Chapter 13
»Stijg, Beemster! Purmer stijg! meldt, welige valleijen! Op wier beklaverd veld thans vette kudden weijën; Vermeldt den voorspoed aan der oud'ren vlijt verpligt! Uw welvaart zegt ons meer dan 't schoonste lofgedicht. o Grond! in vroeger eeuw in schuimend nat bedolven! o Grond! door 't voorgeslacht gewoekerd uit de golven, Gij dondert ons in 't oor met onweêrstaanbre kracht: Bemint uw vaderland, vereert het voorgeslacht! Hun brein, dat tot uw nut heel d' aardbol had omvademd, Schiep 't land dat gij bewoont, den luchtstroom dien gij ademt."
Leeghwater noemt op zijne lijst de oude en nieuwe Zijp; deze werd eigenlijk reeds in 1553 bedijkt, doch brak later in 1570. De tweede bedijking had in den jare 1572 plaats; doch in het zelfde jaar bezweek de dijk weder. In 1595 hervatte men de bedijking, die, hoezeer nog eens ingebroken zijnde, echter in dat jaar tot stand kwam. Zie de cronycke van Leeuwenhorn, uitgegeven door D. Asz. Valcooch, bl. 88.
De optelling dezer in No. 65 vermelde drooggemaakte Meren vindt men in den eersten druk niet.
Bl. 28, No. 66. Dirk van Os met zijn broeder Hendrik van Os, het eerste jaar toen de Beemster droog geworden was geteeld zeven duizend zeven honderd drie en vijftig zakken koolzaad. Leeghwater geeft niet op, hoe veel lands deze gebroeders van Os in de Beemster bezaten; zeker is het, dat Dirk van Os de voornaamste belanghebbende in die bedijking was. Men zie Extract uit het octrooi van de Beemster met de cavelconditiën, gedrukt te Purmerend, 1696, in 8o.
Bl. 29, No. 67. De volger weg is de weg, die van Purmerend, of liever van de kruissloot, tusschen die stad en Quadyck, naar Volger, bij Spijker-boort, loopt; hij is bijna 2040 Rhijnlandsche roeden (7685 Nederlandsche ellen) lang.
Ald. No. 69. De Beemster kan ieder jaar nu wel opbrengen aan landhuur twee maal honderd en vijftig duizend gulden aan vrij geld. Een mijner vrienden gaf mij op, dat hij van zijn land in de Beemster rekende jaarlijks f 33 à f 34 vrij geld per morgen te ontvangen. Hetgeen over de 7645 morgen, die de Beemster groot is, wederom ten naaste bij de door Leeghwater opgegeven som uitmaakt.
Bl. 31, No. 72. Hetgeen in dit No. staat mist men mede in de eerste uitgave.
» 34, No. 78. Fabrijk.--Eertijds werd de opziener over de stadsgebouwen de fabrijk genoemd. Dit heeft in sommige steden nog wel plaats.
Ald. No. 80. Mijn zaligen vader Adriaan Symonsz. Leeghwater.--Men zou hieruit kunnen opmaken, dat de vader van onzen Schrijver zich ook Leeghwater noemde; doch het komt mij waarschijnlijk voor, dat Leeghwater, dien naam hebbende aangenomen, denzelven ook aan zijnen vader toevoegde, die zich mede met het leegmaken van plassen schijnt bezig te hebben gehouden.
Bl. 36, No. 87. Sr. van Baerle.--Eertijds,--geen vijftig jaren geleden,--noemde men Sr. (Sinjeur,) iemand, wien men meende dat de titel van Heer niet toekwam. Ik zag eens eene assignatie op eenen kassier, luidende: Sr. N. N. gelieve te betalen, enz. Thans zijn alle Sinjeurs Heeren, zoo niet Wel-Edel of Wel-Edelgeboren Heeren geworden, nadat eerst de Heeren Burgers zijn geweest.--O quantum est mutatum ab illo!
Bl. 37, No. 92. De Haarlemmer-Meer is doorgaans diep negen Rhijnlandsche voeten.--Uit het hier boven opgenoemd proces-verbaal van de Heeren Hanegraaff, Kros en Van Lakerveld Blanken blijkt, dat het water in het Meer meestal 12, 12 1/2 en 13 voeten diep is, ja op eenige plaatsen 15 voeten, schoon op enkele 8 en minder. Die Heeren hebben 256 peilingen en boringen in het Meer bewerkstelligd. De diepte is door hen berekend onder het Amsterdamsche peil. De diepte op het door mij bij dit werkje gevoegde kaartje aangeduid, is derhalve beneden dat peil.
» 38, No. 94. Van de watermolens.--Zeer breedvoerig handelt de Heer van Lynden over dit onderwerp in het VIde Hoofdstuk zijner verhandeling, bl. 70-144. Sedert den leeftijd van Leeghwater is men in de werktuigen van uitmalen veel vooruitgegaan.
» 45, No. 112. De brouwers van Haarlem en Leiden.--Het getal der brouwerijen te Haarlem, Leiden, Delft en elders in ons Land, was bevorens zeer aanzienlijk.
» 46, No. 115. Kordewagens is het zelfde als kruiwagens. Zie Weiland op het woord.
Ald. No. 117. Voor dezen heb ik dit (de berekening der bedijking) nog eens gesteld.--Hieruit blijkt, dat Leeghwater reeds vroeger het plan eener droogmaking van het Haarlemmer Meer heeft gevormd.
Bl. 47, No. 120. Een schaft aarde.--Eene schaft is 114 kubiek voeten. Leeghwater berekent de schaft op 50 cents; in het midden der vorige eeuw stelde men ze op 85 cents, en de Heer Van Lynden zegt (bl. 178 zijner verhandel.), dat men dezelve thans, bij het graven van groote en diepe kanalen, tusschen de 1 1/2 en 2 gulden moet berekenen.
Bl. 48, No. 121. Notsloot voor Nootsloot nog als zoodanig in gebruik, alsmede notbrug, notweg, enz.
» 51, No. 134. Dit alles bedraagt al te zamen zes en dertigmaal honderd duizend gulden.--De berekeningen van de kosten der droogmaking zijn zeer uiteenloopende,
Leeghwater stelt ze op f 3,600,000. Bolstra gaf die in zijnen tijd op als zullende bedragen » 6,600,000. de Heeren Goudriaan en Klinkenberg stelden in 1769 » 9,000,000. de Heer A. Blanken, Jsz. » 8,000,000. de Heer Engelman » 12,000,000. de Baron van Lynden » 7,000,000. en Al. Stappers slechts » 6,000,000.
Terwijl, volgens de berekening van het Gouvernement, tot die droogmaking 8 Millioenen noodig zouden zijn.
Ald. No. 153. Al wat in No. 153 tot en met No. 174 staat wordt in den eersten druk niet gevonden.
Bl. 63, No. 168. Heeft men het ongeluk in Holstein niet gezien, hoe het met de Meggerzee, Butsloot en het Noorderstrand is gegaan?--Leeghwater verhaalt dit ongeval, hetwelk in 1634, daags vóór Allerheiligen, voorviel, en waarbij hij tegenwoordig was en groot gevaar liep om zijn leven te verliezen, zeer breedvoerig in de kleine kronijk, bl. 36, No. 35 tot en met 48.
» 65, de laatste regel: 1643.--Dit jaartal staat onder al de uitgaven, die den vierden druk volgden.--Leeghwater heeft, na het uitkomen van Colevelt's Bedenkingen, zijn werk in 1643 nog eens nagezien en eenen IVden druk van zijn Meerboek uitgegeven, naar welken al de volgende (met bijvoeging van de kleine kronijk) zijn afgedrukt.
DRUKFOUTEN IN HET VOORWERK.
staat: lees: Bl. 22, laatste regel, nog bij de nazaten bij de nazaten. » 60, Aanteekening(3), Lusac Luzac » aldaar laatste regel W. P. D. Baron van Sytzama M. P. D. Baron van Sytzama » 99, regel 13, zuchtten zuchten
De fouten, als b. v.: financiën, financiëel, enz. voor finantiën, finantiëel, enz. of omgekeerd, naarmate men het verkiest, en andere die er hoogstwaarschijnlijk in zijn, gelieve de Lezer te verschoonen.
Bij het vermelde op bl. 111, in de Noot(2), kan men nog voegen, No. 181 van den Avondbode, van heden den 15den Junij 1838, waarin een derde Artikel der Aanteekeningen op de Redevoeringen in de zitting der Staten Generaal, van 2 April 1838, met betrekking tot de droogmaking van het Haarlemmermeer, door F. W. C. is geplaatst.
AANTEEKENINGEN
[1] Mr. J. van Lennep, de IJzeren spoorweg van Amsterdam op Haarlem, lierzang, den Aanleggeren en Begunstigers daarvan toegezongen. Amsterdam 1837.
[2] Wij weten, dat Bilderdijk zeer ongunstig over de gevolgen van het droogmaken van het Meer dacht (zie Geschiedenis des Vaderlands, I Dl., Blz. 25). Haar hij dacht even ongunstig over de vroegere bedijkingen in ons Land en noemde onze vooronders vernuftige landbedervers, van welke blaam de Heer Mr. S. de Wind hen in een stukje, geplaatst in den Zeeuwschen Volks-Almanak voor dit jaar, Blz. 93-101, getracht heeft te zuiveren.
[3] Tegenwoord. staat der Nederl., Deel VI, (Holland) Blz. 164 en volg. De Baron van Lijnden, verhandel. over de Haarlemmer-Meer, Blz. 38-40, en G. Nieuwenhuis, Algemeen Woordenboek, op het woord Haarlemmer Meer.
[4] Volgens het plan van 1742, zou men rondom het Meer eenen dijk hebben moeten leggen, ter lengte van 13830 roeden. Men berekende, dat men alsdan 19000 morgen droogen grond, en hieronder 8000 morgen aan landerijen zou bekomen en bovendien nog eenen verkleinden waterboezem van 9000 morgen behouden, om daarin het overtollig polder- en ander water van Rhijnland te lozen. Voorts zou men rondom den dijk eene ringvaart doen loopen voor de schepen, die van Sparendam naar de Oude Wetering varen. Men stelde, dat tot het uitmalen 112 zware achtkante steenen molens benoodigd zouden zijn, en de kosten der geheele onderneming 6,631,000 galden zouden bedragen.
[5] Verhandeling van den Baron van Lijnden, bl. 5 en 6.
[6] In de Vaderl. Letteroef. voor Dec. 1837, No. 15, is geplaatst eene lezenswaardige bijdrage over J. A. Leeghwater, door den geleerden Mr. S. de Wind, even als de onze getrokken uit 's mans werken. Ook in het Aanhangsel op het Algemeen Woordenboek van G. Nieuwenhuis vindt men een goed gesteld artikel over Leeghwater, en in den Avondbode van 10 Jan. 1838, No. 53, wordt hij mede in het mengelwerk vermeld.
[7] Kl. Kron. bl. 11, No. 14.
[8] Kl. Kron. bl. 6, No. 5 en bl. 10, No. 5. Zij had, zoo als hij No. 7 zegt, gezien zes van hare eigen kinderen, 47 kinds-kinderen, 63 over-kinds-kinderen en nog 26, die aan deze getrouwd waren, makende te zaamen 142, behalve nog andere 26, die gestorven waren.
[9] Hij schreef zich ook wel Leeg-water en Leech-water. De Redacteur van den Konst- en Letterbode, No. 18 van het jaar 1807, bl. 276, wil den naam afleiden van Laagwater: »Ongetwijfeld," zegt hij, »is die naam ontleend, hetzij van zijne kunst, om onder of beneden het water zich eenigen tijd op te houden, en aldaar eene verscheidenheid van werkzaamheden te verrigten, of van een' der voornaamste takken van zijn beroep en velerlei handwerk: het woord leeg of leegh, overeenkomstig de uitspraak bij de Noord-Hollanders, zelfs op vele plaatsen tot heden, die de dubbele a, in verscheiden woorden, als eene dubbele e uitspreken, en wel volgens oud gebruik met bijvoeging van de h, leegh geschreven wordende."
[10] Kleine Kronijk, bl. 10, No. 9.
[11] Bl. 12, No. 23.
[12] Ald. bl. 14, No. 32.
[13] Haarl. Meerboek, No. 41; kl. kr. bl. 27 en volg. No. 1-16.
[14] Zie Haarl. Meerb. No. 41, kl. kron. bl. 40, No. 50 en vergelijk Leven van Frederik Hendrik. (II Deelen in 8vo. van het jaar 1737). Iste Deel, bl. 259, 269 en volg.
[15] Haarl. Meerb. No. 42.
[16] t. a. pl.
[17] t. a. pl. No. 43.
[18] Deze kunst schijnt echter geene nieuwe uitvinding te zijn geweest, maar reeds bij de ouden bekend, zoo als men zien kan bij Witsen, Aeloude en Hedendaagsche Scheepsbouw, bl. 287, gelijk de Heer Baron Collot d'Escury, in het VIde Deel van Hollands roem, bl. 74, in de noot opmerkt.
[19] Deze Pieter Pietersz. was den 20 Januarij 1574, en dus een jaar vóór Leeghwater, te Alkmaar geboren en bekleedde verscheidene jaren het Leeraarambt bij de Doopsgezinden, eerst in de Rijp en naderhand te Oost-Zaandam, en stierf in 1651. Men vindt zijne afbeelding in het IIde Deel der Nederduitsche Vertaling van de Geschiedenis der Mennoniten van Hermannus Schijn, door Gerardus Maatschoen, alwaar men ook (bl. 588-596) een verslag van de door hem uitgegevene werken aantreft. Vóór 's mans Opera Omnia (tweemalen, in 1650 en 1666, in 4to. uitgegeven) is een kort levensberigt van hem geplaatst. Vergelijk ook Konst- en Letterbode, t. a. pl. bl. 277.
[20] Aldaar bl. 41 en volg. Niet, zoo als de Heer Baron Collot d'Escury, t. a. pl. bl. 73 zegt, achter het Haarlemmermeerboek. Zie mede over dit waterduiken van Leeghwater: Meerman op De Groot, Parall. Rerumpubl. Deel II, Hoofdst. 20, bl. 441 en volg., en Bijdrage van den Heer De Wind, in het bovenvermeld No. der Letteroef.
[21] No. 18, bl. 278 en volg.
[22] Denkelijk te nyeuwte, gelijk hier onder.
[23] Dit cachet of zegel, hetwelk van rood was is geweest, is door verloop van tijd en veelvuldige behandeling bijna geheel afgesleten en verbrokkeld.
[24] Konst- en Letterbode t. a. pl. bl. 280.
[25] Zie boven bl. 18, No. 5 en bl. 22, No. 9.
[26] Niet onaardig zijn de aanmerkingen, welke hij bij sommige dier plaatsen maakt: men kan er veelal den onderzoeker uit ontdekken. Zoo zegt hij b.v. bij Keulen: »Eene treffelijke Stad, daar heb ik de toren gemeten, die is 78 voet dik in het vierkant, hetwelk de dikste toren is, dien ik gezien heb. Behalve dien, heb ik mede de torens van Utrecht, Mechelen en Antwerpen wel gemeten, die zijn 68 voet dik, en de nieuwe toren, die nu te Amsterdam aan de Nieuwe Kerk gemaakt wordt, is 64 voet dik." Bij Goddorp »'t Hof van Holstein, aldaer ik in de Hofkerk het schoonste Muzijk gehoord heb, daar ik mijn leven bij geweest hen, aldaar ik mede verscheiden malen met den Hertog van Holstein gesproken heb, dewelke een zeer bequaam Man is van zeden en manieren."
[27] Verhand. bl. 42.
[28] Eene, Haarlem 1669 in 8o., in de opgave van Beschrijvingen der gewesten, steden en plaatsen in het Koningrijk der Nederlanden, door Mr. J. T. Bodel Nyenhuis, geplaatst in den Vriend des Vaderlands, IV Deel, No. 4; en eene, Haarlem 1706, in 12mo. in het Naamreg. van R. Arrenberg, bl. 243.
[29] Zie ook Avondbode van 16 Januarij 1838.
[30] Deze drukken van 1654, 1714 en 1727 worden ook vermeld door mijnen vriend Bodel Nyenhuis in de 2de lijst zijner voornoemde opgave, Vriend des Vaderlands, D. V., No. 3. Zij zijn alle in 4to. en te Amsterdam uitgegeven. Ik zag ook een' druk van 1669, uitgegeven te Saerdam, geplaatst achter den 7den druk van het Haarlemmer-Meerboek. Het is niet onwaarschijnlijk, dat deze kronijk, na den jare 1654, telkens gelijk met het Meer-boek is herdrukt.
[31] Amsterdam bij Dominicus van der Stichel, 35 bl. in 4o.
[32] De Heer Van Lijnden verh. bl. 43; en het aanhangsel op het woordenboek van Nieuwenhuis zeggen, dat het werkje in 1640 voor het eerst uitkwam; doch dit is eene vergissing. De Schrijver van het artikel in den Avondbode noemt het jaar 1643; doch verkeerdelijk. De Heer De Wind vermoedde te regt, dat die eerste uitgave vóór het laatstgenoemde jaar heeft plaats gehad.
[33] Amst. bij V. d. Stichel, 42 bl. in 4o. Zie ook Colevelt's bedenkingen.
[34] Deze wordt ook vermeld in den Catal. der boeken van Jacob Koning, II Deel, bl. 214, No. 569. Hij was de laatste, die door Leeghwater zelven werd nagezien, en naar welken al de volgende uitgaven zijn gedrukt.
[35] Bij Willem Willemsz. te Saerdam, 48 bl., in 4o.
[36] Te Amsterdam, bij P. Visser, J. v. Heekeren en J. Graal, mede 48 bl. in 4o. Bodel Nyenhuis zegt, in zijne 2e lijst, te Haarlem.
[37] Amsterdam bij Visser. Zie Catal. der boeken, van J. Koning, IIe Deel, bl. 214, No. 570 en 571.
[38] Amst. bij P. Visscher. Zie Naamregister van Joh. van Abkoude, I Deel, bl. 209.
[39] Van deze maakt de Heer Van Lijnden (verh. bl. 43) gewag. Zij komt ook voor in de Biblioth. Meerman. T. III, p. 180, No. 771.
[40] Amst. bij T. Beek; zie naamregister van R. Arrenberg, bl. 243. Deze druk is waarschijnlijk dezelfde als die, welke door Van Abkoude, in het 2e aanhangsel op zijn register, bl. 92, wordt gezegd van 1750 te zijn; bij dezen of genen bestaat waarschijnlijk eene drukfout. Nog kwam ons dezer dagen in handen een exemplaar, op welks titel het jaartal 1764 wordt vermeld; doch daar mede op dien titel staat twaalfde druk, houd ik die uitgave voor dezelfde als die van 1749 of 1750, alleen met eenen nieuwen titel, hetgeen in die dagen niet ongebruikelijk was, indien het kopij-regt van eigenaar veranderde. De Heer Baron du Tour zegt in zijne verhandeling over het Haarlemmermeer, bl. 40, dat de Boekhandelaar Joh. Schouten, te Alkmaar, in 1819, eigenaar van het handschrift van Leeghwater was. Ik heb er te vergeefs onderzoek naar laten doen.
[41] Zie ook den boven aangehaalden Avondbode.
[42] Men verwondere zich niet, indien men bij mij veel aantreft, hetgeen ook de Heer De Wind in zijne meergen. Bijdrage heeft. Wij hebben beide uit dezelfde bron moeten putten.
[43] In den Konst- en Letterbode, t. a .pl. bl. 277, worden behalve van deze Pieter en Trijntje Leeghwater, nog melding gemaakt van hunne broeders Sijmen en Cornelis. Beide laatsten zijn echter overleden, gelijk ook de aldaar vermelde Wed. van Jan Cornelisz. Leeghwater in 1810 gestorven is.
[44] Men vindt eene afbeelding en beschrijving van dezen penning bij Van Loon, Beschrijv. der Nederl. Histor. penningen, II Deel, bl. 193, No. 1. Ook in den Konst- en Letterbode van 1807 wordt hij in de noot bl. 277 beschreven.
[45] Deze afbeelding heb ik mede doen plaatsen in de mengelingen van No. 5 van het Maandschrift de Gids voor dit jaar.
[46] Claes Arentsz. Coleveldt. Hij was publiek Landmeter.
[47] Te Leiden bij J. A. van Abcoude, in 4to.
[48] Te Leiden, bij Daniel Goetval, 40 bl. in 4to. met eene kaart.
[49] Deze C. Velsen was ook schrijver van een werkje tegen Van den Burggraaf, in 8o. Leiden 1744; en van eene rivierkundige verhandeling, afgeleid uyt water-wigt- en waterbeweegkundige grondbeginselen, en toepasselijk gemaakt op de Rivieren: den Rhijn, de Maas, de Waal, de Merwede en de Lek, waarin de aloude en tegenwoordige toestand dier Rievieren overwogen, de gevaren die men uit derzelver verandering te dugten heeft, aangewezen en middelen ter verbetering van dezelve, en tot voorkoming van overstroomingen voorgesteld worden; opgeheldert door naauwkeurige kaarten en platen, in gr. 8o., Amst. 1749 en 2de druk merkelijk vermeerderd, Harlingen 1768.
[50] Men vindt in de Tegenwoordige Staat t. a. pl. eene zeer naauwkeurige kaart van de Haarlemmer- en Leidsche-meren, met aanwijzing der plaats gehad hebbende vergrootingen, van een plan van bedijking, enz.
[51] Verh. bl. 44.
[52] Over het Haarlemmer-Meer en zijne vergrootingen kan men wijders lezen bij S. van Leeuwen, Batav. Illustr., Ie Deel bl. 104, en volg. bij L. Smids, Schatkamer der Nederl. Oudheid, op het woord Meren, enz. De laatste maakt melding van een provisioneel concept der bedijkingen van de Haarlemmer- en Leidsche-meren, in 1641 uitgegeven; waarschijnlijk bedoelt hij hiermede het werk van Veeris of van Leeghwater.
[53] Er bestaat nog een zeer zeldzaam gedicht, tot opschrift voerende: De Haarlemmer-meer door D. Slob, gedrukt 1763 in 4o. Deze Slob was Schout van Aalsmeer en Kudelstaart, zoo als hij in dit gedicht zegt; de verzen zijn armzalig en geene vermelding waardig; doch uit den inhoud en vooral uit de aanteekeningen leert men de vrees der bewoners dier streken kennen, om eenmaal door het Meer geheel te worden verzwolgen. Ik zag door de gedienstigheid van mijnen vriend Bodel Nyenhuis het 1ste stukje van dit zeldzaam voorkomend gedicht, doch weet niet of er een 2de van is.
[54] In het V en VI No. van den Recensent der Recensenten voor het jaar 1819, (bl. 190-208 en bl. 247-258), vindt men eenige uittreksels uit echte stukken van kundige mannen, rakende het Haarlemmer-meer, alle getrokken uit de Nederl. Jaarboeken van 1767, 1772, 1773 en 1774.
[55] In de Documens Historiques de la Hollande van den voormaligen Koning van Holland, wordt ook over dit plan gesproken. In het III Deel, bl. 312 van de Hollandsche vertaling leest men: »Het droogmaken van het Haarlemmer meer omtrent 60,000 morgen: een zeer groot ontwerp, doch niet onuitvoerlijk en van een onbegrijpelijk nut. De plannen daartoe waren gemaakt en onderzocht door het Committé Central, hetwelk door den Koning was opgerigt." Voor 60,000 diende men hier 30.000 te lezen.
[56] In 's Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van Cleef, 88 bl., in 8o.
[57] Bij W. C. Wansleven 1820, VI en 208 bl. in 8o., met eene afteekening van de bij het ontwerp voorgestelde molens, paalwerken, den ringdijk enz.
[58] In 's Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van Cleef, XII en 324 bl., in 8o.
[59] Leiden bij J. W. van Leeuwen, 71 bl., in 8o.
[60] Te Leiden bij D. du Mortier en Zoon, 1821, 123 bl., in 8o.
[61] In 's Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van cleef, 1821, 123 bl., in 8o.
[62] Te leiden bij D. du Mortier en Zoon 1821, 250 bl., in 8o. met bijlagen en een plaatje.
[63] Te 's Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van cleef, 188 bl., in 8o. met tabellen en tafels.
[64] Chez L. F. de Greéf-Laduron; 47 pages, en 8e. avec une carte.
[65] Te Amsterdam bij C. G. Sulpke, 1838, 118 bl., in gr. 8o.
[66] Onder het afdrukken dezes zijn in den Avondbode twee Artikelen over dit onderwerp geplaatst, en wel in die van 14 en 18 Mei 1838, No. 154 en 158.
[67] Ned. Staats-Courant, van 10 Aug. 1837, No. 187.
[68] Ned. Staats-Courant van 1 Maart 1838, No. 52. De Koninklijke Boodschap en het daarbij gevoegd Ontwerp luiden:
Edel Mogende Heeren!
»Bij het openen van de tegenwoordige zitting, is Ons voornemen te kennen gegeven om de medewerking der Staten-Generaal in te roepen, tot het nemen van maatregelen ten aanzien van wenschelijke verbeteringen in onzen waterstaat en in onze wegen en vaarten, en van eene meer bespoedigde gemeenschap met den Rhijn, door den aanleg eener ijzerbaan."
»Tot verwezenlijking van dat voornemen strekt het ontwerp van wet, hetwelk, vergezeld van eene Memorie van Toelichting, bij deze, door Ons aan UEdel Mogenden wordt aangeboden.
»En hiermede bevelen Wij UEdel Mogenden in Godes heilige bescherming."
's Gravenhage, 26sten Februarij 1838.
(get..) WILLEM.
ONTWERP VAN WET, omtrent de uitgifte van Losrenten op een gedeelte der schuld ten laste der Overzeesche Bezittingen, tot het doen van voorschotten voor openbare Werken.
Wij Willem, enz.
»Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het aanleggen van een' ijzeren spoorweg van Amsterdam over Utrecht naar Arnhem, met een' zijtak van Rotterdam naar Utrecht, bevorderlijk moet zijn, zoowel voor de binnenlandsche gemeenschap, als voor het vertier naar buiten 's lands, gelijk ook dat het belang van den Staat vordert, om eerlang tot de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer over te gaan, en dat voorts tot de uitvoering en verbetering van andere ondernemingen van openbaar nut maatregelen behooren genomen te worden."
»Dat tot al deze werken, welke aan den handel, de nijverheid en den landbouw aanzienlijke voordeelen beloven, voorschotten gevorderd worden van een kapitaal, waarvan de voldoening der renten en ook later de teruggave van de hoofdsom uit de opbrengst van die werken kunnen worden verwacht."
»Dat het nog onuitgegeven gedeelte ten bedrage van dertig millioenen gulden van het kapitaal, daargesteld bij Art. 4 der wet van 24 April 1836, (Staatsblad No. 11), tot het doen van de voorschreven voorschotten kan worden beschikbaar gesteld, doch tevens dienstbaar moet blijven ter achtereenvolgende voldoening van de schuld, waartoe hetzelve bij de gedachte wet is bestemd;"
»Dat tot de uitgifte van dat kapitaal nadere wettelijke bepalingen worden vereischt en dat de tegenwoordige stand van de rente het noodzakelijk maakt, om, ter verkrijging van de vereischte fondsen, gelijke maatregelen te nemen, als zijn vastgesteld bij de Wet van 11 Maart 1837, (Staatsblad No. 9);"
»Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg van de Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
»Art. 1. Het hier bovengemelde kapitaal van dertig millioenen gulden, zijnde het nog onuitgegeven gedeelte der schuld, ten laste van de Overzeesche Bezittingen, vermeld bij Art. 4 der Wet van 24 April 1836 (Staatsblad No. 11), wordt bestemd en aangewezen tot voorloopige voorschotten ter goedmaking der kosten, vereischt tot het aanleggen van een' ijzeren Spoorweg van Amsterdam over Utrecht naar Arnhem, met een' zijtak van Rotterdam naar Utrecht; tot het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, en tot het aanleggen en verbeteren van andere werken van openbaar nut."