Part 7
En toen zij de stad een mijl ver achter zich hadden, werd de jonge visscher toornig en sprak tot zijn ziel: "Waarom geboodt gij mij het kind te slaan? Want dat was een slechte daad."
Maar zijne ziel antwoordde: "Wees onbezorgd, wees onbezorgd."
En op den avond van den derden dag kwamen zij in eene stad; en de jonge visscher sprak tot zijn ziel:
--"Is deze nu de stad, waarin zij danst, van wie gij mij gesproken hebt?"
En zijne ziel antwoordde: "Het kan zijn dat deze de stad is, laat ons daarom binnengaan."
En zij gingen in de stad, en trokken door de straten, maar nergens kon de jonge visscher de rivier vinden, noch den herberg die aan haren oever moest staan. En de stadbewoners begonnen hem nieuwsgierig gade te slaan, en hij werd bevreesd en sprak tot zijn ziel:
--"Laat ons van hier gaan, want zij die met de blanke voeten danst, is niet hier!"
Maar zijne ziel antwoordde:
--"Nee, laat ons blijven, want de nacht is donker, en op den weg zullen we roovers ontmoeten."
Daarop zette hij zich neder op het marktplein en rustte uit, en na een wijle ging een koopman voorbij, die een mantel van tartarenlaken aanhad, en aan de punt van een knoestigen bamboesstok een lantaarn droeg uit gesneden hoorn. En de koopman sprak tot hem:
--"Waarom zit gij op dit uur hier op de marktplaats, terwijl toch de kraampjes reeds gesloten zijn, en de balen goeds tezamen gerold?"
En de jonge visscher antwoordde:
--"Ik kan in deze stad geen herberg vinden en heb hier niemand die mij zou willen huisvesten."
--"Zijn wij niet allen broeders?" vroeg de koopman. "En schiep ons niet één God? Volg mij dus, want er staat een kamer voor mijne gasten gereed."
En de jonge visscher stond op, en volgde den koopman in zijn huis.
En toen zij door een tuin van granaatboomen waren gegaan, en het huis binnengetreden waren, bracht de koopman hem rozenwater in een koperen schaal, opdat hij zich de handen zou kunnen wasschen, en hij bracht hem meloenen om zijnen dorst te lesschen, en hij zette hem een schotel rijst voor en een stuk gebraden lamsvleesch.
En toen hij van alles genuttigd had, geleidde de koopman hem in de gereedstaande kamer en wenschte hem een goeden nacht. En de jonge visscher dankte hem en kuste den ring aan zijnen vinger. Daarop strekte hij zich uit op de vellen van gekleurde geitenvacht. En toen hij zich met een dek van zwarte schapenwol had toegedekt, sliep hij in.
En drie uur voor zonsopgang, toen de nacht nog zwart en stil was, wekte hem zijne ziel en zij sprak tot hem:
--"Sta op, en begeef u in gindsche kamer waarin de koopman slaapt; dood hem en ontneem hem zijn goud, want wij hebben het noodig."
En de jonge visscher stond op en sloop in de kamer van den koopman; en aan diens voeten lag een krom zwaard, en op de tafel naast hem lagen negen buidels vol goud. En hij strekte de hand uit naar het zwaard, en toen hij het had aangeraakt, schrikte de koopman op, en ontwaakte. Hij sprong overeind en greep naar het zwaard, en riep: "Vergeldt gij aldus goed met kwaad, en beloont gij door sluipmoord de goedheid die ik u bewezen heb?"
En zijn ziel sprak tot den jongen visscher:
"Sla hem neer!" En hij sloeg hem neer, zoodat de koopman bewusteloos ter aarde stortte, en hij greep naar de negen buidels vol goud en vluchtte ijlings door den tuin van granaatboomen, en keerde zijn gelaat naar de ster, die de morgenster heet.
En toen zij een mijle ver van de stad verwijderd waren, sloeg de jonge visscher zich op de borst en sprak tot zijn ziel:
--"Waarom geboodt ge mij den koopman te dooden, en zijn goud te stelen? Waarlijk, gij zijt slecht."
Maar zijne ziel antwoordde: "Wees onbezorgd, wees onbezorgd."
--"Neen," riep de jonge visscher, "ik wil niet onbezorgd zijn, want alles wat ge mij hebt laten doen, haat ik. U haat ik evenzoo, en ik wil dat ge mij zegt, waarom ge op deze wijze met mij omgaat."
En zijne ziel antwoordde hem:
--"Toen ge mij van u heen zondt om in de wereld rond te zwerven, gaaft ge mij geen hart mede, en zoo leerde ik al deze dingen doen en ze gaarne doen."
--"Wat zegt ge?" murmelde de jonge visscher.
--"Ge weet het," antwoordde de ziel, "ge weet het maar al te goed. Of hebt ge vergeten, dat ge mij geen hart wildet meegeven? Ik geloof van neen. Bekommer u daarom niet om mij, maar wees onbezorgd. Want er is geen leed, dat gij niet veroorzaken zult, en er is geen vreugde, die gij niet zult kunnen genieten."
En toen de jonge visscher deze woorden gehoord had, beefde hij, en sprak tot zijn ziel: "Neen, gij zijt slecht, want gij hebt mij mijne liefde doen vergeten, en mij met verzoekingen omgeven, en ge hebt mijne schreden op den weg der zonde geleid."
En zijne ziel antwoordde hem:
--"Vergeet niet, dat ge mij geen hart wildet geven, toen ge mij in de wereld uitzondt. Kom, laat ons naar eene andere stad gaan, en vroolijk zijn, want wij hebben negen buidels vol goud."
Maar de jonge visscher nam de negen buidels vol goud, wierp ze op den grond en vertrapte ze.
--"Neen," riep hij, "ik wil niets meer met u gemeen hebben, en ik wil niet verder met u gaan, maar zooals ik u vroeger weggezonden heb, zoo wil ik u wederom wegzenden, want ge hebt mij niets goeds gebracht."
En met den rug naar de maan gekeerd, beproefde hij met den kleinen dolk, welks handvat van slangenhuid was, de schaduw aan zijne voeten weg te snijden, de schaduw, die het lichaam van was zijn ziel.
Doch zijne ziel ging niet van hem, en achtte ook niet op zijn bevel, maar sprak tot hem:
--"De betoovering die de heks u leerde, heeft geenerlei kracht meer, want ik kan u niet meer verlaten, noch kunt gij mij meer uit u verdrijven. Slechts eenmaal in het leven kan de mensch zijn ziel uit zijn lichaam verbannen, en die haar weder tot zich neemt, die moet haar voor altijd behouden; dat is zijn straf en zijn loon tevens."
De jonge visscher verbleekte en balde de vuist en riep: "Dan was zij eene valsche heks, dat zij mij dit niet zeide."
--"Neen," zeide de ziel, "want zij was Hem getrouw dien zij aanbidt en dien zij altijd dienen zal."
En toen de jonge visscher zich bewust werd, dat hij zich nooit meer van zijn ziel zou kunnen bevrijden, en dat eene slechte ziel voor altijd in hem zou blijven wonen, toen wierp hij zich neder op den grond en weende bitter.
En toen het dag werd, stond de jonge visscher op, en sprak tot zijn ziel:
--"Ik zal mijne handen vastsnoeren, opdat zij niet kunnen doen, wat gij hen gebiedt te doen; en mijne lippen zal ik tezamen drukken, opdat zij niet uwe woorden kunnen naspreken. En ik wil dáárheen terugkeeren, waar zij woont, die ik liefheb, naar de zee wil ik teruggaan, naar de kleine bocht, waar zij voor mij placht te zingen, en dan zal ik om haar roepen en haar zeggen, welk kwaad ik deed, en welk kwaad gij mij gedaan hebt."
En zijn ziel poogde hem opnieuw in verzoeking te brengen en sprak:
--"Wie is uwe liefste, dat gij tot haar wilt terugkeeren? De wereld heeft vele, die schooner zijn om aan te zien dan zij: de danseressen, die in Samaris wonen, dansen alle gelijk vogels en duiven, hare voeten zijn met henna beschilderd, en in de handen houden zij kleine koperen klokjes. Wanneer zij dansen lachen zij, en haar lachen klinkt zoo helder als het kabbelen van het water. Kom met mij mee, en ik zal ze u toonen. Want wat maakt ge u bezorgd om dingen, die zondig heeten? Is al wat zoet is om te eten niet voor den etenden bestemd? Zou er gif zijn in den vurigen wijn? Kwel u niet langer, en kom met mij naar een ander oord. Hier dicht bij ligt een kleine stad, daarin bevindt zich een tuin van magnolia boomen. En witte pauwen, en pauwen met blauwe borsten zijn in dien fraaien tuin. Wanneer zij hunne staarten in de zon uitspreiden, glanzen die in ivoren en gouden kleurenpracht. En die hen voedert, danst ter hunner lust, en eenmaal danst zij op hare handen, een ander maal met hare voeten. Hare oogen zijn met antimoon gekleurd, en hare neusvleugelen zijn gelijk de vleugels eener zwaluw. Een bloem, die uit een parel gesneden is, hangt aan een haakje van een harer neusvleugels af. En terwijl zij danst lacht zij, en de zilveren ringen aan hare enkels rinkelen gelijk zilveren klokjes. Kwel u toch niet langer, maar kom met mij mede naar gindsche stad."
Doch de jonge visscher antwoordde niet. Zijne lippen hield hij vastgesloten en zijne handen had hij vastgesnoerd. En zoo ging hij terug, daarheen, vanwaar hij gekomen was, naar de kleine bocht, waar eens zijn liefste gezongen had.
En steeds opnieuw poogde zijn ziel hem onderweg in verzoeking te brengen, maar hij antwoordde haar niet, en hij deed niets van al het slechte, dat zij hem gebood te doen, zoo groot was de macht zijner liefde in hem. En toen hij eindelijk de kust van de zee bereikt had, bond hij de snoeren los van zijne handen, en opende zijne lippen en riep om de kleine zeemeermin.
Maar zij verscheen niet op zijn roepstem, hoewel hij den ganschen dag om haar riep en haar smeekte te komen.
En zijn ziel bespotte hem en sprak:
--"Waarlijk, gij beleeft niet veel vreugde van uwe liefde. Gij zijt als een die, ten tijde van watersnood, water in een gebroken kruik giet. Gij geeft weg wat ge bezit, en niets ontvangt ge terug. Beter ware het voor u, wanneer ge met mij wildet komen; ik zal u dan toonen, waar het Dal der Lusten ligt, en ik zal u laten zien, welke dingen ginds gebeuren."
Doch de jonge visscher antwoordde zijne ziel niet, maar bouwde een huis van gevlochten stroo tusschen de rotsen en woonde daar een jaar lang. En elken morgen riep hij het zeemeerminnetje en als de middag kwam riep hij om haar, en des avonds, wanneer de duisternis gevallen was, kreet hij opnieuw haar naam.
Maar nimmermeer steeg zij van uit de diepte tot hem omhoog, noch vermocht hij haar terug te vinden in de zee, wáár hij haar ook zoeken ging, tusschen de rotskloven in het groene water, in den wassenden vloed, of in de diepe bronnen die van den bodem der zee omhoog borrelen.
En altijd opnieuw poogde zijne ziel hem tot het kwade te verleiden, en fluisterde hem vreeselijke dingen in het oor. Maar zij had geenerlei macht meer over hem, zoo groot was de macht zijner liefde.
En toen het jaar verstreken was, overpeinsde de ziel bij zichzelve: "Ik heb mijnen heer steeds door booze dingen in verzoeking gebracht, en zijne liefde bleek sterker dan ik. Nu wil ik beproeven hem door het goede te winnen, zoo zal hij mij wellicht volgen."
En zij sprak tot den jongen visscher:
--"Ik heb u veel van de Vreugden der wereld verhaald, en gij hebt mij niet willen aanhooren. Laat mij u nu van 's werelds Leed vertellen, wellicht zult gij dan naar mij luisteren. Want waarlijk, het Leed heerscht als Meester over de wereld, en niemand ontkomt aan zijne heerschappij. De een heeft geen kleederen en de ander heeft geen brood. Gindsche weduwe kleedt zich in purper, deze gaat in lompen. Over de moerassen trekken in scharen de melaatschen en zijn onbarmhartig jegens elkander. De bedelaars zwerven her en derwaarts langs de wegen, en hunne zakken zijn ledig. Door de straten der steden trekt de Hongersnood, en voor de poorten waakt de Pest. Kom, laat ons van hier opgaan en hulp verleenen en troost schenken. Waarom zoudt ge hier langer toeven en langer nog om uwe liefste roepen, die toch uw stem niet hoort? En wat is de liefde, dat gij daaraan zooveel waarde hecht?"
Maar de jonge visscher antwoordde niet, zoo groot was de macht zijner liefde.
En elken morgen en elken middag riep hij weder om haar, en elken avond, wanneer de duisternis gevallen was, kreet hij opnieuw haren naam.
Maar nimmermeer steeg zij van uit de diepte tot hem omhoog, noch vermocht hij haar terug te vinden, wáár hij haar ook zoeken ging, in de stroomingen der wateren of in de valleien die onder de golven zijn, in de zee die purpergekleurd ligt in avondgloed, of in de zee die grauw schijnt onder de vlerken van morgenschemering...
En toen het tweede jaar verstreken was, sprak de ziel op een nacht tot den jongen visscher, die alleen in zijn gevlochten hut zat:
--"Zie, ik heb u tot het slechte trachten te verleiden, en ook tot het goede willen voeren, en uwe liefde is sterker gebleken dan ik. Daarom wil ik u niet meer in verzoeking brengen, maar ik smeek u: laat mij tot uw hart doordringen, opdat ik één met u worde, gelijk vroeger."
--"Waarlijk, gij moogt tot mijn hart doordringen," sprak de jonge visscher, "want in de dagen toen gij zonder hart door de wereld rondgedoold zijt, moet ge veel geleden hebben."
--"Ach," riep de ziel, "geen ingang kan ik vinden, zoo zeer is uw hart omvangen door uwe liefde."
--"En toch wilde ik, dat ik u helpen kon," sprak de jonge visscher.
En nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of van over de zee weerklonk eene groote weeklacht, zooals de menschen die vernemen, wanneer er een van het watervolk gestorven is. En de jonge visscher sprong op, verliet zijn hut, en ijlde naar de zeekust. En de zwarte golven kwamen aangedruischt naar den oever, en droegen eene last, die blanker was dan zilver. Blank als het schuim der branding was zij, en gelijk een bloem deinde zij heen en weer op de golven.
En de branding nam haar over van de golven, en de oever ontving haar, en aan de voeten van den jongen visscher lag het levenlooze lichaam van de kleine zeemeermin.
Dood lag zij aan zijne voeten.
En kermend als een, die door smart overweldigd is, wierp hij zich naast het doode lichaam neer. En hij kuste het kille rood van haar mond, en hij streelde het natte barnsteen van heur haar. Hij wierp zich naast haar op het zand en schreide als een, die door vreugde zinneloos werd, en met zijne bruine armen hield hij haar vast aan zijn borst geklemd. Koud waren hare lippen, maar hij kuste ze warm. Zilt smaakte de honing van heur haar, maar hij proefde die met bittere vreugde. Hij kuste de gesloten oogleden, en het trillende schuim dat op hare oogen lag, was minder zout dan zijne tranen.
En aan het doode lichaam biechtte hij zijne daden. In de schelpen harer ooren goot hij den bitteren wijn van al zijn lijden. Hare kille armen plooide hij om zijn hals, en met zijne vingers streelde hij het fijne slanke lijf. Vol bitterheid was zijne vreugde, en zijne smart was vervuld van zonderlinge blijheid.
En dichter en dichter-naderbij kwam de donkere zee, en het blanke wit der branding steunde luid als een gepijnigd dier.
Met witte klauwen van schuim greep de zee naar het strand. Toen klonk van uit het paleis van den waterkoning een nieuwe kreet van rouwe, en ver, ver over de zeeën, bliezen de Tritonen met heeschen klank op hunne hoorns.
--"Vlucht!" sprak de ziel. "Vlucht, want al nader komt de zee, en zoo gij langer talmt, zal zij u verzwelgen. Vlucht, want ik ben vol vreeze, daar uw hart zich, om der wille van uwe groote liefde, nog niet voor mij geopend heeft. Vlucht naar een veilig oord.... Waarlijk, gij moogt mij niet zonder hart naar eene andere wereld zenden!"
Maar de jonge visscher luisterde niet naar zijn ziel; hij vleide zich tegen het kleine bleeke zeemeerminnetje en sprak: "Liefde is beter dan Wijsheid en kostbaarder dan Rijkdom, en schooner dan de blanke voeten van de dochteren der menschen. Geen vlammen vermogen haar te vernietigen, en geen waterstroomen haar te verzwelgen. Ik riep naar u wanneer de morgenstond gloorde en gij luisterdet niet naar mijn roep. De maan hoorde uw naam weerklinken, maar gij bleeft zwijgen. Ik had u moedwillig verlaten, en tot mijn eigen ellende ging ik heen, verre van U. Maar altijd is uwe liefde bij mij gebleven, en altijd was zij sterk, en niets vermocht zich tegen haar te richten, of ik ook van het slechte vervuld was, dan wel van het goede. En nu, nu gij gestorven zijt, zie, nu wil ik met u sterven."
En wederom smeekte zijn ziel hem om te vluchten, maar hij luisterde niet naar haar, zoo groot was zijne liefde.
Al nader en nader kwam de zee, al rusteloozer beproefde zij hem met hare breede golven-armen te bereiken en te omspoelen.
En toen hij voelde dat zijn einde nabij was, kuste hij wild, met brandende lippen den kouden mond van het zeemeerminnetje, en zijn hart, dat in hem was, brak.
En toen zijn hart gebroken was door overgroote liefde, toen kon de ziel er toegang vinden en werden zij weder één gelijk vroeger. En de zee bedekte den jongen visscher met haar golven.
Den volgenden morgen kwam de priester op het strand, om de zee te zegenen, want zij was zeer onrustig geweest. En met hem kwamen monniken en muzikanten, kaarsendragers en knapen die wierookvaatjes zwaaiden, en nog eene menigte van menschen.
En toen de priester den oever bereikt had, vond hij het doode lichaam van den jongen visscher in de branding liggen, en, in zijne armen vastgeklemd, zag hij het lijk van de kleine zeemeermin. Met gerimpeld voorhoofd trad hij eenige schreden achteruit, maakte het teeken des kruizes en sprak luid:
--"Ik wil de zee niet zegenen, noch zegenen iets, wat zich in de zee bevindt. Vervloekt zij het watervolk en vervloekt mogen allen zijn, die zich met dat volk inlaten. Hier ligt hij dood, die, om der liefde wille, zijnen God verloochend heeft, en daar nu ligt hij met zijn liefste, door God zelf verslagen. Neemt zijn doode lichaam op, van hem en van zijn liefste, en begraaft hen in den eenzaamsten hoek van het Veld der Distelen, en zet geen steen op 't graf, noch eenig ander teeken, opdat niemand de plaats hunner rust wete. Want vervloekt waren zij in hun leven, en vervloekt zullen zij zijn tot na hun dood."
En het volk deed zooals hem gelast werd; en zij groeven een diepen kuil in den eenzaamsten hoek van het Veld der Distelen, daar waar geenerlei zoete kruiden groeiden, en zij legden daarin de twee doode lichamen.
En toen het derde jaar verstreken was, ging de priester op een dag, die een Heiligendag was, naar de kapel, om het volk de wonden des Heeren te toonen en van God's toorn te prediken. En toen hij het priestergewaad had aangelegd en de kapel betreden had, en zich nijgen wilde voor het altaar, zag hij, dat het bedekt was met vreemdsoortige bloemen, zooals hij die nimmer nog aanschouwd had. En zonderling waren zij om aan te zien, en hunne schoonheid maakte hem dronken, en hunne geur was wellust voor zijne neusgaten. En hij was blijgestemd en wist toch niet waarom hij blij gestemd was.
En toen hij den tabernakel geopend, de monstrans bewierookt, en de heilige Hostie getoond had aan het volk, en het weer weggeborgen had achter den sluier aller sluiers, begon hij tot het volk te spreken, en hij wilde hen spreken van God's heiligen toorn. Maar de schoonheid der witte bloemen maakte hem dronken, en hun zoete geur was wellust voor zijne neusgaten, en op zijn lippen kwamen andere woorden. Niet van God's toorn sprak hij, maar van God, wiens wezen Liefde was. En wáárom hij zoo sprak, dat wist hij niet.
En toen hij had opgehouden met spreken, weende het volk en de priester trad in de sakristy, en zijne oogen waren gevuld met tranen. De diakenen kwamen binnen en namen hem het priesterkleed af, en het koorhemd en den gordel en de gewijde mouwen en de stola. Als in een droom stond daar de priester. En toen zij hem van zijn misgewaad ontdaan hadden, zag hij tot hen op en vroeg: "Welke bloemen waren heden op het altaar, en vanwaar zijn zij gekomen?"
En zij antwoordden:
--"Wat soort van bloemen 't zijn, weten wij niet, maar zij bloeien ginds, op het Veld der Distelen, in den eenzaamsten hoek."
En de priester sidderde en ging in zijn huis en bad.
En op den volgenden morgen, vóór dat nog de zon ter kimme was gerezen, trok de priester naar buiten, met de monniken en de muziekanten, met de knapen, die de wierookvaten zwaaiden en met hen, die de kaarsen droegen, en een groote schare van menschen volgde hem. En hij kwam aan den oever van de zee, en hij zegende het water, en alle wilde schepselen, die daarin wonen. En hij zegende de faunen, en al de kleine schepselen, die in de wouden dansen, en zij die met glanzende oogen gluren tusschen 't loof. En alle schepselen in God's wijd heelal zegende hij, en het volk was van verbazing vervuld.
Maar nimmermeer bloeiden de bloemen in den eenzamen hoek van het Veld der Distelen.
Leeg en kaal bleef de plek als zij te voren was. En ook het watervolk kwam niet weer in de bocht, gelijk vroeger: naar een ander deel van de zee trokken zij henen.
IV.
HET STERREKIND.
Er waren eens twee arme houthakkers, die door een groot dennenbosch naar huis toe keerden. Het was winter en de nacht was bitter koud. De sneeuw lag hoog op den grond en op de takken der boomen. Waar zij voorbijgingen knakten aan beide kanten van den weg de fijne takken door de strenge vorst; en toen zij de beek genaderd waren die van de bergen komt, zagen zij dat die roerloos in de lucht hing, want de ijskoning had haar gekust.
Het was zóó koud, dat zelfs de dieren en de vogels niet wisten, wat zij moesten beginnen.
"Oe!" huilde de wolf, terwijl hij met den staart tusschen de pooten door het kreupelhout liep. "Wat een allerafschuwelijkst weer. Dat de regeering dáár niet een stokje voor steekt!"
"Oeit! Oeit! Oeit!" tjilpten de groene vlasvinken, "de oude aarde is dood en nu heeft men haar met een wit doodslaken toegedekt."
"De aarde wil bruiloft vieren en dit is haar bruidskleed," fluisterden de tortelduiven elkander toe. Hunne kleine, rooskleurige pootjes waren geheel bevroren, maar zij vonden dat het hun plicht was om den toestand romantisch op te vatten.
"Onzin!" gromde de wolf. "Ik zeg jullie, dat alles de schuld is van de regeering en wanneer jullie me niet gelooft eet ik je op."
De wolf was zeer praktisch van natuur en het ontbrak hem nooit aan geldige argumenten.
"Nu, wat mij betreft," zeide de specht, die een geboren wijsgeer was, "ik geef geen duit om zulke uiteenzettingen. Wanneer iets eenmaal is, dan is het ook zoo, en nu is het verschrikkelijk koud, dat staat vast."
En verschrikkelijk koud was het dan ook werkelijk. De kleine eekhoorntjes, die binnen in de groote pijnboomen woonden, wreven aanhoudend hunne snoetjes tegen elkaar om warm te blijven en de konijntjes rolden zich in hunne holen op en waagden niet naar buiten te komen.
Alleen de groote steenuilen schenen in hun schik. Hunne vederen stonden geheel stijf van den rijp, maar dat hinderde hen niet; zij rolden met hunne groote gele oogen en riepen elkaar door het bosch toe: "Toe--wiet! Toe--woo! Toe--wiet! Toe--woo! Wat een heerlijk weer hebben we toch!"
Intusschen liepen de twee houthakkers al verder en verder, bliezen krachtig op hunne vingers en stampten met hunne groote, met ijzer beslagen laarzen op de vastgetreden sneeuw. Eens zonken zij plotseling weg in een kuil vol jachtsneeuw en toen ze er uit kwamen, waren ze zoo wit als de molenaars ten tijde van het koren malen; een andermaal gleden zij uit op het gladde ijs, daar waar het moeraswater toegevroren lag, en hunne bundels rijshout vielen uit elkaar, zoodat zij ze weer bijeen moesten rapen en op nieuw samenbinden; en eenmaal meenden zij den rechten weg verloren te hebben en groote angst beving hen, want zij wisten dat de sneeuw onverbiddelijk is voor hen, die in hare armen rust zoeken. Maar zij vertrouwden op den goeden Sint-Martyn, die over alle zwervers waakt en keerden weer terug op hunne voetsporen en letten toen dubbel goed op. En eindelijk bereikten zij den rand van het bosch en zagen ver beneden, in het dal aan hun voeten, de lichtjes schemeren van het dorp, waarin zij woonden.
Hunne vreugde over die redding was zoo groot, dat zij hardop lachten en de aarde leek hen een zilveren bloem en de maan een bloem van goud.
Maar nadat zij gelachen hadden werden zij toch weer treurig, want zij dachten aan hunne armoede en een hunner zeide tot den anderen: "Waarom hebben wij eigenlijk gelachen? Wij zien immers dat het leven alleen goed is voor de rijken en niet voor zulke menschen als wij zijn. Beter ware het geweest, wanneer wij in het bosch van koude omgekomen waren, of wanneer wilde dieren ons aangevallen en gedood hadden."