Het Granaatappelhuis

Part 4

Chapter 44,080 wordsPublic domain

Op de tweede trede van den troon stond het lage stoeltje der Infante, waarop een kussen van met zilver bewerkt laken, en nog iets lager, en buiten het bereik van den troonhemel, stond de zetel voor den pauselijken Nuntius, die, alleen, het recht had in des Konings tegenwoordigheid bij alle openbare plechtigheden te gaan zitten, en wiens kardinaalshoed, met de in elkaar geslingerde scharlaken kwasten, op een purperen tabouret daarvóór lag. Aan den wand tegenover den troon hing een levensgroote beeltenis van Karel V in jachtcostuum, aan zijne zijde een groote dog, terwijl het portret van Philips II, die de hulde der Nederlanden aanvaardt, het midden van den anderen wand in beslag nam. Tusschen de vensters stond een geheime kast van zwart ebbenhout, met stukjes ivoor ingelegd, waarin de gestalten van Holbein's Doodendans gesneden waren--eenige beweerden, door de hand van den beroemden meester zelf.

Maar de kleine dwerg bekommerde zich niet om al die pracht. Zijne roos zou hij niet om al de paarlen van den troonhemel weg hebben gegeven, er niet, voor den ganschen troon, ook maar één blad van hebben afgestaan. Hij wilde slechts de Infante zien, alvorens zij weer naar buiten in de tent trad, en hij wilde haar smeeken met hem mee te gaan, wanneer hij voor haar gedanst zou hebben. Hier in het paleis was de lucht benauwd en zwaar, maar in het bosch woei een frissche wind, en het zonlicht scheidde er met spelende goudvingeren de immer-trillende blaadjes van-een. Ook bloemen groeiden in het bosch; misschien niet van zoo kostbare soort als die in den tuin bloeiden, maar daarvoor geurden zij ook des te heerlijker; in het voorjaar de hyacinthen, die met golven van purper de koele ravijnen en de met gras begroeide heuvels overdekten; gele primulas, die in kleine boschjes aan den vermolmden voet der eikeboomen groeiden; bonte goudwortels en blauwe eereprijs en paarsen en gouden iris. Aan de hazelnootsstruiken hingen grijze pluimpjes en het vingerhoedskruid boog onder het gewicht van zijn gevlekte bloesems, waarin de bijen graag huisden. De kastanjeboom droeg fier zijn torentjes van witte sterren en de meidoorn was overgoten met bleeke maantjes vol liefelijkheid. Ja, daar was geen twijfelen aan: zij zou stellig meekomen, wanneer hij haar maar vinden kon. Zij zou meekomen in het heerlijke bosch, en den ganschen dag-door zou hij voor haar dansen, om haar blij te stemmen. Een lachje vonkte in zijne oogen bij die gedachte en hij trad de naaste kamer binnen. Van alle vertrekken was dit wel het schoonste en het schitterendste.

De wanden waren met rosekleurig damast uit Lucca bespannen, waarin vogels en sierlijke zilveren bloesems geweven waren, de inrichting was van massief zilver met bloeiende slingers omrankt, waartusschen amoeretten zweefden; voor de twee groote schoorsteenen stonden reusachtige schermen die met papegaaien en pauwen bewerkt waren, en de vloer van zeegroene onyx, scheen zich in een ver verschiet te verliezen. En hij was er niet alleen. Onder de schaduw van de deur aan het andere einde van de kamer, ontwaarde hij eene kleine gestalte, die hem aankeek. Zijn hart bonsde, een vreugdekreet ontglipte aan zijne lippen en hij trad naar buiten in het zonlicht. Toen hij dit deed, trad ook de gestalte naar buiten, en hij zag die nu zeer duidelijk.

De Infante! O, het was een monster, het vreemdsoortigste monster, dat hij ooit in zijn leven gezien had. De gestalte was niet zoo gevormd als die van alle andere menschen, maar toonde een bult en kromme beenen, een groot neerhangend hoofd en lang zwart haar. De kleine dwerg rimpelde het voorhoofd, en het monster rimpelde eveneens het voorhoofd. Hij lachte, en het lachte met hem mede en drukte de handen in de zijde, precies zooals hij deed. Hij maakte eene spottende diepe buiging, en het begroette hem met denzelfden honenden groet. Hij ging naar hem toe, en het kwam hem tegemoet en bootste elken voetstap na die hij maakte, en het stond stil, wanneer hij stil stond. Hij jubelde het uit van plezier en liep vooruit, en strekte zijn hand uit, en de hand van het monster raakte de zijne aan, en die andere was koud als ijs. Hij schrikte en trok zijn hand terug, en de hand van het monster maakte hetzelfde gebaar. Hij beproefde verder te gaan, maar iets glads en hards hield hem terug. Het gezicht van het monster was nu dicht bij het zijne, en het scheen vol angst. Hij streek zich het haar uit de oogen. De gestalte deed hetzelfde. Hij sloeg naar haar, de gestalte gaf hem elken slag terug. Hij maakte grimassen, en het monster trok eveneens de afschuwelijkste gezichten. Hij trad achteruit, en getrouwelijk verwijderde zich de gestalte.

Wat beteekende dat? Hij peinsde een oogenblik na en zag toen om zich heen in de zaal. 't Was vreemd, maar in dezen onzichtbaren wand van helder water scheen elk voorwerp zijn eigen evenbeeld te hebben. Ja, beeld na beeld, en stoel na stoel, herhaalde zich. De sluimerende faun, die bij de nis, dicht naast de deur lag, had zijn slapenden tweelingbroeder en de zilveren Venus daar in het zonlicht, strekte den arm uit naar een Venus, die even schoon was als zij.

Was dat de echo? Eens had hij in het dal de echo aangeroepen, en woord voor woord was tot hem teruggekomen. Kon de echo het oog bedriegen, zooals zij het oor bedriegen kon? Kon zij een wereld van schijn in het leven roepen, die aan de werkelijke wereld precies gelijk was? Konden de schaduwen der voorwerpen kleur hebben en leven en beweging? Was het mogelijk dat--?

Hij sidderde. Hij nam de heerlijke witte roos van zijn borst en keerde zich om en kuste die. Het monster had eveneens een roos, blad voor blad gelijk aan de zijne. En hij kuste de roos met even vurige kussen en drukte die aan het hart met de afschuwelijkste gebaren.

Toen de waarheid hem langzamerhand duidelijk begon te worden, slaakte hij een rauwen kreet van wanhoop en viel snikkend op den grond. Dus hij zelf was zoo misvormd en bultig en afschuwelijk en grotesk om aan te zien. Hij zelf was dus het monster, en om hem hadden de kinderen gelachen en de kleine Prinses, die, zooals hij gemeend had, hem liefhad--ook zij had alleen met zijn leelijkheid gespot en over zijne misvormde ledematen hartelijk gelachen. Waarom had men hem niet in het bosch gelaten, waar geen spiegels waren, die hem konden zeggen hoe terugstootend hij was? Waarom had zijn vader hem niet gedood in plaats van hem in zijne schande te verkoopen? De heete tranen stroomden hem over de wangen, en hij scheurde de witte roos aan stukken. Het kruipende monster deed hetzelfde, en wierp de blanke bladen weg in de lucht. Het kroop over den grond, en wanneer hij er naar keek, zag hij hoe het hem aanstaarde met smartelijk verwrongen aangezicht. Hij wendde zich af om het niet meer te zien en bedekte zijn oogen met zijne heete handen. Als een verwond dier sleepte hij zich in de schaduw en bleef daar snikkend liggen.

Op dit oogenblik trad de Infante zelf door de openstaande balkondeur binnen, gevolgd door hare speelgenooten; en toen zij den leelijken kleinen dwerg op den grond zagen liggen, en bemerkten hoe hij op fantastisch overdreven wijze met zijne gebalde vuisten om zich heen sloeg, barstten de kinderen het uit in een luid, vroolijk gelach, en zij omringden hem om hem beter gade te kunnen slaan.

--"Zijn dansen was vermakelijk," zeide de Infante; "maar zijn komediespel is nog vermakelijker. Het is bijna zoo aardig als dat van de marionetten, alleen maar lang niet zoo natuurlijk."

En zij wuifde zich met haar grooten waaier koelte toe en klapte goedkeurend in de handen.

Maar de kleine dwerg zag niet een enkele maal tot haar op; zijn snikken werd al zachter en zachter, en plotseling hijgde hij zonderling naar lucht, en drukte zijne handen in de zijde. En toen viel hij achterover en lag doodstil.

--"Dat is prachtig geweest!" zei de Infante na eene kleine pauze, "maar nu moet je voor mij dansen!"

--"Ja," riepen de kinderen, "je moet opstaan en dansen, want je bent net zoo knap als de baardapen, alleen ben je nog veel maller." Maar de kleine dwerg antwoordde niet.

En de Infante stampte met haar voetje en riep haar Oom, die met den kanselier op het terras stond, en eenige telegrammen doorlas, die juist uit Mexico gekomen waren, waar kort te voren de Inquisitie ingevoerd was geworden.

--"Mijn vroolijke kleine dwerg is uit zijn humeur," riep zij, "U moet hem weer in goeden luim brengen, en hem zeggen, dat hij voor mij dansen moet."

Don Pedro en de kanselier keken elkaar glimlachend aan en traden naderbij en Don Pedro boog zich neer over den dwerg, en sloeg hem met zijn gestikten handschoen op de wangen.

--"Je moet dansen," riep hij uit. "Klein monster, je moet dansen. De Infante van Spanje en van beide Indische rijken wil geamuseerd worden."

Maar de kleine dwerg verroerde zich niet.

--"Men moet den zweepmeester laten halen," zeide Don Pedro lusteloos, en trad weer naar buiten op het terras.

Maar de kanselier trok een ernstig gezicht, hij knielde naast den kleinen dwerg neer en legde zijn hand op diens hart. En na eenige oogenblikken, haalde hij even de schouders op, maakte voor de Infante eene diepe buiging en sprak:

--"Mi bella Princesa, uw komieke kleine dwerg zal nooit meer dansen. Het is jammer, want hij is zoo leelijk, dat hij zelfs den Koning een glimlach had kunnen ontlokken."

--"Maar waarom zal hij dan niet meer dansen?" vroeg de Infante lachend.

--"Omdat zijn hart gebroken is," antwoordde de kanselier.

Er kwamen rimpels op het voorhoofd van de kleine Infante, en hare fijne rozenlippen plooiden zich tot een uitdrukking van kinderlijke verachting.

--"Voortaan mogen zij, die bij mij komen spelen geen harten hebben," sprak zij, en liep naar buiten in den tuin.

III.

DE VISSCHER EN ZIJN ZIEL.

Elken avond voer de visscher uit op de zee en wierp zijne netten in het water.

Wanneer landwind woei, dan ving hij niets, of althans weinig, want de zwartgewiekte wind sloeg groote golven tegen zijn boot. Maar wanneer zeewind woei, dan kwamen de visschen in overvloed uit de diepte naar boven en zwommen vroolijk in de mazen van zijn net. De ruime vangst droeg hij dan ter markt en verkocht ze voor goeden prijs.

Zoo voer hij elken avond uit op de zee, en eens was zijn net zoo zwaar, dat hij het nauwelijks binnen de boot kon halen.

En hij lachte en zei tot zichzelf: "Waarlijk, ik heb òf alle visschen gevangen, die in zee rondzwemmen, òf ik heb een vreemdsoortig ondier gevischt, dat voor de menschen een wonder zal zijn--misschien ook wel een vreeselijk monster, dat de groote Koningin zal wenschen te zien."

En hij spande al zijne krachten in, en trok aan de ruwe touwen, totdat de aderen op zijne armen donker gezwollen waren, en wel lijnen geleken van blauw email op een bronzene vaas. En hij trok aan de dunne touwen, en reeds kwamen, steeds dichter en dichterbij, de rijen van drijvende kurken te voorschijn, tot eindelijk het net volkomen op het oppervlak van het water te zien was. Maar geen visch bevond zich daarin, en ook geen gedrocht, noch iets afzichtelijks, maar alleen een klein zeemeerminnetje, dat in diepen slaap lag.

Heur haar geleek een vochtig gouden vlies, en elk afzonderlijk haartje was als een draad van fijn gesponnen goud in glanzend omhulsel. Haar lijf was gelijk wit ivoor en haar staart bestond uit zilver en paarlen. Van zilver en paarlen was haar staart en het groene zeegras had zich daaromheen geslingerd. Hare ooren waren gelijk zeeschelpen, en haar lippen rozerood als koralen. De kille golven bespatten haar blanken boezem en het zout glinsterde op hare oogleden.

Zij was zoo mooi, dat de jonge visscher van bewondering vervuld werd toen hij haar aanzag, en hij strekte de hand naar haar uit en trok het net naar zich toe, en leunde over de boot en nam haar op in zijne armen. En toen hij haar aanraakte, slaakte zij een kreet als die van een opgeschrikte meeuw, terwijl zij met hare paarsblauwe oogen hem ontzet aanzag en trachtte zich uit zijne omarming los te wringen. Maar hij hield haar vast aan zijn borst gedrukt en wilde haar niet loslaten.

En toen zij zag, dat zij zich niet bevrijden kon, begon zij te schreien en zeide:

--"Ik bid u, laat mij gaan, want ik ben de eenige dochter van een Koning, en mijne vader is oud en eenzaam."

Maar de jonge visscher antwoordde:

--"Ik wil u niet laten gaan, aleer gij mij beloofd hebt naar boven te zullen komen en voor mij te zingen, zoo vaak ik om u roepen zal, want de visschen luisteren graag naar het gezang van het watervolk en op deze wijze zullen mijne netten overvloedig gevuld worden."

--"Zult ge mij werkelijk laten gaan, wanneer ik u dit beloof?" vroeg het zeemeerminnetje.

--"Ik zal u dan werkelijk laten gaan," zei de jonge visscher.

En zij deed hem de gelofte, die hij van haar verlangde en bezegelde die plechtig met den eed van het watervolk. Zoo liet hij dan zijne armen los en het zeemeerminnetje zonk weg in de diepte, al trillend van vreemde angst.

En elken avond voer de visscher uit op de zee, en elken avond riep hij het zeemeerminnetje. En dan steeg zij op uit het water en zong voor hem. En om haar heen zwommen de dolfijnen, en de wilde meeuwen vlogen cirkelend boven haar hoofd, al heen er weer.

En een heerlijk lied zong zij. Want zij zong van de zeebewoners, die hunne kudden van de eene bocht naar de andere voeren, en de kleine kalfjes op hunne schouders dragen; van de tritonen, die lange groene baarden hebben en behaarde borsten en door gekronkelde schelpen blazen wanneer de Koning voorbijtrekt; van het paleis des Konings, dat gansch uit barnsteen gemaakt is, met een dak van doorzichtig smaragd, en met vloeren van glanzende paarlen; van de heerlijke tuinen der zee, waar de groote gevlochten bloedkoralen waaiers den geheelen dag-door heen en weer wuiven, waar de visschen in pijlsnelle vaart doorheen glijden als zilveren vogels, waar de anemonen zich aan de rotsen vastklemmen en de anjelieren in het heuvelachtige gele zand wortelen. Van de groote scharen walvisschen zong zij, die van de noordelijke zeeën stroom-àfwaarts trekken en puntige ijskegels hebben hangen in hunne kiewen; van de sirenen, die, al zingende, van zulke wonderzoete dingen wisten te verhalen, dat de kooplieden hunne ooren met was moesten toestoppen om haar gezang niet te hooren en in het water te springen en te verdrinken; van de gezonken galeien met hare hooge masten, en hoe de bevroren zeevaarders zich nog aan de touwen vastgeklemd houden, en de makreelen door de open luiken in en uit zwemmen; van de kleine eendenmosselen, die groote reizen maken doordat zij zich aan de kielen der schepen vastbooren en zoo om de gansche wereld medevaren; en van den inktvisch, die tegen de steile klippen woont, en zijne lange zwarte armen uitstrekt en den nacht kan doen neerdalen, wanneer hij dat wil. En zij zong van Nautilus en zijn fraaie boot, die uit een opaal gesneden is en een zeil van zilver draagt; van de gelukkige zeemeermannen, die op harpen spelen en de watermonsters in slaap konden tooveren; van de kleine kinderen, die de gladde marmotjes vangen en dan op hunne ruggen gaan rijden; van de zeemeerminnen, die in het witte schuim zich laten drijven en hare armen uitstrekken naar de zeelieden, en van de zeeleeuwen met hunne kromgebogen slagtanden, en van de zeepaarden met hunne golvende manen. En wanneer zij zong, schoten al de tonijnen uit de diepte omhoog om naar haar zang te luisteren, en de jonge visscher wierp zijn netten om hen uit en hij ving ze, en andere visschen doodde hij met zijn speer.

En wanneer zijn boot goed volgeladen was, dook het zeemeerminnetje weg in de zee en lachte hem toe.

Maar nooit kwam zij hem zoo na, dat hij haar had kunnen aanraken. Menigmaal riep hij haar, en bad haar toch dichter bij hem te komen, maar zij wilde niet, en wanneer hij beproefde haar vast te grijpen, dan dook zij snel weg in het water, zooals ook wel een zeehond duikt, en hij zag haar op dien dag niet meer terug.

En met elken dag klonk het geluid harer stem hem liefelijker in de ooren. Zoo liefelijk klonk haar stem, dat hij zijne netten vergat en al zijn list, en zich gansch niet meer bekommerde om zijn handwerk. Met hunne roode vinnen en hunne uitpuilende gouden oogen, trokken de tonijnen in scharen rond zijn boot: hij sloeg geen acht op hen. Zijn speer lag ongebruikt aan zijne zijde en zijne biezen korven bleven ledig. Met geopende lippen, en oogen die van verlangen zich donker kleurden, zat hij in zijn boot en luisterde, luisterde, totdat de zeenevelen met hare dichtgeweven sluiers hem omsloten, en de dwalende maan zijn bruine lijf met zilveren glans overgoot.

En op een avond riep hij haar en sprak:

--"Klein zeemeerminnetje, klein zeemeerminnetje, ik heb je lief! Laat mij je bruidegom zijn, want ik heb je lief."

Maar het zeemeerminnetje schudde het hoofd.

--"Ge hebt een menschelijke ziel," antwoordde zij, "alleen wanneer ge je ziel van je zoudt kunnen wegzenden, zou ik je lief kunnen hebben."

En de jonge man dacht nà over hare woorden en sprak tot zichzelf: "Welk nut heb ik van mijn ziel? Ik kan haar niet zien. Ik kan haar niet betasten. Ik ken haar niet. Waarlijk, ik zal mijn ziel wegzenden, dàn zal groote vreugde mijn deel worden."

En een blijde kreet jubelde van zijne lippen en hij stond overeind in zijn beschilderde boot en strekte de handen uit naar het zeemeerminnetje.

--"Ik zal mijn ziel wegzenden," riep hij haar toe, "en je zult mijn bruid zijn en ik je bruidegom, en op den bodem van de zee zullen wij te samen wonen, en alles, waarvan je gezongen hebt, zult ge mij toonen, en alles, wat je verlangt, zal ik doen, en ons leven zal heerlijk zijn voor altijd."

En de kleine zeemeermin lachte van blijdschap en verborg haar gelaat in de handen.

--"Maar hoe zal ik mijn ziel wegzenden?" riep de jonge visscher. "Zeg mij hoe ik dat doen kan en zie, het zal gebeuren."

--"Ach, dat weet ik niet," zei de kleine zeemeermin, "het watervolk heeft geen ziel." En zij dook weg in de diepte, terwijl hare oogen een blik op hem richtten, waaruit al haar verlangen sprak.

En den volgenden morgen vroeg, toen de zon nog nauwelijks een handbreed boven den heuvel zichtbaar was geworden, begaf zich de jonge visscher naar het huis van den priester en klopte driemaal aan de deur.

Een kloosterling blikte door een kleine opening naar buiten, en toen hij zag wie 't was, schoof hij den grendel van de deur en sprak: "Treed binnen."

En de jonge visscher trad binnen en knielde op de geurige rieten mat terneer, en tot den priester, die in het heilige boek te lezen zat, sprak hij: "Vader, hoor mij aan! Eene van het watervolk heb ik lief gekregen en mijn ziel is oorzaak, dat ik mijn verlangen niet kan stillen. Zeg mij, hoe ik mijn ziel van mij kan doen gaan, want waarlijk, ik heb haar niet noodig! Welke waarde heeft mijn ziel voor mij? Zien kan ik haar niet, betasten evenmin. En kennen doe ik haar óók niet."

De priester sloeg zich op de borst en sprak:

--"Wee, wee, ge zijt waanzinnig, of ge hebt van verderfelijke kruiden gegeten, want weet ge niet, dat de ziel het kostbaarste goed des menschen is, en ons van God gegeven werd, opdat wij haar op edele wijze zouden gebruiken? Er bestaat niets, dat zoo kostbaar is op aarde als de menschelijke ziel, en geen aardsche vreugde kan tegen haar opwegen. Zij is meer waard dan al het goud, dat zich in de aarde bevindt, en meer waard dan de robijnen der Koningen. Daarom, mijn zoon, denk niet meer aan 't geen ge daar gezegd hebt, want het is een zonde waarvoor geen vergeving bestaat. En het watervolk! Dat is een verloren volk, en zij, die zich met hen inlaten, zullen eveneens verloren gaan. Zij gelijken de dieren des velds, die het goede niet van het kwade kunnen onderscheiden, en voor hen is de Heer niet gestorven."

De oogen van den jongen visscher vulden zich met tranen, toen hij de strenge woorden van den priester hoorde, en hij stond uit zijne knielende houding op en sprak:

--"Vader, de faunen leven in het woud en zijn blijmoedig, en op de rotsen zitten de waterbewoners met hunne harpen van rood goud. Laat mij zijn zooals zij, ik bid u, vader, want hunne dagen zijn gelijk de dagen der bloemen. En mijn ziel! Wat deert mij mijn ziel, wanneer zij staat tusschen mij en dat wat ik liefheb?"

--"De liefde der zinnen is verachtelijk," sprak de priester, en op zijn voorhoofd groefden zich diepe rimpels, "en verachtelijk en slecht zijn ook de heidensche schepselen die God door zijn wereld laat dwalen. Vervloekt mogen de faunen van het woud zijn en vervloekt de zangers van de zee! Ik heb ze in nachttijd gehoord, als zij beproefden mij van mijne gebeden af te leiden. Zij kloppen aan het venster en lachen. Zij fluisteren mij het sprookje van hunne verderfelijke vreugden in de ooren. Zij trachten mij in verzoeking te brengen met verleidelijke taal, en wanneer ik mij in vrome aandacht wil verdiepen, zie ik hunne spottende grimassen. Zij zijn verloren zeg ik u, zij zijn verloren. Voor hen bestaat geen hemel en geen hel, en hier noch ginds, zullen zij den naam van God ooit prijzen."

--"Vader," riep de jonge visscher, "gij weet niet wat gij zegt! Eens ving ik in mijne netten de dochter van een Koning. Zij is schooner dan de morgenster en blanker dan de maan. Voor háár bezit wil ik mijn ziel prijsgeven en voor hare liefde moge de hemel voor mij verloren zijn. Geef mij antwoord op mijn vraag, en laat mij in vrede van u gaan."

--"Weg! weg!" riep luid de priester. "Uw lief is verloren en gij zelf zult met haar verloren zijn!" En hij weigerde hem zijn zegen en dreef hem weg van uit zijne deur.

Langzaam, het hoofd gebogen als een die rouw draagt in het hart, liep de jonge visscher naar de markt. Toen de kooplieden hem zagen komen, begonnen zij onderling te fluisteren, en een van hen trad naar hem toe, riep hem bij den naam en sprak:

--"Wat hebt ge te verkoopen?"

--"Mijn ziel wil ik verkoopen," antwoordde de jonge visscher, "ik bid u, koop mijn ziel, want ik ben haar moede. Wat nut brengt mij mijn ziel? Ik kan haar niet zien. Ik kan haar niet betasten. Ik ken haar niet!"

Maar de kooplieden lachten hem uit en spraken:

--"Wat nut brengt ons de ziel van een mensch? Zij is geen stuk gestempeld zilver waard. Verkoop ons uw lijf als slaaf, en wij zullen u in purper kleeden en een ring aan uw vinger steken, en u tot gunsteling maken van de groote Koningin. Maar spreek niet van uw ziel: ons gaat zij niets aan en voor onze zaak heeft zij geenerlei waarde."

En de jonge visscher overlegde bij zichzelf: "Hoe zonderling is dit! De priester zeide, dat de ziel kostbaarder was dan al het goud der aarde, en de kooplieden zeggen, dat zij geen stuk gestempeld zilver waard is."

En hij verliet de markt en schreed omlaag, naar de kusten der zee, en begon te overdenken wat hij wel doen zou.

En des namiddags viel hem te binnen, dat een zijner vrienden die zeevenkel gaarde hem van een jonge heks gesproken had, die in een spelonk aan het einde van de bocht woonde, en groote kennis had van vele dingen. En hij besloot tot haar te gaan, en zoo verlangend was hij van zijn ziel bevrijd te zijn, dat hij liep zoo snel hij kon; een stofwolk volgde hem, toen hij op het zand aan de kust voortijlde.

Aan het jeuken van haar hand, bespeurde de heks, dat de jonge visscher naderde; zij lachte en liet heur roode haar lang neervallen. En met het roode, los golvende haar om hare schouders stond zij aan den ingang van de spelonk te wachten, en in de eene hand hield zij een tak dolle kervel die in bloei stond.