Het Granaatappelhuis

Part 3

Chapter 33,915 wordsPublic domain

Toen verscheen een afrikaansche goochelaar, die een groote mand, bedekt met een rooden doek, binnendroeg. Hij plaatste die midden in de arena, nam uit zijn tulband een zonderling rieten fluitje, en begon daarop te fluiten. Na weinige oogenblikken ging de doek aan het bewegen, en toen de man al scheller en scheller floot, staken twee groen-gouden slangen hare platte koppen uit de mand, richtten zich langzaam omhoog en wiegden zich heen en weer op de maat van de melodie, zooals een plant in het water heen en weer deint. Maar de kinderen waren bang geworden voor de gevlekte slangenkoppen met de snel bewegelijke tongen, en vonden 't veel mooier toen de goochelaar een kleinen citroenboom uit het zand liet opschieten die liefelijke witte bloesems droeg en even later trossen van werkelijke vruchten; en toen hij den waaier van het kleine dochtertje der markiezin de Las-Torres nam en dien in een blauwen vogel omtooverde, die overal in de tent rondfladderde en zong, toen kende de verbazing en de vreugde der kinderen geen grenzen meer. Ook het deftige menuet, dat de dansknapen der kerk van Nuestra Señora del Pilar ten uitvoer brachten, was vol liefelijkheid en gratie. De Infante had deze prachtige ceremonie, die elk jaar in Mei voor het hoogaltaar en ter eere der Heilige Jonkvrouw plaats vindt, nog nooit aanschouwd. Want geen enkel lid der koninklijke familie van Spanje had de kathedraal van Saragossa ooit weder betreden, nadat een waanzinnig priester--vele beweerden dat hij door Elisabeth van Engeland er toe was aangedreven geworden--getracht had den Prins van Asturie een vergiftigde hostie toe te dienen. Zoo kende zij slechts van hoorenzeggen dezen "Onze Lieve Vrouwendans," zooals men den dans noemde, en inderdaad vormde die een indrukwekkend schouwspel. De knapen droegen oudmodische hofkleedij van wit fluweel, hunne eigenaardige driekantige hoeden waren met zilveren franje omzet, en met groote toeffen van wuivende struisvederen gesierd, terwijl het verblindende wit van hun gewaad, wanneer zij zich in het zonlicht bewogen, nog treffender uitkwam door de matgetinte aangezichten en het lang-golvende donkere haar. Alle waren verrukt over de ernstige waardigheid waarmede zij zich door de ingewikkelde figuren van den dans heen bewogen, en over de volmaakte bekoorlijkheid hunner langzame gebaren en fiere buigingen, en toen de opvoering geëindigd was, en zij de groote met veeren versierde hoeden voor de Infante ter aarde lieten zinken, aanvaardde zij de hulde met veel vriendelijke hoffelijkheid, en deed de gelofte het altaar der Beschermvrouwe van Pilar een groote waskaars te zullen wijden, ten dank voor het genoegen, dat zij haar verschaft had.

Toen verscheen een groep fijngebouwde Egyptenaren--zoo noemde men in dien tijd de Zigeuners--in de arena; met kruiselings gevouwen beenen zetten zij zich in een kring ter neer en begonnen zachtkens op hunne gitaren te tokkelen; daarbij bewogen zij hun lijf naar de maat der melodie, en neurieden bijna onhoorbaar een zacht droomerig lied.

Toen zij Don Pedro zagen, keken zij somber voor zich uit, en eenige onder hen werden zeer bevreesd; want eerst kort geleden had hij op het marktplein van Sevilla twee van hunne troep wegens hekserij laten ophangen. Maar de aanblik der allerliefste Infante, zooals zij daar achterover geleund zat, en met hare groote blauwe oogen over haren waaier heentuurde, vervulde hen met verrukking en zij gevoelden dat, wie zóó liefelijk te aanschouwen was, tegenover niemand ooit wreed zou kunnen zijn. En zoo speelden zij verder, heel zachtjes, vluchtig--maar de snaren aanroerend met hunne lange puntige nagels, terwijl hunne hoofden zich lichtelijk voorover bogen, als waren zij op 't punt van in te sluimeren. Maar plotseling sprongen zij overeind met zulk een schrillen kreet, dat de kinderen verschrikt opvlogen, en Don Pedro's hand naar den barnsteenen knop van zijn dolk greep, en begonnen toen woest en uitgelaten in de arena rond te springen, terwijl zij op hunne tamboerijnen sloegen en in hun vreemdsoortige gutturale taal een wild liefdeslied aanhieven.

Op een tweede teeken wierpen zij zich echter alle weer op den grond, en lagen daar volkomen stil; de eentonige klank der gitaren was het eenige geluid, dat de stilte verbrak. Nadat zij dit eenige malen herhaald hadden verdwenen zij voor een oogenblik, keerden toen met een bruinen, ruig-harigen beer aan een ketting terug, en droegen op hunne schouders kleine turksche baardapen. De beer buitelde met den grootsten ernst op zijn kop, en de apen maakten allerlei oolijke kunststukken met twee Zigeunerjongens die hunne meesters schenen te zijn, vochten met kleine zwaarden, vuurden kleine kanonnen af en excerceerden volgens alle regels, precies als 's konings eigen lijfwacht. Kortom, de Zigeuners oogstten het grootste succes van het feest.

Maar het vroolijkste gedeelte van het geheele morgenprogramma vormde toch zonder eenigen twijfel de dans van den kleinen dwerg.

Toen hij de arena kwam binnenloopen, terwijl hij op zijne kromme beentjes voortstrompelde, en zijn wanstaltig groot hoofd naar rechts en naar links boog, stietten de kinderen luide gilletjes uit van verrukking, en de Infante zelf lachte zóó hartelijk, dat de Camerera zich genoodzaakt zag, haar daaraan te herinneren, dat, mocht het ook reeds voorgekomen zijn dat in Spanje een koningsdochter voor haars-gelijke in rang tranen had gestort, het toch ongehoord was, dat een Prinses van koninklijken bloede zich zoo vroolijk uitte in tegenwoordigheid van dezulken, die in rang beneden haar stonden. Maar de dwerg was dan ook werkelijk onweerstaanbaar, en zelfs het Spaansche hof, dat reeds van eertijds bekend stond voor zijn verfijnde zucht naar het afschrikwekkende, had nog nooit zulk een fantastisch klein monster aanschouwd. Het was dan ook zijn allereerste optreden. Den vorigen dag was men hem eerst op het spoor gekomen, terwijl hij wild ronddoolde in een afgelegen deel van het kurkeikenbosch dat de geheele stad omringt en waarin twee Granden zich ter jacht hadden begeven. Zij hadden hem toen in het paleis gebracht, als eene verrassing voor de Infante, en zijn vader, een arme kolenbrander, had er maar al te gaarne vrede mee gehad, dat men hem van een leelijk en voor alles onbruikbaar kind bevrijdde. Misschien was wel het allervermakelijkste aan hem zijn volslagen onbekendheid met de groteske belachelijkheid zijner verschijning. Hij scheen werkelijk volmaakt gelukkig te zijn en was vol vroolijken luim. Wanneer de kinderen lachten, dan lachte hij even vrij en vroolijk met hen mede, en aan het slot van elken dans maakte hij naar alle kanten zijne bespottelijke buigingen en lachte en knikte, alsof hij precies zoo-een was als zijne kleine toeschouwers, en niet slechts een klein gedrochtelijk wezen, dat de natuur in een grillige luim geschapen had om anderen ten zijnen koste te vermaken. En de Infante oefende eene onweerstaanbare bekoring op hem uit. Hij kon de oogen niet van haar afwenden en scheen uitsluitend voor haar alleen te dansen. Aan het slot der voorstelling herinnerde zij zich, eenmaal gezien te hebben, hoe de hooge dames van het hof bloemen toewierpen aan den beroemden italiaanschen tenor Caffarelli, dien de paus uit zijn eigen kapel naar Madrid had gezonden om door zijn heerlijke stem den zwaarmoedigen Koning een weinig te verstrooien, en daarom nam zij de witte roos uit heur haar, en wierp die, deels uit scherts, deels om de Camerera te ergeren, met haar vriendelijkst lachje in de arena. Maar de kleine dwerg nam alles hoogst ernstig op, drukte de bloem aan zijne ruwe, grove lippen, en legde de hand op het hart; zijn geheele gezicht vertrok zich tot een breeden grijns van blijdschap, en zijne kleine oogen glinsterden van verrukking.

Toen was 't met den ernst der kleine Infante geheel gedaan; zij lachte steeds uitbundiger, lachte zelfs nog, toen de kleine dwerg reeds uit de arena weggestrompeld was, en vroeg haren oom om den dans toch te laten herhalen. Maar de Camerera besliste het tegendeel, met de bewering dat de zon reeds te brandend heet was, en dat het dus beter zou zijn wanneer Hare Hoogheid onmiddellijk naar het paleis terugkeerde, waar een schitterende maaltijd voor haar gereed stond, met een echte verjaardagskoek, waarop hare eigene initialen, geheel van gekleurde suiker, aangebracht waren, en waar boven een aardig zilveren vlagje aan een kleine mast wapperde. Daarop verhief zich de Infante met veel waardigheid van haar zetel en nadat zij bevolen had, dat de kleine dwerg na de siesta nogmaals voor haar dansen zou, en den jongen graaf Tierra-Nueva verzocht had aan allen haren dank over te brengen voor den alleraangenaamsten morgen, ging zij terug naar hare vertrekken, terwijl de kinderen in dezelfde rangorde volgden, als zij gekomen waren.

Toen nu de kleine dwerg hoorde, dat hij nog eenmaal voor de Infante dansen zou, en dat nog wel op haar eigen uitdrukkelijk verlangen, was hij zóó trotsch, dat hij naar buiten in den tuin liep, de witte roos in overstroomende vreugde aan zijne lippen drukte, en ook nog verder in de meest dwaze en onbeholpen gebaren aan zijne verrukking uiting gaf.

De bloemen waren buiten zichzelve van verontwaardiging, dat hij het gewaagd had haar mooi grondgebied binnen te dringen, en toen zij zagen hoe dartel hij de paden op en neer huppelde, en daarbij op zeer vermakelijke wijze met zijne armen boven zijn hoofd zwaaide, konden zij hunne gevoelens niet langer bedwingen.

--"Hij is werkelijk te leelijk dan dat men hem had mogen veroorlooven zich ook maar ergens te vertoonen, waar wij ons bevinden!" riepen de tulpen.

--"Hij moest papaversap drinken, om voor duizend jaar lang in te slapen," zeiden de groote zwaardlelies, en zij wondden zich zoo op, dat zij rood werden van toorn.

--"Hij is een waar monster!" riep de kaktus. "Zie toch eens hoe krom hij is en hoe misvormd, en zijn hoofd staat in heel geen verhouding tot zijn beenen. Ik krijg heusch kippevel alleen al van 't zien en wanneer hij dicht bij mij komt, zal ik hem met mijn doorns steken."

--"En daar heeft hij waarlijk een van mijne mooiste bloemen," sprak de witte rozenstruik. "Ik heb die van morgen zelf aan de Infante als verjaarsgeschenk aangeboden, en nu heeft hij ze van haar gestolen."

En de rozenstruik riep zoo luid hij slechts kon: "Dief! Dief! Dief!"

Zelfs de roode geraniums, die gewoonlijk niet veel ophef van zichzelf maakten, en van wie het bekend stond dat zij vele arme familieleden hadden, trilden van afschuw toen hij haar onder de oogen kwam en toen de viooltjes bescheiden opmerkten, dat hij wel zeer leelijk was, maar hier toch niets aan te veranderen viel, antwoordden zij met veel wijsheid, dat dat juist zijn hoofdgebrek uitmaakte, en dat er geen reden bestond om een mensch te bewonderen, alleen omdat hij voor altijd misvormd was; en inderdaad moesten zelfs eenige viooltjes toegeven, dat de leelijkheid van den kleinen dwerg bijna ondragelijk was en dat hij meer smaak aan den dag zou leggen, wanneer hij er treurig uitzag, of zich tenminste stil en teruggetrokken toonde, inplaats van zoo dartel rond te springen en zoo dolle en dwaze houdingen aan te nemen.

En de oude zonnewijzer, die eene zeer opmerkelijke persoonlijkheid was, en die eenmaal aan geen geringeren dan aan Keizer Karel V de uren had aangekondigd,--de zonnewijzer was zóó ontzet over de heele verschijning van den kleinen dwerg, dat zijne lange schaduw-vingeren bijna twee volle minuten vergaten aan te wijzen; en ten slotte kon hij zich niet weerhouden den grooten melkwitten pauw, die zich op de balustrade in de zon koesterde, toe te roepen, dat ieder toch wel wist, dat de kinderen van koningen, koningen waren, en de kinderen van kolenbranders, kolenbranderskinderen, en dat het bespottelijk zou zijn te willen beweren dat dit niet zoo was; met deze mededeeling was de pauw het bizonder eens, en hij krijschte zijn: "Natuurlijk! natuurlijk!" met zulk een luide, doordringende stem, dat de goudvisschen, die onder in het bassin van de koele murmelende bron woonden, hunne koppen uit het water staken, en aan de groote steenen tritonen vroegen, wat er toch in 's hemelsnaam aan de hand was.

Maar de vogels hadden hem lief. Zij hadden hem menigmaal in het bosch gezien, wanneer hij als een faun over de dwarrelende bladen danste, of wanneer hij in den een of anderen ouden hollen eikeboom schuilde, en zijne nooten met de eekhoorntjes deelde. Zij bekommerden zich in 't minst niet om zijne leelijkheid. Want, zelfs de nachtegaal, die des avonds zóó liefelijk in de oranjeboomen zong dat de maan zich soms naar omlaag boog om naar hem te luisteren, de nachtegaal zag er toch ook niet uit alsof hij iets bizonders ware en buitendien--hij was altijd goed voor hen geweest, en gedurende dien schrikkelijk strengen winter, toen er heel geen bessen meer aan de struiken hingen, en de grond hard was als ijzer en de wolven aan de poorten der stad kwamen om voedsel te zoeken, toen had hij hen nooit vergeten, integendeel, hen steeds de laatste kruimpjes van zijn armzalige zwarte broodkorst gegeven, en getrouw zijn maal met hen gedeeld, al was dat ook nog zoo karig geweest.

Daarom vlogen zij steeds om hem heen en raakten in hunne vlucht lichtelijk zijne wangen aan terwijl zij onderling vroolijk tjilpten, en de kleine dwerg was zóó verheugd, dat hij niet laten kon hen de prachtige witte roos te laten zien en hen te vertellen, dat de Infante hem die zelf gegeven had omdat zij hem liefhad.

Zij verstonden geen woord van 't geen hij zeide, maar dat was ook niet noodig, want zij bogen de kopjes zijwaarts en keken zeer verstandig uit hunne oogjes, en dat is even goed als iets begrijpen, en veel gemakkelijker.

De hagedissen vatten ook een groote voorliefde voor hem op, en toen hij te moe was om nog meer rond te springen en zich in het gras neerwierp om uit te rusten, speelden en buitelden zij om hem heen, en trachtten, zoo goed als zij konden, hem te vermaken.

--"Niet iedereen kan zoo mooi zijn als de hagedis" riepen zij, "dat zou te veel verlangd zijn. En, al klinkt 't ook ongerijmd, wel beschouwd, is hij volstrekt niet zoo leelijk; maar natuurlijk moet men de oogen sluiten en hem niet aankijken."

De hagedissen waren zeer wijsgeerig van natuur, en zaten dikwijls, wanneer zij niets anders te doen hadden, of wanneer het te regenachtig weer was om uit te gaan, uren en uren lang bij elkaar, in overpeinzingen verdiept.

Maar de bloemen betoonden zich ontzet over hun gedrag en over het gedrag der vogels.

--"Dat bewijst alweer," zeiden zij, "hoe demoraliseerend dat eeuwige heen-en-weer-vliegen en draven is. Welopgevoede wezens zooals wij blijven steeds op dezelfde plaats. Nooit heeft men ons over de wegen zien heen en weer huppelen, noch in het gras als dol achter de watervlinders zien stuiven. Wanneer wij een luchtverandering noodig hebben, laten wij den tuinman roepen, en hij brengt ons in een ander bed. Zoo behoort het en zoo moest het overal zijn. Maar vogels en hagedissen hebben geen zin voor rust. De vogels hebben niet eens een vast adres. Zij zijn echte vagebonden, zooals de Zigeuners, en men moest ze op dezelfde manier behandelen."

En zij staken hunne neuzen in den wind, keken zeer hoogmoedig voor zich uit, en waren hoogst verblijd, toen zij na eenigen tijd bemerkten, dat de kleine dwerg zich uit het gras oprichtte en naar het paleis toestapte.

--"Men moest hem werkelijk voor den verderen duur van zijn leven achter slot en grendel zetten," bromden zij. "Zie toch eens dien bultigen rug en die malle kromme beenen," en zij begonnen allen te giegelen.

Maar de kleine dwerg bemerkte niets van dat al. Hij hield veel van de vogels en van de hagedissen en hij vond bloemen de heerlijkste dingen van de gansche wereld, uitgezonderd natuurlijk de Infante; want deze had hem immers de witte roos geschonken, en zij had hem lief, dat maakte een groot onderscheid. Hoe innig betreurde hij het, dat hij niet met haar was medegegaan. Zij zou hem aan hare rechterhand geplaatst hebben en hij zou geen oogenblik van haar zijde geweken zijn, maar haar tot zijn speelgenoot gemaakt en haar alle mogelijke prachtige kunsten geleerd hebben. Want, al was hij nog nooit te voren in een paleis geweest, vele bizondere dingen kende hij toch ook. Zoo kon hij uit riet kleine kooitjes vlechten waarin de sprinkhanen zingen, en uit lange bamboes kon hij een fluit snijden, zooals Pan die graag hoort. Hij kende den roep van elken vogel, en kon den spreeuw uit de takken der boomen, en den reiger van de oevers van het meer lokken. Hij wist precies het spoor van elk dier te onderscheiden, en vermocht dat van den haas aan de lichte indrukken van zijn pooten, en dat van het everzwijn aan de platgetreden bladen te herkennen en te vervolgen. Alle werveldansen van den wind kende hij: den overmoedigen dans in het roode herfstkleed, den vlinderlichten dans met blauwe sandalen over het korenveld, den dans met sneeuwbekranste lokken in den winter, en den bloesemdans door de boomgaarden in de lente. Hij wist waar de woudduiven hunne nesten bouwden, en eens, toen een vogeljager een vogelpaar gevangen had, had hij de jongen zelf opgekweekt, en voor hen een duiventil gemaakt in den hollen stam van een gespleten olmboom. Zij waren geheel tam en aten elken morgen uit zijn hand. Die zou de kleine Prinses zeker aardig vinden, en ook de konijntjes, die tusschen het hooge varenkruid ronddartelden, en de eksters, met hare staalharde veeren en zwarte snavels, en de egels, die zich tot stekelige kogels konden oprollen, en de groote wijze schildpadden, die langzaam rondkropen en met het hoofd schudden en aan de jonge blaadjes knaagden. Ja zeker, zij moest meekomen in het bosch, en met hem spelen. Hij zou haar zijn eigen kleine bedje afstaan, en aan het venster waken, totdat de morgen schemerde, om op te passen dat de wilde boschbewoners haar geen kwaad deden, en de uitgehongerde wolven de hut niet te dichtbij naderden.

En wanneer de morgen schemerde, zou hij aan de luiken kloppen en haar wekken, en zij zouden in het bosch gaan en den ganschen dag tezamen spelen. Waarlijk, in het bosch was het nooit eenzaam. Somwijlen reed een bisschop voorbij op een wit muildier, en las in een beschilderd boek. Somtijds kwamen er ook valkeniers langs, met groen fluweelen mutsen op en in jassen van gelooide dierenhuid; op de hand hielden zij de met kappen bedekte valken. Als het winter werd, kwamen de druiventrappers met purperen handen en voeten, bekransd met glanzend klimop, en zij droegen druipende lederen zakken vol wijn; en de kolenbranders zaten in den nacht om hunne vuren, en keken toe, hoe de drooge houtblokken langzaam in de vlammen verkoolden, en zij poften kastanjes in de asch, en de roovers kwamen van uit hunne schuilplaatsen te voorschijn en maakten gekheid met hen. Eens had hij ook eene mooie processie gezien, die zich op den langen stoffigen weg naar Toledo voortslingerde. De monniken liepen vooraan en zongen zoo mooi; ze droegen bonte wimpels en gouden kruisen, en toen volgden er soldaten in zilveren rusting en met pieken gewapend, en in hun midden liepen er barrevoets drie mannen in zonderlinge gele gewaden, die van boven tot beneden met prachtige figuren beschilderd waren, en die droegen brandende kaarsen in de handen. O, in het bosch was er onnoemelijk veel te zien, en wanneer zij vermoeid was, zou hij een zacht bed van mos voor haar zoeken, of hij zou haar op zijne armen dragen, want hij was heel sterk, al wist hij ook dat hij niet groot was. Dan zou hij een ketting voor haar rijgen van hagedoornbessen, die zouden even mooi zijn als de witte besjes, die zij op haar kleed droeg; en wanneer de ketting haar verveelde, dan kon zij die weggooien en hij zou andere bessen voor haar zoeken. Eikeldoppen zou hij haar brengen en duizende anemonen, en kleine glimwormpjes, die als sterren zouden flonkeren in het bleeke goud van heur haar.

Maar waar was zij? Hij vroeg het aan de witte roos, maar die antwoordde hem niet. Het geheele paleis scheen in slaap gedompeld te zijn, en zelfs daar, waar de luiken niet gesloten waren, hingen zware gordijnen voor de vensters om de gloeihitte buiten te sluiten. Hij liep rond om het heele paleis, in de hoop ergens een plaats te vinden waar hij zou kunnen binnentreden. Eindelijk ontdekte hij een kleine verborgen deur, die openstond. Hij sloop naar binnen en bevond zich plotseling in een schitterende zaal, wel prachtiger, vreesde hij, dan het bosch; hier was overal zoo veel meer goud, en zelfs de vloer bestond uit groote gekleurde steenen, die op kunstige wijze tezamen waren gevoegd. Maar de kleine Infante bevond er zich niet in, alleen eenige heerlijke witte beelden, die van hunne jaspis-voetstukken op hem neerkeken met treurige leege oogen en een vreemd lachje om de lippen.

Aan het einde van de zaal hing een rijkgeborduurd gordijn van zwaar fluweel, dat bedekt was met zonnen en sterren, de lievelingsymbolen des Konings, en ook het fluweel was van de kleur, die hij het liefste had. Wellicht was zij daarachter verborgen? Hij wilde dit in elk geval onderzoeken.

Zoo liep hij dan heel zacht tot aan het einde van de zaal en trok het gordijn weg. Neen; er kwam nu slechts een andere kamer, nog mooier, vond hij, dan die waaruit hij trad. De wanden waren hier geheel behangen met groene, figuurrijke Arrazzis, met de hand vervaardigd tapijtwerk, dat een jacht voorstelde; het was afkomstig van eenige Vlaamsche kunstenaars, die meer dan zeven jaren voor de voltooiing van dit werk noodig hadden gehad. Eenmaal was dit de kamer geweest van Jean le Fou, zooals men hem noemde, den waanzinnigen Koning, die de jacht zoo liefhad, dat hij dikwijls in zijne zins verbijsteringen getracht had de groote steigerende rossen te bestijgen en het hert neder te vellen waartegen de koppels honden opsprongen, terwijl hij op zijn jachthoorn blies en met zijne dolk naar het bleeke wegvliedende wild stiet. Nu gebruikte men dit vertrek als Raadszaal; op de tafel in het midden lagen de roode portefeuilles van de ministers, waarop de gouden tulpen van Spanje ingeprest waren, benevens het wapen en de emblemen van het huis Habsburg.

De kleine dwerg zag in verwondering om zich heen en was bang om verder te loopen. Die vreemde zwijgende ridders, die zoo snel door de boschvlakten schenen te rijden, zonder het minste geruisch te maken--zij herinnerden hem aan de angstwekkende phantomen, waarvan hij de kolenbranders had hooren vertellen--de "Comprachos" die alleen in den nacht gaan jagen, en, wanneer zij een menschelijk wezen tegenkomen, hem in een hinde veranderen, en jacht op hem maken. Maar hij dacht weer aan de liefelijke Infante en schepte moed. Hij wilde haar alléén aantreffen om haar te kunnen zeggen, dat ook hij haar liefhad. Wellicht was zij in het naaste vertrek.

Hij liep over de dikke Moorsche tapijten en opende de deur. Neen! Ook daar was zij niet. De kamer was volkomen leeg. Het was een troonzaal, die tot de ontvangst van vreemde gezanten diende, wanneer de koning--hetgeen sedert lang niet meer het geval was geweest,--zich bereid verklaard had eene private audiëntie te verleenen; dezelfde kamer, waarin vele jaren geleden Engeland's afgezanten verschenen waren om het verdrag tot het huwelijk hunner Koningin--toentertijd eene der Katholieke vorstinnen van Europa--met des Keizers oudsten zoon te sluiten. De behangsels waren van verguld Cordovaansch leder, en een zware, vergulde kroon, met armen voor driehonderd waskaarsen, hing van het zwart-en-witte plafond naar omlaag. Onder een groot baldakijn van goudlaken, waarop de leeuwen en de torens van Castilië in paarlen geborduurd waren, stond de troon, met een rijk zwart fluweelen kleed overdekt, dat bestikt was met zilveren tulpen en omzoomd met zilverfranje en paarlen.