Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen
Chapter 8
"Maar wel moeten wij er aan denken," hernam Cyrus Smith, "dat wij ons verblijf bij goed drinkwater moeten opslaan."
"Laten wij dan, mijnheer Cyrus," zei Pencroff, "een huis aan den oever van het meer bouwen. Noch de steenen, noch de werktuigen ontbreken ons thans. Nu wij eenmaal steenbakkers, pottebakkers en smeden zijn geweest, kunnen wij ook wel metselaars worden."
"Ja, maar, vóór wij tot een besluit komen, moeten wij eerst een onderzoek instellen. Een woning, die door de natuur gemaakt is, bespaart ons alweder de moeite ze te maken, en zeker zal zij ons een veiliger woonplaats aanbieden, want zij zal beschut wezen tegen de vijanden zoowel inlandsche als buitenlandsche."
"Gij hebt gelijk, Cyrus," zei de reporter, "maar wij hebben deze rotsachtige kust al van alle kanten onderzocht en geen opening, geen spleet gevonden!"
"Neen, geen enkele," voegde Pencroff er bij. "Zoo wij maar een opening in dien muur hadden kunnen boren, op een zekere hoogte, zoodat zij buiten het bereik was, dat zou ons eerst te pas zijn gekomen! Van hier af zie ik reeds op den gevel die naar de zee gekeerd is, en vijf of zes kamers in dat huis."
"Met vensters die ze verlichten!" riep Harbert lachend uit.
"En een trap om naar boven te gaan!" voegde Nab er bij.
"Gij lacht er om," riep de matroos uit, "en waarom? Wat is er voor onmogelijks in? Hebben wij geen bijlen en houweelen. En zou mijnheer Cyrus geen middel weten om kruit te maken, waarmede wij de mijn kunnen laten springen?"
Cyrus Smith hoorde met alle kalmte den opgewonden Pencroff aan, terwijl deze zijn phantastische plannen blootlegde. Om de rotsmassa zelfs door het springen eener mijn aan te tasten, zou een onmogelijk werk wezen en het was inderdaad jammer dat de natuur het zwaarste gedeelte dezer taak niet verricht had. Maar de ingenieur gaf den matroos slechts ten antwoord dat hij den rotswand maar eens oplettend moest gadeslaan, van de monding der rivier tot den noordelijken uithoek.
Men ging dus naar buiten en het onderzoek nam een aanvang. Maar nergens was een holte te ontdekken, slechts nesten van wilde duiven, en hier en daar een uitstekend gebroken granietblok. De ingenieur stelde dus voor om langs de hoogte naar de Schoorsteenen terug te keeren, om dan tegelijk de rivier te onderzoeken. Zij vervolgden hun weg, aandachtig alles waarnemende daar zij nu een gedeelte van het eiland betreden hadden, dat hun nog onbekend was. Maar geen enkel spoor van eenig wild dier deed zich voor; het was ook waarschijnlijk dat die meer in de zuidelijke bosschen huisden; maar toch gaf het hun een onaangename gewaarwording, toen Top plotseling voor een groote slang van ongeveer veertien à vijftien voet lengte stil bleef staan. Nab doodde haar met één slag. Cyrus Smith beschouwde haar aandachtig en verklaarde dat zij niet vergiftig was, daar zij tot de soort der diamantslangen behoorde, waarmede de inboorlingen zich in Nieuw Zuid-Wales voeden. Maar toch was het mogelijk dat er zich nog andere bevonden wier beet doodelijk kon zijn, zooals de adders met gespleten staart, die overeind gaan staan, of de vleugelslangen, welke kleppen aan de ooren hebben, waardoor zij zich met reusachtige snelheid kunnen bewegen. Toen Top van den eersten schrik bekomen was, vervolgde hij met zooveel vuur de jacht op slangen, dat zij beangst voor hem werden en zijn meester hem dan ook telkens terug moest roepen.
Spoedig hadden zij de monding van de Roode Beek bereikt. Zij herkenden het punt dat zij reeds bezocht hadden, toen zij den berg Franklin afdaalden.
Cyrus Smith ontdekte, dat de aanvoer van water zeer aanzienlijk was, zoodat er noodzakelijk hier of daar een punt moest wezen, waar het overtollige water afvloeide. Dat punt moest men ontdekken, want daar zou waarschijnlijk een waterval wezen, dien men als beweegkracht zou kunnen aanwenden. Zij vervolgden dus nog een eind hun weg, maar zorgden goed bij elkander te blijven. Het water scheen hoe langer hoe vischrijker te worden en Pencroff nam zich voor om vischtoestellen te maken, ten einde dien rijken buit te vermeesteren.
Voor het oogenblik was hun taak slechts de noordelijke punt te bezoeken. Hier stonden meer boomen, welke aan het landschap een schilderachtig aanzien gaven. Het Grant-meer lag toen in zijn geheele uitgestrektheid voor hen; geen koelte deed het lommer bewegen. Top deed nu en dan een zwerm vogels opvliegen, die Gideon Spilett en Harbert met hun pijlen begroetten. Harbert had er zelf een getroffen, die tusschen de struiken viel. Top snelde er heen en bracht een mooien vogel met grijze vleugels in zijn bek terug. Het was een waterhoen, ter grootte van een patrijs, doch deze vogel was bij nader onderzoek niet voor hun avondmaal geschikt en Top moest er zich dus over ontfermen.
Zij volgden nu een oostelijke richting, en kwamen toen weder op bekend terrein. Op dit oogenblik werd Top, die tot nu toe zeer kalm was geweest, plotseling onrustig. Het verstandige dier liep maar heen en weer en stond telkens bij het water stil, alsof hij daar eenig onzichtbaar wild rook; daarop blafte hij, maar hield zich dan weer eensklaps stil.
Noch Cyrus Smith, noch zijn makkers sloegen acht op het gedrag van den hond; maar Top herhaalde zoo onophoudelijk zijn geblaf, dat het den ingenieur eindelijk wel treffen moest.
"Wat is er dan toch, Top?" vroeg hij.
De hond sprong tegen zijn meester op, en gaf duidelijk zijn onrust te kennen, waarop hij weder naar het water snelde. Daarop sprong hij plotseling in het meer.
"Hier Top!" riep Smith, daar hij niet wilde dat de hond in die onbekende wateren zich zou wagen.
Top keerde op het geroep van zijn meester terug, maar toch kon hij niet rustig bij hem blijven en scheen hij een dier onder het water te volgen. Maar het meer was zeer klein en geen golfje rimpelde de oppervlakte. Menigmaal stonden allen stil en sloegen zij het oplettend gade, maar er verscheen niets. Er moest hier eenig geheim achter schuilen. De ingenieur begon er hoe langer hoe meer belang in te stellen.
"Laten wij onzen ontdekkingstocht tot het einde toe vervolgen," zei hij.
Een half uur later hadden zij den zuidoostelijken hoek van het meer bereikt en bevonden zij zich op de vlakte: het Verre Uitzicht. Bij dit punt konden zij hun onderzoek van het meer voor geëindigd houden, en toch had de ingenieur niet kunnen ontdekken waar en hoe de uitloozing van het water plaats greep.
"Toch moet zulk een uitloozing ergens wezen," herhaalde hij gedurig, "en daar hij niet boven den grond te vinden is, moet hij aan de binnenzijde van de rots wezen!"
"Maar waarom stelt ge daar belang in, Cyrus?" vroeg Gideon Spilett.
"Een zeer groot belang zelfs," antwoordde de ingenieur, "want zoo de uitstorting in de rots zelf plaats heeft, moet zich daar een grot bevinden, die men zeer gemakkelijk tot een woonplaats kan inrichten, als men het water afleidt!"
"Maar is het niet mogelijk, mijnheer Cyrus, dat het water in het meer zelf uitloopt," zeide Harbert, "en dat het door een onderaardsch kanaal naar zee stroomt?"
"Dat kan zeer goed," antwoordde de ingenieur, "en zoo dat het geval mocht wezen, dan zijn wij verplicht ons huis zelf te bouwen, daar dan de natuur de eerste fondamenten niet gelegd heeft."
Zij haastten zich thans om, daar het reeds vijf uur was, de Schoorsteenen op te zoeken, toen Top weder zijn geblaf liet hooren. Het was thans zoo heftig, en vóor zijn meester hem nog had kunnen weerhouden was hij reeds in het water gesprongen.
Allen liepen naar den oever. De hond was echter reeds twintig voet van hen verwijderd en Cyrus Smith riep hem met alle kracht terug, toen een kop plotseling boven het water verscheen, dat hier niet diep scheen te wezen. Harbert herkende terstond het dier en riep uit:
"Een zeekoe!"
Het dier had zich op den hond geworpen, die het te vergeefs trachtte te ontwijken. Zijn meester kon niets tot zijn redding bijbrengen, en zelfs vóor dat het denkbeeld bij Gideon en Harbert was opgekomen, om het met hun pijlen te treffen, was Top reeds onder water verdwenen. Nab stond op het punt om het arme dier met een ijzeren staaf te hulp te komen en het ondier in zijn eigen element aan te tasten.
"Terug, Nab," zeide de ingenieur, terwijl hij zijn kloeken dienaar tegenhield.
Intusschen werd er onder water hevig gestreden; Top kon waarschijnlijk geen weerstand bieden, en de strijd moest dus met den dood van den hond eindigen. Maar plotseling, te midden van een grooten kring schuim, zag men hem weder boven komen. Door een onbekende kracht werd hij tien voet in de hoogte geworpen, maar zonk weder even zoo spoedig in de diepte, waarna hij nogmaals bovenkomende, naar den oever zwom zonder gewond te zijn, als door een wonder gered.
Cyrus Smith en zijn makkers zagen dit zonder het te begrijpen! Dat was iets onverklaarbaars! Zeker was de zeekoe, terwijl zij den hond in haar klauwen hield door een ander dier overvallen, en moest zij thans zich zelve verdedigen.
Maar het duurde niet lang. Het water werd rood gekleurd van bloed en de zeekoe kwam weldra, te midden van een bloedplas, die zich naar alle zijden uitbreidde, aan de zuidelijke punt van het meer aan land.
Allen snelden naar dat punt. Het was een geducht dier, van vijftien à zestien voet lengte en moest ongeveer drie of vierduizend pond wegen. Aan zijn nek scheen het gewond te zijn, met een zeer scherpen dolk, zou men zeggen.
Welk dier had dus die vreeselijke zeekoe met één slag kunnen dooden. Niemand kon het zeggen, en met dit voorval geheel vervuld, keerden Cyrus Smith en zijn vrienden naar de Schoorsteenen terug.
XVII.
Bezoek aan het meer.--De stroom.--Plannen van Cyrus Smith.--Het vet van de zeekoe.--Gebruik van de vuursteenen.--Glycerine.--Zeep.--Salpeter.--Zwavelzuur.--Stikstof.--Een nieuwe val.
Den anderen morgen, 7 Mei, lieten Cyrus Smith en Gideon Spilett het eten klaar maken, terwijl zij verder de vlakte van het Verre Uitzicht gingen onderzoeken, en Harbert en Pencroff den loop der rivier volgden, om een nieuwen voorraad hout op te doen. Spoedig hadden de ingenieur en zijn makker de plaats bereikt waar het dier den vorigen dag was blijven liggen.
Zij stonden thans weder op dezelfde plaats waar vier en twintig uur geleden zulk een hevigen strijd onder water was gevoerd.
Het meer scheen hier niet diep, maar hoe verder men kwam, en eindelijk als men het midden naderde, was waarschijnlijk de diepte zeer groot.
"Wel Cyrus," vroeg de reporter, "meent ge dat dit meer volstrekt niet verdacht is?"
"Neen, beste Spilett," antwoordde de ingenieur, "en ik weet inderdaad niet, waaraan ik dat voorval van gisteren moet toeschrijven!"
"Ik erken," zeide Gideon Spilett, "dat de wond, die dit dier gisteren bekomen heeft zeer zonderling is en ik kan mij ook geen denkbeeld maken hoe Top met zulk een kracht boven het water werd geworpen. Men zou bijna moeten gelooven aan een krachtigen arm, gewapend met een dolk, die ook de zeekoe gedood heeft!"
"Ja," antwoordde Smith, die in gepeins verzonken was. "Er is iets dat ik niet kan begrijpen. Maar begrijpt gij zelf, Gideon, op welke wijze ik gered ben, hoe ik aan de golven ben ontkomen en mij plotseling in de duinen bevond. Neen, nietwaar? Ik heb ook een voorgevoel, dat er iets verborgens wezen moet, wat we eenmaal zullen ontdekken. Laten wij alles stipt gadeslaan, maar niet alles van deze vreemde zaken aan onze makkers vertellen. Laten wij onze aanmerkingen voor ons zelven houden en ons onderzoek voortzetten."
Zooals men weet, had de ingenieur niet kunnen ontdekken waar het overtollige water uit het meer heen vloeide, maar toch moest noodzakelijk ergens een uitloozing zijn. Cyrus Smith nu bespeurde dat zich op een zeker punt een vrij sterke stroom openbaarde. Hij wierp er eenige stukjes hout in en zag dat zij in zuidelijke richting voortdreven. Die richting volgende, kwam hij aan den zuidelijken uithoek van het meer, daar joeg het water met kracht voort, alsof het plotseling in een spleet van den bodem verdween. Cyrus Smith hield zijn oor boven de oppervlakte van het meer en hoorde duidelijk het bruisen van een onderaardschen waterval.
"Daar," zeide hij, "daar vindt het water zijn uitweg door een kanaal in het graniet en stroomt het af naar zee door holen, waarvan wij partij zullen trekken."
De ingenieur sneed nu een langen tak af, ontbladerde dien en toen hij hem aan het vereenigingspunt der beide oevers in den grond had gestoken, ontdekte hij dat er een vrij groote opening was ongeveer een voet onder de oppervlakte van het meer. Dit was de opening der uitloozing, die hij tot nog toe, maar te vergeefs, gezocht had, en de stroom had daar zulk een kracht, dat hij uit de handen van den ingenieur den tak rukte, die toen in het schuim der golven verdween.
"Er valt niet meer aan te twijfelen," herhaalde Cyrus Smith. "Daar is de uitloozingsplaats, en ik zal haar ook blootleggen!"
"Maar hoe?" vroeg Gideon Spilett.
"Door de oppervlakte van het water drie voet te doen dalen."
"En hoe wilt gij de oppervlakte doen dalen?"
"Door een andere uitloozingsplaats te maken, welke veel grooter is dan deze."
"Op welke plaats, Cyrus?"
"Op dat gedeelte van den oever, dat het dichtst bij de kust is."
"Maar die bestaat geheel uit graniet!" merkte de reporter aan.
"Welnu, die zal ik laten springen, en het water zal er natuurlijk uitstroomen en dus het meer doen dalen. Zoodoende kunnen wij de uitloozing vinden."
"En een waterval op het strand maken," voegde de correspondent er bij.
"En waterval, dien wij tot ons voordeel zullen aanwenden!" antwoordde Cyrus. "Kom, ga mede!"
De ingenieur voerde zijn makker met zich, wiens vertrouwen in hem zoo groot was, dat hij geen oogenblik aan het welslagen van het plan twijfelde. En toch, hoe moesten zij dien oever van graniet openen? Hoe zouden zij zonder kruit en met gebrekkige werktuigen die rotsen uiteen doen springen? Was het niet een werk, dat hun krachten te boven ging?
Toen Cyrus Smith en de reporter weder in de Schoorsteenen terug kwamen, vonden zij Harbert en Pencroff bezig met hun voorraad hout te ontladen.
"De houthakkers hebben hun taak volbracht, mijnheer Cyrus," zei de matroos lachend, "en wanneer gij nu metselaars noodig hebt...."
"Geen metselaars, beste vriend, maar scheikundigen," antwoordde de ingenieur.
"Ja," voegde Spilett er bij, "wij gaan het eiland laten springen."
"Het eiland laten springen!" riep Pencroff uit.
"Een gedeelte ten minste!" hernam Gideon Spilett.
"Luistert, mijn vrienden!" zei de ingenieur.
Cyrus Smith maakte hen met den uitslag van zijn onderzoek bekend. Volgens hem, moest er een vrij aanzienlijke grot bestaan in de granietmassa, die de vlakte het Verre Uitzicht uitmaakte, en hij was voornemens daar in door te dringen. Om dit te doen, moest hij eerst de opening, waardoor het water zijn uitweg vond, vrij maken, en dientengevolge de oppervlakte doen dalen door een grootere uitloozingsplaats te maken. Hiervoor moesten zij dus een ontplofbare zelfstandigheid bereiden, en op deze wijze een groote gleuf op een ander gedeelte van den oever maken. Dit wilde Cyrus Smith thans beproeven met de verschillende delfstoffen welke de natuur ter zijner beschikking had gesteld.
Het is onnoodig te zeggen, met welk een opgewondenheid dit voorstel door allen, maar voornamelijk door Pencroff begroet werd. Grootsche middelen, rotsen doen springen, een waterval maken, dat was naar den zin van den matroos! En hij zou een even goed chemist als metselaar en schoenmaker wezen, daar de ingenieur thans aan een chemist behoefte had. Hij zou alles wezen, wat men maar wilde--zelfs dans- en schermmeester, zei hij tot Nab, zoo dat noodig was.
Nab en Pencroff moesten nu eerst het spek van de zeekoe afsnijden, en dit voor bederf bewaren. Zij vertrokken terstond zonder eenige verdere inlichting te vragen, zoo volkomen was het vertrouwen dat zij in den ingenieur stelden.
Eenige oogenblikken later voeren Cyrus Smith, Spilett en Harbert de rivier op, beladen met gevlochten teenen, ten einde een voorraad vuursteenen te halen. De geheele dag ging met dezen arbeid voorbij, maar tegen den avond bezaten zij dan ook een voldoende hoeveelheid.
Den anderen morgen, 8 Mei, begon de ingenieur met zijn scheikundige proeven. De vuursteenen bestaan hoofdzakelijk uit kool of silicium, aluminium en zwavelijzer, vooral een groote hoeveelheid van het laatste; hij moest nu het zwavelijzer er uit verwijderen en het zoo snel mogelijk in sulfaat veranderen. Als men eenmaal dit sulfaat verkregen heeft dan kan men het zwavelzuur er gemakkelijk uit bereiden.
Nu maakte Cyrus Smith een gedeelte van den grond, achter de Schoorsteenen gelijk. Hier plaatste hij eenige takkenbossen en brandhout, en daarop vuurhoudende steenen; daarop overdekte hij het geheel weder met eenige vuursteenen, die vooraf verbrijzeld waren tot op de groote eener noot. Toen hij dit gedaan had, stak hij het hout aan; de warmte deelde zich aan de steenen mede die ook vlam vatten, omdat zij koolstof en zwavel bevatten. Nu werd er een nieuwe stapel van steenen gemaakt, dien zij weder met gras en planten over dekten, nadat zij de lucht er doorheen hadden laten spelen, alsof zij een stapel hout tot houtskool moesten maken.
Daarop lieten zij het proces zijn voortgang hebben en binnen de tien of twaalf dagen zou het zwavelijzer in sulfaat van ijzer en het aluminium in sulfaat van aluminium veranderd zijn, twee oplosbare zelfstandigheden; terwijl het silicium, de houtskool en de asch onoplosbaar zijn. Terwijl dit chemische proces plaats had, liet Cyrus Smith ander werk verrichten. Zij waren allen vol ijver en met geestdrift bezield.
Nab en Pencroff hadden de zeekoe van haar spek ontdaan, en dit in de groote aarden potten verzameld. Uit dit vet moesten zij ook een bestanddeel verwijderen, de glycerine, door het in zeep te veranderen. Om dit nu te verkrijgen, was 't voldoende het met soda of kalk te vermengen. Inderdaad als men bij vet een dezer bestanddeelen brengt, verkrijgt men zeep en scheidt de glycerine zich af, en juist deze glycerine wilde de ingenieur bekomen. Aan kalk ontbrak het hem niet, zooals men weet; maar wel gaf de vermenging met kalk een kalkachtige zeep, onverbindbaar en dus ook onbruikbaar, terwijl de vermenging met soda hun integendeel een oplosbare zeep zou geven, die dus weder in het huishouden kon gebezigd worden. Dus zou Cyrus Smith soda trachten te bereiden. Was het moeielijk? Neen, want zeeplanten groeiden in grooten overvloed op het strand. Zij verzamelden dus een goede hoeveelheid van deze planten, droogden ze en lieten ze toen in groote kuilen in de open lucht verbranden. De verbranding van die planten werd gedurende eenige dagen onderhouden, zoodat de warmte den graad bereikte waarop de asch smolt, en het voortbrengsel van dit proces was een dikke grijsachtige massa, die reeds sedert lang onder den naam van "natuurlijke soda" bekend is.
Toen zij die verkregen hadden, vermengde de ingenieur het vet met de soda, die eensdeels een oplosbare zeep gaf en anderdeels een zelfstandige massa glycerine.
Maar dat was nog niet alles; Cyrus Smith moest voor zijn aanstaand preparaat nog een andere zelfstandigheid hebben, de salpeterzure potasch, die meer bekend is onder den naam van salpeter.
Cyrus Smith had deze zelfstandigheid kunnen bereiden door koolzure potasch, die gemakkelijk uit de asch van planten te verkrijgen is, met salpeterzuur te vermengen. Maar het salpeterzuur ontbrak hem, en juist dat zuur wilde hij hebben. Gelukkig nu verschafte de natuur hem dit salpeter, en hij had het slechts voor het oprapen. Harbert ontdekte een laag er van in het noorden van het eiland, aan den voet van den berg Franklin, en ze behoefden nu slechts dit zout te zuiveren. Met het bereiden dezer verschillende zaken verliep er een geheele week. Zij waren met alles gereed, vóór dat het zwavelijzer in sulfaat van ijzer veranderd was. Maar in dien tusschentijd konden de kolonisten hard aardewerk in een oven van steenen vervaardigen, dat zou strekken tot het distilleeren van ijzersulfaat, wanneer dit verkregen zou zijn. Alles was tegen den 18den Mei gereed, ongeveer op hetzelfde tijdstip dat het chemische proces was afgeloopen.
Gideon Spilett, Harbert, Nab en Pencroff, voorgegaan door den ingenieur, waren de handigste werklieden geworden. De noodzakelijkheid is de meesteres naar wie men het meest luistert en die het beste onderwijst.
Cyrus Smith had nu een voldoende hoeveelheid van dit gekristalliseerde sulfaat van ijzer, waaruit zij nu het zwavelzuur moesten trekken. Den 20sten Mei was de ingenieur in het bezit van deze zelfstandigheid, die hun later van zooveel dienst zou zijn.
Toen hij het zwavelzuur verkregen had, bracht hij het bij de glycerine, die hij vooruit geconcentreerd had, door het aan verdamping bloot te stellen, en hij had nu zelfs, zonder eenig verkoelend mengsel te gebruiken, verscheidene kannen van een olieachtige gele vloeistof verkregen. Deze laatste bereiding had Cyrus Smith geheel alleen gemaakt, op grooten afstand van de Schoorsteenen, want er bestond gevaar voor ontploffing en, toen hij een flesch met dit vocht bij zijn vrienden bracht, zeide hij:
"Hier hebt gij nitro-glycerine!"
Dit was inderdaad die vreeselijke stof, waarvan de ontploffingskracht tienmaal grooter is dan die van het buskruit, en waardoor reeds zooveel onheilen zijn teweeggebracht. Thans, nu men het middel heeft gevonden om het in dynamiet te veranderen, dat is het te vermengen met een vaste zelfstandigheid, klei of suiker, poreus genoeg om het in zich op te nemen, kan dit gevaarlijke vocht met minder gevaar gebruikt worden. Maar het dynamiet was nog niet bekend, toen de kolonisten op het eiland Lincoln waren.
"En dat vocht zal onze rotsen dus doen springen?" zei Pencroff op ongeloovigen toon.
"Ja, beste vriend," antwoordde de ingenieur, "en deze nitro-glycerine zal zooveel te meer uitwerking hebben, naarmate dit harde graniet meer weerstand zal bieden."
"En wanneer zullen wij dat zien, mijnheer Cyrus?"
"Morgen, zoodra wij een gat in de mijn geboord hebben," antwoordde de ingenieur.
Den anderen dag, den 21sten Mei, begaven de kolonisten zich reeds bij het aanbreken van den dag op weg naar den oever van het meer Grant, op ongeveer vijf honderd pas afstands van de kust.
Het was zeker, dat, wanneer men den bovenrand deed springen, het water door de opening zou ontsnappen, en een beekje zou vormen, dat wanneer het zich over de oppervlakte van de bergvlakte had verspreid, op het strand zou wegvloeien. Zoodoende zou het meer lager en de uitloozing bloot komen te liggen; hun doel was dan bereikt. Maar dit doel was niet spoedig bereikt, want de ingenieur, die een ontzaglijke ontploffing wilde teweegbrengen, was voornemens niet minder dan tien liter nitro-glycerine te gebruiken. Pencroff, afgelost door Nab, slaagde er in tegen vier uur een gat in de mijn gereed te hebben, dat groot genoeg was om die hoeveelheid te bevatten.
Nu moesten zij nog overleggen, hoe die ontplofbare zelfstandigheid te doen werken. Gewoonlijk wordt de nitro-glycerine aangestoken door middel van een kleine hoeveelheid knalzuurzout, dat, wanneer het springt, de ontploffing plaats doet hebben. Door een schok moest de ontploffing teweeggebracht worden, want wanneer het slechts aangestoken werd, zou het branden, zonder te ontploffen.