Part 2
„Ja, ja,” riepen de jongens vol vuur. „Laten we ’t doen.” Ze hadden bijna allemaal een hengel en die er geen had, zou er een te leen krijgen van een broer van Wim.
„Die had al z’n bullen toch zoo echt in orde,” beweerde Wim trotsch.
„Waar zullen we de wormen gaan zoeken?” vroeg Bob van Eest.
„Onder de graszoden langs de paadjes, daar vind je ze bij hoopen,” zei Wim.
De roovers verlieten hun hol en zochten een lang paadje op. Een voor een wipten ze de graszoden op, smeten die tamelijk onverschillig midden over het paadje en begonnen ijverig te zoeken.
Wim wist het maar best, je vond er een massa wormen. De zakdoeken werden te voorschijn gehaald en daarin werden de wormen opgeborgen.
Vies uitgevallen waren ze niet, je hoeft een zakdoek toch niet uitsluitend voor je neus te gebruiken, vonden de jongens.
Terwijl ze daar zoo ijverig aan het zoeken waren, kwam eensklaps een tuinman aangewandeld. Met vertoornde blikken keek de gevreesde man naar de mooie graszoden, die wanordelijk in het midden van het wandelpad lagen.
Voor ze wisten wat er gebeurde stond hij achter ze en had Karel Boekers al in de kraag van z’n blouse te pakken.
De anderen wilden eerst het hazenpad kiezen, maar ze bedachten gelukkig bijtijds, dat het gemeen zou zijn Karel nu aan zijn lot over te laten. Dus bleven ze waar zij waren en wachtten gelaten af, hoe er over hun lot beschikt zou worden.
„Jullie schavuiten,” barstte de man in hevige verontwaardiging los. „Dat benne nou jongens van nette ouwers! Schame moste jullie je!”
Na deze booze woorden haalde de man een boekje en potlood uit zijn zak, zette eerst een groote lorgnet op het topje van z’n neus, keek er boos over heen en vroeg dan op het rijtje af hun namen.
„En nu geen konkelefoesie’s,” waarschuwde hij nog eerst. „Maar je echte, ware naam, hoor!”
Ze gaven allen hun namen op, die door den man in langzaam, zeker schrift genoteerd werden.
„En nou allemaal marsch den tuin uit,” commandeerde hij barsch. „Enne... jullie zalle d’r wel meer van hooren.”
Die laatste bedreiging liet niet na grooten indruk op de jongens te maken.
Alsof de man ze op de hielen zat, holden ze dan allen in gestrekten draf den tuin uit.
Den volgenden morgen aan het ontbijt werden de respectievelijke Pa’s verrast met een grooten brief van den directeur van den dierentuin, waarin hij de wandaden van hun spruiten vermeldde en verzocht hun jongen bij hem op ’t bureau te sturen.
Hierop volgde natuurlijk van vader’s kant een niet malsch standje voor de jeugdige zondaars, plus een flinke portie straf.
Dit alles leek ze echter nog niet zoo erg als dit komen bij den directeur op zijn bureau.
Wie weet wat hen daar nog wachtte!
Op den afgesproken dag stonden ze als zoete, lieve joggie’s in het bureau van den directeur.
Deze, een lange, al grijzende heer, met diepe doordringende oogen, zat in een leuningstoel en speelde met... een jong leeuwtje.
Hij aaide het over den kop en het mooie, jonge beest hapte naar de slanke hand, die zoo kalm en toch gebiedend op zijn kop rustte.
De jongens keken vol verbazing naar dit schouwspel. ’t Was ook waarlijk geen alledaagsch gezicht. En van de eene verbazing vielen ze in de andere. Want, op den rand van het groote schrijfbureau zat, in onverstoorbare kalmte een nootje peuzelend, een schattig, klein aapje.
Het keek hem met z’n verstandige, kleine oogjes zoo grappig aan.
De Directeur liet ze eens even rustig kijken, deed, alsof hij niet zag, hoe ze met gebogen hoofden, tersluiks de heele kamer doorgluurden. Hij moest toch wel even lachen om die deugnieten op een rijtje, allen met brave gezichten, de petjes in de hand, in angstig afwachten.
Maar hij dacht dan weer aan de wanorde in zijn onberispelijken tuin en... daar volgde het verhoor.
Zijn stem klonk ijzig-koud toen hij de jongens ondervroeg en die strenge oogen keken door alles heen.
Tsjonge, ’t was geen appelepap, vonden de jongens.
Hij besloot zijn rede door ze te vertellen, dat ze voor dezen keer nog niet gestraft werden, doch zoodra hem weer ’t minste vergrijp tegen de reglementen van den Dierentuin ter oore kwam, zou hen minstens voor den tijd van een maand het verblijf in den tuin ontzegd worden.
Toen konden ze gaan!
Oef! zeiden ze, toen ze buiten stonden.
En ze namen zich voor het hol van Kaan voor een tijdje niet te bezoeken, want ze zouden nu wel in de gaten gehouden worden.
Ze trachten zich in den tuin op andere wijze te vermaken.
Dat ging eenige dagen heel goed en ze voelden zich trotsch op het feit, dat ze al zóó ’n tijd rondliepen zonder kattekwaad uit te halen.
Daar kwam op een dag Wim Bolk met het bericht op school, dat ze op het bureau van den Dierentuin voor iederen rat die je in den tuin ving een kwartje betaalden.
Er scheen bij den eendenvijver een ware rattenplaag te zijn en ze hoopten op die manier het kwaad te bestrijden.
„Van wie weet je ’t?” vroeg Ambro, die het bericht wat onwaarschijnlijk vond.
„Van ’t neefje van Alebes,” zei Wim.
Even moet ik jullie vertellen, dat die bewuste „Alebes” waar de jongens het over hadden tot het personeel van den Dierentuin behoorde en omdat hij nogal eens misbruik maakte van sterken drank en zijn neus daardoor een verdacht rooden punt had, de jongens hem „Alebes” noemden, daar ze vonden, dat die neustop veel overeenkomst met een rijpen aalbes had.
Van dien beruchten man hooren jullie nog wel eens in het verhaal.
„Hoe ken jij het neefje van Alebes?” vroeg Bob, nu ook twijfelend.
„Die gaat bij mij op gymnastiek,” zei Wim en nijdig liet hij er op volgen:
„En als ik lieg, dan lieg ik in commissie, hoor!”
Ambro, die veel zin in de rattenjacht had zei vergoelijkend: „Nou, ’t neefie van Alebes zal ’t toch wel weten.”
Ja, dat vonden ze nu toch ook en men besloot brood en stukjes vleesch mee te nemen en dat onder de brug bij den eendenvijver te leggen, dan zouden de ratten wel te voorschijn komen.
Ze wapenden zich allen met een stevigen kei en gingen toen over de brugleuning op den loer liggen.
Ze zagen dien eersten middag niets en ze begonnen al te twijfelen aan de woorden van des Alebes’ neef.
Maar den dag daarop, tjoep, ging het in den vijver en daar zwom een reus van ’n rat.
„Nou op z’n kop mikken, jongens,” vuurde Wim aan.
Plomp, daar vloog de eerste kei door het water.
De rat zwom ongedeerd verder, maar de eenden, verschrikt door dien plotselingen plons in het water, repten zich al snaterend en kwekkend angstig voort.
„Daar gaat ie,” gilde Piet Kaan. „Nou ’m d’r een achterna gooien!”
Wel vier keien werden den vluchtenden rat achterna gegooid, echter zonder hem te raken.
Het spektakel in den eendenvijver werd hoe langer hoe erger, de eendjes kwekten angstig en zochten een goed heenkomen.
En de jongens, de roekelooze domme jongens, vergaten hun goede voornemens, hun belofte aan den directeur en gooiden uit alle macht met keien, steeds in de hoop den rat te kunnen treffen.
„Wat is dat hier voor een herrie,” galmde een stem achter hen.
Juist vloog er weer een kei door het water. De suppoost, die achter hen stond, pakte Wim Bolk, die den kei gesmeten had, bij z’n arm en rammelde hem door elkaar.
„Gooien jullie met keien!” riep de man verontwaardigd.
„We zijn op de rattenvangst,” zei Wim heel kalm, in het volste besef, dat hij hier iets deed wat in het belang van den dierentuin was.
De oogen puilden uit ’s mans hoofd.
„Op de rattenvangst!!!” galmde hij hem na. „Op... de... rattenvangst!!! Dat zal jullie geleerd worde! Mee, naar ’t bereau!”
„Nee, nou is de boot an!” riep Wim in heilige verontwaardiging. „En ’t màg!”
„Wàt mag!” riep de man woedend.
„En... enne...,” stotterde Wim, niet meer zoo zeker van z’n zaak. „En... je krijgt op ’t bureau voor iederen dooden rat een kwartje.”
„Ja, dat is zoo,” riepen de anderen gauw. „De neef van Alebes zei het zelf!”
Het werd den man groen voor de oogen. Wat waren dat allemaal voor praatjes van die jongens.
„Mee naar ’t bereau!” zei hij nijdig. „Ik heb met jullie praatjes niks te maken!”
Tegenstribbelen gaf niet, en daar gingen ze dan in optocht, de suppoost vlak achter hen, naar het bureau, waar ze dezen keer ontvangen werden door den onder-directeur.
Hier bleek, dat het neefje van Alebes Wim een mooie poets had gebakken.
En de onder-directeur hield er volstrekt geen rekening mee, dat ze meenden ter goeder trouw gehandeld te hebben. Ze waren toch oud genoeg, om te weten, dat je in een vijver waar eenden rondzwemmen niet met keien gaat mikken.
Weer moesten ze hun namen opgeven en bij het noteeren daarvan bleek hem, dat ze voor eenige dagen ook al kwaad bedreven hadden. En toen volgde onmiddellijk de straf.
Een maand verwijderd uit hun geliefd verblijf.
’t Was hard—maar verdiend.
EEN DROEVE DAG.
Een maand verwijderd uit den Dierentuin. Dàt wil wat zeggen voor de jongens.
Naar de havens durven ze niet te best, het voorval met Ambro ligt ze nog te versch in het geheugen.
Visschen? Nou ja, dat is leuk voor ’n keertje, maar als je urenlang aan den waterkant moet staan en je hebt haast nooit beet, dan gaat de aardigheid er gauw af.
Chris de Jonge komt met een nieuw plan voor den dag.
Ze moesten eens naar de Schie gaan wandelen, daar heb je de bergplaatsen van Stor’s Houthandel en daar kunnen ze op de balken oorlogje spelen.
Algemeene instemming.
Op een Woensdagmiddag trekken ze er met hun allen heen.
Het is het schaft-uur der werklieden en ze kunnen zich dus een kostelijk uurtje vermaken.
De stapels balken die aan den kant liggen stellen een vesting voor. De jongens hebben zich in twee partijen verdeeld, waarbij de aanvallende partij woest tegen de balken opklautert om den vijand er langs den anderen kant af te drijven.
Na een verwoeden strijd behaalde Ambro’s partij de overwinning en zag men Ambro’s figuurtje boven op den stapel hout, triomfantelijk zwaaiende met een zakdoek aan een stok, waarna hij de vlag boven op den top van den houtberg plantte.
De strijd was dus geëindigd.
„Nou weet ik wat fijns,” zegt Bob. „We gaan ballekie springen, dàt is zoo echt!”
De werklieden zijn nog aan het schaften,—ze vermoeden niets kwaads.
In het water liggen groote hoeveelheden hout, balken en planken. Er liggen lagen van een en meerdere op elkaar.
Het loopen op de dubbele lagen hout is volkomen ongevaarlijk.
Maar—de heeren wenschten zich anders te vermaken.
Ze loopen op balken van één laag. Als je nu op zoo ’n balk loopt, zinkt hij! Daarom springen ze vlug van den één op den ander en zoo kunnen ze een heel eind afleggen, om eindelijk weer op een dubbele laag te komen, waar ze dan veilig staan.
Die balken zijn vreeselijk glad van ’t in het water liggen en ze zijn gedeeltelijk bedekt met kroos.
De werklieden hebben dan ook als ze daarop werkzaam zijn, spijkers onder de klompen, teneinde uitglijden te voorkomen.
De jongens hebben dolle pret en ze weten niet van ophouden. Ze volgen elkaar vlug op bij het springen en merken niet, dat de dubbele balkenlaag waarop ze terecht moeten komen een flink eind afgedreven is.
Nu moet Bob springen. De jongen is geheel onvoorbereid op den grooten afstand tusschen de balken, doet den sprong, komt in het water terecht en verdwijnt onder de balkenlaag.
Ontzaglijk was de schrik der jongens en onmachtig hun vriendje te helpen beginnen ze luidkeels te gillen en om hulp te roepen.
Ambro, die de meeste tegenwoordigheid van geest heeft, rent zoo hard als hij kan naar den houtzaagmolen, waar hij wist dat de werklieden zaten te schaften.
Deze waren al op het luide geschreeuw komen toeloopen en repten zich naar de plaats des onheils.
Met lange boomen maakten zij openingen tusschen de balken. Een ervan dook onder de laag, maar kwam direct daarna weer boven om adem te halen.
Onmiddellijk daarop dook hij weer naar beneden en deed hij nogmaals een poging om den jongen te redden.
Toen hij voor de tweede maal boven kwam had hij hem stevig vast en met behulp van de andere werklieden kwamen beiden aan den oever.
Bob bewoog zich niet.—Ze legden hem op zijn rug in het gras en trachten door krachtige armbewegingen de levensgeesten op te wekken.
Inmiddels was een der jongens een dokter gaan halen.
Al heel gauw kwam deze ter plaatse en stelde alles in het werk om den armen jongen tot bewustzijn te brengen.
Het was echter vergeefsche moeite.
„Hij is dood,” zei de dokter en zijn stem klonk bewogen.
De jongens begonnen hevig te snikken.
Daar lag nu hun vroolijke makker zoo bleek en bewegingloos in het gras, en de zon scheen zoo heerlijk, de vogeltjes zongen zoo lustig. Hoe kòn het.
Ze wilden het niet gelooven en telkens weer keken ze naar het bleeke gelaat met de gesloten oogen.
„Hoe heet je vriendje?” vroeg dokter. „En waar woont hij?”
Ze gaven snikkend zijn naam en adres op.
„Ik ken zijn vader,” zei dokter ontroerd.
„Ik zal zelf naar zijn kantoor gaan en hem de vreeselijke tijding brengen.”
Inmiddels hadden de werklieden Bob zachtkens opgetild en droegen ze hem naar den houtzaagmolen, waar ze hem bedekten met eenige oude kleeden, in afwachting dat het lijkje naar huis getransporteerd kon worden.
De dokter begaf zich naar zijn rijtuig, maar vóór hij instapte riep hij de jongens, die zielig-stil bij elkaar stonden, bij zich.
„Kom eens hier jongens,” zei hij zacht. Ze kwamen schoorvoetend aanloopen en bleven bij zijn koetsje staan.
„Kunnen jullie begrijpen, jongens, hoe zwaar ’t mij valt de vreeselijke tijding aan zijn ouders te gaan brengen?
„Stel je eens even voor, dat nu je eigen vader en moeder zoo’n tijding kregen.”
Weer begonnen de jongens zacht te snikken.
„Kijk eens, jongens, ik was zelf als kind een echte wildebras, maar nooit heb ik aan spelletjes meegedaan waaraan bepaald levensgevaar verbonden was. Dat had ik mijn moeder eens en voor goed beloofd.
„En leer dat van mij, zoolang je zelf niet kunt zwemmen en bewezen hebt jezelf uit het water te kunnen helpen, zoolang is het onverantwoordelijk spelletjes te doen waarbij je in het water kunt vallen.—Dag jongens.”
Dokter reed weg en de jongens bleven verslagen staan. Ze spraken heel zacht met elkaar, alsof ze bang waren, het makkertje dat daar gindsch in den houtzaagmolen lag, in zijn rust te storen.
Dan verlieten ze heel langzaam en met gebogen hoofden de plaats des onheils.
Twee dagen later werd Bob begraven.
Het was een treurigen stoet die zich vanaf het sterfhuis naar den doodenakker begaf.
Een aantal volgkoetsen reed achter den lijkwagen, want de vrienden en kennissen van de familie van Eest hadden veel van den vroolijken, flinken knaap gehouden en wilden hem nu begeleiden naar zijn laatste rustplaats.
Op het kerkhof wachten alle jongens uit zijn klas met hun onderwijzer den stoet af.
Dicht tegen elkaar aangedrongen stonden de roovers uit het hol van Kaan. Hoe droef en bleek zagen hun anders zoo overmoedige, vroolijke jongensgezichten.
Toen de baar langs hen ging, trad Ambro naar voren en legde een grooten bloemtak met lange witte linten op de baar.
In zwarte letters stond op het lint gedrukt: Rust zacht Bob. Je trouwe kameraden.
Zeer onder den indruk verlieten zijn makkers de begraafplaats, de droevige gebeurtenis zou hen niet gauw uit het geheugen gaan.
Het was hun een les voor het leven.
HET „MONSTER”.
Het duurde een geruimen tijd eer de oude pret en de lust tot schelmenstreken bij de roovers terugkeerde.
De herinnering aan het droevig ongeluk met Bob was nog te versch, zoo heel gauw konden ze niet weer ongedwongen spelen, daarvoor misten ze den aardigen makker te veel.
Daarbij kwam nog, dat de ouders van de jongens, angstig geworden door het ongeluk, dat toch te wijten was aan roekeloos spel, ze een tijdlang scherp onder toezicht hielden.
’t Is echter begrijpelijk, dat flinke, gezonde knapen niet al te lang treuren over het verlies van een vriendje. En al dachten ze nog heel vaak aan Bob, hun spel nam ze toch al gauw weer geheel in beslag.
Bovendien konden de ouders hun jongens niet al te lang van hun vrijheid berooven. Er werd ze nog eens danig op ’t hart gedrukt nu geen roekelooze daden te doen en dan mochten ze weer over hun vrije middagen beschikken.
Intusschen was de maand waarin ze niet in den Dierentuin mochten komen, om.
Wat was dàt een vreugde!
Hoe fier wandelden ze den portier voorbij, ze mòchten nu immers!
’t Gaf ze een ontroering toen ze daar weer op hun geliefd grondgebied stonden. ’t Was immers een stuk uit hun vroolijk jongensleven.
Ze begonnen, alsof ze nog nooit den Dierentuin gezien hadden, gelijk vreemdelingen op kwartjes-dagen door den tuin te wandelen; bleven voor alle beesten staan en begroetten ze als oude, lieve bekenden.
Ze liepen uiterst behoorlijk, ze praatten zelfs niet luid. Maar... wien jongensbloed door d’aadren vloeit... die is niet lang in zoo’n brave stemming te houden.
En toen ze „de rots” genaderd waren, was „Alebes” de aanleiding van hun eerste booze gedachte na hun wederoptreden in den tuin.
Hun keurig gedrag had misschien juist een half uur geduurd.
Plotseling roept Wim: „Kijk es, jongens, Alebes leeft ook nog, hij ziet weer paars van den drank.”
Alebes was een gepensionneerd korporaal van het Oost-Indisch leger, een man van ongeveer 55 jaar.
Zijn werkkring bestond in het bewaken van „de rots” en hoofdzakelijk moest hij oppassen dat geen kinderen beneden de 16 jaar zonder geleide dit grootsche!!! monument betraden, want er werd teveel gelegenheid geboden aan jeugdige liefhebbers van „gletscher-beklimmen” om tochten te ondernemen op de rotsblokken, die zich verhieven tot een 20 Meter hoogen toren, van welks hoogte de bezoekers een mooi uitzicht op den tuin werd geboden.
Die rots bezat vele aantrekkelijkheden. Daar hadt je een grot waarin goudvisschen-kommen uitgehouwen waren.
O, het prachtige goudgeflonker van die diertjes in die donkere grot.
En dan waren er roode glaasjes in den rotswand, waarin je, als je er doorkeek, de tuin in een tooverachtig rooden schijn zag, terwijl ze door de grot een geheimzinnig rood licht wierpen.
Dit alles had voor de meeste kinderen een groote bekoring; ze voelden zich als in een tooverwereld.
De roovers stonden voor de steenen trap, die toegang gaf tot de rots.
Ze klommen die op, maar alvorens bij de tweede trap te komen, die naar den toren voerde, moesten ze voorbij „het monster”.
„Het monster” was de tweede bijnaam van Alebes. En het hing voornamelijk af van de hoeveelheid drank die dit monster verzwolgen had, of er kans was ongestraft voorbij te gaan om daarna den toren te kunnen beklimmen.
Alebes was steeds gewapend met een stevigen doornstok en menige jongensrug kon getuigen van de hardheid en degelijkheid van het hout.
Was Alebes nuchter, dan hanteerde hij met veel vaardigheid zijn wapen en stond met ware doodsverachting lijf en rots te verdedigen.
„Alebes slaapt,” fluisterde Ambro. „Als we nu zachtjes doen, dan kunnen we ’t best wagen. Ik zal wel voor gaan en probeeren hem stilletjes den stok af te nemen. Laten we nu achter elkaar gaan.”
En daar gingen ze, voetje voor voetje de steenen trap op, angstig omkijkend als er grint onder hun voeten kraakte.
Alebes sliep den slaap der „schuldigen”!!
Ambro boog zich zacht over hem heen om zich te overtuigen of zijn slaap wel echt was.
Een luid gesnurk stelde hem geheel gerust.—
„Hij heeft een emmer drank in,” fluisterde hij den jongens toe, en terwijl hij hem voorzichtig den stok uit de slappe neerhangende hand nam, zei hij overmoedig:
„En hier heb ik zijn wapen.”
„Nu naar boven,” juichte Karel.
„Als je je kop niet houdt, knijp ik je keel dicht,” zei Ambro boos.
Nu ging het heel voorzichtig naar boven.
„Pas op, dat je hem niet aanraakt,” waarschuwde Ambro, want Alebes zat op de tweede trede van de trap en nam deze bijna geheel in beslag.
Eindelijk was de laatste man veilig voorbij hem gegaan.
En nu ging het in groote haast naar boven.
Toen ze eenmaal het platform op den toren bereikt hadden werd een luid hoeratje aangeheven. Zóó luid, dat niettegenstaande den „emmer drank”, Alebes er van wakker schrok, zich de oogen uitwreef en het onraad boven op den toren bespeurde.
„Bl...sche apen,” was het eerste wat hij zei, en ik zal jullie de verdere liefelijke benamingen maar besparen die Alebes ten beste gaf: en ’t waren er heel wat, want Alebes was, zooals ik reeds zeide, oud-gediende bij het O.-I. Leger en de reeks vloeken die hij in minder dan geen tijd kon uitstooten was schier eindeloos.—
Het eerste wat hij hierna deed was... grijpen naar zijn stok... mis!
Weer volgde een reeks vloeken.
Hij stond op, waggelde onvast op z’n dronken onderdanen heen en weer, en besloot eveneens den toren te bestijgen. Het grootste deel van zijn zelfvertrouwen was weliswaar verdwenen met z’n doornstok, maar hij vertrouwde nog genoeg op de kracht van zijn handen om den strijd tegen dat kleine gespuis aan te durven.
Plotseling hoorden de jongens den langzamen sloffenden tred van „het monster”.
Nu was er geen ontkomen meer aan, want hooger dan ze nu waren, konden ze niet en beneden werd hun de pas afgesneden door het dronken monster. Werkelijk, op dit oogenblik zonk hen de moed in de schoenen.
„Misschien vermoordt ie ons wel,” fluisterde Chris.
„Ga jij dan maar voor,” lachte Ambro, wien de humor zelfs in dit benauwde oogenblik niet verliet.
Bevend van angst drukten zij zich tegen den toren-wand en ze voelden zich gelijk Klein-Duimpje met zijn broertjes bij het naderen van den reus met het groote mes.
„Nou is het met ons gedaan,” snikte Paul, die de jongste en minst dappere van het troepje was.
Dit deed hen allen toch even lachen en Ambro spoorde het aan tot moed.
Plotseling daalt hij de trap af, regelrecht het monster tegemoet. Voor deze iets kan zeggen, grijpt Ambro zijn hand en zegt smeekend:
„Och, mijnheer, kunt u mij ook zeggen of mijn vader en moeder nog in de grot bij de goudvisschen zijn. Ik heb ze hierboven gezocht en daar zijn ze niet. Ik ben hier vreemd.”
Een gebrom van Alebes volgde op die woorden. Wantrouwend keek hij met zijn lodder-oogen den jongen aan.
Maar Ambro’s wakkere oogen keken zoo vertrouwenwekkend in de zijne, dat het monster er voor bezweek.
„Ga maar es mee,” bromde hij. „Zalle me es kijke.”
Ambro had zijn doel bereikt. Achter den rug van Alebes gaf hij den jongens, die angstig het gesprek afgeluisterd hadden, eenige teekens die ze onmiddellijk begrepen.
Even zacht als ze gekomen was, daalde nu de bende weer omlaag, steeds een eindje achter het monster blijvende en eenmaal bij de tweede trap gekomen, rende ze allen, Ambro inbegrepen, als een troep vluchtende geiten de treden van de eerste trap af.
Boven stond Alebes wezenloos naar hen te kijken, tè beteuterd zelfs om te vloeken.
Hij zag ze wegrennen over de paden en verdwijnen achter de boschjes en hij bleef eenzaam achter, want niet alleen den stok, maar ook zijn geliefde flesch hadden de „lammelingen” hem ontnomen.
Op een veilig plaatsje aangekomen, maakten de jongens halt en zegevierend hield Ambro de gekaapte flesch in de hoogte.
Hij goot het walgelijk riekende vocht er uit en zei lachend: „Alsjeblieft Alebes, daar ligt je borrel.”
DE GEHEIMZINNIGE MACHT.
De jongens hebben het hol weer opgezocht.
Ze durven weer, want de suppoosten zijn het voorval met de eenden nu wel vergeten, er wordt dus niet meer zoo scherp op ze gelet.
„Vanavond concert,” zegt Ambro. „Ik ga er heen.”
„Dat lieg je lekker,” zegt Piet nijdig.
„Mocht je willen,” plaagt Chris.
„Ik ga naar ’t concert,” zegt Ambro kalm.
„Je bent nog geen zestien,” zegt Paul schuchter.
„Doet er niet toe, ik ga.”
„Toe saai-piet, doe niet zoo vervelend, hoe kom je er dan in?” vraagt Wim.
„Nou tap je uit een ander vaatje, vader!
„Hoe kom ik er in, dàt is nou juist de „kwepsie”,” lacht Ambro ondeugend.
„Moet je hooren.—Verleden week denk ik zoo, ik heb ook wel lust om es wat van ’t concert te hooren en toen bedacht ik een fijn plan. Na het eten ging ik weer naar den Dierentuin. Ik kwam een der suppoosten tegen, die nog heel goeiig zei:
„„Denk er aan jongenheer, om half acht den tuin uit.”