Het hol van Kaan

Part 4

Chapter 44,097 wordsPublic domain

Dat vonden alle jongens best, ze hadden ’t meer gedaan en ’t gaf altijd reuzen-pret. Ze gingen een zeil-wedstrijd houden. Daartoe maakte ieder z’n eigen bootje.

De romp van het schip bestond uit een stuk boomschors, het zeil met den mast werd voorgesteld door een eendenveertje.

„Effe kijke of er niemand aankomt,” en ze gluurden voorzichtig door de takken.

„Ja warempel, daar heb je Willem van de beeren.”

Willem reed voorbij met een wagen vol bloederig vleesch waarmee hij z’n pleegkinderen ging voeren.

„Kom maar, jongens,” zei Ambro. „Het terrein is nu veilig.”

En achter elkaar slopen de jongens het boschje uit.

De groote bank was dichtbij en stond vlak bij den grooten vijver.

„De wind is gunstig,” zei Ambro, die z’n nat gemaakte vinger omhoog stak. Nu haalden ze hun zakmessen te voorschijn en begonnen kerven te maken in de mooie, dikke platanen. Heele stukken schors haalden zij er op die manier af.

In het gras vonden ze bij hoopjes de eendenveertjes liggen. Het voornaamste was nu, om de juiste grootte te vinden van schors en veertjes, alsook de plaats waar het veertje op het schip bevestigd moest worden.

„Zijn jullie klaar?” vroeg Ambro.

Allen waren gereed en zes bootjes werden gelijktijdig te water gelaten en kregen nog een laatste duwtje van den maker. Dan was ’t een feest voor de jongens om te kijken wat er ging gebeuren met hun vaartuigjes.

„Wie zou ’t eerst aan den overkant zijn?”

„Ik zie ’t al,” zei Ambro. „Die van Karel gaat ’t hardst. Net als de vorige keer. Hij is de beste bootenmaker van ons allen.”

’t Scheepje van Paul draaide als razend in ’t rond.

„Jij hebt je mast verkeerd gezet.”

De wind was de bootjes inderdaad gunstig. Langzaam dobberden ze al verder en verder van den kant en met kleine rukjes staken ze ’t breede water over.

Vol spanning keken de jongens naar de liliput-vloot.

„Ik ben jullie al drie meter voor,” riep Karel, die trotsch was op z’n schuitje.

„De mijne doet niets dan draaien,” klaagde Paul.

„Jij kan beter een malle-molen maken dan een schip,” plaagde Chris hem.

Midden op den vijver aangekomen, kreeg de vloot het hard te verduren en twee bootjes werden door een rukwind omver geworpen en vergingen met man en muis.

Een ander bootje werd aangevallen door een eendje, dat nog nooit in z’n leven zoo’n vreemdsoortig ding in zijn gebied zag ronddrijven.

De mast werd weggepikt en ’t afgetuigde schip nu door den stroom meegevoerd.

„Ik ben er bijna,” riep Karel en liep naar den overkant van den vijver.

Daar aangekomen haalde hij zegevierend zijn scheepje naar binnen.

„Lang leve „de Karel Boekers”,” riepen de jongens. „De snelste zeiler van het land, hiep hôj!”

Plotseling roept Karel: „Jongens, daar komt de lange Loese, hij is vast weer op vangst uit.”

In vollen draf rende hij terug naar zijn makkers aan den overkant, die op ’t hooren van dien naam hun spel in den steek lieten en gingen beraadslagen wat ze zouden doen, nu hun aardsvijand, de Lange Loese, in aantocht was.

Die „Lange Loese” was veel grooter en sterker dan een van hen allen en zijn grootste amusement bestond in plagen van kleinere jongens, ze gevangen te nemen en als slaven uit den ouden tijd te behandelen.

Zijn koninklijk verblijf (want hij voelde zich heelemaal vorst) was gelegen in het beneden rotshol, dat voor jong en oud toegankelijk was en waaraan de sombere legende verbonden was, dat daar eens een oude water-Chinees den hongerdood gestorven was.

„Hij heeft er nog drie bij zich,” riep Ambro, die achter een boom het naderend onheil bespiedde.

„We kunnen ze met ons zessen toch niet aan,” zei Paul.

„Hij zit alweer in de piepzak,” plaagde Karel.

„Net doen of we ze niet zien, dan zullen ze ons misschien niets doen,” stelde Paul voor.

„Ik zal mijn leven duur verkoopen,” zei Ambro op gezwollen toon. „Niet dan over mijn lijk komen ze ’t rotshol binnen.”

Van beenen maken, was geen kwestie, want de „stelten” van de lange Loese deden de jongens denken aan de zevenmijlslaarzen van den reus.

Enkele kleinere jongens hadden den wedloop wel eens gewaagd, maar in minder dan geen tijd hadden zij den ijzeren greep in hun nekvel gevoeld, om daarna als gevangen slaaf meegevoerd te worden naar lange Loese’s paleis.

„Had ik nou me boksbeugel maar bij me,” zuchtte Ambro. „Maar die heeft vader me gisteren afgepakt. Daar is-t-ie, jongens, gewoon doorloopen, niet naar ’m kijken.”

De lange Loese was zich volkomen bewust van den grooten indruk die hij op de kleinere jongens maakte.

Nu kreeg hij ze in de gaten, en een kwaadaardige grijns kwam om z’n wreeden mond.

„Bereidt u voor op den dood,” schreeuwde hij den jongens toe. „Uw laatste uur heeft geslagen.”

Kleine Paul verstopte zich achter Ambro, die, nu er niets meer te redden viel, besloot zich dapper te verdedigen.

„Van jou ben ik niet bang, lange lijs,” riep hij overmoedig.

Op hetzelfde oogenblik werd hij bij den kraag gepakt, Paul incluis, terwijl de drie helpers van lange Loese de andere jongens overmeesterden.

„Naar het rotshol,” gebood de lange.

„Ophangen zullen we ze! O, ik heb zoo’n mooi touwtje voor jullie!”

Niettegenstaande Ambro zich heftig verweerde door in het rond te slaan en te trappen werd het zestal het rotshol binnengesleurd en daar flink bewaakt.

Om hulp schreeuwen gaf ze niet, want er was niemand in den omtrek te bespeuren. Zelfs Alebes, die een verdieping hooger troonde, scheen niets te hooren. Hij was zeker weer onder bedwelming van het geliefkoosde vocht.

„Ik ga de strop ophangen,” riep de lange Loese.

De Koe, een van z’n makkers, een stevige, dikke knul, was hem daarbij behulpzaam. Paul vroeg angstig aan Karel: „Ze zullen ons toch niet ophangen?”

„Dat zou best kunnen,” plaagde Karel. „In dit hol hebben er meer den dood gevonden.”

Het huilen stond Paul nader dan ’t lachen.

Lange Loese, was, zooals ik reeds zeide, een groote plaaggeest, maar, tot waarlijk slechte dingen was hij niet in staat.

„De strop is klaar,” zei hij met vervaarlijk stemgeluid. „Twee aan twee moeten ze bengelen. Eerst vijf minuten onder de armen en dan om den nek. En,”... voegde hij er grijnzend aan toe. „Dàt zal wel geen vijf minuten duren!!!”

De Koe, die meelij had met het angstige gezicht van Paul, stelde zijn heer en meester voor, het zestal eerst als slaaf te laten dienen, maar de lange Loese meende, dat die apen toch tot niets in staat waren en het maar beter was, ze ineens op te hangen. Terwijl hij nog druk bezig was met een vrij dik touw aan de rotspunten te bevestigen, werd hij plotseling omver gegooid door de Koe, die een hevigen zet van Ambro kreeg.

Ambro had zich lang stil gehouden en kalm overwogen hoe hij het beste de gevangenis kon ontvluchten.

Hij had zich daarom aanvankelijk rustig gehouden en zijn bewakers hadden dan ook weinig acht op hem geslagen.

Van die achteloosheid maakte Ambro nu gebruik om met een bliksemsnellen vaart tegen de Koe aan te loopen, die op zijn beurt den langen Loese weer omver wierp.

Nu rende hij, zooals hij nog nooit gerend had. En vóór de andere jongens hem konden nazetten, was hij hen reeds zóó ’n eind voor, dat van inhalen geen sprake meer was.

De lange Loese schold op de bewakers, die nu met verdubbelden ijver het resteerend aantal gevangenen in de gaten hielden.

Chris fluisterde Karel in: „Je zult zien, Ambro gaat hulp halen, hij laat ons nooit in den steek.”

„Nu Ambro weggeloopen is, is de lange Loese natuurlijk nog veel woester,” huiverde Paul.

„Nou,” gebood de lange. „’t Moet nou maar gebeuren, jullie gaan dan nu maar een voor een. Jullie zult het voor je weggeloopen vriend moeten ontgelden.”

„Kom jij hier,” schreeuwde hij tot Chris, die moedig naar voren kwam. „Steek je armen in de twee lussen. Bind vast, de Koe, en dan hijschen.”

Chris werd onder de armen vastgebonden en daarna omhoog geheschen aan een overhangend rotsblok.

Bang was Chris in ’t minst niet, want al spartelend maakte hij allerlei grimassen, trok malle gezichten, zoodat zelfs Paul moest lachen.

„Als je niet stil hangt, krijg je er nog stokslagen bij,” beloofde hem de lange Loese.

Chris wist wat dat zeggen wilde. Als het slaan gold, kende de lange Loese geen genade.

„M’n armen gaan pijn doen,” klaagde Chris,

„Het touw striemt zoo.”

„Dàt moet ook,” stelde de Koe hem gerust. Maar nu gebeurde er iets, dat hen allen verschrikt deed opzien.

Plotseling stormden vier groote jongens, met Ambro voorop het hol binnen en grepen onder luid geschreeuw den verbaasden langen Loese en z’n helpers beet.

„De wraak is zoet,” juichte Ambro. „Nou zien jullie eens wat het is, kleinere jongens aan te vallen.”

Ambro had namenlijk de hulp ingeroepen van een paar groote H.B.S.’ers die hij goed kende en die schik in hem hadden om z’n vermaarde guitenstreken.

Het waren stevige, pootige boys en dat voelde de lange Loese aan den lijve.

O, wat kreeg hij er van langs.

Chris was intusschen door Ambro uit z’n benarde positie bevrijd en de helpers van den langen Loese konden na een flink pak slaag de beenen nemen.

Maar met hun hoofdman was nog niet afgerekend.

Een eindje van de rots af, stond een handkar.

De lange Loese werd nu met z’n eigen touw gebonden en voor ’t eerst zagen de kleinere jongens een angstigen trek op het anders zoo grijnzende gezicht van hun langen vijand.

Een der H.B.S.’ers nu had een goede straf voor hem bedacht.

„Hij moet voor de kar gespannen,” beval hij. „Jullie zessen gaan er in en hij moet jullie trekken.”

„Ja, ja,” juichten de jongens. „Dat is goed!” En zoo werd lange Loese voor de handkar gespannen en stond hij met een beteuterd gezicht te wachten wat er met hem gebeuren ging.

„Instappen heeren,” riep Ambro. „De diligence vertrekt.”

En met een rietje tikte hij op het hoofd van den langen Loese, die, of hij wilde of niet, op een drafje loopen moest, want van achteren duwden acht krachtige armen de kar voort

Zoo zouden zij zeker een rit door den geheelen dierentuin gemaakt hebben, als Manus van de eenden niet verschenen was, die z’n kar opeischte.

Lange Loese werd dus weer bevrijd en kon het hazenpad kiezen.

Vooreerst zouden de jongens zeker geen last meer van hem hebben.

„Toch ben ik lekker niet opgehangen,” schreeuwde Paul, nu moedig, hem na.

„Ja nou maak je praats,” zei Ambro. „Maar straks geloofde je al voor de haaien te zijn.”

Het was laat geworden. De jongens verlieten al pratend den tuin om zich naar huis te begeven.

Het was weer een fijne middag geweest Voor hen was het goed afgeloopen en lange Loese kreeg een flinke les.

EEN „DIKKE” VRIEND.

Het is Zaterdagmorgen.—De jongens zitten op school.

Ze zijn dezen morgen, allen zonder uitzondering heel ongedurig en mijnheer heeft al eenige keeren verboden.

Als ze eindelijk vijf minuten pauze hebben, staat Karel op en vraagt of mijnheer hem permissie wil geven de klasse te tracteeren.

„Wel, wat is er aan de hand, jongen? Ben je jarig?” vraagt mijnheer.

„Ja mijnheer,” zegt Karel verheugd.

„Zoo, dan begrijp ik, dat jullie vanmorgen zoo bizonder onrustig en onoplettend bent. Zeker een pretje in ’t vooruitzicht,” lacht mijnheer.

Karel knipte geheimzinnig tegen z’n makkers.

„En òf, mijnheer,” zegt hij. „Maar, ’t is nog een verrassing voor m’n vrienden, ik mag niets vertellen.”

Nu haalt Karel een zak vol heerlijke bruidsuikers uit zijn schooltasch en begint te presenteeren.

Mijnheer treft een ulevel, waaromheen een papiertje zit met een rijmpje er op.

„Toe mijnheer, leest u voor,” roepen de jongens.

Mijnheer leest het fraaie twee-regelige gedicht en begint dan hard te lachen.

„Toe, mijnheer, toe,” dringen de jongens, „leest u nu voor.”

Onder ademlooze stilte leest mijnheer op tragischen toon de volgende fraaie dichtregels voor:

Juffrouw, al kijkt u nog zoo raar, De huwelijksschuit ligt voor u klaar!

Een uitbundig gelach breekt los, dàt is ook al te mooi!

„Dat slaat als een tang op een varken,” gilt Ambro. „Mijnheer is geen juffrouw en mijnheer is al lang getrouwd. O, wat is ie fijn!”

Mijnheer laat ze eens even uitlachen en dan gaan allen weer aan ’t werk.

Maar den jongens duurt deze morgen zoo eindeloos lang en telkens moet Karel z’n horloge raadplegen om zich te overtuigen dat ’t nu heusch nòg geen twaalf uur is.

Eindelijk is de morgen dan toch om en hollen de jongens uitgelaten de straat op.

Ze verdringen zich om Karel en trachten hem nog het geheim van dien dag te ontfutselen. Maar Karel blijft standvastig en verklapt het niet.

„Half twee aantreden voor ons huis en dan zullen jullie wel zien,” en weg holt hij, terwijl de andere jongens zich in gissingen verdiepen welk pretje ze wel zou wachten.

Klokslag half twee zijn ze allen present bij Karel. Ieder heeft een cadeautje voor hem meêgebracht en Karel heeft geen handen genoeg om alles aan- en uit te pakken. Dan komt Karel’s moeder binnen met een aardig nichtje van ongeveer achttien jaar, allebei met hoed en mantel aan.

Mevrouw kijkt eens naar de klok en lacht geheimzinnig.

„Zijn de zussen nog niet klaar?” vraagt het nichtje.

„Die zijn met hun vriendinnetjes in den tuin,” zegt mevrouw. „We zullen ze nu maar roepen.”

De twee zusjes van Karel mochten ieder een vriendinnetje vragen.

Als dit viertal binnen is gekomen, voegen ze zich bij de jongens en ’t is een vroolijk, luidruchtig elftal, dat daar om de tafel met cadeautjes staat, in afwachting van de dingen die komen zullen.

Daar hooren ze door de stille straat een rijtuig rijden, dat stilhoudt voor het huis.

„Daar is ie,” gilt Karel, die zich niet langer bedwingen kan, en hij snelt naar het raam, gevolgd door het heele troepje.

En daar zien ze hem staan, een reuzen-brik met twee stevige knollen er voor.

De geheele brik is versierd met vlaggetjes en guirlanden van groen en bloemen.

’t Is een recht feestelijk gezicht.

De jubilaris en z’n gasten gieren het uit van de pret en dansen uitgelaten in het rond.

Mevrouw fluistert wat met het nichtje, dat daarop de kamer verlaat en terugkomt met een grooten kartonnen doos.

Mevrouw neemt de doos van haar over en zegt: „Kinderen, kom nu om beurten bij me, dan krijg je ieder een muziekinstrument.”

En ze ontpakt mirlitons, ratels, mondharmonika’s en ieder krijgt een instrument waaraan ze direct liefelijke tonen trachten te ontlokken wat een heidensch kabaal in de kamer gaf.

Mevrouw houdt lachend de handen voor de ooren en zegt: „Wachten jullie liever met die prachtige symphonie tot we buiten zijn. En nu vlug de jassen over den arm en ingestapt.”

Ze hollen juichend naar het rijtuig, waar ruimte voor hen allen is.

Ambro zit met Chris in den kattenbak en Paul mag op zijn verzoek naast den koetsier zitten waarmee hij direct een levendig gesprek begint.

Dan dragen de dienstmeisjes nog twee groote kisten aan, die onder de banken geschoven worden en die, volgens Karel, allerlei zoete heerlijkheden bevatten.

„Klaar koetsier,” roept mevrouw en voort gaat ’t in gestrekten draf.

Het is een heerlijke voorjaarsdag. Papa Boekers had, toen ’t plan van den rijtoer ontworpen werd, nog eenige bedenkingen gemaakt met het oog op het voorjaar, waarin je leelijke gure dagen kunt hebben. Doch het weêr logenstrafte deze bewering en zette z’n beste beentje voor.

Mijnheer had dan ook ’s morgens met een gerust hart de brik besteld.

Zelf had hij geen tijd om mee te gaan, maar hij beloofde aan den maaltijd, die op dezen dag wat vroeger gehouden werd, present te zijn.

De rit ging langs de Schie en de jongens merkten vol vreugde op, dat het jonge groen aan den kant al begon uit te loopen.

Nu reden ze langs Stor’s houthandel.

„Kijk eens, wat een balken!” riep Puckie, die niet wist welk een gevoeligen snaar hij aanraakte, want destijds was hij juist erg ziek geweest en men had hem zoo weinig mogelijk verteld van het droevig ongeluk.

Een plotselinge stilte volgde op die woorden. De vroolijke gezichten betrokken.

„Arme Bob,” zei mevrouw zacht en de jongens keken elkaar aan en herdachten in stilte den gestorven makker.

Nicht Marie, die de droeve gedachten op de vlucht wilde jagen, pakte Ambro’s mondharmonika af en deed alsof ze wilde gaan spelen.

Maar Ambro griste hem haar direct weer af en begint een lustig deuntje te spelen.

De andere instrumenten vallen direct in en ’t is een getoeter en geblaas van belang.

De wandelaars die den vroolijken stoet voorbij zien komen, blijven staan en wuiven ze toe.

„Waar gaan we heen, Moes?” vraagt Karel, waarvoor de rest van het programma ook een geheim blijkt te zijn.

„Dat zul je wel zien,” lacht mevrouw.

Intusschen zijn ze „Vrouw Romijn” genaderd, de eerste groote speeltuin op hun weg.

„O, nu weet ik ’t al,” roept Karel. „We gaan naar vrouw Romijn.”

„Mis poes,” plaagt het nichtje.

Weer rijden ze een eind door.

„Maar nu weet ik ’t,” zegt Karel. „We gaan naar Freeriks! Hè, fijn! dàt is zoo’n echte tuin! Toe moes, zeg ’t nu eens, gaan we daarheen?”

„Nu heb je ’t geraden,” zegt mevrouw.

„Hoera, hoera!” gillen de kinderen door elkaar.

En dan volgt weer een oorverdoovend „lang zal ie leven” en „Karel Boekers gaat nooit verloren.”

’t Is een lawaai van je welste en mevrouw is blij dat het einde van den tocht nadert. En zoo komt de vroolijke troep dan bij Freeriks aan. De jongens tillen de kisten uit het rijtuig en mevrouw zegt den koetsier om half vijf voor te komen om ze terug naar huis te brengen.

Dan kiest mevrouw een groote, ronde tafel uit die onder een boom staat en neemt daar plaats met het nichtje.

Ze noodigt de kinderen uit bij hen te komen zitten, een invitatie waar ze geen van allen gehoor aan geven, want ze rennen in wilde vaart weg en nemen de verschillende werktuigen in beslag.

Ambro zit reeds boven in een paal en zwaait met zijn pet naar het gezelschap beneden hem.

„Denk om je beste broek,” roept Paul de voorzichtige.

„Hij kan er tegen,” roept Ambro overmoedig. De dikke Puckie houdt op een wip evenwicht met twee tengere meisjes, die hij telkens met een bons naar beneden laat vliegen, waarop ze ernstige gilletjes uitstooten.

„Niet zoo wild,” laat mevrouw telkens waarschuwend hooren.

„Ik ga op de fietsenmolen,” roept Chris en Ambro, die ’t hoort, laat zich vlug als een aap naar beneden zakken en gevolgd door Karel en Paul gaan ze op den draaimolen af.

Ze nemen elk op een fiets plaats.

„Hij draait op rails,” roept Ambro. „Trappen jongens!”

Met groote inspanning weten zij beweging te krijgen in den fietsmolen.

Het is een zwaar werk, want de fietsmolen is bestemd voor twintig passagiers en is dus niet zoo gemakkelijk in beweging te krijgen. Dit spelletje kost ze dan ook veel inspanning. Gelukkig komen er meer liefhebbers, waaronder een tamelijk corpulenten heer, die zijn hart nog eens wil ophalen aan een liefhebberij uit zijn jeugd en duchtig meetrapt, waarop ’t met een flink vaartje in ’t rond gaat.

Daar komt ’t zusje van Karel aankondigen dat de limonade op tafel staat.

En nu laten de jongens alle werktuigen in den steek en hollen naar de tafel, waar mevrouw zit en de volle limonadeglazen hun liefelijk toelonken.

En dan komt ook de groote doos met taartjes te voorschijn en is ’t een lang gezoek in de doos vol heerlijkheden eer ieder z’n uitverkorene te pakken heeft.

„Moeder, mogen we roeien,” vraagt Karel als drank en taartjes naar binnen gewerkt zijn.

„Volstrekt niet, je weet wel, dat ik ’t nooit wil hebben als Vader er niet bij is.”

„Maar als die dikke heer nou met ons meegaat?”

„Dikke heer?” vraagt mevrouw verwonderd.

„Ja, die daar gindsch zit, hij heeft ons ook zoo fijn met fiets-trappen geholpen.”

„Met die dikkert ga ik niet in een bootje,” zegt Paul. „Dan zinken we vast.”

„Daar hê-je de bangerd weer,” zegt Chris, die nooit nalaten kan Paul even te plagen.

„Maar jongens,” zegt mevrouw weifelend. „Ik weet heelemaal niet, of die mijnheer er lust in heeft met jullie te gaan roeien. Heeft hij jullie dan uitgenoodigd?”

„Neen mevrouw,” zegt Ambro, die als steeds z’n antwoordje klaar heeft. „Maar dan noodigen we hem uit.”

„Toe maar, moes,” dringt Karel aan. „Zeg nou maar ja,” en hij strijkt zijn moeder vleiend over de wang.

En moeder vindt het goed, onder voorwaarde, dat ze zich rustig zullen houden en een groote, vertrouwde boot zullen opzoeken.

De heele bende rent naar den dikken heer, die niets kwaads vermoedend zijn courantje zit te lezen.

„Mijnheer, ’t mag,” roept Karel juichend. „Gaat u mee?”

„Wàt mag?” vraagt mijnheer verwonderd. „En waar moet ik mee naar toe?”

„We mogen roeien, als u met ons meegaat,” vertelt Karel hem.

„Zeer gevleid,” lachte mijnheer. „Maar je vraagt niet eens of ik wel zin heb.”

„O, dat heeft u vast,” zegt Ambro. „U zat zoo echt op die fietsmolen ook.”

Mijnheer krijgt schik in ’t geval en ofschoon z’n corpulentie hem wel wat in den weg zit, waardoor hij zich niet zoo gemakkelijk beweegt, staat hij toch direct op en begeeft zich, omringd door een kring juichende jongens naar de aanlegplaats van de bootjes.

„En moeten je zusjes nou niet mee,” vraagt de goeiige dikkert, die blijkbaar de vrouwelijke sekse niet gaarne ten achter stelt.

„We kunnen niet allemaal tegelijk in een boot,” herneemt hij. „Ga nou je zusjes halen en dan zullen we in twee partijen gaan. Als de eene helft gevaren heeft, gaat de andere.”

Dan gaat hij de rollen verdeelen.

„Ik ben de kapitein, jij stuurman en jullie om beurten de roeiers, ieder een spaan.”

Nadat de meisjes gehaald zijn en ze nog een duchtige vermaning van moeder kregen, om toch vooral voorzichtig te zijn, worden zij verzocht om na een kwartier weer bij de aanlegplaats te zijn, dan zal het eerste gedeelte terug zijn.

De boot is uitgezocht. Het is een spits toeloopend, rank vaartuigje.

De dikke heer is in de boot gestapt, die bij dit entrée hevige schommelingen maakt. De jongens volgen hem.

De dikkert neemt de leiding en het moet gezegd worden, dat de jongens zijn commando voorbeeldig opvolgen.

Als een geroutineerd trainer galmt mijnheer: „één twee, één twee,” tot ie geheel buiten adem raakt en zijn bemanning het verdere van den roeitocht zonder dit bemoedigend commando doorroeit.

„Jij bent aan ’t baggeren,” zegt Ambro tegen Paul, die zijn roeispaan bijna loodrecht in het water priemt en een hoop modder naar boven haalt.

„Je moet even onder de oppervlakte van het water scheren,” onderwijst mijnheer.

Paul doet angstige pogingen dit voorschrift te volgen, maar slaat ditmaal met z’n spaan door de lucht, zoodat de waterdruppels links en rechts op de inzittenden neerkomen.

„Nou is ie vliegenier geworden,” lacht Chris.

„Laat mij daar zitten, Paul, dan kan jij sturen,”

„Voorzichtig omwisselen, jongens,” waarschuwt mijnheer, „anders slaan we om. En ik kan jullie niet alle zes naar den kant brengen.”

„O, we kunnen best zwemmen,” roept Ambro.

„Ik nìet,” roept Paul, die bang is, dat Ambro een proef wil gaan nemen.

Nu Chris Paultje’s plaats ingenomen heeft, gaat het roeien veel gelijkmatiger en houden ze gelijken slag met Puckie en Karel.

Het is heerlijk op het water en de jongens genieten van hun roeitocht.

Ze varen tusschen het riet en verschrikken de waterhoentjes die er tusschen verscholen zitten.

„Weten jullie wel, dat een goed jager aan het riet kan zien, waar het nest van het waterhoen is?” zegt mijnheer.

„Weet u ’t ook,” vraagt Ambro.

„Neen,” lacht mijnheer. „Ik ben geen goed jager. Ik laat de diertjes liever hun vrijheid, ze hooren immers bij het wuivende riet en de mooie, wijde plassen.”

„Laten we het eilandje omvaren,” roept Karel.

„Neen, dat is te ver, dan komen de anderen niet aan den beurt,” zegt mijnheer. „We moeten draaien, jongens,” zegt hij tot Ambro en Karel. „Houdt de spanen in.” En tot de andere jongens: „En jullie, doorroeien.”

En met snelle vaart, draait het bootje om en aanvaardt de terugreis.

Even ordelijk als ze weggegaan zijn, komen ze weer terug en maken plaats voor de anderen, die al met ongeduld staan te wachten.

Intusschen is moeder met het nichtje eens even komen kijken, terwijl juist het tweede troepje met mijnheer aanlandt.

Mijnheer is vol lof over de meisjes, die in ’t roeien niets onder doen voor de jongens.

„Mijnheer,” roept Karel. „Daar staat moeder.” En juichend roept hij: „Moeder, daar is die aardige mijnheer.”