Part 3
„Ik zeg, ja hoor dat weet ik wel, ik mag nog een uurtje van vader. En ik op me dooie gemakkie naar ’t hol. Daar ben ik gebleven en heb fijn de muziek gehoord en ’t was mooi hoor!”
„En hoe kwam je er weer uit?” vroegen de roovers vol verbazing.
„O, tegen half tien zag ik een troepje menschen voorbij komen, toen liep ik zacht achter ze aan en ging met ze den tuin uit. De suppoosten dachten dus dat ik „een kind onder geleide” was.”
„Jôh, wat echt! Dat lappen we hem ook,” riepen de roovers vol vuur.
„Mij best,” zei Ambro. „Laten we dan vanavond tegen half zeven gaan, maar niet allemaal ineens, we verdeelen ons en gaan er dan bij twee of drie tegelijk in.”
En zoo gingen dan dien avond de roovers naar den Dierentuin.
Eenigen kregen nog een waarschuwing van de suppoosten om er tegen half acht uit te gaan, waarop dan keurig-beleefd: „Zeker mijnheer” geantwoord werd.
Toen slopen ze hun hol binnen waar ze Ambro al vonden, die ze toebeet:
„Nou koest houden, hoor! Als ze ons in de smiezen krijgen, zit er langer op dan een maand en mogen we misschien heelemaal niet meer in den Dierentuin.”
Ze hielden zich om den tijd te dooden, onledig met het lezen van de vreeselijke avonturen van Buffalo Bill, die met zijn paard in een afgrond stortte en toch weer behouden te voorschijn kwam.
Maar, anderhalf uur wachten is geen kleinigheid en ze begonnen zich gruwelijk te vervelen.
Je kon warempel niet eens je kop buiten ’t hol steken, want ’t was nog klaarlichten dag en geen van hen vertoonde eenige uiterlijke kenmerken van een mensch van 16 jaar.
Wat een vreugde dus, toen eindelijk de eerste tonen der muziek weerklonken.
„Dat is de gladiatoren-marsch,” zei Ambro.
Een paar jongens begonnen mee te zingen.
„Wat zijn dat voor beesten,” vraagt Paul.
„Ezel, dat zijn zwaardvechters uit den ouden tijd,” zei Wim.
„Hè,” zuchtte Chris voldaan, „’t Is toch veel leuker zoo in ’t geniep te luisteren.”
Het tweede nummer was een wals, maar toen die uit was, begonnen de jongens zich te vervelen en besloten ze het hol te verlaten.
Dat was dan ook wel te wagen, daar het al donker was geworden.
In de breede laan, die van de sociëteit naar den dierentuin leidde, was het vol van komende en gaande menschen.
Daartusschen moesten de roovers op een fatsoenlijke manier zien door te glippen.
„Laten we ons verspreiden,” zei Ambro.
„We moeten maar ieder op ons eigen houtje er uit zien te komen en dan ontmoeten we elkaar weer bij den grooten telefoonpaal in de Diergaardelaan.”
Na verloop van eenige oogenblikken waren alle roovers present bij den telefoonpaal. Behalve Wim Bolk.
„Ze hebben hem zeker aangehouden,” zei Piet
„Wat een ezel om zich te laten pakken,” vond Chris.
„Als ie ons maar niet verraadt,” angstigde Paul.
„Ik jullie verraaien!” klonk plotseling de stem van Wim, die zich achter een boom had verscholen.
„Waar bleef je zoolang?”
„Een suppoost hield me aan en vroeg waar ik vandaan kwam.”
„En wat zei je?”
„Ik heb hem wijs gemaakt dat ik op de ronde bank in slaap was gevallen en door de muziek gewekt, eerst niet goed wist waar ik was.”
„En geloofde ie ’t?”
„Hij kon wel niet anders. En hier sta ik nou, ongedeerd.”
„Achteraf vindt ik ’t toch niks pleizierig je zoo in ’t hol te moeten verbergen om muziek te hooren,” meende Chris.
„Ik sta net zoo lief bij een draaiorgel.”
„’t Is pas half negen. We hebben nog een half uur den tijd. Wat zullen we gaan doen?” vroeg Ambro.
„Ik moest eigenlijk al thuis zijn,” zei Paul.
„Ja, jij hebt ook zulke strenge ouders. Als ’t donker is moet hij binnen zijn.”
„Papsoldaat!” plaagde Wim.
Dit liet Paul zich toch niet zeggen en woedend vloog hij op Wim af.
Bijna ontspon zich een knokpartijtje, dat echter bijtijds gesust werd door Ambro, die zei dat hij een leuk plannetje had.
Direct algemeene belangstelling.
„We gaan hoeden wippen,” zei Ambro.
„Ja, ja,” riepen ze allemaal, zonder te weten wat „hoeden-wippen” voor een spel was.
Maar ze vertrouwden teveel op de vindingrijkheid van hun hoofdman om er aan te twijfelen of ’t wel een leuk spel zou zijn.
„Zie jullie dien boom?” vroeg Ambro. En dan tegen Wim: „Nou, daar klim jij in, ik zal je wel een zetje geven.”
Tegelijkertijd haalde hij een klosje zwart garen uit z’n welgevulde broekzak, rolde er een eind af en gaf dit Wim in de hand.
„Nou zal ik jullie verder vertellen, hoe ’t moet.
„Komt er nou een mijnheer met een dop op voorbij, dan laten we het draadje zoover zakken, dat zijn doppie er tegen aanstoot en afrolt. Als je dan vlug de draad ophaalt, zal je ’m in de lucht zien grissen om te kijken wie hem dat lapte.
„Nou ga ik in den boom aan den overkant van de laan en neem voorzichtig het klosje met me mee.
„Ze kunnen ons natuurlijk niet zien, want we zitten fijn tusschen de bladeren verscholen.”
De jongens vonden het plan geweldig.
In minder dan geen tijd zit het tweetal in de tegenover elkaar staande platanen.
Niemand heeft ze er in zien klimmen.
De anderen verstoppen zich in de portieken der huizen, gluren voorzichtig om ’t hoekje, teneinde niets van ’t spektakel te missen.
Daar komt een klein, dik heertje aangewandeld. De twee jongens in den boom zijn op hun hoede.
De draad begint langzaam te zakken. Maar ’t heertje kuiert kalm en zijn hoedje blijft even kalm op z’n bol staan.
Uit de portieken klinkt hoongelach.
„Toch niet opgeven,” roept Ambro. „Die vent was veel te klein.”
Nu nadert een heer met een dame aan den arm. Hij is een behoorlijk stuk grooter dan zijn gezellin en draagt een grooten flambard, die als geknipt voor het doel is.
En inderdaad!—Ditmaal lukt het. Door een geheimzinnige macht wordt hem plotseling den hoed van ’t hoofd gerukt.
De dame, niet wetende wat er gebeurt, stoot een angstkreet uit.
„Wat is dàt?” zegt de man vol verbazing.
„Daar begrijp ik niets van.”
„Wat gebeurde er dan?” vroeg zijn vrouw.
„Ja, als ik dat wist,” zei mijnheer, peinzend over ’t geval.
„En ’t was toch volkomen wind-stil.”
Beteuterd raapt hij z’n hoofddeksel op en voelt met zijn hand in de lucht, maar hij grijpt in een ijle ruimte.
„Dat is me een raadsel,” zegt hij.
„Ik vind ’t bepaald griezelig,” huivert mevrouw.
Daar klinkt plotseling uit een boom dicht bij ze een onderdrukt gegichel.
’t Is Wim, die zich niet langer goed kon houden.
„Nu is ’t raadsel opgelost,” roept de heer, die tot geluk van de jongens een goedmoedig mensch blijkt te zijn en zich bijtijds z’n eigen jongenstijd herinnert.
„Dáár zit de geheimzinnige macht,” lacht hij. „Kom er eens uit bengel, of wil je liever wachten op een volgend slachtoffer?”
De dame, nog bleek van schrik, is ’t maar half eens met haar echtvriend en kan zich niet voorstellen dat hij het geval zoo van den komieken kant beschouwt.
„Zulke kwajongens,” zegt ze boos.
„Past u maar op, mijnheer,” roept Ambro overmoedig. „Tusschen alle boomen in den laan hangt zoo’n draadje.”
En de heer en dame gaan voor alle zekerheid naar de overzijde van de straat, waar ze in de duisternis vreemde geluiden uit de portieken der huizen hooren opklinken.
„Als je een beetje bang van aard bent, zou je gauw aan spoken gaan gelooven en de kluts kwijt raken,” zei de heer lachend.
Dan vervolgt het tweetal zijn weg.
„Ik ga d’r uit,” roept Ambro. „Die man nam ’t zoo koeltjes op, de aardigheid is er nu vanaf. Ze moeten razen en tieren, dan is ’t echt.”
En rrrtts! daar staat hij weer op den beganen grond.
Wim volgt zijn voorbeeld en klautert ook naar beneden. De jongens zijn weer bij elkaar.
„Wat gaan we nu doen?” vroeg Paul.
„Nu gaan we jou naar bed brengen en dan stoppen we je fijn onder de wol enne... dan krijg je een fopspeentje in je mondje,” plaagde Ambro.
Paul durfde Ambro niet aan, anders had hij ’m wel op z’n gezicht geslagen, maar hij kende de kracht van Ambro’s knuisten.
NETTE MANIEREN... EN ONNETTE JONGENS.
’t Is hartje winter; de tijd van schaatsenrijden, op de prik zitten en sneeuwballen gooien. Zalige, heerlijke wintertijd!
Voor eenigen der jongens is echter een pretje begonnen, dat ze minder aangenaam stemt, ze vinden het een zuren appel, waar je maar doorheen moet bijten.
De ouders van Ambro en Karel hebben n.l. besloten, teneinde hun jongens wat nettere manieren te laten leeren, ze op dansles te doen bij juffrouw Hesterman.
Deze juffrouw nu, was een toonbeeld van netheid, wat ook geen wonder was, want ’t goede mensch deed immers zaken in „nette manieren”.
Ik vrees, dat de jongens van haar artikel niets willen weten.
We zullen zien!
De jongens sputterden vreeselijk tegen het plan van hun ouders en Ambro beweerde, dat ie, als ’t er op aankwam, nog liever naar school ging.
En zoo zien we dan op een kouden winteravond, waarop de sneeuw ’n paar voet hoog ligt, Karel, met zijn dansschoenen in een wit-flanellen zakje gepakt, onder den arm, zich door de donkere straten naar de dansles begeven.
Achter hem loopt een klein heertje, dat plotseling naast hem komt loopen en met een eenigszins vreemde stem vraagt of hij zich hier in de Tuinderstraat bevindt.
„Neen, Mijnheer,” zegt Karel, die ’t gezicht van ’t heertje in ’t donker niet goed kan onderscheiden.
„Dan moet U eerst rechtuit en dan bij den hoek rechts afslaan.”
„Dank u wel,” zegt het heertje op denzelfden krakenden toon en blijft naast hem voortloopen.
„’t Is koud vanavond,” zegt hij dan en al pratend loopen ze samen voort in de richting van de dansles.
Bij een lantaarn gekomen, kijkt Karel eens even naar het gezicht van zijn begeleider, geeft dan een schreeuw van verbazing en barst in een schaterlach uit, als hij in het heertje Ambro herkent.
„Wel verdraaid!” giert Karel, „Ambro in een lange, met een kaasbol op z’n hersens!”
„Hoe is ie?” vraagt Ambro, terwijl hij zich trotsch als een pauw opricht en zich van alle kanten door Karel laat bewonderen. Ambro ziet er potsierlijk uit en ’t is hem aan te zien, dat broek noch hoedje hem toebehooren.
De broek is hem een eind te groot, zoodat de stof bij de pijpen als een harmonika op z’n schoenen ineen valt; daarentegen is het hoedje hem veel te klein en balanceert heel mal op z’n ronden kaaskop.
Maar de twee jongens vinden ’t prachtig en zien die kleine gebreken wel over ’t hoofd.
Als Karel eindelijk uitgekeken is vraagt hij: „Hoe kom je er aan?”
„Van me neef geleend,” zegt Ambro blij. „Thuis weten ze er niets van, ik ben me stiekum even bij hem gaan verkleeden en na de dansles ga ik het goed weer verwisselen.”
„’n Reuze-bak,” zegt Karel en samen verkneuteren ze zich in de pret.
Onder al dit praten en lachen zijn ze eindelijk genaderd aan ’t huis van juffrouw Hesterman.
Ze schellen vrij onzacht aan en worden open gedaan door een kittig dienstmeisje, met tullen muts met lange banden.
Direct trekt Ambro aan de uitdagende lange slierten en roept: „Tingelingeling, wie is daar?”
Het meisje is woedend en zegt smalend: „Dat draagt een lange broek!!”
Ambro schaamt zich wel een beetje over het feit dat zijn gedrag niet in overeenstemming is met de lengte van z’n broekspijpen en loopt haastig door.
Het meisje wijst ze daarop de kleedkamer en verdwijnt.
„Wij zijn de eersten,” zegt Karel.
Een tweede meisje verschijnt en wijst hun de plaats waar hun schoenen bewaard moeten worden.
De jongens ontdoen zich van hun schoenen.
Dan komen vier nieuwe gezichten binnen, alle jongens van ongeveer denzelfden leeftijd als Ambro en Karel.
„Goeden avond, heeren,” zegt Ambro. „Moeten jullie ook springen leeren?”
De jongens, weinig toeschietelijk, brommen iets terug, waarop Karel minachtend zegt:
„Kunnen jullie niet antwoorden? Wat een kevers.”
Op hetzelfde oogenblik vliegt er een laars naar hem toe, die een groote moddervlek nalaat op de muurvlakte van z’n hoogen witten boord.
„Dàt laat je je niet doen,” zegt Ambro woedend. „Geef pit, Boekie, knok ’m op z’n kanes!”
Rang, pats!
Eenige welgeraakte meppen volgen en dan werpt Karel zich op den langen roodharigen slungel die z’n boord, z’n glorie zoo gemeen bedierf.
„Ik zàl je! rooje vuurtoren!” schreeuwt Karel woedend.
De vechtersbazen maken een helsch kabaal.
Ambro meent de zaak te kunnen redden door het electrisch licht uit te draaien. Maar in ’t donker wordt de strijd voortgezet en timmert Karel met een spiksplinternieuwe dansschoen op z’n beleediger los.
Plotseling gaat de deur open en hoort men angstige vrouwenstemmen vragen wat er toch gebeurt en waarom het licht uit is.
Dan wordt het licht opgedraaid en staat juffrouw Hesterman midden in de kamer.
Het is een lange dame, met een scherp vogelgezicht. Ze is heel deftig gekleed, in een ruischende zijden japon, die haar eenigszins wesp-achtige gestalte nauw omsluit.
„Wat is dat hier voor een kabaal,” zegt ze boos.
„Ze maken kennis met mekaar, juffrouw,” lacht Ambro.
„Schandelijk, schandelijk,” zegt de juffrouw verontwaardigd.
„’t Wordt tijd dat jullie nette manieren leert, men zou bijna zeggen, dat jullie uit een achterbuurtje kwaamt.”
„Kalm maar, juffrouw,” sust Ambro.
„’t Is al gedaan.”
De beide ruziemakers laten elkaar los en zien er, nu fel beschenen door ’t electrisch licht, zeer onbetamelijk en gehavend uit.
„De rooie vuurtoren” vertoont een blauw oog, zoodat met de kleur van zijn haar zijn gelaat wel een veelkleurig schilderspalet gelijkt.
De met zooveel zorg gefabriceerde scheiding in Karel’s haardos is verdwenen en z’n bol toont veel overeenkomst met een stoffer.
De mooie boord is in zwijm gevallen en het keurige, lichte dasje bengelt als een touwtje op zijn rug.
„Jullie ziet er fraai uit,” zegt de juffrouw boos. „Als er ooit weer zoo’n schandaal in mijn huis mocht plaats hebben, dan zet ik de belhamels die het veroorzaken voor goed het huis uit.”
„Je hoort ’t,” zegt Ambro met een veelbeteekenend, kwasi-ernstig gezicht.
De vechtersbazen doen angstige pogingen om hun toilet weer eenigszins in orde te brengen.
„Nu voortmaken, jongeheertjes, de les gaat beginnen,” zegt de juffrouw en verlaat de kamer.
„Tòch lag je onder,” zegt Karel sarrend tegen den langen slungel.
„Nou niet weer beginnen,” komt Ambro tusschenbeide.
Dan gaan ze allen te zamen, achter de juffrouw aan naar de danszaal.
Ambro, die geen rekening houdt met den gladden parket-vloer der danszaal, glijdt uit en komt vrij onzacht op z’n zitvlak terecht.
„Bèns!” gilt hij door de zaal. „’t Lijkt waarachies wel ijs.”
„Ik heb spijkers onder m’n schoenen,” zegt Karel heel kalm. „Ik kan niet vallen.”
Juffrouw Hesterman, die dit hoort, komt hard aangehold, in grooten angst voor haar mooien vloer.
Doch dan ziet ze dat de bengel dansschoenen aan heeft, en boos over z’n plagerij, dreigt ze hem met een spitsen vinger.
Aan den wand der zaal staan aan één kant lange banken met fluweelen zittingen, aan den anderen kant vele stoeltjes op een rij.
Op de banken zitten ongeveer veertien meisjes, ook van den leeftijd der jongens, in aardige, witte jurkjes gekleed, breede witte linten in het haar, kousen en schoentjes in dezelfde kleur.
„Net een rij opgeprikte kapellen,” smaalt Ambro.
De jongens moeten op de stoelen plaats nemen.
Eensklaps roept Karel hardop: „Kijk es, Ambro, de zittingen van die stoelen kan je omkeeren.”
Met draait hij de houten zitting om en komt een mooie, rood-satijnen zitting boven.
„Veel zachter,” zegt Karel en wil er op gaan zitten.
Maar de juffrouw, die het alweer zag, komt naar hem toe en zegt nijdig:
„Wil je dit wel eens laten! Die zittingen mogen jullie niet gebruiken, die worden alleen gebruikt als er feestjes zijn.
„En nu wil ik verder geen last van jullie hebben, denk erom.”
Juist als de juffrouw de les wil beginnen, wordt er op de deur geklopt en op haar „binnen” betreden twee jongens de zaal.
Ze zijn van een heel ander slag dan de andere jongens en zullen zeker ’t hart van de juffrouw stelen, want ’t zijn toonbeelden van netheid.
„’t Is vast een tweeling,” zegt Ambro. „Ze lijken precies op elkaar.”
En dan tot de jongens: „Zeg, jij moet een rood strikje aandoen, en jij een blauw, anders kunnen we jullie niet uit elkaar houden.”
Het keurig-nette tweetal zegt boe noch ba, ze kijken alleen met verachtelijk opgetrokken neusjes naar den kleinen man in den langen pantalon die zoo staat op te scheppen.
Dit zwijgen prikkelt Ambro.
„Wacht even,” zegt hij. „Jullie zijn tòch te onderscheiden, jij hebt een puist op je neus en jij een pitje in je kin! Jongens, gezicht op Berg en Dal!!” en schaterend wendt Ambro zich af van de twee parkietjes.
Juffrouw Hesterman gaat midden in de zaal staan, klopt met haar spitse vingertoppen tegen elkaar en commandeert:
„Stilte, meisjes en jongens.”
„’t Spul gaat beginnen,” roept Karel.
De juffrouw stampvoet van woede: „Stilte heb ik gezegd! Heb je ’t verstaan?”
En dan gaat ze kalm verder:
„Nu komen de jongenheertjes op een rij voor me staan. Luister nu goed naar wat ik je zeg en doe precies na wat ik je voor doe.”
Ambro trekt tot groot vermaak van de jongens net zoo’n pruimenmondje als de juffrouw en zet z’n lichaam precies in de houding van de gecorsetteerde dame.
„Ik zal beginnen jullie de buiging te leeren.”
Tegelijkertijd neemt ze, om goed te laten zien hoe ze de voeten moeten zetten, met twee nuffige vingers aan weerskanten een tip van haar toch al niet langen rok op, plaatst haar hooggehakte schoentjes naast elkaar en verzoekt ze hetzelfde te doen.
Ambro, ondeugend als hij steeds is, trekt ook vol gratie z’n beide broekspijpen een eind omhoog.
Nijdig zegt de juffrouw: „Dàt hoeft niet, mijnheertje Verbrugge, en u moet me nu niet meer lastig vallen, want ik wensch u niet nogmaals te verbieden, u staat hier niet als clown.”
„Zij wel,” fluistert Ambro in Karel’s oor.
De heele rij jongens staat nu volmaakt naar den zin van juffrouw Hesterman.
„Heel goed is ’t zoo,” zegt ze voldaan.
„Wanneer we nu het lichaam doorbuigen, blijven de armen ongedwongen omlaag hangen, zoo ook de handen. Kijk, flauw gebogen.”
Bij de heeren-buiging blijkt het corset van de juffrouw haar parten te spelen en ze blijft halverwege steken.
De heele rij buigt nu. Maar ’t lijkt meer op jongens die haasje-over gaan springen, uitgezonderd natuurlijk Berg en Dal, die voor buigen in de wieg zijn gelegd.
„Héél goed, jongenheertjes Otto en Eugène,” zegt ze waardeerend. „Jullie hebt me volmaakt begrepen.”
„Ik krijg pijn in m’n rug,” zegt Ambro, die nog altijd gebukt staat.
Nu worden ze een voor een onder handen genomen en na korten tijd buigen ze allen als volleerde saletjonkers.
„Nu gaan de jongenheertjes weer zitten en komen een voor een ’n buiging voor mij maken. En ik zeg jullie eens en voor altijd, dat ’t mijn wensch is, dat jullie bij komen en gaan steeds op die manier je compliment voor me komt maken.”
„Wat een flauwe kul,” fluistert Karel met een scheefgetrokken mond Ambro in.
Na deze proeve van wellevendheid komen de meisjes aan de beurt.
Ze zijn veel gemakkelijker te regeeren dan de jongens... tenminste... op de dansles.
Op één wenk van de juffrouw kwamen alle witte kappelletjes van de bank gevlogen.
„Groot ballet bij Carré,” spot Ambro.
De jongens moeten nu wachten tot de veel moeilijker dames-buiging is geleerd. En als dat afgeloopen is, is ook de eerste dansles voorbij.
„De volgende week verwacht ik jullie op hetzelfde uur, en ik hoop, dat de verschillende jongenheertjes zich dan wat fatsoenlijker zullen gedragen, de eerste indruk was verre van beschaafd. Jullie kunt gaan.”
„Berg en Dal” stappen te zamen naar de juffrouw en maken voorbeeldig de pas-geleerde buiging.
Vijf andere jongens doen het hen zeer onbeholpen na.
Ambro is al bij de deur, als hij door de juffrouw teruggeroepen wordt. Ze wijst hem erop, dat hij haar nog niet gegroet heeft.
Hij kijkt even om het hoekje van de deur en terwijl hij haar amicaal toewuift, roept hij: „Dag juffrouw, houdt u maar haaks.” En weg is de bengel.
Het schoenen-verwisselen geschiedt deze keer zonder hindernissen. Kareltje en de Vuurtoren hebben blijkbaar vrede gesloten, want ze zitten broederlijk naast elkaar te babbelen.
„Berg en Dal” zijn nog niet in de kleedkamer verschenen, zij hebben toestemming van de juffrouw gekregen zich te verkleeden in een kamertje aan den anderen kant der danszaal.
Eindelijk zijn de meesten klaar en ze moeten zich door een haag van dienstboden werken die allen in den corridor staan om hun respectievelijke jongejuffrouwen af te halen.
Buiten ligt als een wit tapijt, de verschgevallen sneeuw.
„Dat belooft wat,” zegt Ambro, vergetend dat hij een hard hoedje op heeft.
„Zeg dàt wel,” antwoordt Karel en tegelijkertijd vliegt Ambro’s kaashoed door een welgemikten bal van Karel door de lucht.
„Had ik nou dat lamme ding maar niet op,” zucht Ambro.
„Ik breng ’m vast niet heel thuis en dan zal je me neefie hooren.”
„Stil, jong, de deur gaat open,” zegt Karel zacht.
Ingepakt als twee bakerkinderen verschijnen Berg en Dal op de stoep.
„Pats! Midden in hun facie,” roept Ambro.
De twee slachtoffers loopen in vollen draf langs de huizen der stille straat voort.
Nadat Ambro en Karel al wat uit de deur kwam bekogeld hadden, namen ze afscheid van elkaar en ging elk zijns weegs.
Ambro versnelt zijn pas, want hij bedenkt met schrik, dat hij z’n huiswerk nog moet maken en ook nog het geleende goed terug moet brengen.
Daar passeert hij de brug bij de Westersingel. Een plotselinge rukwind... en z’n hoed ligt in ’t water.
„Die is naar de maan,” mompelt hij in zichzelf.
Beteuterd kijkt hij ’t hoedje na, dat vol loopt en zinkt.
„Niets aan te doen,” bedenkt hij. „Daar gaat voor een paar maanden m’n weekgeld aan,” en bedroefd vervolgt hij zijn weg, nog uitgelachen door een paar straatbengels die hem naroepen:
„Hij komt weer boven!”
Zoo eindigde Ambro’s eerste dansles.
WIE EEN KUIL GRAAFT VOOR EEN ANDER...
De jongens zaten allen bij elkaar in het hol. Het was winter en het hol was niet zoo dicht begroeid als anders, doch door al het gewir-war van takken waren ze toch moeilijk te ontdekken.
„Wat zijn we hier in langen tijd niet geweest,” zei Ambro.
„Als ze ons maar niet door de takken heen zien,” zei Puckie Voortman, die na een lange ongesteldheid zich weer bij de roovers had aangesloten.
„Wat is de grond hier vochtig,” vond Piet Kaan.
„Nou ja, ’t is geen zomer,” zei Ambro.
„Waarom was jij vanmorgen niet op school?” vroeg Wim aan Ambro.
„Ik heb zitten teekenen langs den Overschieschen Weg. Den molen heb ik gemaakt.”
„’t Zal wat moois zijn,” spotte Wim.
„Nou, hier heb ik ’m,” zei Ambro.
De jongens verdrongen zich om Ambro, teneinde de teekening goed te kunnen zien.
„Verduiveld, dat ’s aardig,” zei Puckie bewonderend.
De andere jongens waren ook vol lof en Piet Kaan voorspelde, dat Ambro nog eens een beroemd schilder zou worden.
Ambro lachte. „Kan je denken!” zei hij.
„Ik word koekebakker, kan je fijn taartjes voor noppes eten.”
„Meen je het heusch?” vroeg Paul ongeloovig.
„Neen hoor,” zei Ambro en dan liet hij er ernstig op volgen:
„Ik zou ’t liefst clown in een circus worden.”
„Valt geen spat mee te verdienen,” meende Chris.
„Met het schilderen zeker wel,” spotte Ambro.
„En een clown gaat twintig jaar voor z’n tijd dood.”
„Dat lieg je! August de Domme werd zeventig.”
„Dat zegt niks,” hield Chris vol. „Als ie kruidenier was geweest, zou ie de honderd gehaald hebben.”
„Clown of detective zou ik willen worden,” zei Ambro peinzend.
„Geen klein verschil,” meent Karel. „Ik wil officier worden.”
„Ajakkes!” zegt Paultje. „Dat doe je nou ook om het mooie pakje.”
En dan laat hij er waanwijs op volgen:
„Mijn oom is ook officier en die zegt, dat ie er al spijt van had, een jaar nadat hij ’t geworden was. Hij is in Indië geweest, zie je, en daar maken ze een boel mee.”
„Je lijkt wel een oud mannetje, Paul,” lachte Karel. „Ik vind ’t toch wàt een fijn leven. Vol avonturen is het en iederen dag wat anders.”
„Dat zeg je nu, als jongen, maar oom zegt, dat je daar naderhand heel anders over denkt, vooral, als je een oorlog hebt meegemaakt.”
„Ik heb al lang genoeg van jullie gezwam,” viel Ambro de twee praters wat ruw in de rede.
„Ik ga bootje varen bij de ronde bank.”