Part 1
HET HOL VAN KAAN
DOOR E. BELINFANTE
MET 25 ILLUSTRATIES DOOR W. HESKES
EM. QUERIDO—1919—AMSTERDAM
AAN ERNST EN LYDIA
INHOUD
Bladz.
De Bende uit het Hol van Kaan 1 „Van m’n eigen verdiende Centen” 6 „Tusschen Hemel en Aarde” 11 ’n Kwartje ’n Rat! 18 Een droeve Dag 26 Het „Monster” 32 De geheimzinnige Macht 38 Nette Manieren.... en onnette Jongens 46 Wie een Kuil graaft voor een ander 58 Een „dikke” Vriend 69 De Kunstveiling 89 De mislukte Nacht-wandeling 96 Het geheimzinnige Apparaat 109 Van een Vlieger en een Meiske 117 Karel’s eerste optreden 127 Ratten, Kogelfleschjes en Ladders! 141 Ambro en Paul op Reis 160 Ambro redt een sectie Soldaten 170 Verraderlijke Rook! 182 Van een Diefstal op School en een Vuilnisbak als Koekepan 196 De Kermis 213 De Kermis 220 Besluit 244
DE BENDE UIT HET HOL VAN KAAN
Ge zijt allen wel eens in een bioscoop geweest, niet waar? Hebt ge dan wel eens gezien, hoe de film-helden en -heldinnen vóór het begin van de film één voor één levensgroot op het doek kwamen?
Zoo zou ik u zoo gaarne de helden uit dit boek voorstellen.
Dan zou Ambro, de held van dit verhaal met z’n ondeugende, open gelaat U guitig toelachen.
Chris zou zeker een half norsch, half spottend gezicht getrokken hebben.
Puckie zou een scheef-getrokken mond hebben van ingehouden lach.
Paul, met even schuin-gebogen hoofd, zou met lieven blik de zaal in kijken.
Piet, in de houding van een Indianen-Opperhoofd, zou met onverschilligen blik naar u kijken.
Karel en Wim allebei met iets guitigs-verwonderds.
En Bob?... Ik denk, dat er weemoed in zijn blik zou zijn geweest.
Nu ik mijn helden dus aan het publiek heb voorgesteld, wil ik er nog even bij vertellen, dat ze hun ondeugende rollen gespeeld hebben in Rotterdam en ze den leeftijd hadden van tien tot twaalf.
Het stel was vanaf de bewaarschool trouwe kameraden en daar ze allen, zonder uitzondering pientere, vlugge jongens waren, bleven ze ook op de groote school steeds in dezelfde klas en zoo bleef het oolijke jongensclubje steeds bijeen.
Wat al streken door die bengels werden uitgehaald, wordt in dit verhaal beschreven.
De verschillende ouders van de jongens waren allen lid van den Dierentuin en die tuin was, in de oogen der ouders een veilige bewaarplaats voor hun jongens. Af en toe ging er eens ’n pa, moe of groote zus kijken, wat ze wel uitvoerden, en dan kwamen ze altijd een der clubgenooten tegen, die vol ijver zei: „Ik weet waar ze zijn, ik zal ze wel even roepen.”
En al heel gauw kwamen ze dan als zoete joggie’s aangewandeld, een boek of cahier in de handen en vol verhalen over de apen die weer zoo leuk waren, of de leeuwen die net gevoerd werden.
„Het groote mensch” ging dan volkomen gerustgesteld heen.
Daarna dingen de jongens weer kalm verder, net zoolang, tot ze bij een stil plekje waren. Hier vormden ze een kring om den oudsten jongen, een zekeren Ambrosius Verbrugge, die de hoofdleider van het clubje was.
„Dat liep weer netjes af,” verklaarde deze op plechtigen toon. En dan tot den jongen die ze was komen roepen toen het groote mensch kwam opdagen:
„Bob, je hebt je best gedaan, je krijgt daar straks je belooning. Wie moet er nu op post?”
„Ik,” zei een kleine, dikke snuiter en meteen haastte hij zich langs denzelfden weg waarvan ze zooeven gekomen waren en posteerde zich op een bank, vlak bij den ingang van den dierentuin.
Oogenschijnlijk zat hij ijverig te lezen in het boek dat hij in de handen hield, maar in werkelijkheid hield hij den ingang in het oog en monsterde iederen persoon die binnenkwam.
Na een half uur zou hij weer afgelost worden. Zoo luidde het reglement van de club.
Maar nu gaan we eens zien wat die andere jongens uitvoerden.
Daar hebben we het troepje. Ze loopen lachend en babbelend voort, maken een praatje met de oppassers, kijken eens naar de verschillende beesten, maar loopen hoe langer hoe verder den tuin in tot ze stilhouden bij een rhododendron-boschje. Het is een groot en heel dicht begroeid boschje en ’t ligt er rustig en afgelegen.
Piet Kaan, een der club-genooten had op een mooien dag het plan geopperd om op handen en voeten in het boschje te kruipen en daar plannen te beramen voor een nieuw spel.
Terwijl een der jongens als post uitgezet werd om te kijken of er geen tuinman of suppoost in den omtrek was, kropen de anderen op handen en voeten het boschje in.
En dáár werd dien dag het groote plan beraamd, het plan, waardoor ze vele maanden een reeks van prettige dagen hadden.
Kaan inspecteerde nauwkeurig het boschje en kwam tot de ontdekking, dat met hier en daar wat wegsnijden van takken en stammen het boschje een prachtig roovershol zou zijn.
Dit plan had de volle instemming van de overige Club-genooten en men besloot hun schuilplaats dan voortaan het hol van Kaan te noemen, want Piet Kaan had ’t toch maar ontdekt.
’t Klonk zoo echt roover-achtig, het hol van Kaan en ze zagen in gedachten al vreeselijke meesterlijke dingen gebeuren in hun spelonk.
Er werd verder besloten, met de grootst mogelijke omzichtigheid te werk te gaan, want ze wilden lang plezier hebben van hun hol. Het was dus zaak, het heele suppoostenleger te slim af te zijn, en dit kon alleen bereikt worden door steeds posten uit te zetten, terwijl de anderen dan bij ’t geringste sein van dien post zorgden het hol juist aan den tegenovergestelden kant te verlaten, als waarvan de suppoost kwam. Verder moest er een post uitgezet bij den ingang van den dierentuin om te kunnen waarschuwen als er familieleden kwamen controleeren wat hun jongens uitvoerden.
Ook dit voorstel werd met algemeene stemmen aangenomen.
Toen ze den daaropvolgende keer bijeen kwamen in het hol van Kaan, had een der roovers een vel perkament meegebracht en hierop werden alle notulen van het reglement neergeschreven en omdat ’t echter en griezeliger was, prikte Ambrosius Verbrugge zich in den arm, drukte eenige bloeddruppels uit en de bewoners van het hol van Kaan zetten allen hun namen onder het gewichtig document, „met bloed geschreven”.
Dit had hij gelezen in het aardige jongensboek van Mark Twain, „Tom Sawyer”.
En dit is nu eigenlijk de inleiding van mijn verhaal. Jullie kunt je nu wel zoo’n beetje voorstellen, hoe de bengels daar zaten, en ik ga je nu alle booze streken vertellen, die in het hol van Kaan beraamd werden.
Ze waren dan weer eens op een mooien dag bijeengekomen, toen een der jongens voorstelde een paar stoelen uit de nabij gelegen sociëteit te halen en die naar hun hol te sleepen.
De posten werden verdubbeld en tot bizondere waakzaamheid aangezet.
Toen slopen zes jongens uit het hol, en gingen langzaam en telkens omkijkend, naar de sociëteit, die op dit oogenblik geheel verlaten was, en na eenige oogenblikken kwamen de zes roovers terug, ieder een stoel met zich dragend.
Voetje voor voetje ging het terug naar ’t hol, waar ze de witte vlag (een zakdoek aan een stokje gebonden) zagen wapperen, ten teeken, dat alles veilig was.
Die zes stoelen waren een genot voor ze, want het op den grond zitten beviel ze toch niet op den duur, ’t lag er zoo vol takjes en... er was thuis al eens geïnformeerd waardoor de broeken toch zoo vuil waren aan den achterkant!
Ambrosius vond, dat ’t nu in hun hol de veiligste plaats was om alles te doen wat ze thuis niet durfden, uit angst van betrapt te worden.
„Laten we beginnen,” zei hij en z’n ondeugende oogen glinsterden van pret. „Met al onze centen bij elkaar te leggen en daarvoor telkens een Wilson of Nick Carter te koopen.”
„Jô, fijn!” vonden de heeren eenparig. Zoo kochten ze iederen week een spannend detective-verhaal en dat werd dan in hun hol door een der jongens voorgelezen. En altijd zorgden ze er voor dat de posten afgewisseld werden en die het verhaal dan op hun gemak konden lezen.
„VAN M’N EIGEN VERDIENDE CENTEN.”
Terwijl ze daar zoo gezellig zaten en genoten van het detective-verhaal, kwam Ambrosius, de hoofdman op een nieuw idee.
„Zeg jongens,” zei hij en z’n stem daalde tot een zacht gefluister. „Zeg, wat zouden jullie er van zeggen, als we in ons hol eens... ’n pijpje zouden rooken?”
„Heb jij ’t al eens gedaan?” vroeg Piet Kaan.
„Ikke niet,” antwoordde Ambrosius.
„Maar eens moet de eerste keer zijn en... ik durf best hoor!”
„Je wordt er zoo misselijk van,” zei Bob van Eest.
„Neen, je krijgt er buikpijn van,” meende Karel Boekers.
Ambrosius dacht eens na, ’t was wèl een moeilijk geval. ’t Zou zoo echt zijn, een pijp te rooken in hun hol.
„Weet je wat,” zei hij. „Ik zal mijn Vader vragen of ik rooken mag, en heeft hij er niets op tegen, dan doe ik ’t.”
„Flauwerd,” riep Wim Bolk. „Moet je dat aan je vader vragen!”
Maar de vuist van den hoofdman deed hem zwijgen.
Toen Ambrosius ’s avonds met vader een eindje omfietste, deed hij z’n niets kwaads vermoedende vader plotseling de vraag of hij rooken mocht.
Vader scheen niets gesticht over die vraag, vond hem nog véél te jong.
„Maar wanneer mag ik dàn rooken, Vader?” hield zoonlief vol.
„Weet je wat, baas, laten we afspreken dat je mag rooken als je zelf geld verdient.”
„Dat duurt nog zoo akelig lang,” klaagde Ambrosius.
„Net lang genoeg om te maken dat je geen al te hinderlijke gevolgen van het rooken hebt. Geloof me, jongen, rooken is over ’t algemeen genomen, niet gezond, maar zeker niet als je nog zoo jong bent.”
Ambrosius was ’t verdere van den avond wat stil, vader dacht dat het kwam door de teleurstelling, maar daar was nu eenmaal niets aan te doen.
Had zijn vader kunnen zien wat er in het brein van zijn vindingrijke spruit omging, dan zou hij zeker niet zoo gerust zijn geweest.
Toen de roovers weer bij elkaar kwamen in hun hol ging Ambrosius plechtig in hun midden staan en verzocht de jongens zich om hem heen te scharen.
„Jullie weet, dat mijn vader mij toestond te rooken, wanneer ik zelf geld verdiende. Nu—ik heb een middel gevonden om centjes te verdienen en daarvan zullen we, als de buit binnen is, pijpjes en tabak koopen.”
„Wat is ’t?” vroegen de jongens nieuwsgierig.
Ambrosius haalde met een gewichtig gebaar iets uit zijn broekzak. Allen verdrongen zich om hem heen om toch goed te kunnen zien wàt daar te voorschijn kwam.
Het was een tamelijk breed wit lint, waarop met keurige, groote letters het woord „Gids” geschreven stond. ’t Leek wel, of ’t er op gedrukt was.
„Waar dient dat nou voor?” vroeg Piet Kaan.
„Dat zal ik je zeggen, jôh. Over eenige dagen krijgen we de Septemberplaag, oftewel, de buitenmenschen die den dierentuin komen bezichtigen. Nou heb ik al zoo vaak gezien dat die boertjes van buuten steeds naar de verschillende beesten loopen te zoeken en dan telkens aan een suppoost moeten vragen waar dit of dat is. Zie ik nu zoo’n stel loopen, dan zet ik gauw dit lint om m’n pet en maak ze wijs, dat ik een vaste gids ben en leid ze netjes voor een duppie of zoo den tuin rond.”
De roovers waren stil van bewondering. Die Ambro toch, hoe kòn ie ’t zoo bedenken!
„Wat zeggen jullie ervan?” vroeg de hoofdman, die wel gevleid was door die stille bewondering, maar toch graag eens hoorde hoe ze het plan vonden.
Toen klonken er allerlei geestdriftige uitroepen als echt jôh! fijn! gepiept! enz.
Maar ze vonden het niet rechtvaardig, dat Ambro alle pijpjes zou betalen; als ze heel zuinig waren, kon er nog best een pijp van 2 centen af en dan gaven ze nog wat bij aan de tabak.
Zoo gezegd, zoo gedaan. Eenige dagen daarna liep Ambro trouw achter de goede buitenlui aan en als geen suppoost hem kon betrappen werd de pet opgezet en bood hij zijn diensten als gids aan, die door de goedmoedige boertjes graag aanvaard werden.
Hij kreeg ’t dan steeds erg warm, klaagde over zoo’n warme pet op je hoofd, en liep al gauw met de pet in de hand naast ze. Zoo hadden de suppoosten heelemaal geen verdenking op hem.
Hij leidde de menschen werkelijk bizonder goed rond, want hij kende overal den weg en wist leuke dingen van de verschillende beesten te vertellen.
’t Gebeurde dan ook menigmaal, dat de boertjes vol bewondering zeiden: „Wa’n meroakel voorlijk jong!” En daar de buitenlui als ze zoo’n dagje uitgaan niet op de centjes zien, kreeg hij meestal een fooitje dat zijn verwachting ver te boven ging.
En toen kocht de rakker van zijn zelf-verdiende geldje een pak tabak en voor ieder een pijp.
En er gingen vreugdekreten op in het hol van Kaan toen de buit binnen was, en ze allen in een kring om hun hoofdman gezeten, hun eerste pijpje rookten.
De posten buiten snakten naar het oogenblik waarop ze ook hun aandeel in de rookpartij zouden krijgen en het half uur duurde deze keer wel bizonder lang.
„Willen we er nog een opsteken,” vroeg na een tijdje Ambro dapper, maar hij voelde zich toch niet zoo prettig als anders.
„Dank je,” zei Bob van Eest lusteloos. „Een is genoeg voor de eerste keer.”
Dit vonden de anderen ook en hoe ’t kwam begrepen ze zelf niet, maar er was dien middag niet zoo’n pret in het hol als op de anderen dagen.
Al gauw stelde er een voor wat vroeger naar huis te gaan, hij had honger, jokte hij.
Ambro had dien middag geen trek in eten, iets wat bijna nooit gebeurde.
„Wat ziet de jongen bleek,” zei z’n moeder ongerust. „Hij zal toch niet ziek worden!”
Vader keek hem eens onderzoekend aan.
„Scheelt er iets aan, baas?” vroeg hij.
Ambro durfde hem toch niet te best aankijken.
„Ik ben wat misselijk,” stamelde hij. „Mag ik van tafel opstaan?”
Toen hij een tijdje later, heel bleek op den rand van zijn bed zat, kwam vader eens even bij hem.
„Hoofdpijn ook?” vroeg vader. „En maagpijn ook hè?”
„Van... van... m’n eigen verdiende centen,” stamelde Ambro.
„Wàt zeg je daar?” vroeg vader en keek hem wat ongeloovig aan.
En toen vertelde het joggie onder horten en stooten hoe hij aan ’t geld was gekomen en toch eigenlijk de belofte aan vader niet gebroken had.
Vader moest even lachen om het geval, ’t was ook niet onaardig gevonden van den schelm.
Dat het kwaad hier zichzelf strafte vond vader heel best.
„TUSSCHEN HEMEL EN AARDE.”
Het was op een Zaterdagmiddag. De jongens zaten wat lusteloos bij elkaar in het hol. De nieuwe „Nick Carter” was uit, een knok-partijtje tusschen Wim Bolk en Bob van Eest was net geëindigd en nu wisten ze niets te bedenken om zich te vermaken.
„’t Hol is saai vandaag,” vond Piet Kaan.
„Laten we de apen gaan plagen,” stelde Paul Vermeeren voor.
„Jakkes nee! dat hebben we al zoo vaak gedaan,” beweerde Karel Boekers.
„Ik weet wat,” zei Ambro, die wel nooit uitgeput scheen in het bedenken van nieuwe pretjes.
Er was direct algemeene belangstelling. Als Ambro met een voorstel op de proppen kwam, kon je gelooven dat ’t leuk was.
„Laten we naar de havens gaan en keet schoppen.”
„En als ze ons dan hier komen zoeken,” angstigde Karel Boekers.
„Och klets!” viel Piet Kaan hem in de rede. „Er komt bijna nooit iemand kijken, ze gelooven ’t nu wel, hoor!”
„Nou,” vroeg Ambro. „Willen we gaan?”
Ze voelden er allemaal wel wat voor, ’t was allicht leuker dan in ’t hol, waar ’t vandaag een saaie boel was.
In minder dan geen tijd stonden ze buiten den Dierentuin en gingen naar het vlak bij gelegen terrein van de Hollandsche Spoor, waar ze de sleeperswagens wisten te staan die af en aan reden naar de havens.
De Rotterdamsche sleeper is goedhartig en als er plaats is neemt hij graag gratis een stuk of wat van die bengels achter op zijn wagen meê.
Ze klommen dus gauw op de wagens; dit spaarde hun de lange wandeling naar de havens uit.
En zoo ging de reis over de hobbelende keien stapvoets naar hun nieuw feestterrein. Bij de Maasbrug gekomen, commandeerde Ambro: „Uitstappen heeren!” en door het gewoel van karren en menschen glipten de bengels naar de losplaats van een groote Engelsche boot, die aan „de Boompjes” (een kade te Rotterdam) gemeerd lag.
„Kijk die kist es fijn bengelen,” riep Karel Boekers en hij wees naar een groote hijschkraan waaraan juist een kist omhoog werd geheschen, om vanaf de kade in het ruim van het schip te worden neergelaten.
„Ik durf er best aan te gaan hangen en de reis meemaken,” riep Ambro.
Alle jongens lachten hem uit.
„Wat een opschepper,” riepen ze in koor. „Dat durf je toch niet.”
Nu was er voor Ambro geen grooter schande denkbaar, dan aangezien te worden voor een jongen die niet durft. Dan werd de jongen roekeloos en was hij in staat tot de onzinnigste daden. Zonder een oogenblik te denken aan de gevolgen gaf hij dan onmiddellijk toe aan zijn lust tot waaghalzerij. Zoo ook nu.
„Dat zullen we eens zien,” riep hij. „Als de bootwerkers me niet in de gaten hebben, zullen jullie me een luchtreis met de kist zien maken.”
Nu geloofden de jongens hem, want hij deed steeds wat hij zei en ’t was niet de eerste maal dat zijn vriendjes misbruik maakten van zijn eergevoel.
De bootwerkers deden machinaal hun werk. Het aantal kisten leek wel onuitputtelijk, gestadig ging de ketting omhoog en omlaag.
Ambro stond dicht bij de mannen die de haken om de kist sloegen en daarna het sein tot ophijschen gaven.
En vóór de mannen, vóór de jongens wisten wat er gebeurde, had Ambro, vlug als een kat, een sprong gemaakt en daar hing hij aan de ketting die om de kist was geslagen en die reeds anderhalve meter van den grond verwijderd was. Door ’t geraas van de stoommachine hoorde de bestuurder van de kraan niets van het angstige roepen der bootwerkers en ging dus kalm met zijn werk voort.
In den beginne juichten de jongens toen ze Ambro daar zegevierend tusschen hemel en aarde zagen zweven.
Maar Ambro’s stralend gezicht kreeg plotseling een uitdrukking van schrik. De kist was wel drie meter van den grond verwijderd en begon te draaien om vervolgens in het ruim af te dalen.
Ambro begon te gillen, want hij voelde dat zijn krachten hem gingen begeven. Nu zweefde hij boven het ruim, en verwachten zijn vriendjes die luid jammerend op de kade stonden, met angst het oogenblik waarop hij den ketting zou moeten loslaten en in het ruim te pletter vallen. Bleek van schrik stonden een paar bootwerkers dat alles aan te zien.
Een bonk van een kerel nam vlug een besluit, daalde ijlings langs een touwladder in het ruim af en stelde zich met geopende armen onder den kleinen waaghals, om hem zoo noodig, op te kunnen vangen.
En jawel, de kleine handen konden den ketting niet langer vasthouden, met een harden gil viel hij naar beneden, maar kwam gelukkig ongedeerd in de armen van zijn redder terecht.
Op de kade slaakte men een zucht van verademing en een kreet van blijdschap weerklonk, toen men de bootwerker met de lichte last in zijn armen op het dek van het schip zag komen.
Hier zette hij den bengel neer en gaf hem, ten aanschouwe van de omstanders op de kade, een duchtig pak voor zijn broek.
Ambro jammerde luid, want de krachtige vuist van den bootwerker kwam niet malsch aan.
„Ja, schreeuw maar,” beet deze hem toe.
„Ik zal je die streken wel eens afleeren, roekelooze aap! als je mijn jongen was, ik zou je de ribben kraken, maar an ’n andermans goed maak ik me handen niet vuil.”
Eindelijk vond hij het genoeg en kon Ambro, nog snikkend, naar de vriendjes terugkeeren.
Deze ontvingen hem met een zekere verlegenheid. Ze voelden zich mede schuldig aan de roekelooze daad van hun makker.
Ze liepen zachtjes-aan terug en er werd niet veel gesproken op die wandeling.
Ambro had z’n tranen gedroogd en vond, dat een Hollandsche jongen niet zoo lang moest blèren.
„Deed ie je erge pijn?” vroeg een der jongens schuchter.
„O man, hou op,” zei Ambro. „Ik dacht dat ie me kraakte. Maar wat een reuzen-vent, zeg, om zoo gauw naar beneden te hollen en mij te redden.”
„Je was dood gevallen, of had misschien je ruggegraat gebroken op al die kisten,” zei Wim Bolk en hij huiverde.
„Verbeeldt je, jôh! Dan hadden vader en moeder nu misschien al de boodschap gekregen,” zei Ambro en tranen stonden in z’n heldere kijkers.
Ze brachten hem allen naar huis en ze moesten hem allemaal „een poot” geven.
Ambro ging stil naar zijn kamertje en daar bleef hij een poosje nadenken over de lotgevallen van dien middag.
Er rijpte een plan in z’n hoofd. Die bootwerker, die hem gered had, kijk, die moest ie nou een pleiziertje doen. Maar nu wat goeds te bedenken...
Wacht, had hij niet gezegd: als je mijn jongen was, zou ik je de ribben kraken...
Dan moest ie ook een zoontje hebben, misschien wel net zoo’n jog als hij.
Eer hij ’t zelf wist, zat hij voor ’t kastje waar al zijn speelgoed in opgeborgen was en liet zijn oogen gaan over al het moois.
Daar had je z’n spoortrein, met al de goederenwagens en de rails, die wel wat verbogen, maar toch nog best te gebruiken waren. En de goocheldoos, waar je al die leuke toeren mee kon doen.
Zouden vader en moeder het goed vinden? Moeder was niet thuis, nu kon hij het niet vragen... en als hij tot morgen wachtte, kon hij zijn redder misschien niet zoo makkelijk vinden, tusschen de andere bootwerkers.
Neen, hij moest meteen op stap gaan. Hij twijfelde weer tusschen den spoortrein en de goocheldoos, het was zijn liefste speelgoed. Al het andere kon hem niet zoo heel veel schelen.
Toen nam hij de twee dingen, pakte alles stevig in en ging er mee op weg. Het was een zwaar pak en hij moest het een heel eind sjouwen, maar de gedachte aan de verrassing die hij nu den bootwerker ging brengen, maakte dat hij geen vermoeidheid voelde.
Eindelijk was hij bij de haven aangekomen en al heel gauw had bij zijn redder ontdekt, schuchter ging hij achter hem staan en zacht trok hij den man aan den kiel.
„Zoo drommelsche aap, ben je daar weer?”
Ambro duwde hem het pak in de handen,
„Voor uw zoontje,” zei hij verlegen, want hij wist op het oogenblik niets beters te bedenken.
De bootwerker nam het pak aan, maakte het langzaam open en toen hij daar dat mooie speelgoed zag, verhelderde een blijde lach z’n ruwe gelaatstrekken. De andere bootwerkers kwamen om hem heen staan, bewonderden allen mee.
Ambro stond klein en verlegen tusschen al die groote kerels.
Daar voelde hij ineens een zware hand op z’n schouder.
„Je bent een goed jong,” zei de harde stem van den bootwerker. „Geef me de vijf.”
Ambro legde z’n kleine jongenshand in de door werken verêelte hand van den bootwerker en onderdrukte een kreet toen deze hem krachtig de hand schudde. Toen holde hij zonder meer iets te zeggen weg, want hij voelde iets akeligs in z’n keel komen, net of hij moest huilen, en dáár schaamde de jongen zich voor.
Vóór hij dien avond naar bed ging, vertelde hij alles aan zijn ouders en hoewel hij een zware berisping kreeg, konden zij niet nalaten dien avond hun jongen een extra teedere nachtkus te geven.
’N KWARTJE ’N RAT!
Wim Bolk was een echte liefhebber van visschen en op een mooien voorjaarsmiddag zat hij de bewoners van het hol van Kaan te vermaken met al z’n visch-verhalen, waarbij woorden als: ik had tuk, enz., grooten indruk op de roovers maakten. Dat hij den eenen dag een snert-baarsie, den anderen weer een reus van ’n karper ving, geloofden ze allen gaarne.
„Laten we vandaag wormen gaan zoeken en morgenochtend met z’n allen om vijf uur op stap gaan, dan kunnen we tot half negen blijven visschen, net fijn,” zei Wim.