Part 2
En de kanselier sprak tot den jongen Koning en zeide:
--"Mijn gebieder, ik smeek u, laat deze sombere gedachten varen, omkleed u met dit schoone gewaad en zet de kroon op uw hoofd. Want hoe zal het volk weten, dat gij Koning zijt, wanneer gij niet het kleed eens Konings draagt?"
En de jonge Koning zag hem aan.
--"Is dit werkelijk zoo?" vraagde hij; "zullen zij mij niet als hun Koning kennen, omdat ik niet het kleed eens Konings draag?"
--"Zij zullen u niet als zoodanig erkennen, mijn gebieder," sprak de kanselier.
--"Ik meende, dat er mannen geleefd hebben, die koninklijk waren van natuur," antwoordde hij, "maar het kan zijn, dat gij waarheid spreekt. En toch wil ik dit kleed niet dragen, noch wil ik mij met deze kroon laten kronen; maar zooals ik binnenkwam in het paleis, zoo wil ik het weder verlaten."
En hij liet hen allen heengaan, op een page na, een knaap, die een jaar jonger was dan hij. Dien behield hij bij zich ter zijner dienste; en toen hij zich in helder water had gebaad, opende hij een groote, zeer oude uitgesneden kist, en nam daaruit het rood lederen wambuis en den groven mantel van schapenvacht, dien hij gedragen had toen hij in het heuvelland de ruigharige geiten van den herder had gehoed. Dien trok hij aan, en in de hand nam hij zijn knoestigen herdersstaf. De kleine page sperde de groote blauwe oogen wijd open van verbazing en zeide lachend:
--"Mijn gebieder, ik zie wel uw kleed en wel uw schepter, maar waar is uw kroon?"
En de Koning plukte een tak van een wilden struik, die over het balkon rankte, boog hem rond tot een krans, en drukte dien op 't hoofd.
--"Dit zal mijn kroon zijn," antwoordde hij.
En aldus getooid, ging hij uit zijn kamer naar de groote zaal, waar de Edelen op hem wachtten.
En de Edelen lachten luidkeels en eenige riepen hem toe:
--"Mijn gebieder, het volk wacht op zijn Koning en gij laat het een bedelaar aanschouwen;" en andere werden toornig en spraken:
--"Hij brengt schande over onzen Staat, en hij is niet waardig onze Heer te zijn."
Maar hij antwoordde niet met een enkel woord, ging heen, en schreed de glanzende trap van porphyr omlaag en naar buiten, door den bronzen poort, en hij steeg op zijn ros en reed naar de kathedraal, terwijl de kleine page naast hem bleef voortloopen. En het volk lachte en riep:
--"Daar rijdt des Konings nar voorbij," en zij beschimpten hem.
En hij trok aan den teugel en zeide:
--"Neen, want ik ben de Koning." En hij verhaalde hen zijne drie droomen.
En een man trad uit de menigte naar voren en sprak vol bitterheid tot hem, en zeide:
--"Heer, weet gij niet dat het leven van den armen zich voedt met de weelde van den rijkaard? Uwe pronk schenkt ons verzadiging, en uwe ontucht verschaft ons brood. Voor een gestreng heer te werken is hard, maar harder nog is het, geen heer te hebben voor wien men werken kan. Meent gij, dat de raven ons voedsel zullen brengen? En welk heelmiddel hebt gij voor deze dingen? Wilt gij den kooper zeggen: gij moet voor zoo-veel koopen en den koopman: gij moet voor dezen prijs verkoopen? Ik geloof van neen. Dus keer terug naar uw paleis, omkleed U met uw purperen mantel en met uw fijngeweven linnen. Wat bekommert gij u om ons, en om datgene wat wij dragen moeten?"
--"Zijn niet de rijken en de armen broeders?" vroeg de jonge Koning.
--"Zoo is het," antwoordde de man, "en de naam van den rijken broeder luidt Kaïn."
En de oogen van den jongen Koning vulden zich met tranen, en hij reed verder onder het gemor van het volk, en groote angst beving den kleinen page, en hij vlood heen van hem.
En toen hij het portaal van de kathedraal bereikt had, versperden de soldaten met hunne hellebaarden hem den weg en zeiden:
--"Wat hebt gij hier te zoeken? Door deze deur mag niemand binnentreden dan alleen de Koning."
En zijn aangezicht werd rood van toorn en hij sprak tot hen:
--"Ik ben de Koning," en hij stiet de hellebaarden op zijde en trad binnen.
En toen de oude Bisschop hem in zijn herderskleed zag naderen, stond hij verwonderd op van zijn troonzetel en sprak:
--"Mijn zoon, is dat het kleed van een Koning? En met welke kroon zal ik u kronen, en welken schepter zal ik in uw handen leggen? Waarlijk, deze dag was bestemd om u vreugde te brengen en niet vernedering."
--"Zou Vreugde kunnen dragen wat Zorg heeft voortgebracht?" vroeg de jonge Koning. En hij verhaalde hem zijne drie droomen.
En toen de Bisschop die gehoord had, rimpelde zich zijn voorhoofd en hij sprak.
--"Mijn zoon, zie, ik ben een oud man, en ik sta in den winter van mijn leven, en ik weet, dat er vele slechte dingen gebeuren in de wereld. De wilde roovers dalen neer van de bergen en slepen de kleine kinderen mede en verkoopen ze aan de Mooren. De leeuwen liggen roerloos en bespieden de karawanen en werpen zich op de kameelen. Het wilde everzwijn wroet in het koren van het dal en de vossen knagen aan de wijnstokken op de heuvels. De zeeroovers verwoesten de kusten der zee en verbranden de schepen der visschers en nemen hunne netten weg. In de zoutmoerassen leven de melaatschen en zij wonen in woningen van gevlochten riet, en niemand mag nader tot hen komen. De bedelaars trekken door de steden en deelen het brood met de honden. Kunt gij dat al verhinderen, dat het niet zoo zij? Wilt gij den melaatschen tot uw slaapgenoot maken, en den bedelaar aan uw tafel nooden? Moet de leeuw doen wat gij hem beveelt te doen, en moet het everzwijn u gehoorzamen? Is niet Hij, die de ellende schiep, wijzer dan gij? Daarom prijs ik u niet om wat gij gedaan hebt, veeleer gelast ik u naar het paleis terug te keeren, de zorgen van uw gelaat te bannen, en het gewaad aan te leggen, dat eenen Koning betaamt; en met de gouden kroon wil ik u kronen, en den paarlen schepter in de hand u geven. En denk niet meer aan uwe droomen. De last van deze aarde is voor één mensch te zwaar om te dragen en het leed dezer aarde te zwaar voor één hart om te dulden.
--"Spreekt gij alzoo in dit huis?" sprak de jonge Koning en hij schreed den Bisschop voorbij en besteeg de treden van het altaar en stond voor het beeld van Christus.
Voor het beeld van Christus stond hij, en aan zijn rechter en aan zijn linkerzijde bevonden zich de heerlijk-schoone gouden schalen, de kelk met den goudkleurigen wijn, en de fiool met de heilige olie. Hij knielde neder voor het beeld van Christus, en de groote kaarsen brandden helder naast het van juweelen fonkelend schrijn, en de geurige wierook cirkelde in doorzichtige blauwe wolkjes door het koepelruim.
Hij boog het hoofd als tot gebed, en de priesters in hunne stijfuitstaande koorgewaden slopen weg van het altaar.
En plotseling hoorde men van buiten, van de straat, een wild rumoer, en de Edelen drongen naar binnen met getrokken zwaarden en wild-golvende vederbossen en schilden van blank metaal.
--"Waar is die droomen--droomer?" riepen zij. "Waar is de Koning die gekleed is gelijk een bedelaar?--de knaap, die schande brengt over onzen Staat? Waarlijk, beter is het, indien onze hand hem neervelt, want hij is onwaardig over ons te heerschen."
En de jonge Koning boog wederom het hoofd en bad, en toen hij zijn gebed geëindigd had, stond hij op en keerde zich tot hen, en zijn oogen waren vol van droefenis.
En zie! door de geschilderde ramen brak het zonnelicht in stroomen; en de stralen van de zon weefden om hem heen een gewaad, dat verrukkelijker was te aanschouwen dan het kleed, dat men gemaakt had ter zijner eere. De doode staf begon te bloeien en haar ontsproten leliën, die blanker nog waren dan paarlen. De verdroogde hagedoorn ontlook en droeg rozen, die rooder waren dan robijnen. Blanker dan reine paarlen waren de leliën en hare stengels waren van glinsterend zilver. Rooder dan robijnen waren de rozen en hare bladeren waren van gedreven goud. Hij stond daar in het gewaad eens Konings, en de deuren van het met juweelen bezette schrijn openden zich en van het kristal der schitterende monstrans brak uit een mystisch licht. Hij stond daar in het gewaad eens Konings en de glorie van God vulde algeheel de ruimte, en de Heiligen in de gebeeldhouwde nissen schenen zich te bewegen. In het pronkgewaad eens Konings stond hij voor hen, en aan het orgel ontstroomden volle melodieën en de fanfarenblazers bliezen hunne fanfaren, en de koorknapen zongen. En het volk viel in schuwe vreeze op de knieën en de Edelen lieten hunne zwaarden in de scheede terugzinken, en huldigden hem, en het aangezicht van den Bisschop werd bleek en zijne handen beefden.
--"Een die grooter is dan ik, heeft U gekroond," sprak hij, en hij knielde voor hem neder.
En de jonge Koning schreed de treden af van het hoogaltaar en keerde terug naar het paleis, midden door het volk. Maar niemand waagde hem in het aangezicht te zien, want het was als het aangezicht van een Engel.
II.
DE VERJAARDAG DER INFANTE.
Het was de verjaardag der Infante. Zij was juist twaalf jaar oud geworden en de zon scheen stralend in den tuin van het paleis.
Alhoewel zij eene heuschelijke Prinses, en de Infante van Spanje was, had zij toch elk jaar maar één verjaardag, precies als de kinderen van heele gewone menschen. Daarom deed natuurlijk het gansche land zijn uiterste best, dat zij bij deze gelegenheid een echt pleizierigen dag zou beleven. En het was dan ook inderdaad een heerlijke dag. De groote gevlekte tulpen stonden kaarsrecht op hare stengels, als soldaten in 't gelid, en zij keken met uitdagende blikken in den tuin rond naar de rozen en zeiden: "Wij zijn nu precies zoo mooi als jullie." De purperen vlinders, met goudstof op de vleugels, fladderden in de lucht rond en bezochten alle bloemen, de eene na de andere; de kleine hagedissen kropen uit de reten der muren en lagen stil zich te koesteren in den witten zonnegloed; en de granaatbloesems sprongen open in de hitte, en toonden haar bloedrood hart. Zelfs de geelbleeke citroenen, die in rijken overvloed aan de half vermolmde omheiningen, en langs de donkere zuilengangen hingen, schenen rijker kleur van het heerlijke zonlicht te hebben gedronken, en de magnoliaboomen openden hunne groote langwerpige bloesemkelken van toegevouwen ivoor en vervulden de lucht met zwaren, bedwelmend-zoeten geur.
De kleine Prinses liep met hare speelgenooten op het terras heen en weer en speelde verstoppertje achter de steenen vazen en de oude met mos bedekte beelden. Op gewone dagen mocht zij alleen met kinderen van haar eigen rang spelen, bijgevolg moest zij dus altijd alleen spelen; maar op haar verjaardag werd er eene uitzondering gemaakt, en de Koning had bevel gegeven, dat zij van hare jonge vriendjes en vriendinnetjes zoovele mocht uitnoodigen als zij maar wilde, en dat zij naar hartelust pleizier konden maken. Eene statige sierlijkheid scheen al dezen slankgebouwde Spaansche kinderen eigen, zoo als zij zich spelend heen en weer bewogen, de knapen met hunne groote hoeden met lange veeren en de korte, zwierige mantels om, de meisjes, zooals zij de slepen harer lange brokaat japonnen droegen, en met groote waaiers van zwart en zilver hare oogen voor de zon beschutten. Maar de Infante was de liefelijkste van allen, en zij was ook het smaakvolste gekleed, hoewel volgens de lastige mode van dien tijd. Haar kleed was van grijze zijde, de zoom en de wijde poefmouwen zwaar met zilver geborduurd, en het stijve keurslijf was met rijen van de heerlijkste paarlen bezet. Wanneer zij liep, kwamen van onder den rok twee zeer kleine schoentjes met groote roze strikken te voorschijn. Haar groote waaier was van rose en paarlkleurig gaas, en in het haar, dat als een aureool van lichtend goud stijf om haar bleek klein gezichtje stond, droeg zij een mooie witte roos.
Van uit een venster van het paleis keek de zwaarmoedige Koning het schouwspel toe. Achter hem stond zijn broeder, Don Pedro van Aragon, dien hij haatte, terwijl zijn biechtvader, de Groot-Inquisiteur van Granada, aan zijne zijde zat. Nog treuriger was de Koning dan gewoonlijk, want, als hij naar de kleine Infante zag: hoe zij met kinderlijken ernst de verzamelde hovelingen begroette, of achter haar gazen waaier de knorrige Hertogin van Albuquerque, die haar steeds begeleidde, uitlachte, dan moest hij aan hare moeder denken, de jonge Koningin, die--zoo kwam 't hem voor--eerst kort geleden uit het levenslustige Frankrijk was gekomen, om in den somberen glans van het Spaansche hof alras te verwelken--want zij stierf zes maanden na de geboorte van haar kind, aleer zij nog de amandelboomen van den tuin voor de tweede maal had zien bloeien, en aleer zij opnieuw den oogst geplukt had van den ouden gekromden vijgeboom, die eenmaal het middelpunt vormde van den nu met gras begroeiden hof. Zoo groot was zijne liefde voor haar geweest, dat hij niet eens het graf vergund had haar aan zijn oog te onttrekken. Een Moorsch geneesheer, dien men om dezen dienst zijn leven had geschonken, dat, zoo zeide men, reeds wegens ketterij en verdenking van zwarte tooverkunsten aan de heilige Inquisitie was vervallen, had haar gebalsemd; en zoo lag haar doode lichaam nog juist zoo op de geborduurde baar in de zwarte marmeren kapel van het paleis, als de monniken het, bijna twaalf jaar geleden, op een stormachtigen dag in Maart naarbinnen gedragen hadden. Eenmaal in het jaar ging de Koning, gehuld in een donkeren mantel en een omfloerste lantaarn in de hand, naar de kapel, knielde neder aan haar zijde en riep: "Mi reina! Mi reina!" En somtijds verbrak hij zelfs de regels der etikette, die in Spanje elke handeling van het leven beheerscht en tot voor de smart van een Koning zekere grenzen bepaalt, greep de bleeke, met ringen gesierde handen, in een woeste uitbarsting van wanhoop, en trachtte onder zijne hartstochtelijke kussen het koude beschilderde gelaat te doen herleven. Heden was het hem, als zag hij haar terug, zooals hij haar voor het eerst gezien had, in het slot van Fontainebleau, toen hij vijftien jaren telde en zij nog jonger was. Zij waren toen door den pauselijken Nuntius, in tegenwoordigheid van den Koning van Frankrijk en van het geheele hof, plechtig met elkaar verloofd geworden, en hij was in het Escuriaal teruggekeerd en had een lok blond haar medegebracht en de herinnering aan zachte kinderlippen, die zich naar omlaag bogen om hem de hand te kussen, toen hij in zijn koets steeg. Later was toen de bruiloft gevolgd, die in allerijl te Burgos, een kleine stad aan de grenzen der beide Koninkrijken, voltrokken werd, en daarop de plechtstatige en schitterende intocht te Madrid, met de gebruikelijke plechtige hoogmis in de kerk La Atocha en een buitengewoon indrukwekkend autodafé, bij welke gelegenheid ongeveer driehonderd ketters--waaronder zich vele Engelschen bevonden--door de wereldsche gerechtigheid aan den vuurdood waren overgeleverd geworden.
Waarlijk, hij had haar hartstochtelijk liefgehad, en, zoo beweerden vele, niet tot heil van zijn vaderland, dat toentertijd met Engeland oorlog voerde om het bezit der heerschappij in de Nieuwe Wereld. Ter nauwernood had hij geduld dat zij zich uit zijne oogen verwijderde, om harentwille had hij--zoo beweerde men althans--alle ernstige staatsaangelegenheden vergeten; en, met blindheid geslagen, als zij allen, die den slaaf zijn geworden van hunne hartstocht, had hij niet eens bemerkt, dat die schitterende ceremoniën, waarmede hij haar trachtte op te beuren, de vreemde ziekte, waaraan zij leed, slechts had doen toenemen. Toen zij stierf, was hij een tijdlang als een, die van zijn verstand beroofd was. Ja, ongetwijfeld zou hij formeel afstand hebben gedaan van zijne koningsrechten, en zich in het Trappistenklooster bij Granada, waarvan hij den Priortitel reeds droeg, teruggetrokken hebben, zoo hij niet daarvoor teruggedeinsd ware de kleine Infante in de macht van zijn broeder achter te laten, wiens wreedheid tot zelfs in Spanje aanstoot gaf, en dien vele in stilte beschuldigden den dood der Koningin, door middel van een paar vergiftigde handschoenen, die hij haar zou hebben aangeboden, toen zij eens als gast op zijn slot te Aragon vertoefd had, op zijn geweten te hebben. Zelfs na afloop van den driejarigen algemeenen rouw, dien hij door koninklijk besluit voor den ganschen omtrek van zijn gebied voorgeschreven had, veroorloofde de koning nimmer zijne ministers van eene nieuwe verbintenis te gewagen. En toen de Keizer-zelf zijne afgezanten tot hem gezonden had om hem de hand zijner nicht, de liefelijke Aartshertogin van Boheme, ten huwelijk aan te bieden, had hij dezen opgedragen hunnen Heer te antwoorden, dat de Koning van Spanje met de Smart een huwelijksband gesloten had, en dat hij haar, al was zij ook een droeve bruid, meer liefhad dan de Schoonheid.
Dit antwoord had hem de rijke Provinciën der Nederlanden gekost; want kort daarop stonden deze, meegesleept door eenige dweepers der Gereformeerde kerk, die daartoe door den Keizer aangezet waren, tegen hem op.
Het scheen hem toe, alsof heden zijn gansche huwelijksleven, met al zijne matelooze, gloeiende vreugden en den vernietigenden slag van een plotseling einde, hem weer voor den geest kwam, terwijl hij toekeek en de Infante op het terras zag spelen. Het kind vertoonde in geheel haar wezen denzelfden gratievollen overmoed der Koningin, zij had dezelfde eigenzinnige manier om het hoofdje achterover te werpen, denzelfden trotschen, fijn gevormden mond, denzelfden bekoorlijken glimlach--vrai sourire de France--wanneer zij nu en dan naar het venster opkeek, of wanneer zij den statigen Spaanschen edellieden hare kleine hand tot den eerbiedigen handkus reikte. Maar het vroolijke lachen der kinderen klonk hem smartelijk in de ooren, het heldere, onmeedoogenlooze zonlicht scheen te spotten met zijn verdriet, en het was hem, als vermengde zich een benauwde geur van vreemdsoortige mirren, zooals zij voor het balsemen gebruikt worden--of was het slechts verbeelding?--met de zuivere morgenlucht. Hij verborg zijn gelaat in de handen, en toen de Infante wederom naar boven opkeek, waren de gordijnen dichtgetrokken en had de Koning zich verwijderd.
Zij maakte een klein gebaar van teleurstelling en trok even hare schouders op. Waarlijk, hij had wel bij haar kunnen blijven, op haar verjaardag. Wat deerde het, of die malle staatsaangelegenheden nu eens veronachtzaamd werden? Of was hij weer in die donkere kapel gegaan, waar steeds de kaarsen brandden, en waar zij nooit mocht binnentreden? Hoe dwaas van hem om zoo te doen, wanneer de zon zoo helder scheen, en iedereen zich zoo gelukkig gevoelde! Bovendien verzuimde hij nu het stierengevecht, waartoe de trompet reeds het sein had gegeven, om niet van het poppenspel te spreken, en van de andere heerlijke dingen. Haar oom en de Groot-Inquisiteur waren verstandiger. Die waren naar buiten op het terras gekomen, en zeiden haar aardige complimenten. Zoo wierp zij dan het hoofdje in den nek, nam Don Pedro bij de hand, en ging langzaam de treden af, naar een lange tent uit purperen zijde, die men achter in den tuin had opgeslagen, terwijl de andere kinderen in strenge rangorde volgden: zij, die de langste namen droegen, kwamen het eerst.
Een optocht van edelknapen, in fantastisch Toreadorgewaad gestoken, schreed haar tegemoet, en de jonge Graaf van Tierra-Nueva, een veertienjarige knaap van opmerkelijke schoonheid, ontblootte zijn hoofd met de voorname gratie van een Hidalgo en Grande van Spanje, en geleidde haar plechtstatig naar een zetel van goud en ivoor, die op een verhoogd podium boven de arena was geplaatst. De kinderen groepeerden zich om haar heen, bewogen hare groote waaiers en fluisterden onderling, terwijl Don Pedro en de Groot-Inquisiteur lachend aan den ingang bleven staan. Zelfs de Hertogin--men noemde haar de Camerera-Mayor--eene magere dame, met scherpe trekken en een breede geplooide gele kraag om den hals, keek heden niet zoo slechtgeluimd als zij gewoonlijk placht te doen, er speelde zelfs iets als een koud lachje op haar gerimpeld gelaat, en de dunne bloedelooze lippen stonden niet zoo strak.
Het was werkelijk een zeer indrukwekkend stierengevecht en de Infante vond het nog veel prachtiger dan het echte stierengevecht, waarheen men haar eens in Sevilla medegenomen had, toen de Hertog van Parma haren vader een bezoek bracht. Eenige der knapen reden op rijk-opgetuigde hobbelpaarden in 't rond, en zwaaiden met lange werpspiesen, waaraan bontgekleurde linten zwierden; andere waren te voet, zwenkten hunne scharlakenroode doeken voor den stier, en sprongen behendig over de barrière wanneer het dier hen aanviel. En de stier-zelf was precies als een werkelijke stier, ofschoon hij slechts van gevlochten met leder overtrokken riet vervaardigd was, en somtijds liep hij hardnekkig op zijne achterpooten langs de geheele arena, wat een heuschelijken stier in de verste verte niet zou zijn ingevallen. En hij weerde zich prachtig, en de kinderen geraakten daarbij in zoo groote opwinding, dat zij boven op de banken stegen en hunne kanten zakdoeken zwaaiden en luide Bravo toro! riepen, Bravo toro! met dezelfde geestvervoering als waren zij volwassen menschen. Ten slotte, na een langdurig gevecht, waarbij eenige der opgezette paarden van alle kanten volslagen doorstoken en de ruiters afgeworpen werden, deed de jonge graaf van Tierra-Nueva den stier eindelijk op de knie neerzinken, en, nadat hij van de Infante de toestemming had verkregen het dier de coup de grâce te geven, stiet hij zijn houten zwaard met zulk een kracht in den hals van den stier, dat de kop er van af vloog en het lachende gezicht van den kleinen Monsieur de Lorraine, den zoon van den Franschen gezant te Madrid, er uit te voorschijn kwam.
Daarop verlieten de dappere strijders onder uitbundig handgeklap de arena, en werden de neergevelde hobbelpaarden door twee Moorsche pages in geel-en-zwarte livereien plechtig weggesleept. Na een kort tusschenspel, waarin een fransch koorddanser zijne kunsten op het gespannen koord had laten bewonderen, verschenen toen eenige italiaansche marionetten op het tooneel van een klein theater, dat voor dit speciale doel was opgericht, en voerden de halfklassieke tragedie "Sophonisbe" op. Zij speelden zoo uitmuntend, en de bewegingen waren zoo natuurlijk, dat aan het slot van de voorstelling de oogen der Infante vol tranen stonden. Eenige der kinderen weenden heusch bitterlijk, zoodat men hen met bonbons moest troosten, en zelfs de Groot-Inquisiteur was zoozeer onder den indruk geraakt, dat hij tegenover Don Pedro de opmerking niet kon onderdrukken, dat het toch eene kwellende gedachte was, dat simpele poppen van hout en gekleurde was, die men door middel van mechaniek en ijzerdraden in beweging bracht, zóó ongelukkig konden zijn, en door zoo zware rampen konden getroffen worden.