Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen
Chapter 9
Cyrus Smith had zulk een lont wel kunnen bereiden. Bij gebrek aan dit knalzuurzout kon hij toch eene zelfstandigheid maken, die veel met schietkatoen overeenkwam, daar hij salpeterzuur tot zijne beschikking had. Dit in een kardoes gedaan en bij de nitro-glycerine gebracht, zou ook losbarsten wanneer het met een tondel werd aangestoken. Maar Cyrus Smith wist dat de nitro-glycerine de eigenschap heeft om bij een schok te ontploffen. Hij besloot dus van die eigenschap gebruik te maken; zoo dit hem niet gelukte kon hij altijd nog een ander middel aanwenden. Het slaan met een hamer op eenige druppels nitro-glycerine, zou reeds een uitbarsting teweeg brengen. Maar hij, die dezen slag met den hamer zou moeten toebrengen, kon dit niet doen, zonder zelf het slachtoffer der bewerking te worden. Cyrus Smith kwam nu op het denkbeeld om een stuk ijzer vlak boven de opening der mijn aan een eind koord te hangen. Een ander koord, dat hij vooraf door zwavel had gehaald, werd in het midden van het eerste vastgehecht, terwijl het uiteinde van dat koord op den grond hing, op zekeren afstand van de opening verwijderd. Dit tweede koord werd nu aangestoken, en zou natuurlijk branden, totdat het 't eerste raakte. Dit zou ook vlam vatten, zou breken en het stuk ijzer moest natuurlijk op de nitro-glycerine vallen.
Toen dit toestel gereed was, verwijderde de ingenieur zijn vrienden, stortte de nitro-glycerine in de opening en goot eenige druppels onder het blok ijzer dat reeds was opgehangen. Toen dit gedaan was, nam Cyrus Smith het uiteinde van het door zwavel gehaalde koord, stak het aan, en voegde zich toen bij zijn vrienden in de Schoorsteenen.
Het koord moest vijf en twintig minuten branden en inderdaad vijf en twintig minuten later dreunde eene ontploffing, waarvan men zich geen denkbeeld zou kunnen vormen. Het scheen dat het geheele eiland op zijn fondamenten sidderde. Een wolk van steenen verhief zich alsof zij door een vulkaan ten hemel werd geworpen.
De schok, die door de verplaatsing van lucht teweeg werd gebracht, deed de rotsen der Schoorsteenen trillen. De kolonisten, hoewel zij meer dan twee mijlen van de mijn verwijderd waren, werden op den grond geworpen. Zij stonden op, bestegen de bergvlakte en ijlden naar de plaats waar de rand van het meer door de losbarsting was uiteengeslagen.
Een drievoudig hoezee weerklonk uit aller mond! De rots was gespleten over een groote oppervlakte. Een krachtige waterstroom bruiste schuimend over de vlakte, en strekte zich uit tot aan het uiteinde van de rots waar hij zich van een hoogte van driehonderd voet naar beneden stortte.
XVIII.
Pencroff twijfelt niet meer.--De oude uitloozing.--Een onderaardsche tocht.--De weg door het graniet.--Top is verdwenen.--De middelste spelonk.--De inwendige put.--Een geheim.--Een stoot met het houweel.--Terugtocht.
Cyrus Smith was volkomen geslaagd in zijn plannen, maar volgens zijn gewoonte liet hij zijn tevredenheid volstrekt niet blijken, en met gesloten lippen en strakken blik bleef hij onbeweeglijk staan. De vreugde van Harbert kende paal noch perk; Nab sprong op van blijdschap; en Pencroff schudde zijn dikken kop, terwijl hij mompelde:
"Kom aan, dat gaat goed met onzen ingenieur!"
De nitro-glycerine had dan ook een krachtige uitwerking gedaan. De uitloozing, die men aan het meer gegeven had, was zoo groot dat de hoeveelheid water, die nu wegspoelde, driemaal meer was dan vroeger. De uitslag was dus, dat eenigen tijd later de oppervlakte van het meer reeds twee voet gedaald moest wezen.
Zij keerden nu naar de Schoorsteenen terug om hun spaden, houweelen, touwen, steen en zwam te halen; daarop gingen zij weder naar de bergvlakte. Top vergezelde hen.
Onderweg kon Pencroff toch niet laten om tot den ingenieur te zeggen:
"Maar weet ge wel, mijnheer Cyrus, dat wij door middel van deze heerlijke likeur, die gij bereid hebt, wel het geheele eiland zouden kunnen doen springen!"
"Ongetwijfeld, zoowel het eiland als het vasteland en de geheele aarde zelf," antwoordde Cyrus Smith. "Het geldt hier slechts de quaestie van hoeveelheid."
"Kunnen wij die nitro-glycerine niet voor onze vuurwapenen gebruiken," vroeg de matroos.
"Neen, Pencroff, de zelfstandigheid is al te krachtig. Maar wij kunnen wel schietkatoen er van vervaardigen, en zelfs buskruit, daar wij stikstof, salpeter, zwavel en vuur hebben. Maar ongelukkigerwijs ontbreken ons de wapenen."
"Och, mijnheer Cyrus," antwoordde de matroos, "met een weinig goeden wil!"
Blijkbaar had Pencroff het woord "onmogelijk" uit het woordenboek van het eiland Lincoln geschrapt.
Toen zij op de bergvlakte kwamen, zagen zij reeds met een oogopslag dat hun werk gelukt was en dat, waar zij zoozeer naar verlangd hadden, de opening boven de oppervlakte van het water uitstak. Zij was ongeveer twintig voet breed, maar slechts twee voet hoog. Dus niet meer dan de opening van een riool. Zij hadden dan ook onmogelijk er in kunnen gaan, zoo Nab en Pencroff niet terstond met hun houweelen een voldoende ruimte hadden uitgehouwen. De ingenieur drong naar binnen en zag dat men zeer goed verder kon doordringen, en waarschijnlijk tot de oppervlakte der zee zou kunnen komen. En zoo er dan, gelijk zeer waarschijnlijk was, een grot aanwezig was in het binnenste van deze rotsachtige massa, dan zou men ook het middel wel vinden om deze bewoonbaar te maken.
"Welnu, mijnheer Cyrus, wat weerhoudt ons om er binnen te gaan? Gij ziet dat Top ons reeds is voorgegaan!"
"Best," antwoordde de ingenieur. "Maar wij moeten alles goed kunnen zien." Nab sneed eenig harsachtige takken af.
Nab en Harbert snelden naar den oever van het meer, waar een aantal boomen stonden, en spoedig keerden zij terug, beladen met takken, waarvan zij flambouwen maakten. Zij ontstaken ze met hun vuursteenen en met Cyrus Smith aan het hoofd drongen zij die donkere gang binnen, die tot hiertoe door het instroomende water was gevuld. Zij daalden zeer langzaam af en onwillekeurig konden zij een zekere aandoening niet van zich weren, bij het bezoeken van die diepten, waar geen menschelijk wezen ooit een voetstap gezet had. Zij spraken niet, maar dachten, dat het wel mogelijk zou kunnen wezen, dat eenig gevaarlijk dier in die rots huisvestte. Zij moesten dus voorzichtig te werk gaan.
Maar Top ging vooruit en men kon op het dier vertrouwen, in geval van nood zou het wel waarschuwen.
Toen zij ongeveer een honderd pas afgelegd hadden, stond Cyrus Smith stil.
"Wel Cyrus!" zeide Gideon Spilett. "Hier zijn wij op een onbekend gebied, goed geborgen in deze diepten, maar in elk geval onbewoonbaar."
"Waarom onbewoonbaar?" vroeg de matroos.
"Omdat het te klein en te donker is."
"Kunnen wij het dan niet wijder maken, en van openingen voorzien waar de dag en de lucht doordringen?" vroeg Pencroff, die niets onmogelijk achtte.
"Laten wij maar verder gaan," antwoordde Cyrus Smith, "en ons onderzoek voortzetten. Misschien is de natuur ons lager gunstiger."
"Wij zijn pas op een derde der hoogte," merkte Harbert op.
"Op een derde ongeveer, ja," antwoordde Smith, "het is dus niet onwaarschijnlijk, dat een honderd pas lager...."
"Waar is Top toch?...," vroeg Nab plotseling.
Men zocht overal, maar de hond was niet te vinden.
"Hij is zeker doorgegaan," zeide Pencroff.
"Laten wij hem inhalen," hernam de ingenieur.
Zij daalden verder af. De ingenieur sloeg alles rondom zich nauwkeurig gade.
Zij stonden eensklaps weder stil, daar eenig geluid, als door een pijp tot hen kwam.
"Het is Top, die blaft!" riep Harbert uit.
"Ja," antwoordde Pencroff, "en onze dappere hond blaft zelfs met woede."
"Wij hebben onze houweelen," zeide Smith. "Laten wij op onze hoede wezen. Vooruit!"
"Het wordt hoe langer hoe merkwaardiger," mompelde Gideon Spilett aan het oor van den matroos, die toestemmend knikte.
Cyrus Smith en zijn makkers liepen zoo snel zij konden voorwaarts om den hond te hulp te komen. Het geblaf van Top werd hoe langer hoe duidelijker en heftiger. Zou hij misschien in gevecht zijn met een dier dat hij in zijn hol gestoord had? Zeker was het dat allen het gevaar door hun nieuwsgierigheid vergaten. Zij liepen niet meer, zou men zeggen, maar zij gleden als het ware naar beneden, en eenige minuten later, ongeveer een zestig voet lager, hadden zij Top bereikt.
Toen veranderde de nauwe gang plotseling in een ruime en prachtige grot. Hier liep Top, van woede blaffende, heen en weer, terwijl Nab en Pencroff, door hun toortsen tegen den wand te slaan, een helder licht verspreidden in alle hoeken en gaten en Cyrus Smith, Gideon Spilett en Harbert met hun houweelen in de hand zich op alles voorbereidden.
De groote grot was geheel leeg. Zij doorkruisten haar in alle richtingen. Maar er was niets, geen dier, geen levend wezen! En toch bleef Top blaffen. Noch de liefkoozingen, noch de bedreigingen van zijn meester konden hem tot bedaren brengen.
"Er moet ergens een opening wezen waardoor het water uit het meer in zee liep," zeide de ingenieur.
"Zeker," antwoordde Pencroff, "laten wij dus oppassen niet in een gat te vallen."
"Vooruit, Top, vooruit!" riep Smith.
De hond, aangemoedigd door deze woorden van zijn meester, ijlde naar het uiteinde van de grot en begon daar nog heftiger te blaffen dan te voren. Zij volgden hem en bij het licht der toortsen kon men zeer duidelijk een opening, een bepaalde put tusschen de rotsen zien. Hier had dus de uitloozing plaats gehad, maar ditmaal was het geen gang waarin men zich durfde wagen, maar een put met loodrechte wanden, waar men onmogelijk zou kunnen ingaan.
Zij hielden thans hun toortsen boven de opening, maar zagen niets. Cyrus Smith wierp er een brandenden tak in. Deze verlichtte wel de put, maar niets was er nog te zien. Daarop werd de vlam met een sissend geluid uitgedoofd en zij konden hieruit opmaken, dat de tak de oppervlakte der zee bereikt had.
De ingenieur berekende den tijd dien het stuk hout noodig had gehad om beneden te komen, en hieruit maakte hij op, dat de put negentig voet diep was.
De bodem van de grot was dus negentig voet boven de oppervlakte der zee.
"Ziedaar onze woning," zeide Cyrus Smith.
"Maar zij was door een ander wezen bewoond," antwoordde Gideon Spilett, wiens nieuwsgierigheid nog niet voldaan was.
"Welnu, welk wezen het ook zijn moge, het is door die opening ontvlucht en heeft zijn woning aan ons afgestaan."
"Het doet er niet toe," voegde Pencroff er bij, "maar ik had een kwartier geleden wel Top willen wezen, want zonder reden zou hij niet geblaft hebben!"
Cyrus Smith zag zijn hond aan en wie dicht bij hem had gestaan, zou gehoord hebben hoe hij bij zich zelf mompelde:
"Ja, ik ben overtuigd, dat Top er meer van weet dan wij!"
Het toeval en het doorzicht van den ingenieur had hun een goede woning bezorgd. Toch moesten zij nog twee bezwaren overwinnen, namelijk licht in deze grot te doen doordringen, en ten tweede een gemakkelijken toegang maken. Misschien zou het hun gelukken om den achterwand te doorboren die aan de zeezijde gelegen was. En zoo zij het licht eenmaal hadden, was het even gemakkelijk een deur zoowel als vensters te maken.
"Dus dan maar aan het werk, mijnheer Cyrus," zeide Pencroff. "Ik heb mijn houweel en zal door dezen wand wel licht maken. Waar moet ik beginnen?"
"Hier," antwoordde de ingenieur, en wees den matroos een vrij groote holte, waar de wand stellig minder dik moest wezen.
Pencroff deed een fermen houw in de rots, en een half uur lang liet hij, bij het licht der toortsen, de stukken rotsblok om zich heen vliegen. De rots schitterde onder zijn houweel. Nab loste hem af en daarna Gideon Spilett.
Het werk was reeds twee uur aan den gang, en het scheen dat dit gedeelte van den wand nooit doorboord zou kunnen worden, toen Gideon Spilett een hevigen stoot met zijn houweel toebracht, zoodat dit door den wand heenvloog en aan de andere zijde terecht kwam.
"Hoezee! hoezee!" riep Pencroff uit. De wand was daar slechts twee voet dik.
Cyrus Smith keek door de opening, welke zich tachtig voet boven den grond bevond. Vóór hen lag de kust en verder de onmetelijke zee.
Maar door deze vrij groote opening drong het licht in volle stralen binnen en deed een prachtige uitwerking in de ruime grot.
Allen waren verstomd van verbazing. Daar, waar zij slechts een duistere spelonk gezocht hadden, vonden zij een paleis, en Nab nam zijn hoed af, alsof hij zich in een tempel bevond. Kreten van bewondering ontglipten aan ieders mond. Het hoezee weerklonk en stierf weg van de eene echo in de andere, tot aan het uiterste punt der sombere gewelven.
"En nu, mijn vrienden," sprak Cyrus Smith, "als wij deze grot voldoende verlicht hebben, als wij onze kamers, magazijnen en werkplaatsen in het linker gedeelte hebben ingericht, dan blijft ons nog een groote ruimte over waar wij onze studeerkamer en ons museum kunnen maken."
"En hoe zullen wij haar noemen?...." vroeg Harbert.
"Rotshuis," antwoordde Cyrus Smith, en deze naam werd met een hoezee van alle zijden begroet.
De toortsen waren bijna geheel opgebrand, en om terug te keeren moesten zij door de nauwe gang, de bergvlakte bereiken; zij kwamen dus overeen dat zij de werkzaamheden tot inrichting hunner nieuwe woning tot den volgenden dag zouden staken.
Vóór zij vertrokken, wierp Cyrus Smith nog een blik in de donkere put en luisterde met ingehouden adem. Maar geen enkel geluid vernam hij, zelfs niet het ruischen van het water. Zij wierpen nogmaals een brandenden tak er in. Weder werden de wanden van de put verlicht, maar evenmin als de eerste maal was er iets te zien. Zoo eenig zeemonster verrast was geworden door het onverwachts afdrijven van het water, dan had het nu toch het strand bereikt.
Toch kon de ingenieur, die met alle aandacht luisterde en het oog steeds in de diepte gevestigd hield, geen enkel woord uiten.
De matroos naderde hem toen en stootte hem aan:
"Mijnheer Smith!" zeide hij.
"Wat wilt gij, beste vriend?" vroeg de ingenieur alsof hij uit een droom ontwaakte.
"De toortsen gaan bijna uit."
"Vooruit dan!" antwoordde Cyrus Smith.
Zij verlieten nu de grot en gingen naar boven. Top sloot den kleinen stoet, maar liet nog steeds een geknor hooren.
Tegen vier uur hadden zij de opening van de gang bereikt, juist toen de toortsen van Nab en Smith uitdoofden.
XIX.
Het plan van Cyrus Smith.--De gevel van het Rotshuis.--De touwladder.--De droomen van Pencroff.--De welriekende planten.--Konijnenholen.--Afleiding van het water.--Uitzicht uit het Rotshuis.
Den volgenden morgen, den 22sten Mei, vingen zij aan hun nieuwe woning in orde te brengen. Zij hadden dan ook haast om hun onbewoonbare Schoorsteenen zoo spoedig mogelijk voor deze betere en grootere woning te verruilen. Ook zouden zij deze niet geheel en al verlaten, want het plan bestond om daar een werkplaats voor groote stukken te maken.
De eerste bezigheid van Cyrus Smith was, om te onderzoeken waar de juiste plaats van den gevel van het Rotshuis was. Hij begaf zich dus naar het strand, waar de onmetelijke muur begon, en daar het houweel dat Gideon Spilett door de opening van den rotswand geworpen had, in rechte lijn moest zijn neergevallen, zou het terugvinden daarvan voldoende wezen om de plaats te ontdekken, waar de opening in de rots was gemaakt. Hij vond het werktuig dan ook spoedig, en inderdaad was er loodrecht boven het punt waar het houweel in het zand was gevallen een opening ongeveer tachtig voet boven het strand. Eenige rotsduiven vlogen in en uit door deze nauwe spleet. Het scheen wel alsof zij voor deze dieren het Rotshuis ontdekt hadden.
Het plan van den ingenieur was om het rechter gedeelte in verscheidene kamers, die op een gang uitkwamen, te verdeelen en die door middel van vijf ramen en een deur, welke in den wand moesten gebroken worden, licht zouden verspreiden. Pencroff was het volkomen eens met de vijf vensters, maar hij begreep het nut der deur volstrekt niet, daar de gleuf vroeger door het afstroomende water gemaakt, een soort van trap vormde, waardoor men gemakkelijk in het huis kon komen.
"Vriend," zeide Cyrus Smith, "zoo het aan ons licht valt langs dien weg in ons huis te komen, zou dit ook even gemakkelijk vallen aan anderen. Daarom ben ik dan ook voornemens om die gleuf van boven te sluiten en zoo noodig de opening geheel te verbergen, door het water van het meer er over heen te doen stroomen."
"Maar hoe zullen wij er dan inkomen?" vroeg de matroos.
"Door eene ladder, die wij van buiten zullen aanbrengen," antwoordde Cyrus Smith, "een touwladder, die, wanneer wij haar ophalen, den ingang van onze woning onmogelijk kan doen bereiken."
"Maar waarom zooveel voorzorgen?" vroeg Pencroff. "Tot nog toe behoeven wij voor de dieren niet te vreezen. En ons eiland is toch niet door menschen bewoond."
"Zijt gij daar wel zeker van, Pencroff?" vroeg de ingenieur den matroos aanziende.
"Wij zullen er dan eerst zeker van wezen, wanneer we het eiland in alle richtingen onderzocht hebben," antwoordde Pencroff.
"Ja," zeide Cyrus Smith, "want wij kennen nog slechts een klein gedeelte. Maar in ieder geval, zoo er binnenlands geen vijanden zijn, kunnen zij toch van buiten af komen, want de Stille Zuidzee is vol gevaren. Laat ons dus tegen alle mogelijke gebeurtenissen op onze hoede zijn."
Cyrus Smith sprak verstandig, en zonder verdere tegenwerping begon Pencroff zijn bevelen op te volgen.
De gevel van het Rotshuis zou dus verlicht worden door vijf vensters en een deur. Bovendien vormde de ingenieur, terwijl de kozijnen der vensters gemaakt werden, het plan om de openingen door zware blinden te sluiten, die wind noch regen doorlieten, en die men, zoo het noodig was, kon bedekken. Binnen weinige dagen was hun werk voltooid en was het Rotshuis van alle zijden verlicht.
Het plan van Cyrus Smith was, om de grot in vijf vertrekken, die het uitzicht op zee hadden, te verdeelen: rechts zou de deur komen, waaraan men de touwladder bevestigen zou, vervolgens een keuken, die dertig voet breed zou worden, een eetzaal, ongeveer veertig voet, een slaapkamer van dezelfde grootte, en eindelijk de gezelschapszaal, die aan de groote zaal grensde, en waarop Pencroff zeer veel prijs stelde. Deze kamers, die een gedeelte van het Rotshuis in beslag namen, konden niet tot in het achterste gedeelte reiken. Zij waren van elkaar gescheiden door een gang en een groot magazijn, waar zij de gereedschappen en de levensmiddelen bewaarden. Buitendien hadden zij nog boven de groote grot een kleine, welke zij tot vliering konden inrichten.
Nu schoot hun niets anders over, dan dit plan ten uitvoer te brengen.
Tot nog toe waren zij in de grot door de oude gleuf gekomen. Cyrus Smith besloot thans een stevige touwladder te maken, die, wanneer zij opgetrokken was, den toegang tot de grot onmogelijk maakte. Deze ladder werd met de uiterste zorg gemaakt: de sporten vervaardigden zij van de takken van een curryboom. En wat de staken betrof, deze bestonden uit cederhout. Het geheel werd met meesterhand door Pencroff samengesteld.
Nu konden zij gemakkelijk de steenen ophijschen tot in het Rotshuis. Ook ging het overbrengen der materialen veel spoediger en was die grot in een oogwenk tot verblijfplaats ingericht. Aan kalk ontbrak het hun niet en eenige duizenden steenen lagen gereed om gebruikt te worden; weldra waren de kamers dan ook in orde.
Het werk ging onder toezicht van den ingenieur, vlug van de hand. Met elk ambacht was Cyrus Smith bekend, en hij gaf zoodoende het voorbeeld aan zijn ijverige en krachtige vrienden.
Men arbeidde met vertrouwen en allen waren opgeruimd gestemd, terwijl Pencroff altijd een vroolijk woord had; nu eens was hij timmerman, dan weer touwslager, en soms metselaar. Zijn vertrouwen in den ingenieur was onwankelbaar. Niets kon hem dit ontnemen. Hij achtte hem tot alles in staat en hield het er voor dat alles wat hij ondernam, slagen moest.
Het punt van kleeren en schoenen,--een zeer gewichtig punt--de verlichting gedurende de winteravonden, alles scheen hem gemakkelijk toe, wanneer Cyrus Smith hielp en die hulp zou nooit ontbreken.
De ingenieur liet Pencroff maar praten. Hij wilde niets op diens overdrijving afdingen. Hij wist dat vertrouwen mededeelzaam maakt, en kon dikwijls een glimlach niet weerhouden, wanneer hij hem hoorde spreken, maar paste wel op dat zijn eigene bezorgdheid voor de toekomst niet aan het licht kwam. Inderdaad had hij alle reden om te vreezen, dat in dit gedeelte van den Stillen Oceaan, waar zelden schepen kwamen, zij weinig op hulp konden rekenen. Zij moesten dus geheel op zich zelven vertrouwen, want de afstand tusschen het eiland Lincoln en eenig ander land was te groot, dan dat zij zich op een boot, die natuurlijk niet zoo stevig gemaakt kon worden, zouden durven wagen.
Maar zooals de matroos zeide, stonden zij wel honderdmaal hooger dan de vroegere Robinsons, die alles door een wonder moesten verkrijgen.
Dit was ook zoo, want zij "wisten" en de mensch die "weet" slaagt waar anderen moeten rondtasten en noodzakelijk omkomen. Bij het werk bleek het dat Harbert veel aanleg had. Hij was vlug en ijverig, begreep alles snel en bracht het goed ten uitvoer, zoodat Cyrus Smith zich hoe langer hoe meer aan den knaap hechtte. Harbert koesterde wederkeerig voor den ingenieur een vurige en eerbiedige vriendschap. Pencroff bemerkte deze sympathie, welke tusschen de beide mannen ontstond, maar was volstrekt niet jaloersch. Nab bleef Nab. Hij was wat hij altijd zou zijn, moedig, ijverig en steeds tot zelfverloochening bereid. Hij had in zijn meester hetzelfde vertrouwen als Pencroff, maar liet dit minder luidruchtig bemerken. Wanneer de matroos zijn opgewondenheid lucht gaf, scheen het, of Nab hem antwoordde: "Maar niets is natuurlijker."
Toch mochten Pencroff en Nab elkander gaarne lijden.
Wat Gideon Spilett betrof, hij nam aan het algemeene werk deel en was niet de onhandigste--waarover de matroos altijd een weinig verbaasd was. Een "schrijver" die niet alleen alles begrijpt, maar ook alles kan ten uitvoer brengen, was voor hem een onverklaarbaar wezen.
De ladder werd den 28sten Mei plechtig ingewijd. Zij telde niet minder dan honderd sporten en hing langs een loodrechte hoogte van tachtig voet. Gelukkig had Cyrus Smith haar in twee gedeelten weten te maken door partij te trekken van een uitstekend gedeelte van den wand, ongeveer veertig voet boven den grond. Dit uitstek maakten zij vlak; het werd een soort van portaal, waaraan men de eerste ladder kon vastmaken, zoodat de slingeringen de helft kleiner werden, en men haar, door middel van een koord, tot het benedengedeelte van het Rotshuis kon optrekken.
Wat de tweede ladder betrof, deze hechtte men even stevig aan dit uitstek als boven aan de deur vast. Op deze wijze was het naar boven gaan zeer gemakkelijk. Bovendien was Cyrus Smith van plan later een hydraulischen elevator te maken, die alle vermoeienis en alle tijdverlies zou wegnemen. Spoedig waren zij aan die trap gewend. Zij waren vlug en handig en Pencroff, als matroos, kon hun menig lesje geven. Maar ook moest hij Top onderwijzen. De arme hond was, met zijn vier pooten, aanvankelijk niet voor deze beweging geschikt. Pencroff echter was zulk een volhardend onderwijzer, dat Top spoedig even goed als zijn lotgenooten in het honden- en apenspel, de trap beklom. Of de matroos trotsch op zijn leerling was, valt moeilijk te zeggen; maar zeker is het, dat Pencroff hem meer dan eens op zijn rug mede naar boven nam, waar de hond niets tegen had.
Toch vergaten zij door dit werk niet, voor hun wintervoorraad te zorgen. Hiermede hadden Spilett en Harbert zich belast. Vooral vonden zij veel konijnen. Ook verzamelde Harbert een menigte kruiden en planten, en toen Pencroff hem vroeg, waartoe die dienden, antwoordde de knaap:
"Om ons te genezen, wanneer wij ziek zijn."
"Maar, waarom zouden wij ziek worden, daar er geen dokters op het eiland zijn?" hernam Pencroff op ernstigen toon.
Hierop viel niets te antwoorden, maar Harbert ging toch met zijn verzameling voort, die men in het Rotshuis zeer op prijs stelde.