Het Haarlemmer-Meer-Boek

Chapter 14

Chapter 141,011 wordsPublic domain

»Art. 2. Op het voormelde kapitaal, tegen vier ten honderd opleverende eene jaarlijksche rente van een millioen twee honderd duizend gulden, zal successivelijk kunnen worden afgegeven een kapitaal van vier en twintig millioen gulden losrenten, rentende vijf ten honderd, waarvan de renten onvoorwaardelijk door het Rijk worden gewaarborgd; zullende deze losrenten achtervolgens worden afgelost en vernietigd, naar mate de uitgifte van de aandeelen in de schuld, ten laste van de Overzeesche Bezittingen, rentende vier ten honderd, wanneer die uitgifte tegen den cours van vier en negentig ten honderd of hooger zal kunnen plaats hebben."

»Art. 3. Het meergemelde kapitaal van dertig millioenen gulden, met de renten van dien, tot een millioen twee honderd duizend gulden, zal, zoo spoedig mogelijk, uit de inkomsten en baten van de voorschreven werken aan het Amortisatie-Syndikaat vergoed en tot het doel, waartoe hetzelve oorspronkelijk is daargesteld, teruggebragt worden; behoudende Wij Ons voor, om bij vroegere behoefte van het Amortisatie-Syndikaat, in de vergoeding van het meergedacht kapitaal met de renten, of van het dan nog onvoldaan gebleven gedeelte daarvan, te voorzien door al zoodanige geldelijke maatregelen, als verder tot dat einde en ter daarstelling, voltooijing of uitbreiding van de meer gemelde werken, onder verband der baten en inkomsten van dezelve, bij de wet zullen worden bepaald."

»Lasten en bevelen, enz."

[69] Ned. Staats-Courant van 1 Maart 1838, No. 52.

[70] Ned. Staats-Courant van 26 Maart 1838, No. 73.

[71] Ned. Staats-Courant van 28 Maart 1838, No. 75.

[72] Avondbode van 13 Maart 1838, No. 101 en A. Handelsbl. No. 1983.

[73] Avondbode, 27 Maart 1838, No. 113. A. Handelsbl. No. 1995.

[74] Ned. Staats-Courant van 2 April 1838, No. 79. A. H. B. No. 2000.

[75] Te weten de Heeren: Jr. E. P. de la Court, Mr. J. B. H. van den Mortel, Mr. P. A. van Meeuwen, J. D. Baron van Tuyll van Serooskerken van Heeze en Leende, Mr. R. P. Romme, wegens Noord-Braband.--Jr. W. L. F. C. van Rappard, E. W. van Dam van Isselt, Mr. J. Weerts, Mr. H. J. Dyckmeester, J. G. A. Baron van Nagell tot Ampsen, Baron Schimmelpenninck van der Oye van de Pol, wegens Gelderland.--Jr. Mr. A. Warin, Jr. H. Backer, Mr. J. H. van Reenen, Jr. G. Beelaerts van Blokland, Jr. G. Clifford, Jr. M. W. de Jonge, Mr. J. op den Hooff, Mr. W. J. Junius van Hemert, Jr. Mr. J. C. R. van Hoorn van Burgh, F. C. W. Druyvensteyn, Mr. F. Frets, H. Baron Collot d'Escury van Heynenoord, Jr. Mr. D. Hooft, Jsz., Jr. O. Repelaer van Molenaarsgraaf, Mr. G. Verwey Mejan, Mr. L. C. Lusac, Mr. T. C. de Bordes, Jr. D. F. van Alphen, W. Baron Roëll van Hazerswoude, Mr. W. B. Donker Curtius van Tienhoven, Mr. J. Corver Hooft, wegens Holland.--J. Snouck Hurgronje, Mr. J. G. Hinlopen, wegens Zeeland.--J. van den Velden, W. R. Baron van Tuyll van Serooskerken van Coelhorst, wegens Utrecht.--Mr. J. Cats Epz., W. P. D. Baron van Sytzama, C. Binkes, S. van Welderen Baron Rengers, Mr. T. S. Tromp, wegens Vriesland.--Mr. W. H. Vijfhuis, Mr. F. Lemker, Mr. A. Sandberg en Mr. R. S. van der Gronden, wegens Overijssel.--Jr. O. van Swinderen van Rensuma, Mr. C. Star Busman en Mr. W. J. Quintus, wegens Groningen.--Van dezen was de Baron van Sytzama Voorzitter.--Er waren in het geheel 7 Leden afwezig, zijnde de Heeren Mr. J. L. A. Luyben, Mr. A. J. Ingenhousz, van Noord-Braband; J. J. H. van Wickevoort Crommelin, van Holland; Mr. P. J. Boddaert, van Zeeland; Jr. Mr. H. M. A. J. van Asch van Wijck, van Utrecht; Mr. J. Gockinga, van Groningen en Mr. G. Kniphorst van Drenthe.

[76] Het eerste blad van dit ons geschrijf was reeds afgedrukt, toen de meeste der volgende redevoeringen in de Staats-Couranten het licht zagen.

[77] Ned. Staats-Courant van 4 April No. 81.

[78] Ned. Staats-Courant van 7 April No. 84.

[79] Ned. Staats-Courant van 5 April 1838, No. 82.

[80] Ned. Staats-Cour. van 9 April, No. 85.

[81] Ned. Staats-Cour. 11 April 1838, No. 87.

[82] Ned. Staats-Cour. 12 April 1838, No. 88.

[83] Ned. Staats-Courant van 10 April 1838, No. 86.

[84] Ned. Staats-Courant van 14 April 1838, No. 90.

[85] Het vroon van; de visscherije genaamd het vroon van; de vroonvisscherije van de Graaflijkheid: vroonmeester van de Graaflijkheid,--zijn allen namen in oude plakkaten bekend en betrekkelijk tot de visscherij. Gr. Plak. Bk. IIde deel, pag. 2927 en VIIde deel, pag. 875.

[86] Ned. Staats-Cour. van 17 April 1838, No. 91.

[87] Ned. Staats-Courant van 18 April 1838, No. 92.

[88] Ned. Staats-Courant van 19 April 1838, No. 93.

[89] Ned. Staats-Courant van 3 April 1838, No. 80.

[90] Ned. Staats-Courant van 20 April 1838, No. 94.

[91] Ned. Staats-Courant van 21 April 1838, No. 95.

[92] Ned. Staats-courant van 6 April 1838, No. 83.

[93] Onder het afdrukken dezer bladen zijn in den Avondbode (van 2 en 7 Junij No. 170 en 174) aanteekeningen geplaatst op de redevoeringen in de zitting der Staten-Generaal, van 2 April 1838, met betrekking tot de droogmaking van het Haarlemmermeer. Deze aantekeningen dragen de blijken van door eenen in het vak van den Waterstaat kundige en ervarene te zijn geschreven. Zij zijn hoogst lezenswaardig en zullen (vergis ik mij niet) de ongunstige indrukken, die de bedenkingen van het geacht Lid der Kamer, den Heer Luzac, mogten hebben doen ontstaan, bij den lezer merkelijk verminderen.--

Na het afdrukken van bladz. 16, is mij in handen gekomen een derde druk van de opera omnia van Pieter Pietersz. van den jare 1698, (Amst. in 4o.) In de Korte beschrijving van het leven diens Doopsgezinden leeraars, vóór die opera geplaatst, vindt men geene vermelding van zijne kunst van onder water te duiken. Alléén op gezag van den Redacteur van den Konst- en Letterbode, van den jare 1807, bl. 277, heb ik hem als denzelfden Pieter Pietersz., die in het Octrooi van 1605, (hierboven bl. 23) wordt vermeld, opgegeven. In gezegd Weekblad, van den jare 1819, vindt men het een en ander uit het werk van Leeghwater medegedeeld.