met den tram naar huis, waar Vader of groote broer ze kwamen halen.
En onderweg stonden hun monden niet stil en werd uitvoerig verteld, hoe heerlijk Karel Boekers’ verjaardag gevierd was.
DE KUNSTVEILING.
In het hol van Kaan zitten de jongens voor hun doen rustig bij elkaar.
Ambro heeft ze wel een uur bezig gehouden met allerlei caricaturen te teekenen van bekende menschen. En het was telkens weer een gejuich en geschater als uit de krabbels mijnheer zus of mevrouw zóó herkend werden.
Teekenen was Ambro’s lust en leven en de anders zoo ongedurige jongen kon urenlang rustig blijven zitten als hij zijn schetsboek en potlood ter hand had genomen.
Zijn teeken-leeraar had dan ook reeds eenige malen het Hoofd der school er opmerkzaam op gemaakt, dat de jongen een uitgesproken teekentalent had.
Dat was door dezen aan Ambro’s ouders overgebracht, doch meneer Terbrugge vond zijn zoon nog te jong om daar nu al over te denken en was van meening dat hij eerst de Hoogere Burgerschool moest bezoeken en men dan kon zien welken kant men met Ambro uit moest.
Ambro zelf dacht over dit alles weinig na; hij teekende, omdat hij er den drang toe voelde, doch voorloopig was zijn hoogste ideaal clown te worden en het dient gezegd, ook dáár had de jongen, met zijn geestige, luimige invallen en z’n bewegelijk gezicht veel aanleg toe.
Maar.... clown is een beroep, dat je nu niet bij voorkeur voor je zoon wenscht en Ambro’s ouders brachten, door verstandig met hem te praten, hun jongen onder het oog hoeveel mooier dit beroep lijkt, dan ’t in werkelijkheid is.
„Ik schei er uit,” riep Ambro plotseling en smeet potlood en schetsboek op den grond.
Maar nu volgde de altijd weerkeerende strijd van de jongens om de teekeningen. Chris gooide zich in z’n volle lengte op het boek en hield het krampachtig onder zich.
De andere jongens buitelden over hem heen, rukkend en trekkend om toch het boek te bemachtigen.
Ambro keek met welgevallen naar den strijd.
„Hou vast, Chris!” moedigde hij aan. „Wie me boek vernielt kan ’t betalen!”
Chris lag te hijgen onder het gewicht van die kluit jongens boven op hem en eindelijk gaf hij den ongelijken strijd op.
Juist wilde Karel hem het boek afpakken, toen Ambro met een vluggen sprong toeschoot en zich er meester van maakte.
„Ik ga ze veilen,” zei hij in een van die plotselinge opwellingen die ze altijd weer een nieuw pretje bezorgde.
„Wie heeft ’t spieje bij zich?”
„Zeg, jôh, keetig!” zei Puckie verheugd. „Ambro is Cocadorus!”
„Eerst spieje zien!” gilde Ambro.
De roovers keken bedenkelijk. ’t Was het einde van de week en dan was er meestal niet veel meer over van het toch al niet zoo ver-reikende weekgeld.
„Ik heb nog een dup,” juichte Paul, terwijl hij uitgelaten rond sprong.
„Wat een lefschopper!” riep Piet nijdig. „Daar kan ie warempel het heele boek wel voor koopen!”
„Ben je van Lotje getikt!” zei Ambro diep-beleedigd. „Ja! ik zal ze daar voor zoo’n koopie laten! An me nooit niet!”
„Ik heb twee spie,” zei Chris.
„Ik vijf,” zei Puckie. „Maar ik mot nog twee spie apart houden voor een zijrups van me zus.”
Karel Boekers keek bedrukt, keerde z’n zak om en om, maar vond niets anders dan een stukje gum, twee knoopen, drie spijkers, een catapult en een klein opschrijfboekje dat hij van z’n zus weggekaapt had.
„’t Is niet veel,” lachte Ambro. „De schetsen van den beroemden teekenaar Ambrosius Terbruggios zijn meer waard, mijne Heeren! Maar vooruit, we zullen ze toch veilen.”
Ambro ging boven op een stoel staan en de jongens stonden in afwachting van de dingen die komen zouden, om hem heen.
„Geacht publiek,” begon hij en trok bij die woorden een onweerstaanbaar komiek gezicht.
„Hier brengen wij de teekeningen in veiling van den sinds honderd jaren overleden grrrooten schilder Ambrrrosius Terrrbruggios.
„Wat zegt u daar, meneerrr? Hij is nog niet dood!! Als een pier, meneerrr!”
Ambro scheurde een teekening uit het schetsboek.
„Hierrr ziet U het welgelijkend evenbeeld van de Oud-tante van den schilderrr, mejuffrrrouw Petrronella Terrrbrruggios. Tot zelfs de wrrrat op Haar Eed’les neus is duidelijk zichtbaarrr. Wie bied errr wat voor de wrrrat van Peterrronella?”
De jongens gierden het uit, Chris vouwde dubbel van de lach.
„Ik bied een spie,” gilde hij.
„Wie biedt er meer dan één spie,” galmde Ambro. „Een spie is te weinig, het is een familieporrrtrret, mijne Heerrren!”
„Twee spie,” bood Paul.
„Niemand meerrr dan twee spie?
„’t Is te geef, mijne Heerrren, over nog eens honderrrd jaarrr is de wrrrat het tiendubbele waard! Niemand meerrr!—Eenmaal... andermaal... het is voorrr den kunstkooperrr Paul!”
Het gaf een gejoel van belang, toen Paul het welgelijkend portret van de tante met de wrat in handen kreeg.
Wederom scheurde Ambro een blaadje uit het schetsboek en hield de teekening hoog in de lucht.
„Ziehierrr, mijne vrrrienden, wederrrom een fraaie teekening, ditmaal het porrrtret van een der leerrrmeesterrrs van wijlen den Heerrr Ambrrrosius Terrrbrrruggios.
„De kikker!” gilden de jongens door elkaar.
„Die moet ik hebben,” schreeuwde Chris.
„Zal je geleerd worden,” snauwde Puckie.
„Ik heb drie spie en ik geef ze d’r ook voor!”
„Bedaarrr, mijne vrrrienden,” sprak Ambro op denzelfden zalvenden toon.
„Kalmte alleen kan u rrredden! Dit porrtrret heeft grrroote waarrrde. ’t Is van een historisch geworden perrsoon! De Kikkerrrr was zijn bijnaam, want hij sprrak niet, mijne vrrrienden, hij kwèkte! Jè, jè, jè!” hier imiteerde Ambro op schitterende wijze den gehaten onderwijzer, die de jongens met den bijnaam van „de kikker” hadden vereerd.
„Hou op,” gilde Karel. „’t Is ’m precies, ’t is of ik de vent hoor!”
„Wie bied er wèt voor jè, jè, jè? Een grrroot man, een geleerrrde, mijne Heerreen!”
„Twee spie,” riep Chris, z’n heele hebben en houwen er aan wagend.
„Drie spie,” zei Puckie tergend kalm.
„Vier spie,” haastte Chris zich te zeggen.
„Je hebt er maar twee,” herinnerde de solide Paul hem.
„Twee moet ie me poffen, betaal ik ’m de volgende week,” zei Chris.
„Geld bij den visch, mijne Heerrren, Jantje Contantje,” lachte de afslager.
„Me opschrijfboekie en me gum zet ik in,” schreeuwde Karel.
„Vijf spie,” zei Paultje, met het air van een millionnair, die, in het zekere bezit van zoo’n onmetelijk kapitaal, wel zoo’n ongehoord groot bedrag mocht inzetten.
„Neen, dat is gemeen,” riep Chris verontwaardigd. „Hij heeft de wrat ook al.”
„Hij heeft de spieje,” plaagde Ambro.
„Me zakboekie en me gum zijn ook niet voor de poes,” lokte Karel.
„Neen,” peinsde de afslager. „Enne... me gum is net op.”
Karel hield ’t zakboekje in de hoogte.
„Voorrr deze meneerrr is het porrtrret van de Kikkerrr!” zei Ambro en reikte Karel de teekening over.
De anderen hingen direct om hem heen om de teekening nog eens goed te kunnen zien.
„Jôh! wat is ie fijn! Zeg, Boekie, morgen uit je schrift laten vallen, net voor z’n voeten.”
„Nee hoor,” zei Ambro. „Geen flauwsies! hij heeft toch al zoo de pik op me.”
„Toe Ambro, nou de andere veilen,” drong Chris aan.
„Nee hoor, ik word zoo schor als een kip en ’t verveelt me ook.”
„Hè jakkes, jôh, wat flauw! Nou hebben Chris en Piet en ik niks,” zei Puckie spijtig.
„Nou, weet je wat, geven jullie dan ieder twee cent, dan krijgen jullie er een.”
„Effe kijke of ik heb,” zei Piet en hij grabbelde in zijn zak. „Een spie en een kapotte vingerhoed. Hebbe?” vroeg hij.
„Nou, vooruit maar,” zei Ambro.
Piet kreeg „Ouwe juffrouw Hardwijk”, de juffrouw uit de kiosk bij den Dierentuin, Chris kreeg „de bullebijter” een van de suppoosten en Puckie werd de gelukkige eigenaar van het welgelijkend conterfeitsel van „Alebes”.
„Hoeveel heb je nou,” vroeg Paul belangstellend.
„Effe kijke,” bromde Ambro. „Dat is twee spie van Paul, twee van Chris en twee van Puckie is zes, wat een snert-zooi! Kà-je haast niks voor koopen.”
Ambro, blijft even in gedachte zitten. Dan springt hij plotseling op en terwijl z’n oogen schitteren roept hij:
„Ga mee, knullen, we gaan naar „de hazelip”, in de Tuinderstraat kaneelhompen halen. Ik fuif jullie.”
En joelende verlaat de heele bende het hol om zich naar de Tuinderstraat te begeven en de opbrengst van de veiling om te zetten in kaneelhompen.
DE MISLUKTE NACHT-WANDELING.
De jongens komen op een dag samen uit school.
„Ik heb zoo’n zin om iets uit te halen,” zegt Ambro.
„Ik ook,” zegt Chris. „Hè, ’t was zoo saai op school. Ik snapte geen snars van die sommen.”
„Zeg, jôh, wat had de oude een bui, hè?” zei Piet, met weinig eerbied over zijn leermeester sprekend.
„We hebben ’m ook maar niet getreiterd,” zei Paul berouwvol.
„Mot ie maar niet zoo’n saaie frik zijn,” zei Puckie zonder erbarmen.
„Neen, dan meneer Riedel, hè?” zei Ambro. „Wat een echte knul, hè? Dat is nou ’n vent waar je van op an kunt.”
„Nou, maar hij is ook niet malsch,” vond Paul.
„Nou ja, hij is streng, maar hij kan zoo fijn met ons meedoen en ik weet zelf niet, ’t is een knul!” besloot Ambro zijn lofrede op een der onderwijzers.
„Wat zullen we nu eens uithalen?” vroeg Chris, die bang was dat door al dat praten de plannen voor den een of anderen schelmenstreek er bij in zouden schieten.
„Ik hèb een plan...” zei Ambro en hij keek in ’t rond, of iemand ze ook kon beluisteren.
„Wat is ’t,” riepen de jongens om ’t hardst.
„Nou, ik lag vannacht wakker, en het maantje scheen zoo fijn in m’n kamertje enne... toen dacht ik... dat we es een nachtelijke tocht moesten maken.”
„Verroest!” zei Chris van louter verbazing gebruik makend van een zeer onwelvoegelijk woord.
De anderen waren te zeer overweldigd door het grootsche plan om iets te kunnen zeggen.
Paul krijgt ’t eerst z’n bezinning terug.
„Dàt doe ik niet,” zegt hij vastbesloten.
„Bangerd! durf je niet,” sart Chris.
„Ik durf best,” zegt Paul, maar z’n stem klinkt weinig heldhaftig.
„Nou, waarom doe je ’t dan niet?”
„Omdat ik er niet uit kan komen zonder dat mijn ouders het hooren, ik slaap vlak naast ze en ’t is zoo gehoorig bij ons.”
„Nou, dàn niet,” zegt Ambro kort.
„Ik voel er ook niet veel voor,” zegt Karel.
„Hè, bah! wat een snert-knullen! Met jullie is nou ook niks te beginnen,” zegt Ambro nijdig.
„Ik slaap niet m’n kleine broertje samen en die kan ik toch niet alleen laten,” zegt Karel, half beschaamd, want hij is dol op het jongste broertje en bang, dat de jongens hem er om zullen uitlachen.
„Hè, wat een meissie ben jij,” zegt Ambro, die zoo’n geringschatting heeft voor het vrouwelijk geslacht, dat hij geen beter woord weet te vinden om uiting te geven aan zijn verontwaardiging.
„Hoepelen jullie dan nou ook maar op,” laat hij er kwaad op volgen. „Want dan hebben jullie met onze plannen niks te maken.”
„Mij best,” zegt Karel, innerlijk zeer beleedigd, maar zich groot houdend.
„Ga je mee, Paul?”
Na een kort „B’sjour” tot de anderen, gaat het tweetal weg.
„Dag meissies! Plezierige wandeling,” roept Puckie plagerig.
„Schei uit,” zegt Ambro norsch. Hij heeft ’t land dat er twee van ’t troepje zullen ontbreken, en heel diep in z’n binnenste voelt ie wel dat zijn plagerij misplaatst was. Karel heeft zich nog nooit als een meisje gedragen.
Maar z’n ontstemming wijkt al gauw bij ’t vooruitzicht van het nachtelijk avontuur.
„Hoe zullen we ’t aanleggen?” vraagt Chris, die de mogelijkheid van de onderneming nog niet zoo vast ziet staan.
„En waar gaan we heen?” vraagt Puckie.
„Nou, ik had gedacht, als we nou es om twaalf uur op den Nieuwen Binnenweg, een paar huizen van ons af, bij elkaar komen,” zei Ambro. „En dan gaan we de Delfshavensche Schie langs en komen langs Overschie weer terug. Zullen jullie es zien, wat een emmesse tocht dàt is!”
„’t Is heldere maan,” zei Chris. „Wat zal dat echt zijn.”
„Laten we nu eens afspreken, hoe we er ’t beste uitkomen,” zei Ambro. „Als je dat niet goed voor mekaar hebt, lukt het niet.”
„Hoe kom jij er uit, Ambro?” vroeg Piet.
„O, man, dat zal me niet glad zitten. Uit ’t raam kan ik niet klimmen, want ik slaap op de tweede verdieping en ik heb heelemaal geen houvast. Liep d’r nou een goot of zoo langs, maar niks, hoor! Ik moet nou maar als alles in huis slaapt, op me kousen de trappen af, dan neem ik me laarzen in me hand, enne dan doe ik stiekum de knippen van de deur en dan moet ik het raampie open laten, anders kan ik er niet meer in als we terugkomen.”
„Nou,” zegt Chris. „Dat zal wel lukken.”
„Ja,” zegt Ambro. „Jij hebt makkelijk praten, ik zie ’t jou doen, twee trappen af zonder dat ze je hooren.”