Part 9
„Hè toe, laat u ze d’r af, ’t huilen staat ze nader dan ’t lachen.”
„Zeur niet, jong, anders kâ-je een pak op je broek krijgen.”
Ambro geeft het op en slentert langzaam weg. En als hij op een behoorlijken afstand van den metselaar is gekomen, wenkt hij de jongens.
En als ze weer allemaal bij elkaar zijn, maakt hij van z’n hand een toeter en schreeuwt tot den metselaar:
„Meheer! hier zijn ze al! De spreeuwen kenne vliege, leg ze zout op hun staart!”
En in woeste vaart rennen ze weg, bang, achtervolgd te worden door de werklui.
„Naar ’t Hol, naar ’t Hol!” gilt Ambro.
En als ze daar, hijgend en blazend aangekomen zijn, vinden ze Paul, die rustig zit te lezen en laconiek zegt: „Ik dacht wel dat jullie ontsnappen zouden, Ambro was er toch bij.”
Dit volkomen vertrouwen streelde den hoofdman niet weinig.
AMBRO EN PAUL OP REIS.
De jongens hebben Paasch-vacantie. De meeste van hen zijn uit de stad.
Ambro en Paul zijn de eenigen die in stad bleven en ze hebben zich voorgenomen veel samen uit te gaan.
Allerlei tochten zijn al op touw gezet om toch zooveel mogelijk te kunnen genieten van de vacantie.
Op een dezer dagen komt Paul al ’s morgens vroeg naar Ambro toe om hem te vragen of hij lust heeft hem te vergezellen naar Delft, waar hij een pakje moet brengen naar zijn grooten broer, die daar in garnizoen ligt.
„’t Is wèl een heel eind, heen en terug,” zegt Ambro, die niet veel voelt voor zoo’n reuzenloop.
Maar Paul stelt hem spoedig gerust.
„Bê-je mal! niet loopen! we gaan heen en terug met het bootje.”
„’t Zal niet gaan, man, ik heb nog maar twee kwartjes en die ga ik niet in één dag opmaken.”
„Dat hoeft ook niet; moeder fuift ons. Ik vond ’t saai om alleen te gaan en vroeg of ik jou mee mocht nemen. Dat vond moeder best en ze gaf me reisgeld voor ons allebei.”
„Dan is ie fijn en nu ben ik je man,” zei Ambro. „Ik zal ’t even aan moeder gaan zeggen.”
In een wip is ie terug en zegt: „Wanneer gaan we?”
„Over een uur gaat het bootje.”
„Kom mee, Paul, dan tracteer ik op appelen, dan hebben we wat te bikken onderweg.”
„Goed, en dan gaan we meteen thuis het pakje aanhalen.”
„Maar wacht es,” zegt Ambro. „Hoe laat komen we terug?”
„Om half vier ongeveer.”
„Waar moeten we dan brood eten?”
„Da’s al lang in orde. Moeder heeft voor alles gezorgd. Voor ieder een stapel kadetjes met ham en kaas.”
„Gommenikkie, da’s fijn!”
„En we mogen in een kattekroeg wat gaan drinken.”
„Dat wordt een reuzen-dag!” zegt Ambro verheugd.
Dan gaan de beide jongens op stap. Ambro koopt een pond goudreinetten.
„Wat een kanjers,” zegt Paul. „Me broekzakken puilen er van uit.”
„Nou, ik zal er niet lang last van hebben,” lacht Ambro.
Intusschen hebben ze Paul’s huis bereikt, waar ze het pakje afhalen. Boven aan de trap roept mevrouw: „Ambro, zul je goed op Paul passen?”
„Ja mevrouw,” is het antwoord. „U krijgt hem heelhuids terug.”
En nu begeven de jongens zich naar het bootje.
„We gaan eerste klas, hoor!” zegt Paul. „Dan zitten we fijn vooraan. En anders krijg je al de rook in je facie.”
„Chique!” zegt Ambro. „Kijk het bankje bij de bel is vrij, laten we daar gaan zitten, dan mogen we bellen als ie vertrekt.”
Ze zijn echter veel te vroeg en er is nog geen sprake van vertrekken.
„Ik ga een appel schillen,” zegt Ambro en hij haalt zijn mes te voorschijn; het mes, dat alle jongens hem benijden, want het is groot, en gevuld met alle soorten van mesjes en priempjes en het is overal voor te gebruiken.
De machinist van de boot, die vlak bij de jongens z’n pijpje staat te rooken, kijkt er met welgevallen naar.
„Dat messie mag er wezen, jongeheer.”
Ambro, zeer gevleid, geeft hem het mes om ’t van dichtbij te laten bekijken.
„’n Effetief messie, best staal, zal nog heel wat gekost hebben.”
„Niks heeft ’t me gekost. Zoo maar voor noppes weggehaald.”
„’t Zal niet waar zijn,” zegt de machinist.
„Nee, niet weggekaapt! Eerlijk verdiend, hoor!”
„En je zeit weggehaald!”
„Op de zomer-kermis, boven in een mast, die met groene zeep was ingesmeerd. Ik had een heele sjouw voor ik er was en toen ik eenmaal boven was, wist ik niet wat ik pakken zon, een ham of het mes.
„Maar ik koos toch ’t mes en nou ben ik er maar blij om, want ’t heeft me al heel wat diensten bewezen.”
„Dat heb je ’m kranig gelapt,” zegt de machinist goedkeurend. „Die paaltjes valle anders nog niks niet mee, ik ben tenminste es halleverwege blijve steke.”
„Mot je een stukkie,” vraagt Ambro, hem de helft van zijn appel voorhoudend.
„As ik je niet ontrijf. Maar, ’t is zoo’n groot brok, je houdt temet zelf niks over.”
„O, we hebben plenty, man.”
„Nou, dan op je santé.”
Vóór de machinist vertrekt, heeft ook Paul hem zijn aandeel geofferd.
Nu nadert de schipper, om met de bel het sein tot vertrek te geven.
„Mogen wij het doen?” vraagt Ambro.
„Ga je gang, jongeheer. Ik doe ’t elken dag.”
En Ambro belt alsof zijn leven er van af hangt. De bewoners van de Schie hadden nog nooit zoo luid en lang het vertrek van het bootje hooren aankondigen.
„Nou is ’t genoeg,” roept lachend de schipper. „Anders komen we nog zonder bel in Delft aan.”
En Paul, die op zijn beurt gehoopt had de bel te mogen luiden, werd beloofd bij de aankomst aan de eerste aanlegplaats zijn schade te mogen inhalen.
Juist zou de loopplank naar binnen gehaald worden, als van de kade hevig met een parapluie wuivend, een oude juffrouw aan komt loopen, zoo hard, als haar onderdanen het toelieten.
„Wacht even, schipper, die juffrouw moet nog mee,” roept Ambro.
„Ja, ik zie ’t” zegt de schipper en terwijl hij de juffrouw, die intusschen de loopplank bereikt heeft, ridderlijk de hand toesteekt, zegt hij goedig: „Kalm an maar, moeder, me hebbe de tijd.”
De juffrouw wordt hijgend en puffend naar binnen gehaald en de jongens krijgen nu een mede-passagier.
De juffrouw is nog niet in staat een woord uit te brengen en zit amechtig naar lucht happend op een bank, terwijl ze het bezweete welgedane gezicht met een netjes opgevouwen, hagelwitten zakdoek afveegt.
„Hè, hè... hè, hè... is dat loope!... mense, mense,... hè, hè!”
„Blij dat u zit, juffrouw,” toetert Ambro haar in de ooren, zoo hard, alsof ’t vanzelf sprak dat de juffrouw doof was, hetgeen ze wederom beantwoordde met de noodige „hè hè’s” en „mense mense”.
„Dat scheelde maar een haartje,” schreeuwt Ambro, nòg harder dan den vorigen keer, in de meening, dat zijn eerste gebrul niet verstaan was door de juffrouw.
Dit blijkt tè kras voor haar trommelvlies en ze keert zich verwoed naar Ambro om, terwijl ze nijdig zegt:
„Ik bin niet doof! je hoef niet zoo te schreeuwe!”
Na dezen uitval kijkt Ambro haar even beteuterd aan en wijdt dan weer zijn volle aandacht aan een worm, dien hij in een van zijn mooie goudreinetten ontdekte.
„Ik bin anders altoos op tijd,” opent de juffrouw eensklaps het gesprek. „Me klokkie gong sekers na.”
„Wat zegt u, juffrouw?” zegt Ambro, z’n oor vlak bij haar gezicht houdend.
Als ze hem verbaasd aankijkt, zegt de deugniet, terwijl hij veiligheidshalve een eindje van haar af gaat zitten:
„Ik ben ook niet doof!”
En onmiddellijk laat hij er op volgen: „Moet u een stukkie?” en houdt haar een stuk appel voor.
Dit verteedert de juffrouw en met een vriendelijk: „Dank Uwes wel, jongeheer,” neemt ze het partje aan, dat ze luid smakkend verorbert.
„Is dat uw zoontje?” vraagt eensklaps Ambro, op Paul wijzend.
Paul, die zich al dien tijd stil hield en zich kostelijk vermaakte met het gesprek tusschen het tweetal, proest het op eenmaal uit.
„Wou je ’n oud mensch nemen?” zegt de juffrouw lachend tegen Ambro. „Me jongste soontje is al vijf en dertig. En die heit er krek zoo eentje als deuze.”
„Nou, dan kon ’t uw kleinzoontje zijn. Paul, daar zit je opoe. Lach es tegen d’r.”
„Je bent me d’r eentje,” zegt de juffrouw, maar ze heeft toch schik in hem.
„Moet u ook naar Delft?” vraagt Paul.
„Nee, ikke gaan na de Zwet, na me dochter, die heit daar ’n cefé.”
„Met een schommel?” vraagt Ambro vol belangstelling.
„Ja, achter ’t beffet,” lacht de juffrouw.
De schipper komt de kaartjes ophalen.
„Opoe betaalt voor ons,” zegt Ambro.
„’t Is toch... wat e rakker, hè? Sal me ’n lekker dier thuis sijn...! Soo twalef!!”
Dan licht ze zorgvuldig haar japonrok op en haalt uit een grooten witten zak, een knipbeurs van enormen omvang en grut er met beverige vingers het geld voor een „karetje” uit.
„Tot de Zwet,” zegt ze.
„De gewone reis, moeder,” zegt de schipper die haar reeds van lange jaren kent.
„Wij moeten naar Delft,” zegt Paul.
„Verkoopt u retourtjes?”
„Nee, jongeheer, alleenig enkelde reissie’s.”
„Dan twee stuks,” zegt Paul waardig.
„Ja, ja,” lacht Ambro. „Ik mag vandaag met oome uit.”
„Gane jullie soo same na Delleft?” informeert de juffrouw.
„Ja, juffrouw,” zegt Ambro. „Opkomen voor ons nummer, we zijn d’r allebei ingeloot.”
„Hoor nou zoo’n broekeman,” zegt de schipper onder het weggaan.
„Dat zal nog wel een paar jaartjes anhouwe.”
„Sou je graag soldaat sijn?” vraagt de juffrouw aan Ambro.
„Nee,” zegt Ambro. „Ik hou van commandeeren en niet van gecommandeerd te worden.”
„Toe maar, toe maar, wat een baassie!” lacht de juffrouw.
„Maar hij,” zegt Ambro, op Paul wijzend. „Hij is er gek op. Hij kan een heelen dag met een houten geweertje en een kurk spelen.”
„Nee, hoor juffrouw,” valt Paul hem vlug in de rede. „Hij jokt maar wat, ik moet er ook niets van hebben, me broer zegt ook dat ’t een nare zooi is en zonde van je goeie tijd.”
„O, is uwes broer in dienst?” zegt de juffrouw, bij voorbaat ja knikkend met ’t hoofd.
„Al zeven maanden zit ie d’r in,” zegt Paul. „En nou heeft ie straf; daarom gaan we naar Delft om ’m wat lekkers te brengen.”
„Heit ie straf?” zegt meewarig de juffrouw. „En mag ie nou niet naar huis?”
„Hij heeft veertien dagen, hoe heet ’t ook weer, o ja, kwartier-arrest.”
„Sa-je gebeure,” zegt de juffrouw, ofschoon ze volstrekt niet weet wat kwartier-arrest wil zeggen.
„Sit ie nou in ’n hok?” informeert ze op fluisterenden toon.
„Ja,” lacht Ambro. „Aan een ketting.”
„O, daar hei je die pejas ook weer. Van jou geloof ik toch nooit niks meer.”
„Nee juffrouw,” licht Paul haar beleefd in. „Dat is het cachot wat u bedoelt, dat is voor erge feiten, zegt me broer.”
„Wat heit ie dan wel gedaan, zonder nieuwsgierig te zijn,” zegt de juffrouw.
„Hij heeft aan den luitenant z’n sik getrokken,” zegt Ambro. „’t Was een aangeplakte, want hij hield ’m in zijn hand.”
„Och malle,” lacht Paul. „Niks van aan, hoor juffrouw. Hij was niet geschoren op een inspectie en toen heeft een sergeant hem er bij gelapt.”
„Wat een stuk sjagrijn! Ja, se kenne die jonges soo koejeneere,” zegt de juffrouw vol medegevoel.
„Ja,” zegt Ambro. „Ik wist dat ’t iets met den baard te maken had.”
„Jongeheer, belle!” onderbreekt de schipper hun gekeuvel en Paul vliegt op de bel af en haalt z’n schade van straks terdege in.
„Nou, ik bin d’r,” zegt de juffrouw, terwijl ze haar parapluie en mandje ter hand neemt.
„Goeie reis verdere, jongeheere.”
„Dag juffrouw,” zeggen de jongens beleefd.
Het bootje zet zijn reis voort.
Onderweg moeten zij onder twee bruggen doorvaren. De pijp wordt omlaag gehaald en ook de ijzeren hekken van het bovendek moeten plat liggen opdat de boot zonder stooten onder de brug door kan.
De schipper, die rustig zijn pijpje zat te rooken, verlaat nu ook het dek, want de brug is in aantocht.
Maar Ambro heeft schik in het geval en stelt Paul voor boven op het dek te klimmen.
„Je zal heusch je kop niet stooten! kom Paul, we gaan plat op onzen buik liggen, net als de stoompijp.”
Meteen is Ambro al naar boven en Paul, hoewel een beetje angstig voor zijn hoofd, volgt hem.
„Wat een rare knullen,” zegt de schipper lachend. „Als een verstandig mensch voor zijn gemak naar beneje gaat, motte hullie juist naar bove.”
„’t Kan immers geen kwaad?” informeert Paul.
„Nee hoor,” stelt de schipper hem gerust. „Als je maar plat blijft liggen en niet je neus in den wind steekt.”
Intusschen is de boot bij de brug gekomen en glijdt op eigen vaart er onder door.
„Hè fijn,” juicht Ambro. „Hij schuift net langs mijn pet.”
„Tòch gevaarlijk,” zegt Paul. „Hij moet maar eens ’n beetje hooger liggen, de brug zal heusch niet uit den weg gaan en dan zouden we toch netjes gekraakt worden.”
„Bê-je nou!” is de verontwaardigde uitroep van Ambro. „De pijp ligt immers nog hooger dan wij.”
Maar ze zijn er al veilig onder door en Paul herademt. Hij vond het een benauwde bedoening.
„Straks nog een brug,” zegt Ambro. „Jammer, dat er geen twintig onderweg zijn. Ik vind het wàt emmes, ’t is weer eens wat anders.”
AMBRO REDT EEN SECTIE SOLDATEN.
Delft nadert.—Het weêr is heerlijk, het lijkt wel een zomersche dag. De jongens zitten weer in de laagte bij den voorsteven van het bootje.
„Kijk es, Paul,” roept Ambro triomfantelijk. „Ben ik niet handig?... ik pak me daar zoo maar een visch uit het water,” en hij houdt Paul een klein witvischje onder den neus.
„Kijk-t-ie spartelen,” zegt Paul in bewondering voor Ambro’s vlugheid.
„Maar niet heusch,” zegt deze. „Hij is zoo dood als een pier. Kijk, er dobberen er nog veel meer. Tsjonge,... kijk es wat een zooi! En allemaal dood.”
De schipper, die hun gesprek gevolgd had, geeft hun uitleg.
„Da’s van de fabrieke... die vergiftige hier het water met d’rlui uitwaseminge en dan mot, al wat leeft, sterreve.”
„Kan je ze nog eten?” vraagt Ambro vol belangstelling.
„Nee jonge, da’s niet goed voor je maag, maar de poes, die zou d’r an smulle.”
Voor de laatste maal luidt Ambro nu de bel—de boot is aan.
Ze nemen afscheid van den schipper en roepen hem een tot-straks toe, want over vier uur gaan ze weer terug naar Rotterdam.
„Heb je je pakkie, Paul?” vraagt Ambro met een dood-onschuldig gezicht als ze al een heel eind op weg naar de kazerne zijn.
„Allemachies!” Paul verbleekt. „Nee, gauw terug!” En hij wil terughollen naar de boot.
„Ik heb het,” roept Ambro en houdt het bewuste voorwerp omhoog.
„Hè, is dàt schrikken,” hijgt Paul.
„Hij is alwéér reusachtig!” lacht Ambro. „Zeg, weet jij den weg?” vraagt hij dan.
„Ik wel,” zegt Paul. „We moeten naar de paardenmarkt.”
„Mag je d’r in, ik bedoel in de kazerne?”
„Dat zal niet gaan, ze laten geen burgers toe.”
„Laat naar je kijken, ben jij een burger!” schatert Ambro.
„Ja zeker zijn wij burgers, we dragen toch geen uniform.”
„Goed, burger Paul, alweer gelijk. Ik had anders wàt graag eens een kijkie genomen in zoo’n soldatenhuis. Ik vraag het ijskoud aan den generaal.”
„Jôh! de generaal! Die is er niet altijd, een hoogst enkele keer,” zegt Dirk, „en dan moeten ze poetsen tot ze groen zien en een pluimpje krijgen ze nooit, alleen straf als er wat aan mankeert.”
„Nou, ik wil en zal de kazerne in,” zegt Ambro. „Wedde, dat we d’r in komme?”
„Hier heen,” roept Paul. „Dit straatje in, dan zijn we er.”
„Ja, ik zie al een vlakte, dat is zeker de paardenmarkt.”
Om den hoek gekomen zien ze een menigte soldaten in werkcostuum.
„Wat zien ze d’r raar uit,” roept Ambro. „Dat is zeker hun daagsche pakkie, ’t lijken wel clowns met die malle mutsie’s.”
„Dat zijn kwartiermutsen,” verklaart Paul, die nu alle geleerdheid betreffende den dienst, opgedaan bij Dirk, Ambro opdischt.
„Je moet ’t maar weten! Hoort die kerel een muil opzetten! Die denkt zeker, dat ze allemaal doof zijn! Begrijp jij, wat ie van ze wil?”
„Ja zeker,” zegt Paul. „Aan den schouder, geweer!” schreeuwt ie. Hoor, nou roept ie weer „zet af.”
„En ze doen niks,” lacht Ambro.
„Wacht maar even,” zegt Paul.
Meteen klinkt weer een harde schreeuw, dat „geweer” moet verbeelden, waarop alle geweren netjes, tegelijk weer op den grond worden geplaatst.
„Wat een poppenkast,” roept Ambro. „Dan vind ik gedresseerde honden nog aardiger.”
„Kom mee,” dringt Paul aan. „Laten we nou niet aldoor hier blijven kijken.”
„Nou, misschien is Dirk er wel bij,” zegt Ambro, die pret heeft in al dat gedoe. Hij had nog nooit zooiets gezien. Eenmaal in Den Haag, maar dat was parade, toen waren ze allemaal netjes aangekleed en moesten wachten op den generaal, die op een paard kwam aanhollen en al de mannetjes monsterde.
„Kom je nou, of niet,” zegt Paul ongeduldig. „Anders zal ik wel alleen gaan.”
„Hier ben ik al, burger, houd je kalm,” plaagt Ambro.
Ze stappen op de poort van de kazerne af en passeeren een paar soldaten, die lui uitgestrekt in het zonnetje liggen te braden.
„Tabak, jongens?” vraagt er een. „Geef maar hier. Of is ’t misschien een hammetje? Dat blieven we ook wel.”
„Fopspeentjes,” roept Ambro terug. „Vóór jullie naar bed gaan krijg je ze.”
Vóór de poort zit een sergeant op een kapotten stoel een krantje te lezen.
Hij kijkt bij het naderen van het tweetal van zijn lectuur op.
„Zoo, jong vee, wat motte jullie gedaan weze?”
Paul is zoowaar geschrokken van den harden toon waarop hij wordt toegesproken, maar al gauw merkt hij, dat het niet zoo kwaad gemeend is.
Ambro doet nu maar het woord.
„Meneer, we zouden graag dit pakje aan Dirk brengen. Dat is zijn broer, ziet u. Mag dat?”
„Dirk kenne we hier niet,” luidt het antwoord.
„D’r zijn hier misschien wel honderd Dirken. Maar waar leit ie? Welke compie, welke sectie, welke kamer?”
„Dirk Vermeeren, 3de compagnie, 2de sectie, kamer 17,” antwoordt Paul vlug.
Hij heeft nu weer allen moed teruggekregen nu hij merkte dat de bullebak geen „kwaje” was.
„Dan gaan jullie ’t zellef maar brenge, hij zal d’r wel zijn, alles is vanmorrege thuis. Hier de gang in, één trap op en dan de eerste deur rechts. Ingerukt, marsch!”
Weg zijn de jongens.
„Zie je nou wel,” zegt Ambro zegevierend. „Ik wist het wel, dat we naar binnen mochten, die kerel was immers veel te lui om dat pakkie zelf te brengen. Hier Paul, kamer 17.”
„Moet je kloppen?” vraagt Paul een beetje bevreesd in dat nare, donkere, groote gebouw.
„Bê-je wel wijs?” zegt Ambro. „Van nette manieren weten ze hier niks,” en meteen doet hij de deur open.
„In orde, staat!” klinkt het op luiden toon en de beide jongens zien plotseling overal kerels opduiken, die op stroozakken lagen te rooken, te lezen en te luibakken.
Ieder staat nu als een standbeeld voor zijn bed.
De jongens begrijpen er niets van, tot de kerels in de gaten krijgen, dat ze voor den mal zijn gehouden en loom hun bed weer opzoeken.
„Hallo,” roept Dirk, die hun die poets gebakken heeft. „Daar zijn de twee hooge oome’s, heeren, mag ik u voorstellen, mijn geachte broeder, kolonel Paul en Overste Ambro, het grootste beest van Rotterdam en omstreken.”
Paul, blij, dat hij eindelijk een bekend gezicht ziet en een bekende stem hoort, komt met Ambro op Dirk af en reikt hem het pakje over.
„Dat moet ik je van moeder brengen en verder veel groeten van allemaal.”
„Nou, maar jullie zijn beste kereltjes, hoor!” zegt Dirk die het pakje begint te openen. „Hoe vinden jullie ’t hier? Gezellig, hè? Ambro, is dat geen lekker bedje, je komt maar es logeeren, plaats en eten genoeg.”
De jongens kijken hun oogen uit; zoo’n rare boel hebben ze nog nooit gezien.
IJzeren kribben met een stroozak en de wollen dekens op een hoopje aan het eind en daar weer boven een kastje met een rommel waar je niet meer uit wijs kan worden.
„Ha!” roept Dirk blij. „Sigaartjes en Kwatta’s! da’s toch maar alles. Ambro, moet je een stukje?”
Ambro kijkt met glundere blikken naar het verleidelijke stukje chocolade, maar hij weigert het en vindt, dat je een gevangene zijn lekkernij niet moet ontnemen.
Dirk heeft, zooals we reeds zeiden, veertien dagen kwartier-arrest, omdat hij bij een inspectie niet schoon geschoren was.
„Heb je nou heusch straf omdat je niet geschoren was,” vraagt Ambro ongeloovig. „En als je nu je baard laat staan; hij kan toch niet in één nacht lang zijn?”
„Daar houden ze hier geen rekening mee,” antwoordt Dirk. „Of een glad gezicht òf een flinke baard.”
Ambro voelt eens over zijn wang en kan slechts constateeren, dat er nog geen spoor van haar te bespeuren is. „Bij mij is gelukkig alles in orde,” zegt hij. „Laat de hooge-oome maar komen, hij mag me over mijn koonen aaien.”
„Wat een lefschoppertje,” roept hem een landweerman toe, die evenals alle anderen, lui op zijn krib ligt uitgestrekt.
„Had ik maar een beetje rook in mijn mond!” Deze verzuchting was voor Dirk bedoeld en deze gooit hem een van zijn pas ontvangen sigaren toe.
„Hier, ouwe dief, jij ook wat,” lacht Dirk, en dan tot de jongens: „Dat is nou onze Manus, de grootste lijntrekker van de heele compie.”
„Lijntrekken?” vraagt Paul.
En Dirk legt uit: „Lijntrekken is net doen of je druk aan ’t werk bent en een heeleboel te doen hebt, maar in werkelijkheid voer je niks-niemendal uit en als ze mannetjes zoeken om het een of andere karweitje op te knappen... kamers zwabberen, stroozakken vullen of zoo iets lekkers, dan ben je in geen hoeken of gaten te vinden.”
De jongens snappen het wel, maar zien niet in, dat kamers-zwabberen en stroozakken vullen zulke nare bezigheden zijn.
„Ja,” zegt Manus. „Eventjes is aardig, vooral voor zulke jonge snuiters als jullie, maar een heelen middag zou zoo’n grappie je gauw de keel uit hangen.”
„Zijn jullie nou allemaal lijntrekkers?” vraagt Ambro. „En kan niemand je vinden?” en meteen wijst hij naar buiten, waar, op de binnenplaats een sectie recruten een looppasje in ’t rond maakt.
„Kijk die es hollen in de warmte,... hun tongen hangen op hun vessie,... dan is die daar, met die lange sabel verstandiger, die blijft tenminste rustig op zijn plaats en laat de anderen rennen.”
„Oh, dat is de ooievaar,” lacht Dirk. „Ik hoor het aan zijn commando, hij kraait net als een oude juffrouw, zie je wel, jongens, wat een lange nek die kerel heeft, dat is „de ooievaar”.”
„Mogen jullie hier nou zoo niks doen en luieren?” vraagt Paul, die bang is, dat er wel eens ’n hooge oome kon binnen komen.
Maar Dirk stelt hem gerust.
„Ja, hoor Paul, dat màg, we hebben nachtdienst gehad in de duinen bij Den Haag en daarom hebben we nu rust, ja, ze zijn wàt bezorgd voor ons, als het regent mogen we ook thuis blijven, kijk maar...” en hij wijst op een broek, die stijf is van natte modder.
„Dat is mijn feestbroek, die deelt met me in lief en leed.”
„Ik heb de jicht in m’n rug van dat nachtelijke tochie,” klaagt Manus. „En de volgende keer vertik ik ’t, dan piep ik ’m en kruip onder de wol... ze lijken wel gek,... als een fesoenlijk mensch maft, gaan hullie met beeste-weer door de duine renne.”
„Ik het toch moar twie kenijntjes te groaze hàad,” klinkt van de overzijde de stem van een boerenzoon.
„Zundàag zaamme smulle,” lacht hij en de jongens zien een glimmend gezicht met glunderende oogen die bij het grinniken geheel verdwijnen, terwijl een breeden spleet te zien komt, zijn mond met gele tanden.
„Hei ’j nog tebàak?” roept hij tot Dirk, maar deze, wel goed, doch niet gek, antwoordt hem: „Een ander keertje, broer, anders hou ik zelf niks en ik moet nog negen dagen brommen.”
De jongens zijn bij elkaar op de leege krib naast Dirk gaan liggen en voelen zich langzamerhand thuis in de vreemde omgeving.
„Ik vind ’t toch wel aardig hier,” zegt Ambro. „Alleen een beetje saai op den duur.”
„Saai!” roept Manus. „Hoe kan je ’t zeggen, we vervelen ons nooit, we worden altijd bezig gehouden, een eerste klas hotel is er niks bij.”
Plotseling worden zware stappen gehoord en vliegt de deur open.
„In orde, staat!” wordt er geroepen en ditmaal is het geen grap.
„Toe, maak geen spas, hou op met die flauwe kul, leelijke kevers!” schreeuwt Manus, die den kapitein niet in de gaten krijgt
Maar nu hij de anderen doodstil voor de bedden ziet staan kijkt hij op en ontdekt dat inderdaad ditmaal de kapitein op de kamer is.
„Kop dicht,” roept de sergeant die hem begeleidt en Manus glijdt van zijn krib en neemt „de houding” aan.
De jongens hebben van schrik hetzelfde gedaan, en begrijpen weer niets van die rij standbeelden die onbewegelijk blijven staan.
De grinnekende kop van den boerenzoon is veranderd in een dom gezicht met vragend verwonderde oogen.
„Wat moet dat hier? Niks te doen? Dan maar aantreden in veldtenue; een looppasje maken. Dat niks doen werkt verkeerd op jullie; binnen vijf minuten op de binnenplaats, veldtenue met rol.”