Het geval België

Part 2

Chapter 23,540 wordsPublic domain

Het is niet gewaagd te onderstellen, dat op de Pruisische Regeering, in hare berekening dat België “bakzeil zou halen,” het Hollandsch spreekwoord “zooals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten” van volle toepassing was.

Op dien vierden Augustus overschreden de Duitsche troepen de Belgische grens en namen de vijandelijkheden een aanvang.

Dienzelfden dag in een stampvolle zitting van den Rijksdag trachtte de Duitsche Rijkskanselier de gewelddadige actie van Duitschland tegenover de buitenwereld goed te praten; voor de schending van België's onzijdigheid voerde de officieele spreekbuis der natie de volgende zoogenaamde rechtvaardiging aan:

“Wij verkeeren thans in een staat van nood en nood breekt wet; onze troepen hebben Luxemburg bezet en zijn op dit oogenblik waarschijnlijk reeds op Belgisch grondgebied. _Dat, mijne Heeren, is in strijd met de voorschriften van het internationaal recht._ Het is waar dat de Fransche Regeering te Brussel heeft verklaard, dat Frankrijk bereid is, België's onschendbaarheid te eerbiedigen, zoolang haar tegenstander zich aan dezelfde regel houdt. Het was ons echter bekend, dat Frankrijk zich gereed hield, België binnen te vallen. _Frankrijk kon wachten, wij niet._ Een eventueele Fransche aanval in onzen flank, op de Nederrijn zou deerlijk voor ons hebben kunnen afloopen. Wij zagen ons derhalve genoodzaakt, het rechtmatig protest van de Luxemburgsche en Belgische Regeeringen te ignoreeren. Wij zullen alles doen om _het kwaad—ik spreek vrij-uit—dat wij thans bedrijven_ goed te maken, zoodra ons militair object is bereikt. Elk en een iegelijk, die zich bedreigd ziet als wij bedreigd zijn en die voor zijn dierbaarste belangen te vechten heeft, kan maar één gedachte hebben: hoe er zich door te slaan.”

Het is opvallend, dat bij deze gelegenheid, waar het toch boven alles ging—niet alleen als plicht maar niet minder om het belang van Duitschland—om tegenover de wereld hare schending van België's onzijdigheid te rechtvaardigen, Duitschland's optreden alleen wordt verdedigd met een beroep op eigenbelang—al wordt dit dan ook tot zoo iets als “noodweer” opgeblazen—en op niets, niets anders!

Hoe Duitschland het door haar bedreven kwaad goed maakte—de wereld weet het. Na België zoo goed als vermorseld te hebben, het aan een meewarige buitenwereld overlatend, hare bevolking door liefdegaven in het leven te houden, heeft Duitschland de laaghartigheid, den Belgischen steden zware boeten op te leggen en—als om de hoogste climax in verdrukking te bereiken—van een verarmde bevolking een maandelijksche schatting van vijf-en-dertig millioen francs benevens een buitengewone boete van driehonderd-vijf-en-zeventig millioen francs voor beweerde “schending van onzijdigheid” af te persen. Ware het geval niet zoo diep aangrijpend, men zou zich geneigd gevoelen op de galgenhumoor van deze boete te wijzen als een der meest duivelsche kluchten ooit op het wereldtooneel vertoond.

Hoezeer von Bethmann-Hollweg's verklaring gewag maakt van het feit, dat “Frankrijk zich gereed hield, België binnen te vallen,” past hij er wel voor op, “man en paard te noemen.” Hij meldt niet, dat Frankrijk zich aan het binnenvallen heeft schuldig gemaakt, zelfs niet, dat het op het punt stond, zulks te doen. Er wordt, integendeel, nog gezegd dat Frankrijk kon wachten, maar Duitschland niet. De eigenaardige beteekenis van dit toevoegsel sprong blijkbaar zóó in het oog, dat het in latere edities van de rede van den Rijkskanselier, voorzoover in Duitschland verspreid, achterwege werd gelaten.

De oorlog tusschen Duitschland en België was derhalve uitgebroken en de edele leider van het laatste rijk—“op-en-top een Koning”—wendde zich tot Koning George met het volgend beroep:

“Mij de talrijke bewijzen van vriendschap van Uwe Majesteit en van Hare voorgangers, de vriendschappelijke houding van Engeland in 1870 en het bewijs van genegenheid ons juist opnieuw gegeven, herinnerend, doe ik een dringend beroep op de diplomatieke tusschenkomst van Uwer Majesteit's Regeering om de onschendbaarheid van België te vrijwaren.”[8]

[8] Belgisch Grijsboek, No. 25.

In antwoord op dit beroep, dat geen ridderlijk volk onverhoord had kunnen laten, droeg Sir Edward Grey onmiddelijk aan den Engelschen Gezant te Berlijn op, Duitschland een ultimatum te overhandigen.

Toen genoemde Gezant, Sir Edward Goschen, zich ter zake bij den Duitschen Staatssecretaris vervoegde en het ultimatum aanbood, verklaarde hem de heer von Jagow dat hij tot zijn groot leedwezen geen ander antwoord kon geven dan dat hetwelk hij reeds eerder, dienzelfden dag, gegeven had, te weten, dat de veiligheid van het keizerrijk het absoluut noodig maakte, dat de keizerlijke troepen door België zouden rukken.

“Ik zeide hem daarop”—aldus Sir Edward Goschen in zijn rapport aan de Engelsche Regeering—“dat ik den Rijkskanselier gaarne zou bezoeken, daar zich wellicht niet zoo spoedig weer eene gelegenheid zou voordoen, hem te zien. De heer von Jagow ging hierop in en ik werd bij den Rijkskanselier toegelaten. Hij was zeer opgewonden. Zijne Excellentie brak onmiddelijk in een vloed van verwijten uit en bleef voor bijna twintig minuten achtereen aan het woord. Hij zeide dat de stap door Zijne Majesteit's Regeering genomen aller-verschrikkelijkst was; voor een enkel woord—“onzijdigheid”—een woord dat in oorlogstijd zoo herhaaldelijk was genegeerd, voor een vodje papier stelde Groot-Brittanje zich voor, aan een verwante natie, die er op uit was, in vriendschap met haar te leven, den oorlog aan te doen! Hij verklaarde dat de verantwoordelijkheid voor alle vreeselijke gebeurtenissen, die uit zulk een stap mochten voortvloeien, voor rekening zou komen van Engeland. Ik protesteerde ten sterkste tegen zulkeen bewering, zeggende dat evenzeer als hij en de heer von Jagow mij wenschten te doordringen van het feit, dat het op strategische gronden een quaestie van leven of dood voor Duitschland was om door België te marcheeren en dusdoende de onzijdigheid van dit rijk te schenden, ik niet minder sterk wenschte, hem te doordringen van het feit, dat het voor Groot-Brittanje's eer een levensquaestie was, om haar plechtig gegeven woord na te komen en zich tegen een inbreuk op België's onschendbaarheid met hand en tand te verzetten.”

Het is alweer hoogst merkwaardig en, met het oog op de latere onhandige pogingen van de advocaten van Duitschland om haar vrij te pleiten, hoogst noodig hier te wijzen op het feit, dat noch de Duitsche Staatssecretaris, de heer von Jagow, noch zijn chef, de Duitsche Rijkskanselier, bij deze gelegenheid _met een enkel woord gewag maakten van een schending van België's onzijdigheid als gevolg van eenigen oorlogsdaad door Frankrijk ten haren aanzien begaan_.

De heer von Jagow ging zelfs verder, waar hij met groote vrijmoedigheid de werkelijke reden van Duitschland's optreden blootlei; deze kwam op niets meer of minder neer dan dat het er voor haar op aankwam, “Frankrijk langs den kortsten en minst bezwaarlijken weg binnen te rukken” en “den zuidelijken toegangsweg te vermijden,” daar “het hier te zeer aan goede wegen haperde en de fortenlinie zoo sterk was,” omstandigheden die “tot groot tijdverlies” zouden moeten leiden.

De verpletterende slotsom, dat wij, op grond van deze erkende feiten, in Duitschland en in niemand anders de schuldige hebben te zien, tracht een pamflet, getiteld: “De Waarheid over den Oorlog,” af te weren. Het verscheen onder de auspiciën van een aantal aanzienlijke Duitschers, die op hun beurt bij het Amerikaansch publiek worden ingeleid door Professor John W. Burgess van Columbia College. Volgens hem behooren zij tot “het zout der aarde” en tot “de grootste denkers, zedemeesters en wijsgeeren van de eeuw.” Om alle twijfel aan het gewicht van hun gezag bij voorbaat te ontzenuwen wordt ons verzekerd dat dit verweer den steun heeft van den grooten theoloog von Harnack; van den klaren en begaafden mathematicus en staathuiskundige von Schmoller; van den voortreflijken philoloog von Wilamowitz; van den welbekenden historicus Lamprecht; van den doorkneeden staatsman von Posadowsky; van den schitterenden diplomaat von Bülow; van den grooten financier von Gwinner; van den grooten bevorderaar van handel en scheepvaart Ballin; van den grooten uitvinder Siemens; van den eminenten evangelieprediker Dryander en den onmisbaren Directeur van het Duitsche Departement van Opvoeding Schmidt. (Al de hier gebezigde epitheten zijn van Professor Burgess zelf.)

De doorslag-Amerikaan is, zoogoed als elk doorslag-burger van welk beschaafd land ook, waar zijn natuurlijke hartstochten niet onnoodig worden opgewekt, geneigd, een zaak als die waarom het hier gaat van een zeer kalm, beslist en nuchter standpunt te bezien; eenmaal de conclusie voor zichzelven hebbende opgemaakt, zal het niet gemakkelijk vallen, hem tot een ander inzicht te brengen op het gezag van de Harnacks, von Schmollers, von Wilamowitzen, Lamprechts, von Posadowsky's, von Bülows, von Gwinners, Ballins, Siemensen, Dryanders en Schmidts, of van welke andere “vons” ook van het Duitsche “Who's Who?”[9]

[9] Bekend Engelsch jaarboek, waarin ieder die maar even voor vermelding in aanmerking komt, pleegt te worden opgenomen. Een populaire Almanach de Gotha. (Vert.)

Hunne verdediging van het Duitsche standpunt schijnt te rusten op de door niets gestaafde bewering, dat “Engeland en Frankrijk besloten waren, de onzijdigheid van België niet te eerbiedigen.”

Hieraan voegen zij dan toe:

“Het zou een misdaad tegen het eigen volk geweest zijn, als de Duitsche generale staf de vaststaande bedoeling van den tegenstander niet voorgekomen was. Wiens leven bedreigd is, die heeft op grond van het recht der zelfverdediging, dat niemand hem ontzeggen kan, ook de moreele vrijheid te schieten, waar dat onder gewone omstandigheden niet geoorloofd is.

“Toen België, ondanks het vertoog van Duitsche zijde, niet wilde toelaten dat Duitsche troepen, tegen belofte van het behoud van zijn onafhankelijkheid bij het sluiten van den vrede, door een klein gedeelte van zijn gebied trokken, moest de Duitsche generale staf, om zich niet de ernstigste militaire nadeelen te laten opdringen, den doortocht forceeren: Inter arma silent leges!”

Verder wordt ons nog verteld dat “Zooals in 1870–71 in Frankrijk, de Duitsche troepen met hun ongeëvenaarde tucht ook nu in België de persoonlijke vrijheid en het particulier eigendom zullen eerbiedigen”—een phrase, die deze geleerden, wijsgeeren, opvoeders en zieleherders dan nog aanvullen met de opmerking: “De Belgen zouden wijs gehandeld hebben, als zij vrijwillig den doortocht van de Duitsche troepen hadden toegestaan,” want “zij zouden daarmede de ongereptheid van hun gebied verzekerd, en met de goed en contant betalende Duitsche troepen geen slechte zaken gedaan hebben.”

Deze verdediging komt dus per slot van rekening neer op het betoog, dat België aan geld de voorkeur zou hebben moeten geven boven haar eer; dezelfde gedachtengang, naar het schijnt, die er de Duitsche Generale Staf toebracht, het verlies van eer te verkiezen boven dat van een oogenblikkelijk militair voordeel.

Deze erbarmelijke goedpraterij, gegrond op het vermeend recht van Duitschland om België te verderven om hierdoor zichzelven onnoodig verlies van menschenlevens te besparen, is een fraai staaltje van den diepgaanden invloed van Bernhardisme onder op den voorgrond tredende Duitsche denkers.

De bronnen van moreele sophisterij zijn zoo goed als drooggelegd bij het pogen dezer advocaten van Duitschland's gedrag om voor het gewelddadig binnendringen van België een verdedigbaar motief op te duiken.

De ethische zijde van het vraagstuk heeft zich echter, geheel onnoodig, al te uitsluitend bewogen om de met zooveel woorden gestipuleerde verplichtingen van Engeland, Duitschland en Frankrijk ten aanzien van België. De veroordeeling van Duitschland's houding werd buiten noodzaak gebaseerd op den engen grond, dat Duitschland bij het verdrag van 1839—waarover straks meer—zoowel als bij de Haagsche Conventie van 1907 nadrukkelijk haar plechtig woord verpand had om de onzijdigheid van Luxemburg en België beide te respecteeren.

Maar ook zonder dat een Haagsche Conventie of een Londensch traktaat in het geval had voorzien—ook al hadden Duitschland, Engeland en Frankrijk zich, nimmer en waar ook, _contractueel_ verbonden, België's onschendbaarheid onverlet te laten—dan nog zou, en wel op geen anderen grond dan die van de ongeschreven internationale wet, een binnendringen van haar grondgebied _tegen haar wil_ met geen mogelijkheid te verdedigen of zelfs te verontschuldigen zijn geweest. Want—is het niet het allereerste beginsel van het recht, dat de onderlinge verhouding tusschen de verschillende staten beheerscht, dat elke staat de eenige en uitsluitende rechter zal zijn, aan wien de beslissing behoort te worden gelaten of, en zoo ja onder welke voorwaarden, hij aan een vreemdeling zal vergunnen, zijne grenzen te overschrijden? Zijn grondgebied moet als onaantastbaar, als heilig, worden aangemerkt. Geen natie ter wereld kan het zonder zijne toestemming betreden. Wordt dit toch gedaan, dan is een casus belli aanwezig en de indringer is voor den oorlog aansprakelijk. Het grondgebied van elken staat is zijn kasteel, zijn toevlucht, zijn heiligdom. Men zij er op bedacht, dit fondamenteel beginsel van België's recht niet te verwarren of uit het oog te verliezen door _te zeer_ den nadruk te leggen op de inderdaad van geringer beteekenis zijnde speciale verplichtingen uit traktaat geboren, die Frankrijk, Duitschland en Engeland, _i.c._, zouden binden.

Een voorbeeld kan de juistheid dezer opvatting helder in het licht stellen. Laat ons eens aannemen, dat de legers van den Keizer het doel inderdaad hadden bereikt, waarvan zij zich zoo zeker waanden en dat zij niet slechts Parijs ingenomen, maar zelfs in Engeland vasten voet gekregen hadden—gesteld verder, dat de Duitsche Generale Staf met het oog op een volkomen vernietiging van het Britsche Rijk het plan had Canada aan te tasten en te overweldigen. Met dit doel voor oogen—laat ons verder stellen—richtten de Duitschers tot de Vereenigde Staten een gelijksoortige onbeschaamde eisch als zij aan België deden, van de Vereenigde Staten vorderend, dat zij de landing van een Duitsche armee te New-York zouden toestaan, waartegenover hunnerzijds de verzekering wierd gegeven, dat zij noch aan het grondgebied noch aan de onafhankelijkheid van Amerika afbreuk zouden doen, maar integendeel alle materieele schade door hen toegebracht, op royale wijze zouden vergoeden. . . .

Laat ons verder ter wille van het argument aannemen—en waarlijk de onderstelling is niet gewaagd!—dat de Vereenigde Staten op dit vriendelijk voorstel van Duitsche zijde tot bescheid zouden geven, dat zij _onder geen beding_ de landing van een Duitsche legermacht om deze tot een aanslag op Canada te gebruiken, in New-York of haar gebied zouden gedogen. Om de analogie volkomen te maken moeten wij dan nog een schrede verder gaan en ons voorstellen, dat de Duitsche vloot, zonder zich aan de ontvangen weigering te storen, een leger in de stad New-York zou ontschepen, dat de landingstroepen zich van New-York's burgervader zouden meester maken en aan de verontwaardigde burgers hunne pogingen om hun stad te verdedigen, betaald zouden zetten, door de Kathedraal, de stedelijke Kunst-Musea, het Stadhuis en verdere publieke gebouwen in puin te leggen en talrijke groepen van burgers te fusilleeren op grond van het feit, dat zich eenige non-combattanten hadden verstout, den inval niet met voldoende onderworpenheid jegens den Duitschen indringer te aanvaarden. . . .

Zou zulk een optreden, vragen wij, ook al had Duitschland zich nimmer bij traktaat verbonden, het grondgebied van de Vereenigde Staten te zullen ontzien, anders kunnen worden opgevat dan als een schending van het hoogste van alle rechten, die een soevereine staat bezit? Zou een zuiverder _casus belli_ den Vereenigden Staten kunnen worden geschonken?

De beweerde onverbindbaarheid van het traktaat van 1839 is hiermede opeens van de baan of wordt in elk geval van geringe beteekenis. Dr. Dernburg en Prof. von Mach weten er echter iets anders op, al komt het eenige wat zij kunnen aanvoeren neer op de bewering, dat Frankrijk, met België's toestemming, de onzijdigheid van het koninkrijk reeds had geschonden. _Bewijzen voor deze beschuldiging blijven echter uit._ Wij hebben integendeel de nadrukkelijke verzekering van Frankrijk's zijde, tegenover België en Engeland in den avond vóór den Duitschen inval afgelegd, dat zij zich van schending van België's soevereine rechten zou onthouden; voeg hierbij de veelzeggende daadzaak, dat toen België binnengevallen werd en het een gebiedende noodzakelijkheid voor de Fransche natie was, haar zoo schielijk mogelijk ter hulp te komen en een inval af te slaan, die ook tegen haarzelven gericht was, Frankrijk niet gereed was en het _tien_ dagen duurde, vóór zij gereed was—toen het ongelukkig te laat bleek!—om den indringer te keeren.

Eens aangenomen, dat Frankrijk gereed stond, in België te vallen, dan kan men niet anders zeggen, dan dat van alle misslagen door de Duitsche buitenlandsche politiek begaan dit wel een der grootste was:—dat zij Frankrijk niet den tijd liet, aan haar voornemen gevolg te geven, want hierdoor zou Duitschland's actie in een geheel ander licht zijn geplaatst, daar het dan niet harerzijds maar van Frankrijk's zijde eene schending van België's onzijdigheid zou zijn geweest; voorzeker zou zulk een stand van zaken een groot voordeel voor Duitschland en een ernstige grieve jegens Frankrijk hebben in het leven geroepen.

Duitschland's grootste moeilijkheid op het huidig oogenblik, is haar moreel isolement. Zij staat vóór den vierschaar der geheele beschaafde menschheid als een schuldige. Al is zij ook nog zoo machtig en geducht, niets kan tegen dit verlies van hare moreele positie opwegen.

Met haar beroep op noodweer, die op niets anders neerkomt dan op een zelfzuchtig streven om het verlies van menschenlevens, dat met het binnenrukken van Frankrijk onmiddelijk gepaard zou gaan, ten koste van een ander uit te sparen—heeft Duitschland België in een slachthuis verkeerd, een vreedzame bevolking onder den voet getreden en hare ziel onder den ijzeren druk harer machtige legers verpletterd.

En toch—schoon uit elke porie bloed verliezend, doodelijk gewond en zoo goed als ontzield onder den hiel van den overweldiger, straalt België's eer ons als nimmer te voren tegen, door geen enkel zelfzuchtig streven, door geen persoonlijke oneer of gemis aan moed in het minst bezoedeld.

Men beweert dat er zich vóór het uitbreken van den oorlog officieren van het Fransche Leger te Luik en Namen ophielden. Men noemt ons geen namen en evenmin data; de bewering zou op grond van hare vaagheid kunnen worden gelaten voor wat zij is. Maar zelfs al ware zij juist, zouden wij willen vragen: sinds wanneer verbieden internationale gebruiken officieren, tot zekere natie behoorende, in het leger van eene andere natie te dienen? Duitsche officieren hebben voor jaren emplooi gevonden in Turkije en zich op het africhten en verbeteren van het Turksche Leger toegelegd, zonder dat het ooit in iemand is opgekomen te beweren, dat het gebruik van Duitsche officieren door het Ottomansche Rijk eene schending van neutraliteit daarstelde of een _casus belli_ deed rijzen.

Het is volstrekt niet uitgesloten, dat er vóór het uitbreken van den oorlog _Duitsche_ officieren in België te vinden waren en, waren er al geen officieren, men zou er zeker niet te vergeefs naar honderden spionnen hebben gezocht, van wier duivelsche werkzaamheid de bevolking van België spoedig tot hare bittere ervaring zou kunnen getuigen; maar ook al hield Duitschland er in België een breed-opgezet stelsel van spionnage op na, wil dit nog niet zeggen, dat Frankrijk het Belgisch domein daarom zonder toestemming zou hebben mogen binnenrukken.

Een rechtsgeleerde, die op zekere ervaring in het uitvinden van de waarheid kan wijzen, komt hier als vanzelf tot eene ontdekking, die hem met volkomen recht al deze vage aantijgingen ten aanzien van Fransche invasie-plannen doet op zij schuiven—te weten, dat Duitschland niet alleen steeds in gebreke is gebleven _met een enkel geloofwaardig getuigenis tot staving dezer beschuldigingen aan te komen_, maar dat zij niet eer tot het aanvoeren van dit verweer voor haar gedrag is overgegaan, _vóór de beschaafde wereld het reeds als een onuitwischbare smet had gebrandmerkt_.

Prof. von Mach, een zeer gezien opvoeder van Harvard-University en een warm aanhanger van de Duitsche zaak voelt dit gemis aan bewijs en stelt, vrij naief, een verdaging van de zaak voor. Hij zegt:

“Bleven Fransche officieren te Luik of in eenige andere Belgische sterkte na het uitbreken der vijandelijkheden en koesterde Frankrijk het voornemen, via België Duitschland aan te vallen? Duitschland doet van officieele zijde deze twee bezwaren gelden. Het eerste punt kan gemakkelijk worden uitgemaakt door den Hoogen Raad der Menschelijke Beschaving. Het behoeft hiervoor slechts krijgsgevangenen in België gemaakt te ondervragen. Zoolang geen onpartijdig onderzoek heeft plaats gehad, is het onmogelijk bewijs bij te brengen, dat de voorstelling van zaken zooals zij door het Duitsche Gouvernement wordt gegeven niet de juiste is.”

Waar de Fransche officieren, in België gevangen genomen, zich thans naar alle waarschijnlijkheid in _Duitsche_ detentie-kampen bevinden, komt de eisch niet onbillijk voor, dat _Duitschland_ in de allereerste plaats hare positie bevestige door het noemen van namen, data en plaatsen, hoezeer ook dan nog het bloote feit, dat Fransche officieren _na_ de invasie in België werden gevangen genomen, niet noodzakelijkerwijze behoeft te leiden tot het bewijs, dat zij zich daar ook _vóór_ de invasie ophielden.

Dr. von Mach merkt nog op, in het antwoord door hem in _The New York Times_ gegeven op een artikel voor dat blad door steller dezes geschreven:

“Het is onmogelijk hier precies te zeggen, welke de bewijzen zijn, waarover Duitschland beschikt en waarvan de openbaring tot dusver op grond van militaire overwegingen niet wenschelijk werd geacht. . . . Dit is een belangrijke quaestie en het zij aan den Hoogen Raad der Beschaving overgelaten, ze op te lossen. Naar het gewicht van het bewijsmateriaal te oordeelen schijnt Duitschland in het gelijk te moeten worden gesteld. Maar niemand, die het wèl met Duitschland meent, kan bezwaar hebben tegen het uitstellen van een beslissend eindoordeel tot het oogenblik, waarin het Duitschland gegeven zal zijn, de wereld het volledig bewijs over te leggen en dat oogenblik zal wel niet dáár zijn, vóór de oorlog over is.”

Dit gemoedelijk voorstel om het brandend verlangen naar feiten het zwijgen op te leggen en in afwachting maar vast aan te nemen, _dat Duitschland in het gelijk is_, doet iemand in zijn originaliteit weldadig aan. Het eenig geval dat er op lijkt is dat van den vermaarden Dr. Cook, die er op stond, dat de wereld zijn claim, dat hij de Noordpool had ontdekt op goed geloof zou aannemen, _in afwachting van de bewijzen, die later wel zouden volgen_.