Het hol van Kaan

Part 11

Chapter 114,196 wordsPublic domain

„Weet je wel, dat dit je straf verzwaart?” zegt de Inspecteur om hem schrik aan te jagen.

„Hier is ’t andere,” klinkt plotseling een stem, niet ver van den dader af en de rest, bestaande uit dezelfde artikelen, wordt op het kastje voor hem neergelegd.

„Heb jij die van hem gekregen of ook weggenomen?” vraagt de Inspecteur.

„Gekregen, mijnheer, maar ik wist, dat ie ze gegapt had.”

Dan richt de Inspecteur zich weer tot het Hoofd en verzoekt hem, nu alles terecht is, met de twee jongens het lokaal te verlaten.

’t Is een nare stoet, zooals ze zich daar verwijderen. Voorop de dader en de heler, met gebogen hoofden, gevolgd door de drie gestrenge rechters. Als de deur zich achter hen sluit, ontspant zich de stilte, die al dien tijd in de klas geheerscht had.

„Waar hebben ze dat gegapt?” vraagt Chris.

„Nog al wiedes, bij de Hazelip natuurlijk.”

„Zou die ze d’r bij gelapt hebben? Wat een serpent.”

„Jongens, een beetje kalmte,” gebiedt de onderwijzer, op wien het geval diepen indruk gemaakt heeft. „Die man is geen serpent, die man met z’n armoedig winkeltje kwam voor z’n goed recht op en ik vind ’t heel treurig, dat jongens door hun snoeplust tot zooiets komen. Er zullen misschien velen onder jullie zijn, die met minachting op den dief, zooals Mijnheer Brashuis hem noemde, zullen neerzien, maar die mogen wel bedenken, hoeveel fouten en gebreken ze zelf hebben en ze moeten, als straks de dader weer in hun midden zal zijn, hem niet beschouwen als een dief, maar als één, die door zwakheid een misstap beging, waar hij zeer zeker voor zal moeten boeten en dien we allen de helpende hand moeten toesteken.”

De onderwijzer was zeer bemind bij de jongens en zijn woorden lieten niet na, grooten indruk op hen te maken.

’t Was goed, dat hij zoo gesproken had, want velen onder hen hadden na die gebeurtenis het gevoel alsof zij nu brave jongens waren en tot zooiets zeker niet in staat zouden zijn.

„Wat zou er nu met hen gebeuren?” vraagt Paul bedeesd.

„Hij krijgt levenslang,” roept Chris, op wien een ernstig feit nooit veel indruk maakt.

Maar de onderwijzer vervolgt: „Laten we hopen, dat het ditmaal met een strenge berisping afloopt. Ik denk wel, dat ze allebei reeds genoeg gestraft zijn en het hun een harde les is geweest. Ik denk tenminste niet, dat ze in het vervolg zoo gemakkelijk zullen toegeven aan dergelijke slechte neigingen. Nu jongens, we gaan weer aan ’t werk.”

Deze heele gebeurtenis had echter vrij wat tijd in beslag genomen en eer ze ’t wisten, was het twaalf uur.

„Nou gaan we naar de Hooge Brug,” zei Puckie. „Ambro en Wim zullen er zeker zijn.”

„Wat zullen ze opkijken, als we ze vertellen van ’t hoog bezoek op school,” zei Karel.

„Ik vind ’t tòch een vuile streek,” zei Piet.

„Ja,” zegt Chris. „Dat je nou één pijpie wegneemt is nog daaraan toe, maar ze waren met niet weinig tevreden.”

„Neen Chris,” vond Paul. „Dat maakt geen verschil, gappen is gappen. En als ze iederen dag zoo’n pijpie stelen, hebben ze er in één maand dertig.”

„Ja,” vielen de andere jongens Paul bij. „Hij heeft gelijk.”

„Zouden ze de kast nou in kunnen draaien?” vraagt Piet.

„Minderjarigen komen niet in de kast,” merkt Karel op. „Die gaan naar een tuchtschool.”

„Jongens, wat ben jij op de hoogte van de wet. Of heb je al es in de bajes gezeten,” lacht Puckie.

„Ik niet,” zegt Karel ernstig. „Maar ik weet van een jongen, die tot driemaal toe schoenen gegapt had en die toen in een tuchtschool werd opgeborgen.”

„Dan had ie er vast gebrek aan,” zegt Paul nadenkend. „Want wie van ons zou ’t nu in z’n hoofd krijgen om een paar laarzen te gappen.”

„Ja, ’t is gek,” filosofeert Piet. „Meestal gappen ze waar ze behoefte aan hebben.”

„Ja, da’s waar,” merkt Chris droogkomiek op. „Koos had zoo’n behoefte aan een appeltje!”

De jongens schieten in een lach.

„Wat zat ie ’m anders te knijpen, die brave broek.”

„Zeg nou eens eerlijk,” zegt Chris plotseling. „Wie van jullie heeft nog nooit wat gegapt?”

„Gegapt, gegapt!” bromt Puckie.

„Neen,” zegt Chris. „Geen smoessies, gappen, wegnemen, ’t is allemaal hetzelfde en of ’t een pijp kaneel of een kner is, of een koekje uit de trommel van je moeder, ’t is allemaal één pot nat.”

„Ja,” zegt Paul. „Uit de provisiekast heb ik wel eens gesnoept.”

„En ik heb rozen van de buren gekaapt,” zegt Piet.

„Met voorbedachten rade?” vraagt Karel deskundig.

„Jawel Edelachtbare,” lacht Piet.

Al pratende zijn de jongens de Hooge Brug genaderd en Piet geeft een krijgskreet, die onmiddellijk beantwoord wordt.

„Ja jongens, ze zijn er.”

En in een drafje gaat het nu op ’t doel af.

Op dit uur is het in den Dierentuin zeer stil; bezoekers zijn er niet en de werklieden zijn aan ’t schaften.

De Hooge Brug is dus veilig voor hen.

„Is er niemand in de buurt,” vraagt Karel.

Ze speuren allen rond.

„Niets te zien,” zegt Chris. „Kom, vlug er onder.”

En allen wippen over de grasstrook die zich onder de Brug voortzet en vinden Ambro en Wim in hun nieuwe vergaderplaats.

Ambro, die statig wilde opstaan, maar bijtijds bedacht, dat hij bij die beweging hevig z’n bol zou stooten, begroette ze met een plechtig handgewuif en sprak op verheven toon:

„Hoofden van Lebak, ik groet u allen zeer en ik zeg u, dat er vreugde in mijn hart is, u allen hier bijeen te zien, luisterende naar de woorden van mijn mond.”

„Val in drieën op den grond,” dolt Chris.

„Laat me uitspreken,” zegt Ambro verontwaardigd. „Hebben we hier een fijn plekkie, of niet? En kijk hier es, overal struiken, die heb ik vanmorgen hier neergezet, ze kunnen ons nooit ontdekken, maar jullie moeten nou es probeeren je muil te houden.”

„Wat kan Ambro z’n woorden toch mooi kiezen,” merkt Paul op, die nog onder den indruk is van de plechtige begroeting.

„Och, jôh! dat heeft ie uit ons taalboekie, al die flauwe kul kent hij uit z’n kanes,” zegt Chris, daarmee Ambro allen roem ontnemend.

„Laten we hun nou vertellen van vanmorgen,” zegt Puckie, die brandt van verlangen om het verhaal op te disschen.

Ze laten hem dan ook dat genoegen en Wim en Ambro krijgen in kleuren en geuren het drama van dien morgen te hooren.

„Vertroost-me, wat ’n jammer, dat ik er niet bij was,” zegt Ambro. „Alle ochtenden zijn even saai en als er een lolletje is, ben ik er niet.”

„Nou, een lolletje was ’t niet,” zegt Paul.

„Nee, jij hebt tranen met tuiten gehuild,” plaagt Piet. „Je oogen zien nòg rood.”

Ambro en Wim gaan er echter niet verder op in, vol als ze zijn van een nieuw plan.

„We hebben wat fijns uitgevonden,” zegt Ambro. „We komen na vieren weer hier en dan gaan we visschen.”

„Visschen, hier! Dat hebben ze toch zoo in de smiezen,” zegt Karel.

„O, neen, man!” zegt Wim. „Dat zal je gewaar worden. Ambro, hoe zouden we ook weer doen?”

„Nou, we hebben niks anders noodig, dan een touwtje met een kromme speld, een kadetje en een krant.”

„Ik snap er niks van,” zegt Chris.

„Dat is een manier van lik-me-vessie,” zegt Puckie. „Daar vang je immers niks mee.”

„Niet meedoen, hoor!” zegt Ambro korzelig. „Vooral niet! Jullie zijn ezels. Eerst afwachten en dan keffen.”

„Nou, dan zullen we maar geduld hebben,” zegt Paul. „Wat Ambro voorstelt mislukt haast nooit.”

„Ik mot ’t eerst zien,” houdt Chris vol.

„Dat zal je, zuurdeesem,” lacht Ambro. „Maar nou gaan we naar huis, want ik heb trek in me „kuchie”.”

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Prompt kwart over vieren komt de bende terug bij de Hooge Brug waar Ambro’s plan volvoerd moet worden.

Wim wacht hem reeds op.

„Zei de oude niks, dat je er vanmorgen niet was,” informeert Wim bij Ambro.

„Nee hoor, hij schijnt er langzamerhand aan te wennen. Heb je touw bij je?”

„Ja, een heele dot.”

„Goed zoo, ik heb al ’t andere. Nou zal ik jullie uitleggen, hoe we ’t ’m lappen. Zien jullie dit touwtje? Daar gaat aan ’t eind een kromme speld aan, die dient als vischhaakje, snappez-vous? Nou een pilletje brood er aan en ik wil met jullie wedden, dat ik binnen drie minuten een voren bij jullie breng.”

„Wat een opschepper,” begint Chris weer. „Ja, die laat zich nemen met een kromme speld! Maar niet heusch!”

„Wachten jullie nou maar even. Van onder de brug uit kunnen jullie me ’m eruit zien trekken. Maar ik moet eerst even koekeloeren of er niemand in de buurt is. Hou de krant klaar, Wim, daar moet de heele buit in. En dan gaan we ze bakken op ’t weiland bij den Provenierssingel.”

„Tsjonge, jonge, wat zulle we smulle!” sart Puckie. „Ik mot vanmiddag geen eten, ik krijg gebakken voren.”

„Nou, weg ben ik!” en met springt Ambro behoedzaam van onder de brug, wipt de grasstrook over en wandelt de brug op, terwijl hij overal rondspeurt of er geen onraad is. Als hij alles veilig bevonden heeft, zien de jongens kleine stukjes brood in ’t water vallen.

„Kijk es, hij lokt ze,” roept Karel vol spanning.

„Dat kost ’m z’n heele kadetje en hij vangt er geen een,” zegt Piet.

In minder dan geen tijd zien ze aan de kringetjes op het water dat de visschen, die gewoon zijn aan een dergelijke tractatie, van alle kanten komen toezwemmen. Af en toe zien ze een zilverwit vischje in dartelen sprong even boven het water uitkomen.

„Wat een zooi zijn d’r,” zegt Chris. „Dat wordt wat, hoor!”

„Zie je wel,” zegt Paul. „Je kunt Ambro, heusch, altijd gelooven.”

Ambro is intusschen opgehouden met brood strooien en laat nu zijn touwtje met de speld zakken.

De jongens kijken vol belangstelling toe. Niet zoodra heeft het touwtje de oppervlakte van het water bereikt, of de argelooze visschen loopen er in en een hapt er in het stukje brood. Vliegensvlug trekt Ambro met een hevigen ruk het touw in en jawel! hij slaat een voren op den kant. De jongens kunnen niet nalaten luidkeels een hoeratje aan te heffen.

Maar Ambro, die zoo gauw hij kon, met z’n buit bij hen onder de Brug is gekomen, beveelt onmiddellijke stilte.

„Zóó moeten jullie maar doen, boerenhengsten, dan zijn we dit plekkie ook gauw kwijt.”

„Reusachtig,” zegt Chris. „Ik trek me woorden in, Ambro. Hij is alweer reusachtig! Heel deftig en bedaard slaat ie me daar een visch aan den haak en wat een kokkert!”

„O, ben je bijgedraaid, ongeloovige Thomas! Wanneer zal jij nou es gelooven aan de magische kracht van den beroemden toovenaar Hadschi Baba!”

„Mag ik ’t eens probeeren, Ambro?” vraagt Puckie.

„Probeeren mag je ’t, maar nou geloof ik op mijn beurt, dat ’t je nog niet zoo glad zal afgaan.”

„Poeh! Ik heb nou gezien hoe ’t moet. Geef maar gauw het touwtje.”

„Alsjeblieft majesteit! Toon nou je kunsten. Maar kijk uit!”

Puckie gaat nu op zijn beurt aan ’t werk, doch telkens ondervindt hij, dat de visschen wel in het brood happen, maar niet in de speld.

„Hij is te langzaam, ik wist het wel,” zegt Ambro op stelligen toon. „Ja, ze zijn gek, ze zullen op hèm wachten!”

Puckie geeft het eindelijk op en komt met beschaamde kaken bij ze terug.

„Kijk die visch es springen,” hoont Chris. „Nou maar jij ken ’t. Als je nog even doorgegaan hadt, was de vijver leeg geweest.”

„Stik,” is ’t eenige antwoord van Puckie, die zichzelf overschat had.

„Nou, jongens, nog een paar dagen en dan gaan we ze bakken.”

„Vang jij ze dan maar,” zegt Wim. „Wij zullen er toch wel geen slag van hebben en anders zitten we hier morgenochtend nog.”

Het blijkt alweer, dat de visschen Ambro goed gezind zijn, want van de viermaal, dat hij het touwtje liet zakken, sloeg hij er driemaal een uit.

De buit werd in de krant gepakt en de bende passeerde met het braafste gezicht van de wereld den niets kwaads vermoedenden portier.

„Nou naar het weiland, vooruit, jongens, loopen! ’t kan nog best voor zessen,” en in vollen draf hollen ze naar het nieuwe doel.

Daar gekomen, vragen ze zich af, hoe ze die visschen nu gebakken krijgen.

„We hebben niet eens boter,” zegt Karel.

„We laten ze in d’r eigen vet gaar smoren,” zegt Piet.

„Die spreekt al van bakken! Hê-je wat om ze in te doen?”

„In Puckie z’n pet!”

„Ja, da’s waar,” zegt Ambro.

„Daar hebben we niet aan gedacht, maar aan den slootkant liggen meestal oude ketels en pannen, wie weet is er niks bij.”

Ze gaan nu met z’n allen zoeken. ’t Is er een rommelig zoodje daar aan dien slootkant, je vindt er alle mogelijke voorwerpen die er door de bewoners van den achterkant neergegooid zijn; ’t is een formeele vuilnisbelt; aardappelschillen, koolstronken, leege flesschen, oude schoenen, stukken tapijt en vooral ook leege inmaakbusjes en ketels zonder bodem.

Puckie houdt triomphantelijk een leeg inmaakbusje omhoog.

„Kijk es, jongens, is dat niks?”

„Ja, dat zal wel gaan,” zegt Ambro.

„Een oude koekenpan was beter.”

„Die heb ik hier,” roept Piet plotseling en hij rent op een plat ijzer voorwerp af, dat half boven het water uitsteekt. Maar bij het uit ’t water halen blijkt, dat ’t geen koekenpan, maar een oud vuilnisblik is.

„Toch beter dan een busje,” roept Ambro op beslisten toon.

„Daar kunnen ze plat in bakken.”

„Maar hoe krijgen we dat boven het vuur?” vraagt Karel. „Ik houdt ’t niet vast, want dan brand ik m’n klavieren.”

„Ik heb al wat,” roept Paul verheugd en hij komt met een eind prikkeldraad aandragen.

„Juist,” zegt Ambro. „Nou zijn we klaar. Daar hangen we ’t blik in, en binden ’t aan drie stokken boven een vuurtje; zal je dat effetjes fijn zien branden.”

Drie lange stokken zijn gauw gevonden. Ambro heeft met zijn beroemd zakmes drie wilgentakken afgesneden. Die worden kruislings op den grond geplaatst en van boven met een touwtje verbonden. Na veel moeite hangt het vuilnisblik te bengelen aan het ijzerdraad.

„Nou houtjes zoeken voor ’t fikkie, jongens,” zegt Wim.

Alles komt aandragen met houtjes en papieren en Ambro maakt daarmeê het vuurtje aan.

„We hebben nog lang niet genoeg,” zegt hij. „Zoo krijgen we ze maar half gaar.”

„Moet het blik niet eerst schoon gemaakt?” vraagt Paul bezorgd.

„Hoor zoo’n viesneus! Wie d’r vies is krijgt niks!”

Piet merkt heel gewichtig op, dat alle schadelijke bestanddeelen door het vuur vernietigd worden.

„Prefester Piet zal ’t weten,” dolt Ambro.

„Die eene leeft nog,” zegt Puckie terwijl hij de krant opendoet waarin de visschen opgeborgen zijn.

„Dat zal niet lang meer duren,” merkt Chris op. „Z’n laatste uur heeft geslagen.”

„We zullen ’m Jeanne d’Arc noemen, die werd immers ook gebakken boven een houtvuurtje.”

Intusschen laaien de vlammen onder het vuilnisblik hoog op en Ambro heeft al aan zijn hand ondervonden, dat hij het blik niet ongestraft beet kan pakken.

„Vertroost me, wat is dat heet!” zegt hij, terwijl hij twee vingers in z’n mond steekt. „Vooruit, Puckie, geef op ’n visch, we zullen met één beginnen, dan zien we wat er van komt.”

Een der slachtoffers wordt netjes op het blik gelegd en begint hevig te sissen.

„Gelukkig maar, dat ie er niks van weet,” zegt Paul.

„De vissche hebbe geen wetenskap, jongeheer,” zegt Chris.

„Dat zei onze vischboer laatst.”

„Ik geloof, dat er niks van overblijft,” zegt Ambro, die met een bezorgd gezicht de visch steeds kleiner ziet worden.

„’t Is net een sigaar,” zegt Chris.

„Hij gaat in asch op.”

„Je moet hem keeren,” raadt Piet aan.

Die raad wordt onmiddellijk opgevolgd en Ambro tracht met een houtje de zwarte massa om te keeren, maar deze blijkt één te zijn geworden met het vuilnisblik.

„Ik heb ’t je wel gezegd,” verwijt Karel.

„D’r hoort boter bij, de bodem moet eerst vet gemaakt”

„Kok in de keuken,” galmt Ambro.

„Maar hoe komen we nou aan vet?”

„Uit Chris z’n haar,” roept Puckie.

„Die heeft toch zoo’n pomadekoppie.”

„Hij is jaloersch op me scheiding, met de meeste zorg gekweekt. Die is meer waard dan die kaaskop van jou!” lacht Chris terug.

„Als we nou es probeeren, met één vischje de pot vet te maken om de rest daarin te bakken,” zegt Piet.

„Ja, dat moet kunnen,” vindt Ambro.

Wéér wordt een der gevangenen opgeofferd, in de hoop, dat daarmee het gewenschte doel bereikt zal worden.

Schijnbaar lukt ’t dezen keer nu beter en inderdaad zijn er plekjes, hoewel heel klein, aan te wijzen die eenigszins den indruk geven van gebakken visch.

Ambro is de eerste die het waagt zijn tanden in de lekkernij te zetten. Maar het gezicht, dat hij daarbij trekt toont den jongens voldoende, hoe afschuwwekkend de smaak ervan is.

Met een onverstaanbaren uitroep spuwt hij het lekkere hapje uit.

„Zooiets heb ik m’n leven nog nooit geproefd, dat is je reinste vergift!”

„Dan zullen we ’t met den laatsten maar niet meer probeeren,” zegt Puckie.

„Zonde, dat we ’m nou voor niks uit het water hebben gehaald,” vindt Paul.

„Hij is niet verloren,” roept Karel.

„Ze kunnen ’m thuis bakken.”

„Ja, ze zullen je zien aankomen, met één katvischje!”

„Voortaan moeten we de spullen in orde hebben en voor een koekenpan en boter zorgen. Er zit nog visch genoeg,” zegt Ambro.

„Laten we dan Zaterdag nog eens gaan,” stelt Chris voor, „En laten we dan eerlijk een pan en een stukje boter te leen vragen, want als we ’m gappen, komt de inspecteur ons kookgerij op school halen.”

„Afgesproken, ik zorg voor boter,” zegt Ambro. „En ik wou, dat ik dien vuilen smaak kwijt was!”

„En dan zal ik moeder een koekenpan vragen,” zegt Wim. Ze aanvaarden nu de terugtocht en laten hun hoogst modern kookstel op de weide staan.

De voorbijgangers zullen het zeker aangezien hebben voor de overblijfselen van een Indianenkamp.

DE KERMIS.

„Hoeveel heb jij al?” vroeg Ambro.

„Een gulden vier en twintig cent. En dan krijg ik er een rijksdaalder bij van oom Koos, als ik jarig ben,” zei Chris.

Ambro en Chris zaten te zamen onder de Hooge Brug, in afwachting van de komst der kameraden.

„Een rijksdaalder,” vroeg Ambro ongeloovig. „Nou, nou, jij hebt een goeien oom, die heeft zeker geen kinderen.”

„Ja, van de getrouwde Oom’s en Tante’s krijg ik niet zooveel, hoogstens een maffie. Dat cadeau van Oom Koos noemen we „de koude handdruk”, omdat ie tegelijk met de felicitatie een rijksdaalder in je hand duwt.”

„Nou, bij mij is armoe troef, ik heb pas drie en veertig spie, maar ik ga weer drie dagen voor gids spelen in den Dierentuin, dat heeft me verleden jaar ruim ’n riks opgebracht. Dat waren royale boeren!”

„’n Mooie verdienste,” zegt Chris.

„Mij hebben ze es afgescheept met een apennootje.”

„Ja, maar jij hadt ook geen lint om je pet.—’t Is jammer, dat we niet met de heele bende de kermis op kunnen,” zegt Ambro.

„O, ja, da’s waar, er gaan er een paar uit de stad. Wie gaan er eigenlijk?”

„La’s kijken, Wim gaat naar ’t Ginniken, Paul, zooals altijd naar Vlaardingen, wat je daar nou an hebt, ik weet ’t niet, haringstank en verder geen nieuws.”

„Nou, Piet zal ook wel de kermis niet op gaan, want die spaart al z’n centen op voor een nieuwe fiets.”

„Nog twee weken, jôh! Zal me een reuzen-lol worden!”

Plotseling weerklinkt een signaal. Puckie is in aantocht en vlak achter hem verschijnen Piet en Paul.

„Waar is Karel?” vraagt Ambro.

„Die is aan ’t voer zoeken voor z’n konijnen.”

„O, leven die mormels nog?” vraagt Chris.

„Of ze leven!” zegt Ambro. „Hij heeft ze gedresseerd. Een kan ’n pijp rooken en de andere kan praten.”

„Als-je me nou,” zegt Puckie.

Paul keek nog even verbaasd op, als hechtte hij geloof aan de woorden van Ambro, maar ’t geval schijnt hem toch wel wat wonderbaarlijk toe.

Als de jongens de gezamenlijke kas opmaken, blijkt er zeven gulden drie en zestig centen te zijn.

„Een vette kermispot,” zegt Ambro. „En er komt nog een boel bij.”

De jongens zijn gewoon, bij dergelijke vermakelijkheden, „botje bij botje” te doen en vooraf maken zij steeds het programma op.

„Waar zullen we nou ’t eerst naar toe gaan,” vraagt Ambro.

„Eerst zuurballen koopen,” zegt Puckie.

„O, daar heb je Puck de snoeper! Als je al je centen aan snoep verteert, blijft er niks voor de pret over.”

„Dàt weet ik vast,” zegt Chris. „We moeten naar ’t hippodrôme. Dàt moet zoo eenig zijn!”

„En ik moet „de dikke dame” zien,” zegt Ambro. „Die heeft ’n paar armen en beenen, zoo dik als een olifantspoot. En echt hoor! Je mag er in prikken.”

„Ik ga naar ’t vlooien-theâtre, dat heb ik nog nooit gezien en ’t moet prachtig zijn. Daar loopen ze als paardjes voor een wagentje.”

„En ze maken een dubbele saltormortale op mekaars schouders,” zegt Chris.

„Neen, nòg sterker,” zegt Ambro.

„Je hebt er een tandarts bij, die ze de tanden uittrekt, dan kunnen ze niet meer bijten.”

„En ik heb er in Peking een piano hooren spelen, een klein stukje, maar ’t was toch heel mooi voor zoo’n klein beestje.”

„Ben jij de lolligste thuis?” vraagt Karel.

„Ja, op de poes na,” zegt Chris.

„Hè, laten we nog een beetje doorgaan met onzin praten,” zegt Paul. „Ik vond ’t juist zoo leuk.”

„Paul denkt, nou ie niks van de kermis ziet, moeten wij maar kermis voor hem maken,” zegt Chris.

Plotseling geeft Ambro Chris een tik op zijn hoofd.

„Au!” roept Chris.

„Sla op den kop van Jut,” zegt Ambro.

„Dat zouden we heelemaal vergeten, daar moeten we ook heen.”

„Wat een lefschopper! Dat zou jij nooit halen, daar moet je nogal geen kracht voor hebben,” zegt Puckie.

„Zal je gewaar worden, Vader! Met één vinger mep ik ’m de lucht in.”

„Zouden we ’s avonds ook naar de kermis mogen,” peinsde Karel.

„Ik vraag in zoo’n tijd niet wat mag,” zei Ambro. „Ik ga!”

„Maar ’t is gevaarlijk,” zei Paul.

„Ze steken met messen.”

„Nou, juist emmes om te kijken.”

„Mot je ’n peut in je ribben krijgen,” zegt Karel.

„Als je klein bent, loop je nooit gevaar bij zooiets en ik geloof niet, dat ’t zoo erg zal zijn,” zegt Ambro.

Plotseling roept Chris: „Stil, jongens, hou-je gedekt!”

„Wat dan?” schrikken allen op.

Deze uitroep heeft de aandacht getrokken van den niets kwaads vermoedenden man, die zijn bootje onder de Hooge Brug door boomt.

Hij krijgt de jongens nu in de gaten en stuurt zijn bootje hun kant uit.

’t Is Kees, wiens werk het is, den vijver uit te baggeren en die lang geen vriend van de jongens is, daar deze ’t hem meermalen lastig hebben gemaakt.

Hij kent ze dan ook op een prik en ’t lag al lang in zijn voornemen, bij de eerste de beste gelegenheid wraak te nemen op „die kleine niksnutters”.

Ambro hoopte den toestand nog met een grap te kunnen redden en zei:

„Waar gaat de reis heen, Kees? Mogen we niet mee? We zullen niet snoepen van de chocoladevla in je bootje.”

„Ja, hou je gebbetjes maar voor je, kwaje aap,” snauwde Kees hem toe. „Hoe komme jullie hier?”

„Met een extra trein uit New-York,” zegt Chris, die, als ie ziet, dat de zaak tòch verloren is, brutaal wordt.

„Ik zal rapport van jullie make en je name hoef ik niet te wete, want die weet ik als te best. Jullie benne bekend als de bonte hond, en as je nou denk, ons altijd te glad af te zijn, dan bin je d’r naast. Jullie binne nou zuur, reken maar!”

Ambro valt nu in theâtrale houding op zijn knieën en smeekt op zonderlinge wijze om genade: „Kees, Kees, Kees, je hebt er water bij gedaan!”

„Maar wil ik je nou es in ernst vertellen, waarom we hier zitten,” zegt Chris.

„Ik heb met je smoessies niks niet te make,” zegt Kees woedend. „Jullie zalle d’r wel meer van hoore.”

„Een sigaar, Kees, vóór je weggaat,” zegt Ambro en hij steekt een takje van een boom in de hoogte.

„Dekselsche aap,” vaart Kees uit. „Wat let me, of ik geef je daar ’n pak op je broek.”

„Niet doen, Kees, niet doen,” sart Ambro. „Dan snoepen de anderen alle vla uit je bootje en die gun ik jou liever.”

Na deze woorden vinden ze ’t geraden het hazenpad te kiezen en de bengels rennen dan ook in vollen vaart den Dierentuin uit.

In de Diergaardelaan blijven ze hijgend en blazend staan.

„Stom,” zegt Puckie. „Eeuwig stom om dien vent nou nog te gaan sarren. Hij had toch al zoo de mier aan ons gezien.”

„Reken maar op een brief van den Directeur,” zegt Paul. „En we zullen er nu heusch niet zoo genadig afkomen.”

„Ze gaan nou vast verband zoeken en zoo stom zijn ze niet, of ze begrijpen, dat wij ook die jongens van het rhododendron-boschje waren,” zegt Karel.

„Nou zijn we ’t Hol èn de Hooge Brug kwijt,” zegt Wim spijtig.

Ambro en Chris voelen zich heel schuldig.—„Inderdaad, was ’t dom geweest, dien vent nog te sarren. Ze hadden ’m met een zoet lijntje moeten paaien,” vond Chris.