Het hol van Kaan

Part 10

Chapter 104,173 wordsPublic domain

„Kap’tein,” vraagt Manus.

„Kop dicht,” is ’t antwoord en Manus kijkt bedremmeld naar den grond, terwijl hij zijn pruim van zijn rechter- naar z’n linkerwang laat gaan.

„Kap’tein,” roept een heldere jongensstem.

De kapitein kijkt op en ontdekt aan ’t eind van de kamer de twee jongens, die half verscholen waren achter den dikken buik van een anderen landweerman.

„Wat moet dat,” vraagt de kapitein verbaasd. „Wat doen jullie hier? er mogen geen burgers in de kazerne.”

„Zie je wel,” fluistert Paul in doodsangst. „We zijn burgers, ik heb je wel gewaarschuwd.”

Bij deze woorden moet de kapitein even glimlachen.

„Hoe komen jullie hier?” vraagt hij, terwijl hij naar de jongens toe gaat

Paul weet geen antwoord te vinden, hij is bang geworden door die doodelijke stilte in een kamer waar een dertigtal mannen als beelden staan te staren.

„Net het panopticum,” denkt hij.

„Hij moest een pakje voor z’n broer brengen en we mochten van dien mijnheer beneden aan de deur het zelf gaan brengen,” antwoordt Ambro op helderen toon.

„Zoo—en waarom riep jij daar straks „kaptein”, had je me wat te zeggen?”

„Ja kaptein,” luidt het antwoord van Ambro. „Nu Manus,” en hij wijst op den landweerman naast Dirk, „nu Manus z’n kop moest houden, wou ik u maar even vertellen, dat ze allemaal vannacht gerend hebben in de duinen met dat beestenweêr en dat ze daarom, zooals u zei, niks doen en luieren.”

Hij zucht, nu eindelijk er uit is wat hij op ’t hart heeft.

„Zoo, nou maar dat is wat anders,” zegt de kapitein op zachten toon. „Dus jullie hebt nachtdienst gehad,... nou, blijf dan maar hier... je kunt je gang gaan.”

Meteen ligt alles weer op de geliefkoosde krib, als werden ze door een electrischen schok getroffen, en de kapitein, die de jongens toeknikte, verlaat even dreunend de kamer als hij binnengekomen was.

„Mooi gedaan,” klinkt ’t hartelijk van Dirk.

„Je hebt ’t ’m kranig gezeid,” zegt Manus.

„Heere, Heere, kan dàat jong proate,” is de lof van den boerenzoon en Ambro, die hen allemaal redde van den gevreesden looppas in de zon, stond als held van het oogenblik midden in de kamer, blij, dat alles goed afgeloopen was, want Paul had gelijk gehad, ze waren tòch burgers.

„Ja,” zegt Manus. „Had ik de burgerpet op gehad, dàn had-ie naar mijn ook wel geluisterd, maar as-t-ie je in je werkpakkie ziet, wordt-ie dienstklopper en dan is ’t „kophouwen en doen”!”

Paul heeft er genoeg van, en vindt, dat ze nu maar eens moeten opstappen. Ze nemen hartelijk afscheid van Dirk en al de anderen en begroet met arm-gezwaai van alle kribben verlaten ze de kamer.

„’t Was tòch fijn,” zegt Ambro, als ze weer op straat staan.

„Ik vind ’t een nare boel, ik zou niet graag zoo behandeld worden,” is Paul’s antwoord.

„Hoorde je niet hoe ze allemaal het land er aan hebben? Dirk kan gelukkig weer op zijn kantoor terug komen na den dienst, maar er zijn er veel die hun plaats bezet vinden.”

„Ja,” zegt Ambro. „Van dien kant bekeken heb je gelijk, maar zoo’n nachtelijke tocht door de duinen zou ik toch wàt graag meemaken.”

„Nou, dat kan best eens gebeuren. Karel z’n vader gaat van den zomer kampeeren, je zult zien, dat we dan mee mogen.”

„’t Zou tijd worden,” zucht Ambro. „Onze nachtelijke tocht is toen mooi in de war geloopen. Maar, over wat anders gesproken, me maag jeukt.”

„Ik weet een kattekroeg,” zegt Paul. „Ga maar mee.”

De jongens stevenen nu direct op het doel af, om als ze hun twaalf-uurtje hebben gebruikt, de terugreis te aanvaarden.

Het was een fijn dagje geweest en met voldoening kon Ambro terugzien op zijn heldendaad in de kazerne, waar hij het waagde een „hooge oome” te trotseeren en de soldaten te redden van den gehaten „looppas in de zon”.

VERRADERLIJKE ROOK!

De blijde dag is daar.—Wim Bolk komt terug.

Zijn zes makkers staan op het perron en wachten op den trein.

„Hij is te laat,” zegt Chris ongeduldig.

„Weet ie, dat we er allemaal zijn?” vraagt Paul.

„Neen, daar weet ie niks van,” is Ambro’s antwoord.

„Ik heb hem wel geschreven, dat ik hem zou afhalen.”

„’t Duurt lang,” bromt Puckie.

„Kwam ie nou maar.”

„Zou ie z’n puist nog op z’n neus hebben?” vraagt Piet.

„Ik zie hem,” roept Ambro verheugd.

„Z’n puist?” vraagt Piet nog, maar de trein is in aantocht en rolt met donderend geweld de stationskap binnen.

Een hevig gekrijsch en gepiep van de assen en de trein staat snuivend en dampend stil.

„Jonge, jonge, wat een menschen! Goed uitkijken, knullen,” zegt Ambro.

„Laten we ons verdeelen ieder bij een uitgang,” stelt Karel voor. En juist wil het troepje zich splitsen, als Puckie hard schreeuwt:

„Ik zie ’m, daar heb je ’m, daar heb je ’m!”

Wim heeft de jongens nog niet in de gaten. Hij nadert langzaam, schuifelend achter de dichte menschen-massa aan.

Ambro begint luidkeels signalen te geven, seinen, die alleen bekend zijn bij de rooverbende. Hij wordt berispt door een hoofd-conducteur, die hem verbiedt zoo’n lawaai te maken.

Maar Wim heeft de krijgskreten gehoord en rekt zijn hals uit, om te zien waar het bekende en geliefde signaal vandaan komt.

Ja, daar zijn ze, hij ziet ze staan z’n oude makkers, alle zes, wat een verrassing! Hij had wel over de hoofden van de menschen heen willen springen om maar vlug bij hen te zijn en hij geeft een mijnheer voor hem hevige duwen in den rug om hem aan te sporen wat vlugger op te schieten.

Zijn ouders komen een heel eind achteraan, ze vinden echter best, dat Wim vooruit holt, want ze hebben de bende herkend, die hun zoon komt verwelkomen en kunnen zich nu zijn ongeduld best voorstellen.

Eindelijk is hij bij hen en komt aan ’t handen schudden schier geen einde.

Dan zoeken de jongens naar woorden om hem toch maar te laten zien hoe blij ze wel zijn, dat de oude makker terug is.

„Adi Wim,” gilt er een. „Hallo jong!” en dit gepaard met een stevigen slag op z’n schouder.

En Ambro, die oorspronkelijk van plan was geweest, uit naam van de bende een korte welkomstrede uit te spreken, is deze geheel vergeten en doet nu niets dan om Wim heen dansen als een hond die na langen tijd zijn baas terugziet.

Wim is bijna verlegen met al die blijdschap van het wederzien.

„Hè, wat fijn, om weer bij jullie te zijn,” zegt hij. „Wat heb ik naar Rotterdam verlangd! Allemaal nog dezelfde snuiten...” en lachend inspecteert hij de bende.

„Wat gaan we doen, jongens?” vraagt Chris. „We zijn vanmiddag allemaal vrij, jij toch ook, Wim?”

„Natuurlijk,” luidt Wim’s antwoord. „We gaan weer ouderwetsch keetschoppen, maar dat is waar... ik kan niet in den Dierentuin... ik ben geen lid... Vader moet het weer worden.”

„Da’s niks,” stelt Ambro hem gerust. „We peesen zoo hard we kunnen allemaal het hek door, zóó hard, dat die kerel in z’n hok ons niet eens kan onderscheiden.”

„Ja, ja, da’s goed,” vindt de heele bende.

„Eerst m’n ouwetjes vertellen, dat ik met jullie meega,” en Wim holt met de jongens naar z’n ouders om hun te zeggen, dat ze hem vooreerst niet zullen zien, want dat hij eerst met de jongens gaat spelen.

En nu kuieren ze allen de Kruisstraat in en zijn het hek van den Dierentuin genaderd.

„Op een draffie, jongens,” schreeuwt Ambro. „Vlug, hij zit binnen.” Die „hij” is de dikke roodharige portier die als een Cerberus den tuin bewaakte en er voor zorgde, dat geen vreemdeling dit heiligdom kon binnentreden.

In vollen ren draafde de bende het hek binnen, Wim tusschen hen in en de portier, die wel eenige bekende gezichten zag bleef rustig in zijn kantoortje, terwijl de jongens, uit vrees terug geroepen te worden, niet rustten voor zij buiten het bereik van den portier waren.

„Het is hier nog niks veranderd,” zei Wim toen het troepje hijgend stil stond.

„Ik ben erg benieuwd naar het Hol.”

„Nou, dat zal je zien,” zegt Ambro. „De kamer is net aan kant.”

Bij dit gezegde kijken de jongens elkaar met een blik van verstandhouding aan.

Nu gaat het in gestrekten draf naar het Hol.

Als ze er aangekomen zijn, zegt Ambro met een fraaie buiging tegen Wim: „Aan n de eer, mijnheer.”

En alsof hij niet weg is geweest, kruipt Wim op handen en voeten langs het van ouds bekende paadje het geliefde Hol binnen.

Dan slaakt hij een kreet van verrukking.

„Da’s verduiveld aardig van jullie,” roept hij.

Het heele Hol is versierd met vlaggetjes, serpentine en papieren rozen. In het midden hangt aan een tak een groote lampion te bengelen waaronder een stoel staat, rijkelijk versierd met sparregroen ter eere van het feestvarken.

Vlak over den stoel hangt aan een boom een blauw schild, waarop met vergulde letters de woorden prijken:

„Welkom in het Hol van Kaan.”

Uit angst ontdekt te worden, durfden de jongens geen „lang zal ie leven’s” te laten schallen en moest de plechtigheid in alle stilte plaats hebben.

Toch bleef er nog een verrassing. Toen Wim met vereende krachten op z’n versierde zetel was geheschen, zóó hardhandig, dat de sparrenaalden hem om de ooren vlogen, haalde Ambro met gewichtig gebaar een rol papier uit z’n zak en verzocht stilte.

Hij begon:

„Beste Wim, daar zit je weer, Net zoo als den laatsten keer. Jôh! we vinden ’t zoo fijn! Lang mag j’ in ons midden zijn. Waren wij niet al te bang, Schreeuwden wij „hij leve lang”. En dan was ’t met de lol Gauw geëindigd in ons Hol. Daarom spreek ik niet te luid Deze welkomstrede uit. Fluister het me allen na, Héél zacht hiep, hiep, hiep hoera!”

(Dit bevel werd stipt opgevolgd en nog nooit was een jubilaris op zulk een zonderlinge wijze verwelkomd. En Ambro vervolgde:)

Wim, je lijkt wel aangedaan, Laat je tranen vrij uit gaan. Veeg die druppel van je neus, Want hij hangt er, maar niet heusch. Nog een woordje tot besluit, En dan is dit pracht-vers uit.

(na deze woorden haalt Ambro een klein pakje uit zijn zak en terwijl hij het Wim aanbiedt, vervolgt hij:)

Dit geschenk is voor Wim Bolk Namens heel het roovervolk, Dat je het gebruiken mag Ter herinnering aan deez’ dag.”

Na dit schoone vers, dat ook een verrassing voor de andere jongens was, wilde Puckie, alles vergetend, een luid hoera aanheffen, dat direct door de jongens gesmoord werd met uitroepen als: hou je kop, enz.

Intusschen maakt het feestvarken, nog geheel onder den indruk van de opeenvolgende verrassingen het pakje open en ziet tot z’n groote vreugde een prachtig zakmes, wel zoo mooi als het veel-benijde van Ambro.

„Potver...!” roept hij blij.

„En ’n fijn hoor!” zegt Puckie.

„Zweedsch staal, uit Solingen,” pocht Chris.

„En niet goedkoop ook,” zegt Karel.

„’n Reuze-messie!” vindt Paul. Maar al deze loftuigingen op het mes waren onnoodig, want er was niemand, die het zoo prachtig vond als Wim; hij wist alleen maar niet hoe ie ze zou bedanken en verlegen drukte hij, zonder iets te zeggen, de zes vriendenhanden.

„Nou een pijp rooken,” stelt Ambro voor.

„Da’s een idee,” zegt Wim, blij, dat ze weer in hun gewone doen komen. „Maar ik heb me pijp niet bij me,” zegt hij.

„Da’s niks,” zegt Paul. „Neem de mijne maar, die heb ik toch maar voor ’t mooi.”

„Durf jij niet te rooken?” vraagt Wim.

„Hij durft wel, maar hij wordt er zeeziek van en hij is ook een jaar jonger dan wij,” zegt Ambro.

Uit een gat in den grond wordt nu een groote blikken trommel te voorschijn gehaald. Dit is de provisiekast van de bende; daar bewaren ze hun detective-romans, hun rookgerei en zelfs kwam het voor, dat bij feestelijke gelegenheden er versche kadetjes en chocoladereepen in opgeborgen zijn.

De pijpen werden uit de trommel gehaald en in een doosje vonden zij nog juist genoeg tabak om zes pijpen te stoppen.

Ambro haalde een lucifersdoosje uit zijn zak, waarin nog slechts één lucifer zat.

„Oppassen, jongens, als die uitgaat, zijn we zuur,” waarschuwde hij.

En allen bogen zich over hem heen om het aanstaande vlammetje tegen tocht te beschermen. En terwijl ze den adem inhielden, stak Ambro moedig z’n pijp aan en trok als een stoomzuiger.

„Hou bij, hij brandt nog,” riep hij.

En bliksemsnel werden de vijf andere pijpen aangestoken. Nu dampen ze er op los als mooren.

Wim had z’n stekelige feestzetel verlaten en was als de andere jongens languit op den grond gaan liggen.

Er werd niet veel gesproken, hun volle aandacht was bij de pijp en al beweerden ze tot elkaar dat rooken toch een genot was, in werkelijkheid was het rooken van een pijp steeds een heele karwei, waarvan de eenige bekoring was, dat ’t niet mocht en dat het mannelijk stond.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Twee tuinlui met een kruiwagen komen langs de rots aangeloopen en naderen het rhododendronbosch.

„Kijk es,” zegt de eene. „’t Lijkt wel of daar wat smeult in dat bosschie.”

„Waarachtig,” zegt de andere.

„Wat zalle me nou hebbe?”

„Es effetjes kijke.”

Voor een volwassen mensch was het bereiken van het Hol een heele toer, vooral, zonder bekend te zijn met het door de jongens gemaakte paadje, dat steeds zorgvuldig bij den ingang werd afgesloten door enkele takken.

„Daar kom je soo niet in.”

„Stil,” zegt plotseling de ander. „’t Is of ik stemme hoor.”

Nu luisteren ze allebei aandachtig bij het boschje, en ja, ze hooren duidelijk jongensstemmen.

„Wat motte me doen,” vraagt de eene.

„Weet je wat,” zegt de ander. „We zalle ’t zaakie omsingelen.” In het groote bloemperk bij de sociëteit zijn drie tuinlui aan het werk en deze worden te hulp geroepen voor de aanstaande jacht.

Maar de jongens, zijn op hun hoede. Ze hebben het gesprek van de tuinlui wel terdege gehoord.

„We zijn verraaje, jongens,” zegt Ambro.

„Hoe komen we d’r uit, ze willen ons omsingelen. Maar stil, ik weet wat! Puckie, Chris en ik zijn de vlugsten, wij kunnen ’t hardst loopen.”

De jongens hebben de hoofden bijeen gestoken om te vernemen wat Ambro van plan is te doen om zich uit deze hachelijke positie te redden.

„Wij drieën kruipen in verschillende richting naar den rand van het boschje en houden ons zoo goed als het gaat, verscholen. Dan kijken we uit naar een gaatje om ’m door te piepen, liefst alle drie tegelijk en dan hollen we uit alle macht den tuin uit, laten we afspreken dat we elkaar dan weer zien bij den telefoonpaal op de Diergaardelaan.”

„Alles best,” zegt Piet. „Maar wij dan?”

„Dat zal ik je zeggen. Jullie gaan plat op je buik liggen, dáár, een eindje verder en houdt je doodstil. Wij verbergen jullie onder de afgevallen bladeren; als je je maar koest houdt als wij drieën ’m smeren, dan zullen ze vast denken dat er geen meer in het boschje zit. Als alles dan veilig is, kunnen jullie ’m ook piepen. Maar gauw wat, want we hebben weinig tijd.”

De vier jongens volgen stipt het bevel van Ambro op en in minder dan geen tijd is er niets meer van hen te bespeuren.

Ambro, Puckie en Chris sluipen vlug voort naar den rand van het boschje. Gelukkig voor hen, heeft het den vorigen dag flink geregend en hebben ze geen last van krakende takken.

Intusschen houden de tuinlui de wacht om het boschje en twee van hen turen door de dichte blader-massa om te zien of ze ook iets van de bengels kunnen ontdekken.

Bliksemsnel springt er iets tusschen de beenen van een ouden tuinman door en rent in volle vaart weg.

Het is Ambro.

De andere tuinlieden kijken hem verbaasd na, terwijl er een uitroept: „Heere nog an toe, kan dat jong loope.”

Ambro is al bijna uit het gezicht. Puckie en Chris maken nu van de gelegenheid gebruik, schieten ook uit het boschje en verdwijnen eveneens als vluchtende gemzen.

„Wel heb ik me nou!” raast een der tuinlieden. „We worden effetjes genomen, Piet.”

En zich richtende tot den ouden tuinbaas: „Sijmen, kâ-jij ze inhalen? Ik niet.”

„Neen,” zegt Sijmen. „Die snuiters ben-me te vlug af.”

„Nou oppasse,” zegt een ander. „D’r kenne d’r nog best meer zijn.”

En met beide handen dringt hij de takken weg en baant zich een weg door het dichtbegroeide boschje.

Hij heeft heel wat moeite om vooruit te komen, want de geheime paadjes van de jongens zijn hem onbekend. Maar eindelijk is hij dan toch het Hol genaderd en slaakt, gelijk Wim Bolk die verrast was door de versiering ter zijner eere, een kreet van verbazing.

„Neen maar, kom nou d’r es kijke! Je mot ’t zien! ’t Laikent wel kerremis. De heeren hebben een best plekkie uitgezocht.”

De vier jongens, liggen in doodsangst onder den bladerenhoop. Ze hebben het benauwd en durven zich toch niet te verroeren.

De tuinman staat nu vlak bij Karel en de volgende stap die hij doet, is bovenop Karel’s hand; maar de jongen weet zich goed te houden en de tuinman merkt niets.

Nu de overige tuinlieden geen belang blijken te stellen in de inrichting van het Hol van Kaan blijft ook hij niet langer talmen en begint zich weer het boschje uit te werken.

Na verloop van eenigen tijd hooren de jongens niets meer en ze achten nu het oogenblik gekomen om ook hun biezen te pakken.

Piet is de eerste die beweegt, hij schudt de bladeren van zich af en roept zacht: „Jongens, de baan is vrij! Kom mee, we smeren ’m! Gauw wat!”

De heele troep komt nu van onder het bladerendek te voorschijn en Karel kan niet nalaten den jongens van zijn heldendaad te vertellen.

„Je lijkt wel die soldaat uit ’t turfschip van Breda,” lachte Piet.

„Nou, kijk me poot es,” zegt Karel. „De striemen staan er op!”

„We zullen ’t in de Geschiedenisboeken vermelden,” zegt Wim Bolk. „Zelfverloochening van Karel Boekers, bij de belegering van ’t Hol van Kaan op den 17den April van het jaar 1904.”

De jongens zijn nu veilig buiten het Hol gekomen en kijken behoedzaam rond of er geen onraad meer in de buurt is. Piet constateert, dat de baan vrij is.

„Vooruit,” zegt Wim. „Den tuin uit en naar den telefoonpaal.”

Daar komt het viertal hijgend aan en wordt er juichend begroet door de rest van de bende.

„Nou, dat is goed afgeloopen,” zegt Wim opgelucht. „Ik heb ’m geknepen, hoor! Ik dacht, dat we er bij zouden zijn.”

„Noem jij dat maar goed afloopen,” antwoordt Ambro met een bedrukt gezicht.

„Nou,” zegt Piet. „Ze hebben ons toch maar niet te grazen gehad.”

„Ons niet,” zegt Ambro. „Maar ’t Hol, dàt hebben ze te grazen, dat zijn we voor goed kwijt.”

„Ja, da’s waar,” zegt Paul. „Ze hebben ’t Hol ontdekt. We kunnen er vast niet meer in.”

„Nou,” stelt Chris ze gerust, „’t Is te probeeren. Morgen zijn die kerels ’t weer vergeten.”

„Ik geloof er niks van,” zegt Karel. „Je zult zien, ’t Hol is voor goed naar de haaien,” en hij voegt er spijtig aan toe: „Hadden we maar niet zoo zitten dampen.”

„’t Is wel sneu,” zegt Wim. „Net den eersten dag dat ik er ben ontnemen ze ons onze vergaderzaal.”

„Waar moeten we nou voortaan zitten om onze geheime besprekingen te houden?” vraagt Puckie.

„Onder de Hooge Brug,” zegt Piet.

„Een reuzen-plekkie! Ambro, zeg es wat, je staat zoo te suffen.”

„Ja, ik zal me daar ’t Hol laten afkapen,” zegt deze en z’n oogen schieten vuur.

„An me nooit niet! Ik zàl ’t terug hebben.”

„Als je ons dan maar es verteld hoe!” zegt Wim.

„We moeten beginnen,” zegt Ambro, „met een week buiten het Hol te blijven, want ik beloof je, dat ze op zullen letten. Als ze dan niets meer van ons merken, zullen ze misschien denken, dat het maar een tijdelijke schuilplaats was en geen haan zal er meer naar kraaien. Die week, zullen we samen komen onder de Hooge Brug, maar dat is erg gevaarlijk en we mogen ons dan wel heel stil houden, want daar kunnen ze ons al gauw ontdekken.”

„Ik ga er morgenochtend heen om eens poolshoogte te nemen,” zegt Wim. „Dan zal ik zoo goed als ’t gaat, den boel in orde maken en dan komen jullie tusschen 12–1 maar kijken.”

„Moet je dan niet naar school?” vraagt Paul.

„Neen, antwoordt Wim. „Ik word twee maanden thuis bijgewerkt voor de H.B.S.”

„Nou,” zegt Ambro. „’t Kon wel es gebeuren, dat ik morgen puzzerde en dan vind ik je wel onder de brug.”

„Hè, willen we allemaal wegblijven?” stelt Chris voor.

„Mij best,” zegt Piet. „Maar als er zes mankeeren en juist wij met z’n zessen, dan begrijp je wel, dat we voor ’n paar vrije middagen zuur zijn.”

Dit vonden de anderen ook en ze besloten, geduld te hebben tot na schooltijd. Ambro moest dan maar zelf weten wat hij deed.

De bende ging uit elkaar en sprak af den volgenden dag op het bepaalde uur present te zijn op de nieuwe vergaderplaats.

VAN EEN DIEFSTAL OP SCHOOL EN EEN VUILNISBLIK ALS KOEKEPAN.

Ambro volvoerde dien volgenden morgen zijn plan en puzzerde. Had hij geweten, hoe ’n belangwekkende dag het op school was, dan zou hij zeker niet ontbroken hebben.

Toen n.l. de jongens dien morgen in het eerste les-uur waren, ging plotseling de deur open en trad het Hoofd der school binnen, gevolgd door een Inspecteur van politie en een agent.

Het ongewone van dit verschijnen bracht even groote stilte als verbazing.

„Wat hebben we nou aan de hand!” fluisterde Chris, Karel in ’t oor.

„Ze komen Ambro toch niet halen?” Intusschen komt het Hoofd der school voor de klasse staan, geflankeerd door den Inspecteur en den ridder van den Heiligen Hermandad.

Hij verzoekt den onderwijzer even de les te staken en richt zich tot de jongens.

„Jongens, leg je pen eens neer en luistert.

„We hebben een dief op school. Ik zeg een, misschien zijn ’t er meer. We weten niet, in welke klas de dief zit. Wie dus iets van de zaak afweet, moet ons nu helpen. De diefstal moet aan ’t licht komen. Ik schaam me, dat op mijn school zooiets gebeurd is.”

De Inspecteur fluistert het Hoofd der school iets in het oor, waarop deze den jongens gebiedt één voor één voor de klasse te komen.

„De Inspecteur vindt het wenschelijk, dat jullie de zakken leeg maken. Het is zeer onaangenaam voor degenen die geen schuld hebben, doch als de dader zoo laf is zich schuil te houden, moeten we hier wel toe over gaan.”

Plotseling weerklinkt een hevig gesnik, dat uit de achterste bank der klasse komt en een angstig-bevende stem roept:

„Ik heb ’t gedaan, mijnheer, maar ik heb nog maar de helft.”

„Jij Koos,” zegt streng het Hoofd. „Van jou had ik zooiets het allerminst verwacht. Kom hier, en breng alles mee.”

Schoorvoetend, met beschaamde kaken, schuifelt bolwangige Koos de bank uit en begeeft zich naar het Gerecht.

Drie paar oogen kijken vol gestrengheid op den knaap voor hen neer, en die van den agent maken den meesten indruk op hem.

Dan diept de schuldige uit zijn zakken een klein appeltje op, waarin reeds een hap is gegeven.

Hij legt het met bevende vingers op tafel voor hem neer en snikt:

„M’n moeder koopt... altijd bij ’m... en gisteren... wou ie... er me nog... een geven... en... dat heef ie niet... gedaan... en nou... heb ik... ’m... genomen...”

Voor een scherp opmerker is op het gezicht van den Inspecteur een glimlach te bespeuren.

„Ga maar weer zitten, Koos,” zegt het Hoofd der school. „Het is hier blijkbaar niet om jou te doen. Wat je deed, is heel verkeerd, maar daar spreken we elkaar nog nader over.”

Koos stapt, zichtbaar opgelucht, doch nog nasnikkend naar zijn bank terug.

Puckie kan niet nalaten hem toe te roepen: „Je vergeet je appel!”

Hij wordt door de drie paar voornoemde oogen tot stilte gedwongen.

„Het gaat hier om een ernstiger feit, jongens,” zegt nu weer de hoofd-onderwijzer. „We zullen van het rijtje afgaan.

„Karel Boekers, kom hier.”

Karel komt geheel onbevangen naar voren en keert z’n zakken om die een geheel museum van jongens-rariteiten bevatten. Hij kan weer naar z’n plaats gaan. Plotseling begeeft de Inspecteur, die totnogtoe niet anders deed, dan rustig rondspeuren, zich naar een der banken en terwijl hij den daarin zittenden jongen streng aankijkt zegt hij:

„Wat haalde jij uit je blouse en berg je daar in je kastje?”

Vuurrood, maar ongeroerd kijkt de jongen hem aan en zwijgt.

„Als jij ’t niet zegt, zal ik ’t je zeggen,” en terwijl hij zich voorover buigt, haalt hij vlug het kastje leeg.

„Net zooals ik dacht,” zegt hij.

Hij legt den inhoud van het kastje op de bank, bestaande uit 15 pijpen kaneel en 12 dropveters.

„Waar is de rest?” vraagt hij streng.

De jongen volhardt in zijn zwijgen.

„Spreek op! Waar heb je de rest gelaten? Ik raad je in je bestwil aan te bekennen.”

„Weggegeven,” zegt de jongen norsch.

„Aan wie?”

„Zeg ik niet.”