Het geval België

Part 1

Chapter 13,389 wordsPublic domain

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: bv. | | met/zonder extra spatie. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | +----------------------------------------------------------------+

HET GEVAL BELGIË

Door

JAMES M. BECK,

Gewezen Assistent-Procureur-Generaal van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika.

IN HET NEDERLANDSCH OVERGEZET

Door

Mr. W. de VEER.

(Geauthoriseerde Vertaling.)

HARRISON & SONS, LONDON.

1915.

De uitgevers betuigen hierbij openlijk hun dank aan den schrijver, aan de Heeren “G. P. Putnam's Sons” te New-York en aan de eigenaren van The New York Times voor de door hen tot deze uitgave verleende vergunning.

HET GEVAL BELGIË.

Duitschland's gewetenlooze miskenning van België's rechten als soevereine Staat is een van de weerzinwekkendste voorbeelden van politiek onrecht die het boek der wereld-historie kan aanwijzen.

Men moge al aanvoeren, dat dergelijke dingen in vroegere en meer barbaarsche tijden zijn voorgekomen, dit neemt niet weg, dat er aanleiding bestond te gelooven, dat de menschheid sinds de dagen van Wallenstein en Tilly op zekeren vooruitgang kon bogen. Het is het pogen van de zijde van Duitsche geleerden, philosophen, opvoeders en geestelijken om den schandelijken euveldaad goed te praten, dat ons in dezen uit den droom komt helpen.

Het eindvonnis der menschelijke beschaving zal niet ernstig worden beinvloed door den uitslag van den oorlog; zelfs gesteld, Duitschland komt zegevierend uit dezen worstelstrijd op reusachtigen schaal en slaagt er in—zooals in dat geval zeker gebeuren zal—zich de eerste plaats onder de natiën der wereld te verzekeren, dan nog zou niets kunnen verhinderen, dat zij op grond van hare houding in dezen door de rest der menschheid voor altijd met den vinger wierd nagewezen. Tot hen die Alexander den Groote's loftrompet staken, placht Seneca te zeggen: “Zeker, hij was groot, maar. . . . hij vermoordde Callisthenes!” Zoo zullen de wijzen en rechtvaardigen van alle tijden tot de lofredenaars van een overwinnend Duitschland, als het daartoe ooit komen zal, zeggen: “jawel, maar zij verwoestte België!”

Het feit dat zoo hier (in de Vereenigde Staten—Vert.) als elders een aantal invloedrijke en ongetwijfeld “bona fide” partijgangers van Duitschland getracht hebben, deze monsterachtige inbreuk op het volkerenrecht te verdedigen, stelt ons voor een probleem, dat geacht mag worden, eer tot het gebied der psychologie dan tot dat van de logica of de zedelijkheid te behooren. Het werpt een treffend licht op een maar al te veelvuldig voorkomend verschijnsel, te weten het intreden van een geestelijke en moreele gevoelloosheid, zoodra zich in de geschiedenis der menschelijke samenleving een bijzonder heftig gekleurde crisis openbaart. Het toont zonneklaar welk een onstabiel ding het menschelijk brein is, wanneer wij zien, hoe een man van Dr. Haeckel's wereldvermaardheid, een geleerde en geschiedschrijver als Dr. von Mach of een zieleherder als Dr. Dryander zóó ten eenenmale worden meegesleept door de hartstochten van het oogenblik, dat zij de meest onaantastbare beginselen van openbare zedelijkheid gewoon-weg op zij schuiven.

Bij het uitbreken van den huldigen oorlog was België een vreedzaam land, dat niet in het minst deel nam in de twist en oogenschijnlijk in de beste verstandhouding leefde met alle andere mogendheden. Het had zich in de diplomatische besprekingen niet gemengd en had niets hoegenaamd van doen met de Servische strijdvraag. Een werkzaam, voorspoedig volk, bewoners van het dichtst bevolkte land in heel Europa en een levend in goed vertrouwen in de plechtige beloften, niet alleen van Duitschland, maar van de andere Groote Europeesche Mogendheden evenzeer, om aan te nemen, dat hare onzijdigheid zou worden ontzien. Dus verzekerd van haar bestaan, volgde het haar dagelijksche taak, blijkbaar gansch onbewust van de rampen, die haar dreigden en zoo plotseling over haar zouden worden uitgestort. Waarlijk, de bewoners van Pompeji, aan den vooravond van de uitbarsting, zich vermeiend in de genoegens die de schouwburg bood en zonder acht te slaan op de onheilspellende rookwolken die uit de Vesuvius opstegen, konden op de komende dingen niet meer onvoorbereid zijn geweest dan deze Belgen!

Op den 19en April 1839 kwamen België en Holland tot een vredesverdrag, waarbij werd bepaald dat “België een onafhankelijke staat vormt, die voor altijd onzijdig zal zijn.” Ter verzekering dezer onzijdigheid teekenden Pruisen, Frankrijk, Groot-Brittanje, Oostenrijk en Rusland dienzelfden dag een plechtige overeenkomst, waarbij deze natiën zich gezamenlijk borgstelden voor het handhaven dezer altijddurende onzijdigheid.

Hoezeer deze traktaten niet verder gingen dan de verzekering van België's rechten als onafhankelijke staat, bleek deze plechtige waarborg van den kant van de Groote Europeesche Mogendheden, van genoegzame verbindbaarheid om zelfs in 1870, toen Frankrijk en Duitschland een strijd op leven en dood aangingen en de vraag geopperd werd of Pruisen bereid was haar gegeven woord gestand te doen, den Ijzeren Kanselier, die in den regel niet duldde dat moreele overwegingen aan zijne politieke oogmerken in den weg stonden, te nopen, den Belgischen Gezant te Berlijn op 22 Juli 1870 te doen weten:

“Ter bevestiging van wat ik reeds mondeling erkende, heb ik de eer hierbij op schrift te verklaren—schoon zulk eene verklaring met het oog op de bestaande verdragen, mij _geheel overbodig_ voorkomt—dat de Noord-Duitsche Bond en zijne bondgenooten (het overig Duitschland) de onzijdigheid van België zullen eerbiedigen, onder voorwaarde natuurlijk, dat zulks door de andere oorlogvoerende partij ook wordt gedaan.”

Destijds was België's gevoel van eer, bij het nakomen van hare verplichtingen als onzijdige eer handelend naar den _geest_ dan naar de _letter_ van het traktaat, kiesch genoeg om, ook al zou zulks niet in strijd zijn geweest met de beginselen van internationaal recht, hare onderdanen te weerhouden van het leveren van wapenen en ammunitie aan de Franschen, met opoffering derhalve van een belangrijk voordeel harerzijds en terwijl het recht van hare bevolking om zulkeen handel te drijven niet kon worden ontkend. Laat ons hier dadelijk, ter eere van Frankrijk en Pruisen beiden, bijvoegen, dat in hun moorddadig duel van 1870–71, elk zich plichtmatig onthield van het schenden van België's onzijdigheid. Frankrijk ging zelfs zóover in het zich houden aan hare contractueele verplichtingen, dat, schoon Napoleon III en zijn leger van Sedan over de Belgische grens kon zijn ontkomen, met het vooruitzicht, al was het niet bepaald rooskleurig, tot een nieuwen aanval over te gaan en Frankrijk's nederlaag te verhoeden, de Keizer en het Fransche leger verkozen de beslissende vernedering van de capitulatie van Sedan te ondergaan, liever dan aan hun woord als natie te kort te doen.

In 1911 gaven eenige Hollandsche kranten, naar aanleiding van de levendige gedachtenwisseling die de quaestie van de fortificaties te Vlissingen in België in het leven riep, als hunne meening te kennen, dat bij het uitbreken van oorlog tusschen Frankrijk en Duitschland, de onzijdigheid van België _niet_ door Duitschland zou worden ontzien. De wenschelijkheid werd betoogd van een officieele verklaring van regeeringswege in den Rijksdag, waarbij zulkeen mogelijkheid nadrukkelijk zou worden weersproken, ware het alleen “om de openbare meening gerust te stellen en hare verdenkingen te kalmeeren.”

Toen de Duitsche Rijkskanselier, von Bethmann-Hollweg, van dezen staat van zaken kennis ontving, droeg hij den Duitschen Gezant te Brussel op, den Belgischen Minister van Buitenlandsche Zaken te verzekeren:

“Dat hij de gevoelens, waarvan België in dezen had doen blijken, op prijs stelde. Dat hij verklaarde, dat Duitschland er niet aan dacht, België's onzijdigheid te schenden, maar dat hij bezwaar maakte, zulkeen verklaring in het openbaar af te leggen, omdat dit Duitschland's militaire toebereidselen tegenover Frankrijk zou verzwakken, waar het Frankrijk immers, zoodra zij zich aan de noordelijke grens veilig rekenen kon, zou veroorlooven, zoogoed als al hare krachten aan de Oostelijke grens te concentreeren.”

Op 31 Juli 1914 vroeg de Belgische Secretaris-Generaal van Buitenlandsche Zaken den heer von Below, den Duitschen Gezant te Brussel, in den loop van een onderhoud, of hem (den Gezant) de verzekering—zoo juist gerelateerd—door von Bethmann-Hollweg, den Duitschen Rijkskanselier aan de Belgische Regeering door tusschenkomst van den Duitschen Gezant te Brussel gegeven, bekend was.

De heer von Below beantwoordde deze vraag bevestigend, aan deze mededeeling toevoegend: “Dat hij er _zeker_ van was, dat in de gevoelens, destijds van de zijde van Berlijn kenbaar gemaakt, geene verandering was gekomen.”

Wij zijn derhalve volkomen in 't gelijk, indien wij constateeren, dat Duitschland op 31 Juli 1914 bij monde van haren officieelen vertegenwoordiger bij het Belgische Hof de verzekeringen herhaalde in het Traktaat van 1839 vervat, zooals het opnieuw werd bevestigd in 1870 en nogmaals en nogmaals in 1911 en 1913.

In zijn ten onrechte “Gezond Verstand” getiteld geschrift, zegt George Bernard Shaw, onbetaalbaar als grappenmaker, maar niet zeer “ad rem” als jurist:

“Waar alle traktaten van de voorwaarde ‘rebus sic stantibus’ afhankelijk zijn en de staat van zaken, die ten tijde van het aangaan van het Verdrag van Londen (1839) bestond, zich sedert zoo belangrijk wijzigde . . . dat Gladstone in 1870 aan hare verbindbaarheid kon twijfelen en het noodig vinden kon, in een speciale tijdelijke voorziening te treden, die thans niet meer van kracht is—daar mogen wij zeker aan de technische geldigheid van het verdrag van 1839 ernstig twijfelen.”

Het argument gaat niet op, waar, ongelukkig voor Mr. Shaw, het traktaat van 1870 waarop hij doelt, de bepaling inhield dat het slechts voor twaalf maanden na het sluiten van de vrede van kracht zou zijn, om hieraan toe te voegen:

“Na ommekomst van dien termijn, zullen de onafhankelijkheid en onzijdigheid van België, voorzoover aangaat de hooge contracteerende partijen er bij betrokken, voortgaan te rusten, als tot dusver geschiedde, op artikel I van het vijfvoudig verdrag van den 19en April 1839.”

Mr. Shaw en anderen hebben zich in het bijzonder beroepen op een uittreksel van eene redevoering door Mr. Gladstone in 1870 gehouden. In die redevoering verwierp Mr. Gladstone, bij wijze van opvatting in het algemeen, in abstracto, de leer dat de verplichtingen uit een gesloten verdrag voortspruitende onder _alle_ omstandigheden, _hoe ook gewijzigd_, zouden blijven bestaan, maar er bestaat niet de minste aanleiding om te gelooven, dat Mr. Gladstone in het minst in twijfel trok, hetzij de beteekenis, hetzij de geldigheid van het verdrag van 1839 ten aanzien van België.

Duitschland's in het bijzonder uitgesproken verplichting steunt echter niet eens uitsluitend op het Verdrag van 1839.

In 1907 werd in den Haag de tweede Internationale Vredes-Conferentie gehouden. De vertegenwoordigers van vier-en-veertig natiën namen aan de beraadslagingen deel, hierdoor zoo na komende aan de verwezenlijking van den droom van den dichter—van een bondgenootschappelijk samengaan van de volkeren der aarde, een parlement der menschheid—als de langzame vooruitgang van het menschelijk geslacht toeliet.

De Conferentie had tot resultaat een samengaan op een aantal punten van principieelen aard en onder de handteekeningen, die het bezegelden treft men ook die van den vertegenwoordiger van Zijne Majesteit, den Keizer van Duitschland aan. De belangrijkste bepalingen van dit groot verdrag, voorzoover betrekking hebbende op de onschendbaarheid van onzijdig grondgebied, luiden als volgt:

_Artikel I._

Het grondgebied van onzijdige mogendheden is onschendbaar.

_Artikel II._

Het is aan oorlogvoerenden verboden, troepen of legertreinen, hetzij van oorlogsammunitie hetzij van leefbenoodigdheden, over het gebied van een onzijdige mogendheid te doen marcheeren.

_Artikel X._

De omstandigheid dat een onzijdige mogenheid zich verzet, zij het zelfs gewapenderhand, tegen de schending van haar grondgebied, kan niet gerekend worden een vijandelijke daad daar te stellen.

Op 2 Augustus 1914, toen de oorlog tusschen Frankrijk en Duitschland reeds verklaard was, oordeelde de Belgische Minister van Buitenlandsche Zaken het gewenscht, den Duitschen Gezant te Brussel mede te deelen, dat Frankrijk opnieuw uiting had gegeven aan haar voornemen, de onzijdigheid van België te eerbiedigen en Herr von Below, voornoemde Gezant, verwittigde den Heer Davignon, onder dankbetuiging voor de mededeeling hem gedaan, dat:

“hem tot nu toe niet was opgedragen, ons (België) eene officieele mededeeling te doen, maar dat wij zijne persoonlijke meening kenden omtrent de gerustheid, waarmede wij gerechtigd waren onze buren van het oosten te beschouwen. Ik (Davignon) heb onmiddelijk geantwoord, dat al wat wij wisten van deze bedoelingen, aangegeven in tal van vroegere gedachtenwisselingen, ons niet veroorloofde te twijfelen aan hun (Duitschland's) volkomen correcte houding tegenover België.”[1]

[1] Belgisch Grijsboek, No. 19.

Hieruit blijkt dus ten duidelijkste, dat Duitschland tot op 2 Augustus 1914, aan België met geen woord had doen blijken van hare plannen en—wat van nog meer beteekenis is—_noch op dien datum noch tevoren met een beschuldiging aan België's adres voor den dag kwam, als zou zij (België) in eenig opzicht te kort zijn geschoten in de nakoming van hare verplichtingen van onzijdige_.

Op 31 Juli 1914 droeg Engeland, niet ten onrechte twijfel koesterend ten aanzien van Duitschland's goede bedoelingen, hoezeer het van die zijde niet aan betuigingen van goede trouw ontbroken had, haren Gezanten te Parijs en te Berlijn op, aan de respectieve regeeringen bij wie zij geaccrediteerd waren, de vraag voor te leggen, of elk van haar kant bereid was, “_te beloven de neutraliteit van België te eerbiedigen, zoolang als geen andere mogendheid die schendt_.”[2]

[2] Engelsch Witboek, No. 114.

Van dezen stap werd door Sir Edward Grey, den Engelschen Foreign Secretary, mededeeling gedaan aan de Belgische Regeering, met de toevoeging, dat hij hoopte, dat het Belgisch Gouvernement alle macht waarover het te beschikken had tot het handhaven van zijne onzijdigheid zou aanwenden, eene onzijdigheid die hij hoopte en verwachtte dat andere mogendheden zouden ontzien en eerbiedigen.

Ter kwijting van deze opdracht meldde zich de Engelsche Gezant te Parijs nog dienzelfden nacht (31 Juli) bij den heer Viviani, den Franschen Minister van Buitenlandsche Zaken aan en mocht van hem een bevredigende toezegging ter zake ontvangen.

In overeenstemming met deze verklaring van den Franschen Minister, legde de Fransche Gezant te Brussel den volgenden dag tegenover den Belgischen Minister van Buitenlandsche Zaken deze belofte af:

“Ik ben gemachtigd U te verklaren dat ingeval van een internationaal conflict, de Regeering van de Republiek, gelijk zij steeds verklaard heeft, de neutraliteit van België zal eerbiedigen.

“In de onderstelling dat deze neutraliteit niet mocht geeerbiedigd worden door eene andere mogendheid, zou de Fransche Regeering, om haar eigen verdediging te verzekeren, er toe geleid kunnen worden haar houding te wijzigen.”[3]

[3] Belgisch Grijsboek, No. 15.

Op 31 Juli 1914 vervoegde zich de Engelsche Gezant te Berlijn bij den Duitschen Staatssecretaris en legde hem Sir Edward Grey's vraag voor; als eenig antwoord werd hem meegedeeld, dat hij (de Staatssecretaris) eerst den Keizer en den Rijkskanselier ter zake moest spreken, waaraan deze beteekenisvolle mededeeling werd toegevoegd: dat het om strategische redenen “zeer twijfelachtig was, of zij wel bereid zouden bevonden worden, eenig antwoord te geven.”

Blijkbaar wendde zich Sir Edward Goschen (de Britsche Gezant te Berlijn) ook tot den Duitschen Rijkskanselier, die hem ook met een ontwijkend antwoord afscheepte, zeggende “dat Duitschland in elk geval verlangend was, het antwoord te kennen door de Fransche Regeering aan U (Sir Edward Grey) gegeven.”[4]

[4] Engelsch Witboek, No. 122.

Dat deze uitlatingen slechts uitvluchten waren bleek zonneklaar uit de gebeurtenissen van den volgenden dag.

Op 2 Augustus overhandigde de Duitsche Gezant te Brussel het volgend “hoogst vertrouwelijk” staatsstuk aan het Belgische Ministerie van Buitenlandsche Zaken. Na te hebben gesteld dat “de Duitsche Regeering ‘betrouwbare berichten’ ontvangen heeft, volgens welke de Fransche strijdmachten het plan zouden hebben bij Givet en Namen over de Maas te trekken”[5] en aan de vrees uiting te hebben gegeven, “dat België, ondanks zijn besten wil niet in staat zal zijn zonder hulp een Franschen opmarsch van zulkeen omvang te keeren,” vervolgt het document:

[5] Belgisch Grijsboek, No. 20.

“Het is een eisch van zelfbehoud voor Duitschland om dezen vijandelijken aanval vóór te zijn. De Duitsche Regeering zou het daarom zeer levendig betreuren, indien België het feit, dat de maatregelen der vijanden van Duitschland haar verplichten Belgisch grondgebied te schenden, als een daad van vijandschap tegen zichzelve zou opnemen.”

Eenige uren later, om halftwee in den nacht van 2 op 3 Augustus, stoorde de Duitsche Gezant den Belgischen Secretaris-Generaal, Baron van der Elst, handelende voor den Minister van Buitenlandsche Zaken, in zijn nachtrust en stond er op hem onmiddelijk te spreken. Hij vertelde hem, “dat hij door zijne Regeering belast was, ons (België) mede te deelen, dat Fransche bestuurbare luchtschepen bommen hadden geworpen en dat een patrouille Fransche cavalerie met schending van het volkenrecht, aangezien de oorlog niet verklaard was, de grens was overgetrokken.”[6]

[6] Belgisch Grijsboek, No. 21.

De Secretaris-Generaal vroeg den Heer von Below waar deze gebeurtenissen hadden plaatsgegrepen. “In Duitschland” werd hem geantwoord. Baron van der Elst merkte op, dat hij zich in dat geval het doel van de mededeeling niet kon verklaren. De Heer von Below zeide daarop dat deze daden, in strijd met het volkenrecht, “van zulk een aard waren, dat zij andere inbreuken op het volkenrecht van den kant van Frankrijk konden doen verwachten.”

Wat deze laatste informaties aangaat, zij hier aangestipt, dat de Duitsche Regeering noch toen noch later ooit wereldkundig maakte, wat die “betrouwbare berichten” nopens de plannen van de Fransche Regeering waren of hoe zij er aan kwam, terwijl het een onbetwistbaar feit is, dat Frankrijk destijds heelemaal niet gereed was om een inval in België te doen.

Nog zij hier op het feit gewezen, dat de beweerde daden van vijandelijkheid van Fransche zijde, waarop de heele inval van België heet te steunen, volgens den Duitschen Gezant zelven _heelemaal niet op Belgisch grondgebied plaatsgrepen, maar op Duitsch_.

Hoe het zij, België wist van dit oogenblik af, dat men het op hare soevereiniteit voorzien had. Elk belang van stoffelijken aard dikteerde onderwerping aan de dringende eischen van haren geduchten buur. In het destijds algemeen heerschend geloof, dat eerst onlangs aan een herziening werd onderworpen, scheen het succes van Duitschland vrijwel zeker. Had België er zich toe laten vinden, de zegepraal voor Duitschland te vergemakkelijken, zeker zou zij, zoodra de overwinning bevochten was, aanspraken op een deel van de oorlogsbuit hebben kunnen doen gelden.

Inderdaad, had België een even luchtige opvatting van wat zij aan haar eer verschuldigd was als Pruisen, had zij zich diets gemaakt, dat de zucht tot behoud van haar bestaan een voldoende verontschuldiging voor eene moreele verzaking, hoe groot ook opleverde—zij zou het voorbeeld van Luxemburg, aan wie een gelijke invasie beschoren was, hebben kunnen navolgen en aan het Duitsche leger den doortocht hebben toegestaan, zonder dat haar eenig materieel nadeel zou zijn berokkend. In dat geval echter _zou zij haar nationale eer hebben prijsgegeven_.

Zelfs onder de omstandigheden als zoo juist beschreven, bleef België in den blijkbaren waan verkeeren, dat Duitschland ter elfder ure, na al haar eigen plechtige verzekeringen en vóór België's billijk protest, den treurigen moed zou missen, den lagen door haar beraamden aanslag te plegen.

De militaire attaché van het Fransche Gouvernement, op de hoogte gebracht van wat op een oorlogsverklaring van Duitsche zijde neerkwam, bood het Koninkrijk “den bijstand van vijf Fransche legercorpsen aan,” maar België, van haren kant verlangend hare verplichtingen van onzijdige stipt na te komen, wees den voorslag van de hand, zeggende:

“Wij zijn het Fransche Gouvernement ten diepste dankbaar voor dit aanbod van hulp, maar onder de omstandigheden is het ons voornemen niet, een beroep te doen op de door de Mogendheden gegeven garantie. De Belgische Regeering zal later beslissen, wat haar in dezen te doen staat.”

Schreef Caesar niet, dat van alle Galliërs de Belgen de dappersten waren?

In den avond van dien gedenkwaardigen dag beraadslaagde de Belgische Koning met zijne Ministers; Frankrijk's aanbod werd lang en breed besproken en opnieuw kwam het het Belgisch Gouvernement, dat nog steeds zekere waarde bleef toekennen aan de Punische betrouwbaarheid van Pruisen, het best voor, zich niet tot de guarandeerende groote mogendheden te wenden en evenmin van Frankrijk's aanbod gebruik te maken.

Den volgenden morgen om 6 uur overhandigde de Duitsche Gezant aan het Belgisch Gouvernement een formeele oorlogsverklaring, in deze bewoordingen vervat:

“Ik heb opdracht gekregen en heb de eer Uwe Excellentie te berichten, dat tengevolge van de weigering door de Regeering van Zijne Majesteit gesteld tegenover de goed bedoelde voorstellen, welke de Keizerlijke Regeering aan haar oordeel had onderworpen, deze zich, tot haar diep leedwezen genoopt zal zien—zoo noodig door geweld van wapenen—de maatregelen van veiligheid te nemen, die reeds vroeger als onvermijdelijk tegenover de Fransche bedreigingen werden gekenschetst.”[7]

[7] Belgisch Grijsboek, No. 27.

Ook in dit merkwaardig stuk geen woord over daden van _werkelijke_ schending van België's onzijdigheid die door Frankrijk zouden zijn begaan—neen, niets dan Fransche _bedreigingen_!