Part 6
En wij toefden er een maand lang, en toen de maan afnam verlangde ik verder te gaan, en liep door de straten der stad, en kwam eindelijk aan den tuin van hunnen God. Priesters in geelzijden gewaden zag ik zwijgend onder de groene boomen schrijden, en, op een onderbouw van zwart marmer, stond het lichtroode huis, waarin de God verblijf hield. De deuren waren er met goudlak overtrokken, waarop stieren en pauwen in gedreven glanzend goud. Het dak was belegd met tegels van zeegroen porcelein, en aan de naar buiten loopende dakgootpijpen hingen kleine klokken. Wanneer de witte duiven voorbij vlogen, bewogen zij met hare vleugels de klokken, die dan tinkelend geluid gaven. Voor den tempel bevond zich een vijver vol helder water, die met gestreept agaat geplaveid was. Ik zette mij aan den rand terneer en betastte met mijne bleeke vingers de breede bladen der waterplanten. Een der priesters kwam naderbij en trad achter mij. Hij droeg sandalen aan de voeten; de eene sandaal bestond uit zacht slangenvel en de andere uit vogelveeren. Op zijn hoofd droeg hij een muts van zwart vilt, die met zilveren maansikkels versierd was. Zeven kleuren van geel waren in zijn kleed geweven en zijn krullend haar was met antimoon bestrooid.
Na eene wijle richtte hij het woord tot mij, en vroeg wat ik verlangde.
Ik zeide hem dat ik den God wenschte te zien.
--"De God is op de jacht," zeide de priester, en keek mij met zijne kleine schuine oogen onderzoekend aan.
--"Zeg mij in welk bosch, zoo wil ik met hem ter jacht gaan," antwoordde ik.
Hij kamde met zijne lange spitse nagels de franje van zijn gewaad.
--"De God slaapt," antwoordde hij.
--"Zeg mij op welk rustbed hij ligt, zoo wil ik bij hem waken," antwoordde ik.
--"De God is bij den maaltijd," riep hij.
--"Als de wijn zoet smaakt, dan wil ik dien met hem drinken, en ook zoo de wijn zuur is, zal ik dien met hem drinken," luidde mijn antwoord.
Hij boog verwonderd het hoofd, nam mij bij de hand en geleidde mij in den tempel.
En in het eerste vertrek zag ik een afgodsbeeld zitten, op een troon van jaspis die met kostbare paarlen uit het Oosten omzet was. Het beeld was uit ebbenhout gesneden en zijne gestalte was die van een man. Op het voorhoofd droeg hij een robijn en dikke druppels geurige olie vielen uit zijn haar op zijne dijen. Zijne voeten waren rood gekleurd door het bloed van een frisch geslacht lam, en zijne lendenen waren omsloten door een breeden koperen gordel, die met zeven berillen bezet was.
En ik vraagde den priester: "Is dit de God?" en hij antwoordde: "Dit is de God."
--"Toon mij den God," riep ik uit, "of waarlijk ik zal u ter neer vellen!" En ik raakte zijne hand aan en die werd dor.
En de priester smeekte en sprak:
--"Moge mijn Heer zijnen dienstknecht genezen, dan zal ik hem den God toonen."
Daarop blies ik mijn adem over zijne hand en die werd genezen.
En hij sidderde en voerde mij in een tweede vertrek en ik zag op een lotosbloem van graveelsteen, die met groote smaragden behangen was, een afgodsbeeld staan. Uit ivoor was het gesneden en zijne gestalte was dubbel zoo groot als die van een man. Op zijn voorhoofd glansde een chrysoliet, en zijn borst was met mirren en kaneel bestreken. In de eene hand hield het een gebogen schepter van nephriet, en in de andere een rond kristal. Het droeg laarzen uit erts, en om zijn dikken hals lag een ketting van sklenieten.
Ik zeide tot den priester: "Is dit de God?" en hij antwoordde: "Dit is de God."
--"Toon mij den God," riep ik uit, "of ik zal u waarlijk dooden!" En ik raakte zijne oogen aan en die werden blind.
En de priester smeekte en sprak: "Moge mijn Heer zijnen dienstknecht genezen, dan zal ik hem den God toonen."
Toen blies ik mijn adem over zijne oogen en die werden weder ziende.
En hij sidderde wederom, en voerde mij in het derde vertrek, en zie! daar bevond zich geen afgodsbeeld en ook geene andere beeltenis van welken aard dan ook, maar alleenlijk een ronde spiegel van geslepen metaal, op een altaar van steen.
En ik sprak tot den priester: "Waar is de God?"
En hij antwoordde mij: "Wij hebben geen anderen God dan dezen spiegel dien gij ziet, want deze is de Spiegel der Wijsheid. Hij weerspiegelt alle dingen die in den hemel en op de aarde zijn, alleen niet het gelaat van hem, die zich daarin spiegelt. Dit geeft hij niet weer, opdat hij, die daarin ziet, wijs kan zijn. Er zijn vele andere spiegels, maar dat zijn de spiegels der Meeningen. Deze alleen is de Spiegel der Wijsheid. En zij die dezen Spiegel bezitten, weten alles, en niets is voor hen verborgen. En zij die hem niet bezitten, hebben ook niet de Wijsheid. Daarom is hij de God dien wij aanbidden."
En ik zag in den spiegel en het was, zooals hij gezegd had.
Toen deed ik een zonderlinge daad; maar wàt ik deed is noodeloos te verhalen, want in een dal, dat slechts een dagreize van hier verwijderd ligt, heb ik den Spiegel der Wijsheid verborgen. Laat mij slechts weer tot u ingaan en u dienen, dan zult gij wijzer zijn dan alle wijzen, en de Opperste Wijsheid zal uw deel zijn."
Maar de jonge visscher lachte.
--"Liefde is beter dan Wijsheid," riep hij, "en het kleine zeemeerminnetje heeft mij lief."
--"Ge vergist u, er is niets beters op de wereld dan de Wijsheid," sprak de ziel.
--"De Liefde is beter," herhaalde de jonge visscher; en hij dook onder in de diepte.
En de ziel ging weenende van daar. En verdween over de moerassen.
En toen het tweede jaar verstreken was, keerde de ziel terug naar de kust van de zee, en riep den jongen visscher, en hij steeg uit de diepte opwaarts en zeide:
--"Waarom roept ge mij?"
En de ziel antwoordde:
--"Kom naderbij, opdat ik met u spreken kan, want ik heb de wonderlijkste dingen gezien."
En hij kwam nader en zette zich aan den rand van het water, leunde met het hoofd in de hand en luisterde.
En de ziel sprak tot hem.
--"Toen ik u verlaten had, richtte ik mijne schreden naar het Zuiden en begon mijn zwerftocht. Uit het Zuiden komt alles wat kostbaar is. Zes dagen liep ik op de straatwegen, die naar de stad Asther voeren; op de stoffige roode straatwegen, die de pelgrims plegen te volgen, schreed ik voort, en op den morgen van den zevenden dag, zie! daar zag ik de stad aan mijne voeten liggen, want zij is in een dal gelegen.
Negen poorten geven toegang tot deze stad en voor elke poort staat een bronzen paard, dat hinnekt wanneer de Bedouïnen van de bergen naar omlaag komen. De muren zijn met koper beslagen en de wachttorens op de muren uit erts gebouwd. In elken toren staat een boogschutter met een boog in de hand. Bij zonsopgang slaat hij met een pijl op een klankbekken, en bij zonsondergang blaast hij op een hoorn, uit horen gesneden. Toen ik beproefde binnen te gaan, hielden de wachten mij tegen en zij vroegen, wie ik was. Ik antwoordde, dat ik een derwisch was, op weg naar Mekka, alwaar zich een groene sluier bevinden moest waarop engelenhanden in zilveren letters den Koran hadden geborduurd. Zij luisterden met groote verbazing naar hetgeen ik zeide, en vergunden mij binnen de stad te komen. En binnen de stad, daar geleek het wel een bazaar. Waarlijk, gij hadt bij mij moeten zijn. Langs de nauwe straten wiegelen bonte papierlantaarns als groote vlinders heen en weer. Wanneer de wind over de daken strijkt, dan stijgen ze op en vallen weer neer, net als gekleurde zeepbellen. De kooplieden zitten voor hunne winkeltjes op glanzende zijdene tapijten. Zij dragen recht-neerhangende zwarte baarden, hunne tulbanden zijn met gouden sechinen bedekt en lange kettingen van barnsteen en van kunstig uitgesneden perzikpitten glijden door hunne slanke vingers. Eenige van hen verkoopen galbanum en nardus, en zeldzaam reukwerk van de eilanden in de Indische zee, olie van roode rozen, en myrten en kleine kruidnagelen. Wanneer men stil staat om met hen te praten, werpen zij kleine stukjes wierook op een kolenbekken, en de lucht wordt vervuld van zoete geuren. Ik zag een Syriër, die in zijn hand een dun rieten stokje hield. Grijsblauwe draden van rook wolkten daaruit op, en de geur die het stokje onder het branden verspreidde, herinnerde aan dien van amandelbloesems in de lente. Andere verkoopen zilveren armbanden die in de rondte met melk-blauwe turkooizen bezet zijn; voetspangen van koper, waaraan een franje van fijne paarlen, tijgerklauwen in goud gevat, ook de klauwen van den goud-bronzen leopard, eveneens in goud gevat; oorhangers uit doorboorde smaragden en vingerringen van uitgeholde nephriet. Uit de theehuizen klinken gitaarklanken en de opiumschuivers liggen er met bleeke, glimlachende aangezichten naar de voorbijgangers te staren. Waarlijk, gij hadt bij mij moeten zijn. De wijnverkoopers banen zich hunnen weg, dwars door de menigte, met groote zwart leeren zakken over de schouders. De meesten verkoopen den wijn uit Schiras, die zoet is als honing. Zij bieden die aan op kleine metalen schalen, waarop zij rozenbladeren strooien. Op de marktplaats stonden de fruitverkoopers, die alle soorten van vruchten veil boden; rijpe vijgen, met haar week purperkleurig vleesch; meloenen, die naar muskus geuren, en geel zien als topazen; citroenen en rozenbottels en witte druiven; ronde, geelroode oranjeappelen en langwerpige limoenen van puur groen goud. Eens zag ik een olifant voorbijgaan. Zijn snuit was rood en geel beschilderd en over de ooren droeg hij een roodzijden gevlochten net. Hij bleef voor een der kraampjes staan en begon van de oranjeappelen te eten, en de verkooper liet dit lachend toe. Ge kunt u niet voorstellen, welk een merkwaardig volk het is. Wanneer zij vroolijk zijn, gaan zij naar een vogelhandelaar en koopen van hem een gevangen vogel, dien zij laten vliegen, opdat hunne vreugde nog grooter worde; en wanneer zij mistroostig zijn, kastijden zij zich met doornen, opdat hun verdriet niet minder worde.
Op een avond ontmoette ik eenige negers, die een zwaren draagstoel langs de winkels voortdroegen. Hij was van verguld bamboes gemaakt en de staven waren van rood lak, waarin ingelegde pauwen van erts. Voor de vensters hingen dunne gordijnen van neteldoek, die met kevervleugelen en kleine paarlen geborduurd waren, en toen de draagstoel voorbij ging, keek een bleeke cirkassische vrouw naar buiten, en wierp mij een glimlach toe. Ik volgde den stoet, de negers verhaastten hunne schreden, en hunne blikken werden dreigend en somber. Maar ik bekommerde er mij niet om; eene groote nieuwsgierigheid had zich van mij meester gemaakt.
Eindelijk hielden de dragers stil voor een vierkant wit huis. Het had geen vensters, slechts een lage deur, als de deur van een graf. Zij zetten den draagstoel neder, en klopten driemaal met een koperen hamer op de deur. Een Armeniër in een kaftan van groen leder keek door een luikje, en toen hij den draagstoel gewaar werd, opende hij de deur en breidde een tapijt over den grond.
De vrouw steeg uit. Terwijl zij naar binnen trad, keerde zij zich om en wierp mij opnieuw een glimlach toe. Nooit had ik een zoo bleek gelaat aanschouwd.
Toen de maan was opgegaan, keerde ik naar dezelfde plaats terug en zocht er het huis, maar het was verdwenen. En ik begreep wie de vrouw was en waarom zij mij had toegelachen. Waarlijk, gij hadt er bij moeten zijn.
Op het feest van de Wassenden Maan kwam de jonge Keizer uit zijn paleis en begaf zich in de Moskee om er te bidden.
Zijn haar en zijn baard waren met rozenbladeren gekleurd en op zijne wangen lag fijn stofgoud. De palmen der handen en die der voeten waren geel van safraan. Bij zonsopgang kwam hij uit zijn paleis in een gewaad van zilver, en bij zonsondergang keerde hij in een gewaad van goud terug. Het volk wierp zich op den grond en verborg het aangezicht, maar ik deed zulks niet. Ik stond bij het kraampje van een dadelverkooper en wachtte. Toen de Keizer mij opmerkte, rimpelde zich zijn voorhoofd en hij stond stil. Ik bleef zeer rustig en bewees hem geen hulde. Het volk verbaasde zich over mijne stoutmoedigheid, en men ried mij de stad te ontvluchten. Ik luisterde niet naar dien raad, doch begaf mij naar de kooplieden die beeldjes van vreemde godheden verkoopen, en, om dien handel, zeer veracht worden. Toen ik hen verhaalde wat ik gedaan had, gaf elk hunner mij een afgodsbeeldje, en zij verzochten mij dringend hen te verlaten. Des nachts lag ik op een kussen in het theehuis, dat aan den Granaatappelweg staat; daar kwam de lijfwacht van den Keizer, en voerde mij in het paleis. Toen ik binnentrad, sloot men achter mij elke deur en grendelde die bovendien. Daarop kwam ik in een grooten hof, dat omsloten was door een zuilengang. De muren waren van wit albast, en hier en daar met blauwe en groene tegels versierd. De pilaren waren van groen marmer en het plaveisel bestond uit bijkans perzikkleurig marmer. Nooit aanschouwde ik iets dergelijks.
Toen ik door den hof liep, zagen twee gesluierde vrouwen van een balkon op mij neder en spraken verwenschingen tegen mij uit. De soldaten liepen met versnelde passen en hunne speeren vielen dreunend neer op het glanzende plaveisel. Zij ontsloten een deur van uitgesneden ivoor, en ik bevond mij in een tuin met vele fonteinen en zeven terrassen. De tuin was met tulpen en papavers en zilverige aloën beplant. Als een slanke zuil van kristal flonkerde in de schemerige avondlucht de straal van een fontein. De cypressen geleken op uitgebrande fakkels. In een van de boomen zat een nachtegaal en zong.
Aan het eind van den tuin was eene kleine tent opgeslagen. Toen wij naderbij kwamen, traden daaruit twee Eunuchen ons tegemoet; hunne dikke lichamen waggelden onder het loopen en zij keken mij met hunne halfgeloken oogen nieuwsgierig aan. Een van hen riep den hoofdman van de wacht ter zijde, en fluisterde hem iets toe. Onderwijl at de ander geurige pastillen, die hij met eene gemaakte handbeweging uit een lilakleurige geëmailleerde doos nam.
Na verloop van enkele oogenblikken stuurde de hoofdman de soldaten weg. Zij gingen terug naar het paleis, de Eunuchen volgden langzaam en plukten in het voorbijgaan zoete moerbeziën van de boomen. Eenmaal keerde de oudere van de twee zich naar mij om, en lachte boosaardig.
Daarop wees de hoofdman mij den ingang van de tent.
Zonder aarzeling of vrees schoof ik het zware gordijn ter zijde en trad binnen. De jonge Keizer lag uitgestrekt op een rustbed van gekleurde leeuwenvellen, terwijl een valk op zijn vuist zat; achter hem stond een Nubiër met een metalen tulband op 't hoofd, naakt tot aan de heupen en met zware oorhangers in de doorboorde ooren. Op een tafel naast het rustbed lag eene reusachtige kromme sabel uit blank staal.
Toen de Keizer mij zag, rimpelde zich zijn voorhoofd en hij vraagde:
--"Wie zijt ge? Weet ge niet, dat ik de Keizer van deze stad ben?"
Maar ik gaf hem geen antwoord. Hij wees met den vinger naar de sabel; en de Nubiër greep die en wierp mij haar naar het hoofd met groote kracht. De scherpe kant vloog midden door mij heen, doch zonder mij letsel te brengen. De man viel stuiptrekkend neer, en toen hij zich oprichtte, klappertandde hij van angst en verborg zich achter het rustbed. De Keizer sprong overeind, nam zijne lans van een wapenrek, en wierp die naar mij. Ik ving haar in volle vaart op en brak haar in twee stukken. Hij schoot met een pijl naar mij, maar ik hield mijne handen omhoog en de pijl bleef in de lucht zweven. Daarop trok hij een dolk uit zijn gordel van wit leder en boordde die den Nubiër in den hals, opdat deze niemand deelgenoot zou maken van den smaad, den Keizer aangedaan. De man kronkelde zich als een vertrapte slang, en van zijne lippen drupte het roode schuim.
Zoodra het lichaam zich niet meer bewoog, wendde de Keizer zich tot mij en nadat hij zich met een purperen zijden doek het zweet van het voorhoofd had afgewischt, sprak hij:
--"Zijt gij een Profeet, dat ik u niet dooden kan, of zijt gij de zoon van een Profeet, dat ik u niet verwonden kan? Ik bid u, verlaat mijne stad nog in dezen nacht, want zoolang gij daarin vertoeft, ben ik er geen heerscher."
En ik antwoordde:
--"Ik zal gaan als gij mij de helft van uwe schatten geeft. Geef mij die en ik zal van hier gaan."
Daarop nam hij mij bij de hand en bracht mij buiten in den tuin.
Toen de hoofdman van de wacht mij zag, was hij zeer verbaasd. En toen de Eunuchen mij zagen, beefden hunne knieën en van louter angst stortten zij zich terneer op den grond.
In het paleis bevindt zich een vertrek, dat bestaat uit acht wanden van rood porphyr, en eene met stalen platen bepantserde zoldering, waarvan lampen naar omlaag hangen. De Keizer raakte een der wanden aan, die zich daarop opende en wij traden eene gang binnen, die door vele fakkels verlicht werd. Aan weerszijden stonden, in nissen, groote wijnkruiken, die tot aan den rand met zilverstukken gevuld waren.
Toen wij tot aan het midden van de gang gekomen waren, sprak de Keizer het woord, dat men niet uit mag spreken, waarop door een geheime veer een deur van graniet zich opende. En de Keizer legde de handen voor het aangezicht om niet verblind te worden door den glans.
Gij kunt u niet voorstellen, welk een wonderbaarlijken aanblik deze pracht bood. Daar stonden groote schildpadden schalen vol paarlen; groote uitgeholde maansteenen bevatten roode robijnen; in koffers van olifantenhuid lag het goud opgestapeld en in lederen flesschen was het stofgoud bewaard. Opalen en safieren zag men er in kristallen en nephrieten schalen. Ronde groene smaragden flonkerden in rijen op dunne ivoren platen, en in een hoek lagen zijden zakken, enkele met turkooizen, andere met berillen gevuld. Hoorns van ivoor bevatten purperen amethisten, en hoorns van erts chalcedonsteenen en sardachaat. De zuilen van cederhout waren met snoeren van geele labradorsteenen omhangen. Op vlakke ovalen schilden lagen karbonkelsteenen van wijnkleurigen en grasgroenen tint. En nog veel meer was er. Wat ik u opnoem is nauwelijks een tiende gedeelte van hetgeen ik in werkelijkheid zag.
En toen de Keizer de handen van zijn aangezicht had weggenomen, sprak hij:
--"Dit is het huis van mijne schatten, en de helft van alles schenk ik u, zooals ik beloofd heb. En ik zal u kameelen geven en kameeldrijvers, en zij zullen doen wat gij hen gelast te doen en uw deel van deze schatten dáárheen brengen, waar gij verlangt dat zij gebracht zullen worden. En dit moet dezen avond nog geschieden, want ik wil niet, dat de Zon, die mijn Vader is, aanschouwe hoe in mijn stad een man zich ophoudt, dien ik niet kan verslaan."
Maar ik antwoordde hem:
--"Het goud dat hier ligt opgestapeld blijve het uwe, en ook het zilver, en ook al de kostbare juweelen en andere schatten mogen uw eigendom blijven. Ik--ik heb ze niet noodig. En ik verlang niets van al uw rijkdom dan den kleinen ring, dien gij aan uw vinger draagt."
Diepe rimpels groefden zich in het voorhoofd van den Keizer.
--"De ring is slechts van lood," riep hij uit, "en van geenerlei waarde. Neem daarom de helft dezer schatten en verlaat mijne stad."
--"Neen, antwoordde ik, "ik verlang niets dan den ring van lood, want ik weet wat daarop geschreven staat en tot welk doel het geschreven werd."
En de Keizer sidderde, en hij smeekte en sprak:
--"Neem dan àl deze schatten, maar verlaat mijne stad. Ook de helft die mij nog toebehoorde, zal uw deel zijn."
En ik deed eene zonderlinge daad. Maar wàt ik deed, doet er niet toe; want in een spelonk, die slechts eene dagreize van hier verwijderd ligt, heb ik den Ring van den Rijkdom verborgen. De spelonk ligt een dagreize van hier en ik zal er u heenvoeren. Wie den ring bezit, is rijker dan alle Koningen der aarde. Kom dus, en neem hem in bezit, en alle schatten van het heelal zullen uw deel zijn."
Maar de jonge visscher lachte.
--"Liefde is beter dan Rijkdom," riep hij, "en het kleine zeemeerminnetje heeft mij lief."
--"Neen, er bestaat niets beters dan Rijkdom," antwoordde de ziel.
--"De Liefde is beter!" zei de de jonge visscher en hij dook omlaag naar de diepte.
En de ziel ging weenende van daar.
En verdween achter de moerassen.
En toen het derde jaar verstreken was, keerde de ziel terug naar de kust van de zee en riep den jongen visscher, en hij steeg uit de diepte omhoog en zeide:
--"Waarom roept ge mij?"
En de ziel antwoordde:
--"Kom naderbij, opdat ik met u spreken kan, want ik heb wonderbaarlijke dingen gezien."
En hij kwam naderbij en zette zich aan den rand van het water, leunde het hoofd in de hand en luisterde.
En de ziel sprak tot hem:
"In een stad die ik ken, staat een herberg aan eene rivier. Ik zat daarginds met zeelieden, die van twee verschillend gekleurde wijnen dronken en gerstebrood aten en kleine gezouten visschen, die, in azijn gelegd, op laurierbladen aangeboden werden. En terwijl wij aten en vroolijk waren, trad een oud man binnen, die een lederen tapijt droeg en een luit die met twee barnsteenen horens versierd was. En toen hij het tapijt op den grond had uitgespreid, sloeg hij met een veer op de snaren van zijn luit, en een meisje, wiens gelaat door een sluier omgeven was, kwam naar binnen en begon voor ons te dansen. Haar gelaat was onzichtbaar door den gazen sluier, maar hare voeten waren naakt. Naakt waren hare voeten, en zij bewogen zich over het tapijt gelijk kleine witte duiven. Nooit tevoren had ik zóó iets liefelijks gezien, en de stad waar zij danst, is slechts eene dagreize van hier verwijderd."
En toen de visscher de woorden zijner ziel hoorde, moest hij er steeds weer aan denken dat het zeemeerminnetje geen voeten had en niet dansen kon. En een wonderlijk verlangen greep hem aan en hij sprak tot zichzelf: "Het is slechts eene dagreize van hier, en ik kan tot mijn liefste terugkeeren." En hij lachte en richtte zich op in het lage water, en schreed naar den oever.
En toen hij het droge strand bereikt had, lachte hij wederom, en strekte zijne armen uit naar zijn ziel. En deze, dit ziende, slaakte een luiden vreugdekreet en snelde naar hem toe en drong binnen in hem. En de jonge visscher zag vóór zich op het zand uitgebreid de schaduw van zijne gestalte, die het lichaam was van zijn ziel.
En zijn ziel sprak tot hem:
--"Laat ons niet langer talmen, maar ons dadelijk op weg begeven, want de zeegoden zijn wraakzuchtig en zij gebieden over zeegedrochten, die hen terwille zijn."
En zij haastten zich voort en den ganschen nacht liepen zij verder in het maanlicht en den ganschen volgenden dag in het zonlicht, en op den avond van dien dag kwamen zij in eene stad.
En de jonge visscher sprak tot zijn ziel:
--"Is deze de stad, waarin het meisje danst, van wie ge mij verteld hebt?"
En de ziel antwoordde:
--"Deze is niet de stad waarin zij danst, maar eene andere. Doch laat ons daarom toch binnengaan."
En zij liepen de stad in, en trokken door de straten, en toen zij in de straat kwamen, waar de juwelieren hunne waren uitstalden, zag de jonge visscher in een der winkels een heerlijke zilveren schaal.
En zijn ziel sprak tot hem: "Neem de zilveren schaal, en verberg die in uw kleed."
En hij nam de zilveren schaal tot zich, en verborg die in de plooien van zijn kleed, en zij verlieten ijlings de stad. En toen zij de stad een mijl ver achter zich hadden, rimpelde de jonge visscher het voorhoofd en sprak tot zijn ziel: "Waarom geboodt ge mij de schaal te nemen en haar te verbergen? Want dat was een slechte daad."
Maar zijne ziel antwoordde: "Wees onbezorgd, wees onbezorgd."
En op den avond van den tweeden dag kwamen zij in eene stad; en de jonge visscher sprak tot zijn ziel:
--"Is deze de stad, waarin het meisje danst, van wie ge mij gesproken hebt?"
En zijne ziel antwoordde:
--"Deze is niet de stad, waarin zij danst, doch eene andere. Maar dat doet er niet toe, laat ons binnentreden."
En zij gingen in de stad en trokken door de straten, en toen zij in de straat gekomen waren, waar sandalenverkoopers hunne waren verkochten, zag de jonge visscher een kind bij een waterkruik staan.
En zijn ziel sprak tot hem: "Sla het kind." En hij sloeg het kind, totdat het schreide, en toen hij het gedaan had, verlieten zij ijlings de stad.