Het Granaatappelhuis

Part 5

Chapter 54,067 wordsPublic domain

--"Wat verlangt ge? Wat verlangt ge?" riep zij hem tegemoet, toen hij buiten adem de helling opgeklommen kwam en voor haar boog. "Verlangt ge visschen in uw net, wanneer de wind tegen is? Ik heb een kleine rieten fluit, en wanneer ik daarop speel, dan komen de harders de bocht ingezwommen. Maar zij kost veel, schoone knaap, zij kost veel! Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Een storm, die de schepen doet schipbreuk lijden, en de kisten der rijke kooplieden aan de kusten doet spoelen? Ik beschik over meer stormen dan de wind, want ik dien Een, die sterker is dan de wind, en met een zeef en een emmer water kan ik de groote galeien naar den bodem van de zee doen dalen. Maar ik laat mij duur betalen, schoone knaap, ik laat mij duur betalen. Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Ik ken een bloem, die in het dal groeit, niemand weet van haar dan ik-alleen. Zij heeft scharlaken bladen en draagt een ster in het hart en haar sap is wit als melk. Wanneer ge met deze bloem de trotsche lippen der Koningin aanraakt, dan volgt zij u over de gansche wereld. Van de zijde des Konings zou zij moeten opstaan om u over de gansche wereld te volgen. Maar slechts voor hoogen prijs verkrijgt men die bloem, schoone knaap, slechts voor hoogen prijs. Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Ik kan een pad in den vijzel fijnstampen, en een aftreksel daarvan maken, en het aftreksel met de hand van een doode omroeren. Spat het op uw vijand wanneer hij slaapt, zoo zal hij in een zwarte adder veranderd worden, en zijne eigen moeder zal hem neervellen. Met een rad kan ik de maan van den hemel neerhalen, en in een kristal u den dood laten zien. Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Zeg mij uw verlangen, en ik wil die vervullen, maar gij zult mij daarvoor moeten betalen, schoone knaap, gij zult mij daarvoor moeten betalen."

--"Mijn wensch is niet groot," zeide de jonge visscher, "maar de priester is toornig op mij geworden en heeft mij weggejaagd. Mijn wensch is niet groot, maar de kooplieden hebben mij bespot en mijn verzoek afgeslagen. Daarom ben ik tot u gekomen, hoewel de menschen u eene booze vrouw noemen; en welke ook uw prijs moge zijn, ik zal dien betalen."

--"Wat is dan uw wensch?" vroeg de heks en trad dichter bij.

--"Ik wil mijn ziel van-mij zenden," antwoordde de jonge visscher.

De heks verbleekte en huiverde en bedekte haar aangezicht met haar blauwen mantel.

--"Schoone knaap, schoone knaap," murmelde zij, "dit te verlangen is vreeselijk."

Hij schudde zijne bruine lokken naar achteren en lachte.

--"Mijn ziel lijkt mij een nietig ding," antwoordde hij, "ik kan haar niet zien. Ik kan haar niet betasten. Ik ken haar niet."

--"Wat zult gij mij geven, wanneer ik het u zeg?" vroeg de heks en zij keek strak op hem neer met hare diep-donkere oogen.

--"Vijf stukken goud," antwoordde hij, "en mijne netten en het huis van gevlochten riet waarin ik woon, en de geschilderde boot waarin ik vaar. Zeg mij alleen maar, hoe ik mij bevrijden kan van mijn ziel, en alles wat ik bezit zal ik u geven."

Zij lachte spotachtig en raakte hem even aan met haar bloeienden tak van dolle kervel.

--"Ik kan de bladeren van den herfst in goud veranderen," zeide zij, "en ik kan de bleeke stralen van de maan tot zilveren draden weven, wanneer ik dat wil. Hij, dien ik dien, is rijker dan alle Koningen van de aarde, en hij beheerscht al hunne landen."

--"Wat zal ik u dan geven," riep de jonge visscher, "wanneer uw prijs niet uit goud en niet uit zilver kan bestaan?"

De heks streek met hare dunne witte hand over het roode los-zwierende haar.

--"Gij moet met mij dansen, schoone knaap," murmelde zij en zij lachte hem toe, terwijl zij dit zeide.

--"Anders niet?" vroeg de jonge visscher verwonderd, en verheugd sprong hij op.

--"Anders niet," antwoordde zij en wederom lachte zij hem toe.

--"Dan zullen wij op een stille plaats gaan dansen, wanneer de zon zal zijn ter kimme gedaald," zeide hij, "en wanneer wij gedanst hebben, zult gij mij dan zeggen, wat ik verlang te weten?"

Zij schudde het hoofd.

--"Wanneer de maan vol is, wanneer de maan vol is," murmelde zij.

Toen keek zij spiedend om zich heen en luisterde. Een blauwe vogel vloog krijschend uit zijn nest en cirkelde boven de duinen, en drie bontkleurige vogels ritselden door het stoppelige gras en floten elkaar toe. En anders was er geen geluid, dan het geluid van de golven, die daar beneden over de gladde kiezelsteenen bruisten. Toen strekte zij haar hand uit, trok hem dicht naar zich toe, en legde hare dunne lippen aan zijn oor.

--"Heden nacht moet gij met mij naar den top van den berg gaan," fluisterde zij, "het is Sabbatdag en Hij zal komen."

De jonge visscher huiverde en zag haar vragend aan, terwijl zij lachte en hare witte tanden liet zien.

--"Wie is Hij van wien ge spreekt?" vroeg hij.

--"Dat doet er niet toe," antwoordde zij. "Kom dezen nacht, blijf staan onder de takken van den witten beuk en wacht tot gij mij ziet. Wanneer een zwarte hond op u toe komt geloopen, sla hem dan met een wilgentak en hij zal van u gaan. Wanneer een uil tot u spreekt, antwoord dan niet. Als de maan vol is, zal ik bij u zijn, en wij zullen op het gras dansen."

--"Maar wilt ge mij zweeren, dat ge me dan zeggen zult, hoe ik mijn ziel van-mij kan zenden?" vraagde hij.

Zij trad naar buiten in het zonlicht, en de wind speelde met het lokkige roode haar.

--"Ik zweer het bij de hoeven van de geit," antwoordde zij.

--"Gij zijt de beste van alle heksen," riep de jonge visscher "en ik zal gaarne heden nacht met u dansen op den top van den berg. Liever ware 't mij wel geweest, wanneer ge goud of zilver van mij hadt verlangd. Maar wàt ook uw prijs moge zijn, gij zult dien ontvangen, want het zal mij een geringe prijs zijn."

En hij zwenkte zijne muts voor haar en boog diep het hoofd en liep terug naar de stad, van groote vreugde vervuld.

De heks zag hem nà terwijl hij zich verwijderde, en toen hij uit hare oogen verdwenen was, ging zij terug naar de spelonk, nam een spiegel uit een kistje van uitgesneden cederhout, plaatste dien op een voetstuk, en brandde daarvoor ijzerkruid op koolen vuur. En zij keek aandachtig naar het uitwolken van den rook. Na eene poos balde zij toornig de hand.

--"Den mijnen had hij moeten zijn," murmelde zij. "Ik ben even schoon als zij."

En 's avonds, toen de maan hoog aan den hemel stond, steeg de jonge visscher naar den top van den berg, en wachtte onder de takken van den witten beuk. Als een schild van blank zilver lag de ronde meerboezem aan zijne voeten, en de schaduwen der visschersbooten wiegelden zich zacht in de kleine bocht.

Een groote uil, met zwavel-geele oogen riep hem bij zijn naam, maar hij antwoordde niet. Een zwarte hond kwam op hem toe en gromde. Hij sloeg naar hem met zijn wilgentak en de hond liep kwispelstaartend heen.

Te middernacht kwamen de heksen als vledermuizen door de lucht gevlogen. "Phoen!" riepen zij, toen zij den grond raakten, "hier moet er een zijn dien wij niet kennen."

En zij snuffelden overal in 't rond, kakelden onderling en gaven elkaar teekens. Als laatste kwam de jonge heks. Heur roode haar zwierde in den wind; zij had een kleed aan uit goudstof geweven, waarop pauwenoogen geborduurd waren, en op het hoofd droeg zij een kleine muts van groen fluweel.

--"Waar is hij? Waar is hij?" riepen de heksen, toen zij haar gewaar werden. Maar zij lachte als eenig antwoord, liep naar den witten beuk, nam den jongen visscher bij de hand, trad met hem naar voren in het heldere maanlicht en begon te dansen.

Om en om keerden zij zich in dollen overmoed en de jonge heks sprong daarbij zoo hoog, dat hij de scharlaken hakken van hare schoentjes kon zien. Toen hoorde hij, dwars door de dansenden heen, duidelijk het geluid van een galoppeerend paard, maar men zag geen paard, en het werd hem onrustig te moede.

--"Vlugger;" riep de heks, en zij sloeg wild hare armen om zijn hals, en hij voelde haar warmen adem op zijn aangezicht. "Vlugger, vlugger!" herhaalde zij, en de aarde scheen onder zijne voeten te draaien, en zijn blik werd beneveld en een groote angst beving hem, alsof een booze geest hem in het aangezicht blikte.

En toen eerst zag hij onder de schaduw van een vooruitspringende rots eene gestalte, die er tevoren niet gestaan had.

Het was die van een man in gewaad van zwart fluweel, naar Spaansche dracht gesneden. Zijn gelaat was uitermate bleek, maar zijn mond geleek een trotsche roode bloem. Hij scheen vermoeid en leunde tegen de rots, terwijl zijn hand achteloos met het gevest van een dolk speelde. Naast hem op het gras lag een met veeren getooiden hoed en een paar rijhandschoenen, die met gouden koorden versierd, en met paarlen bestikt waren, in figuren van zonderling symbool. Een koter, met sabelbont gevoerde mantel, hing over zijne schouders, en zijne fijne witte handen waren met ringen bezet. Zwaar vielen hem de oogleden over de oogen. De jonge visscher zag hem aan, en hij gevoelde zich als iemand, die onder de macht eener zonderlinge betoovering geraakt was. Eindelijk ontmoetten beider blikken elkaar, en toen gebeurde het, dat, wáár hij ook danste, hij steeds de oogen van den somberen man op zich voelde rusten. Hij hoorde hoe de heks lachte, krachtiger omvatte hij haar lijf, en wilder nog draaide hij met haar in de rondte.

Plotseling blafte een hond in het bosch, de dansenden stonden stil en bewogen zich paarsgewijze, knielden toen neder voor den man en kusten hem de hand. Terwijl zij zoo deden, speelde een vluchtig lachje over zijne trotsche lippen, zooals eens vogels vleugelpaar lichtelijk over het water scheert. Maar verachting lag in dien lach, en voortdurend bleef zijn blik op den jongen visscher gevestigd.

--"Kom, laten wij gaan en hem aanbidden," fluisterde de heks, en zij voerde hem met zich mede. En een groot verlangen om te doen wat zij gebood greep hem aan, en hij volgde haar. Maar toen hij naderbij kwam, maakte hij, zonder dat hij wist waarom, op zijn borst het teeken des kruizes, en noemde den heiligen naam.

En nauwelijks had hij dit gedaan, of de heksen krijschten luid als wilde valken en vloden heen naar alle richtingen, en het bleeke gelaat dat hem voortdurend had aangezien, vertrok zich in een kramp van pijn. De man verdween in het kreupelbosch en floot. Een klein Spaansch ros, met zilver opgetuigd, sprong hem tegemoet. Hij wierp zich in het zadel, keerde zich om, en zag met droeven blik naar den jongen visscher. En de heks met het roode haar beproefde eveneens te ontvluchten, maar de visscher greep haar bij den pols en hield haar tegen.

--"Laat mij los," riep zij, "en laat mij gaan! Want gij hebt genoemd wat niet genoemd mag worden, en het teeken gemaakt, dat niet gemaakt mag worden."

--"Neen," antwoordde hij, "ik laat u niet los, alvorens gij mij het geheim gezegd hebt."

--"Welk geheim?" vroeg de heks, en zij worstelde met hem als een wilde kat en beet zich op de met schuim bedekte lippen.

--"Gij weet wat ik meen," antwoordde hij.

Hare grasgroene oogen werden donker van tranen en zij sprak tot den visscher:

--"Verlang alles van mij wat ge wilt, alleen dit eene niet."

Hij lachte en hield haar des te steviger omklemd.

En toen zij zag dat hare pogingen vruchteloos waren, fluisterde zij aan zijn oor: "Ben ik niet even schoon als het kind van de zee, en even bekoorlijk als zij, die in het blauwe water woont?" en zij vleide zich tegen hem aan en drukte haar gelaat aan zijn borst. Maar zijn voorhoofd rimpelde zich van toorn, hij stiet haar ruw van zich af en sprak: "Wanneer ge de belofte niet houdt die ge mij gegeven hebt, zal ik je dooden als een valsche heks."

Zij werd zoo grauw als een judaspenningblad en huiverde.

--"Zoo zij het dan!" murmelde zij. "Het geldt uwe ziel, niet de mijne. Doe met haar wat ge wilt."

En zij nam uit haar gordel een kleinen dolk, die een handvat had van groene adderenhuid, en gaf hem dien.

--"Waartoe moet de dolk mij dienen?" vroeg hij verwonderd.

Zij zweeg een oogenblik, en eene uitdrukking van ontzetting vloog over haar gezicht. Toen streek zij de lokken weg van haar voorhoofd, en met een zonderling lachje sprak zij:

--"Wat de menschen de schaduw van het lichaam noemen, dat is niet de schaduw van het lichaam, maar dat is het lichaam van de ziel. Plaats u aan de kust van de zee, den rug tegen de maan gekeerd, en snijd rondom uwe voeten de schaduw weg, die het lichaam van uw ziel is, en gebied uw ziel vàn-u te gaan. En zij zal u gehoorzamen."

De jonge visscher huiverde.

--"Is dat waar?" fluisterde hij.

--"Dat is waar--maar ik wilde dat ik het u niet gezegd had!" riep zij en omklemde weenend zijn knie. Hij duwde haar terug en liet haar achter in het welige gras, stak den dolk in zijn gordel, ging naar den rand van den berg en begon den weg afwaarts te dalen.

En de ziel die in hem was, sprak tot hem: "Zie, ik ben bij u geweest al deze jaren lang, en heb u trouw gediend. Zend mij nu niet weg van u. Want welk leed heb ik u aangedaan?"

De jonge visscher lachte.

--"Gij hebt mij geen leed aangedaan," zeide hij, "maar ik kan u niet langer gebruiken. De wereld is groot en er is nog een hemel, en ook een hel, en er is het donkere schemerhuis, dat tusschen die beiden ligt. Ga waarheen ge wilt, maar stoor mij niet, want mijn liefde verlangt naar mij."

En zijn ziel weende en smeekte om genade, maar hij luisterde niet naar haar; vlug sprong hij van de eene klip op de andere, want zijn voet was zeker als die van een wilde gems, en eindelijk had hij het strand bereikt, en de gele kust van de zee.

Met een lichaam als uit brons gegoten, en ledematen zoo forsch en fier als die van een Grieksch beeld, zoo stond hij op het zand, den rug naar de maan gekeerd.

En uit het spattende schuim hieven zich slanke armen die hem wenkten, en uit de deinende golven stegen donkere gestalten, die hem huldigden, en achter hem stond de maan aan den honingkleurigen hemel.

En zijn ziel sprak tot hem:

--"Wanneer ge mij werkelijk van u zenden wilt, stuur mij dan niet heen zonder uw hart. De wereld is wreed, geef mij uw hart mede op mijn weg."

Maar hij wierp het hoofd achterover en lachte.

--"Waarmede zou ik mijn liefste liefhebben, wanneer ik u mijn hart gaf?" riep hij.

--"Ach, heb erbarmen met mij," klaagde de ziel, "geef mij uw hart, want de wereld is zoo wreed en ik ben vol vreeze."

--"Mijn hart behoort aan mijn liefste," antwoordde hij. "Aarzel daarom niet langer en ga heen van mij."

--"Moet ik dan niet óók liefhebben?" vroeg de ziel.

--"Nog eenmaal: ga heen, want ik heb u niet noodig," riep de jonge visscher, en hij nam den kleinen dolk met het handvat van groene adderenhuid en sneed de schaduw rondom zijne voeten weg; en hij richtte zich op en stond voor de schaduw; en hij bezag die en die was gelijk hemzelf.

Hij trad eenige schreden terug en stak den dolk in zijn gordel; een gevoel van angst en schuwheid bekroop hem.

--"Ga heen," murmelde hij, "en laat mij uw aangezicht nooit meer vóór mij zien."

--"Ik ga,.... Maar wij zullen elkaar weervinden," zeide de ziel. Haar stem klonk zacht en zangerig gelijk een fluit, en hare lippen bewogen zich nauwelijks terwijl zij sprak.

--"Hoe zouden wij elkander ooit terugzien?" vroeg de jonge visscher. "Gij zult mij toch niet tot in de diepten der zee volgen?"

--"Eenmaal in elk jaar zal ik hierheen komen en u aanroepen," sprak de ziel. "Het kon zijn, dat ge mij noodig hadt."

--"Hoe zoude ik u noodig kunnen hebben?" riep de jonge visscher. "Maar het geschiede zooals gij zegt!"

En met een sprong dook hij weg in het water, en de tritonen bliezen op hunne hoorns, en het kleine zeemeerminnetje kwam naar boven, hem tegemoet gezwommen, en zij sloeg hare armen om zijn hals en kuste hem op den mond.

Aan het eenzame strand van de zee stond de ziel en zag het schouwspel aan.

En toen zij hen zag wegzinken in de diepte, ging zij weenend heen.

En verdween achter de moerassen.

En toen een jaar verstreken was, keerde de ziel terug naar de kust van de zee, en riep den jongen visscher, en hij steeg uit de diepte opwaarts en sprak:

--"Waarom roept ge mij?"

En de ziel antwoordde:

--"Kom naderbij, opdat ik met u spreken kan, want ik heb heerlijke dingen gezien!"

En hij kwam nader en zette zich aan den zoom van het water, leunde met het hoofd in de hand en luisterde. En de ziel sprak tot hem:

"Nadat ik u verlaten had keerde ik naar den kant van het Oosten, en begon er mijn zwerftocht. Uit het Oosten komt alle wijsheid. Zes dagen zwierf ik rond, en op den morgen van den zevenden dag kwam ik aan een heuvel, die in het land der Tartaren ligt. Ik zette mij neder in de schaduw van een tamariskenboom, om mij voor de zon te beschutten. Het land was droog en door de hitte verschroeid. De menschen liepen her en derwaarts in de vlakte, gelijk vliegen, die over een plaat van blinkend koper kruipen.

Tegen den middag, verhief zich aan den vlakken kant van het land een roode stofwolk. Toen de Tartaren dit zagen spanden zij hunne beschilderde bogen, sprongen op hunne kleine paarden en reden de stofwolk tegemoet. De vrouwen vluchtten met groot misbaar naar de wagens, en verborgen zich achter de voorhangen van dierenvellen. Toen het begon te schemeren kwamen de Tartaren terug, maar vijf van hen ontbraken, en van degenen, die terugkwamen, waren niet weinige verwond. Zij spanden hunne paarden voor de wagens en reden haastig weg. Drie jakhalzen slopen uit een hol en zagen hen na. Zij snoven met welbehagen de lucht in hunne neusgaten op en draafden in de tegenovergestelde richting heen.

Toen de maan opkwam, zag ik een bivakvuur in de vlakte opvlammen en begaf mij daarheen. Een kring van kooplieden zat rond het vuur, op uitgespreide tapijten. Hunne kameelen waren, achter hen, aan palen gebonden, en de negers, die hunne slaven waren, sloegen op het zand tenten van gelooide vachten op, en bouwden eene hooge omheining van stekeldraad.

Terwijl ik hen naderde, stond het hoofd van de karavaan op, trok zijn zwaard uit de scheede en vroeg wat ik wilde. Ik antwoordde dadelijk, dat ik de vorst was van een ver gelegen rijk, en dat ik den Tartaren ontvlucht was, die mij tot hun slaaf hadden willen maken. De hoofdman lachte, en toonde mij vijf menschelijke hoofden, die op lange bamboestaven staken.

Daarop vroeg hij wie de Profeet van God was en ik antwoordde Mohamed.

Toen hij den naam van den valschen Profeet hoorde, boog hij zich, nam bij mij de hand en deed mij naast hem ter neer zitten. Een neger reikte mij paardemelk in een houten schotel en een stuk gebraden lamsvleesch.

Bij het schemeren van den dag, braken wij op. Ik reed op een roodharigen kameel aan de zijde van den hoofdman, en een voorlooper draafde voor ons uit en droeg een speer. Aan beide kanten bevonden zich gewapende slaven, en muildieren volgden met de koopwaren. Veertig kameelen telde de karavaan en de muildieren waren tweemaal veertig in getal.

Wij kwamen, van uit het land der Tartaren, in het land van hen, die de maan vervloeken. Wij zagen de Gryphen hun goud op de witte rotsen bewaken en de geschubde draken in hunne holen slapen. Toen wij over het gebergte trokken, hielden wij den adem in, opdat de sneeuw niet op ons zou neervallen, en elk onzer bond zich een sluier van gaas voor de oogen. Toen wij door de valleien liepen schoten de Pygmeën uit holle boomstammen met pijlen naar ons, en des nachts hoorden wij de wilden op hunne trommels slaan. Toen wij bij den Toren van de Apen kwamen, zetten wij hen vruchten voor, en zij deden ons geen kwaad. Toen wij bij den Toren van de Slangen kwamen, reikten wij hen warme melk in koperen schotels, en zij lieten ons voorbijtrekken. Drie malen kwamen wij op onze reizen aan de oevers van den Oxos. Wij trokken er over met behulp van houten vlotten, waaraan groote met lucht gevulde blazen bevestigd waren. De Nijlpaarden stormden tegen ons aan en wilden ons dooden. Toen de kameelen hen zagen, sidderden zij van angst.

De Koningen van elke stad hieven invoergeld van ons, maar veroorloofden ons geen toegang binnen hunne poorten. Zij wierpen ons over de muren brood toe, kleine maïskoeken die in honing gebakken waren, en koeken uit fijn meel die met dadels gevuld waren. Voor honderd korven brood gaven wij eene barnsteenkraal.

Wanneer de bewoners der dorpen ons zagen komen, vergiftigden zij de bronnen en vloden op de heuvels. Wij streden met de Magaden, die, oud geboren, van jaar tot jaar jonger worden, en sterven wanneer zij kleine kinderen zijn geworden; met de Lakten, die van tijgers beweren af te stammen, en zich zwart en geel beschilderen; met de Auranten, die hunne dooden in de kruinen der boomen begraven en zelf in donkere holen wonen, opdat de zon, die hun God is, hen niet doode; met de Krimniers, die een krokodil aanbidden, hem met boter en levend gevleugelte voederen; met de Agazomben, die hondengezichten, en met de Sibers, die paardevoeten hebben en sneller loopen dan paarden. Een derde van onzen troep stierf in den strijd, en een derde stierf door gebrek. De rest morde tegen mij en zeide, dat ik hen ongeluk gebracht had. Daarop nam ik van onder een steen een adder, en liet mij door haar bijten. En toen zij zagen, dat ik niet ziek werd, beving hen vreeze.

In de vierde maand bereikten wij de stad Illel. Het was nacht toen wij aan het bosch kwamen, dat zich voor de stadsmuren uitstrekte. De lucht was zwoel, want de maan stond in den Schorpioen. Wij namen de rijpe granaatappels van de boomen, openden die en dronken er het zoete sap van. Daarop strekten wij ons uit op onze tapijten en wachtten de ochtendschemering af.

En met de schemering stonden wij op en klopten aan de stadspoort. Die was van rood brons vervaardigd, waarin zeegedrochten en gevleugelde draken waren gegoten. De schildwachten zagen van de wallen op ons neder en vraagden wat wij begeerden. De tolk der karavaan antwoordde, dat wij met vele koopwaren van het Syrische eiland kwamen. Zij namen gijzelaars uit ons midden en zeiden, dat zij ons des middags de poort zouden openen, en dat wij tot dat tijdstip te wachten hadden.

Toen het middag werd, openden zij de poort, en toen wij binnentrokken, kwam het volk in scharen uit de huizen om ons te zien, en een omroeper ging door de gansche stad en blies op een schelp. Wij stonden op het marktplein, en de negers bonden de balen met bonte doeken los en openden de uitgesneden kisten van Sykomorenhout. En toen zij dit gedaan hadden, haalden de kooplieden hunne buitenlandsche waren te voorschijn: gewast linnen uit Egypte en beschilderd linnen uit het land der Ethiopiërs; purperkleurige sponsen uit Tyrus en blauwe behangsels van Sidon; schalen van blank ivoor en doorzichtige vazen van glas, en zonderling aardewerk. Een schare van vrouwen sloeg ons van uit het dak van een huis gade. Een harer droeg een masker van verguld leder.

En op den eersten dag kwamen de priesters en dreven ruilhandel met ons, en op den tweeden dag kwamen de adelijken, en op den derden dag kwamen de handwerkers en de slaven. Dit alles volgens het gebruik van alle kooplieden, zoolang zij in die stad verwijlen.