Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen
Chapter 7
Nab zorgde dien avond voor een goed maal, waarbij het brood, dat nog steeds aan de kolonisten ontbrak, vervangen werd door de gekookte wortelknollen van de "caladium macrorhizum," een niet-kruid-aardige plant, die onder de keerkringen den vorm van een boom heeft.
Vóór zij slapen gingen, wilden de kolonisten nog eens van het prachtige weer genieten. Cyrus Smith was reeds geruimen tijd in gedachte verzonken, toen hij plotseling aan Harbert vroeg:
"Hebben wij vandaag niet den 15den April?"
"Ja, mijnheer Cyrus," antwoordde Harbert.
"Welnu, wanneer ik mij niet vergis, is het morgen een van die vier dagen van het jaar, waarop de ware tijd samenvalt met den gemiddelden tijd, dat is te zeggen, mijn jongen, dat de zon morgen, op eenige seconden na, den meridiaan zal passeeren, juist wanneer onze uurwerken den middag aanwijzen. Indien het weer dan gunstig is, hoop ik ongeveer de geographische lengte van het eiland te kunnen bepalen."
"Zonder instrumenten, zonder sextant?" vroeg Gideon Spilett.
"Ja," hernam de ingenieur. "En daar de nacht helder is, wil ik nog dezen avond de breedte trachten te bepalen door de hoogte te berekenen van het Zuiderkruis. Het is namelijk niet voldoende, dat wij weten, dat dit land een eiland is, wij moeten zoo nauwkeurig mogelijk berekenen op welken afstand het gelegen is, hetzij van de Amerikaansche, hetzij van de Australische kust of van de voornaamste eilanden van de Stille Zee."
"Inderdaad," zei de correspondent. "Wij konden er wel eens meer belang bij hebben een schip dan een huis te bouwen, wanneer wij bij toeval op een honderd mijlen van een bewoonde kust zijn."
"Daarom zal ik dezen avond de breedte en morgen de lengte van het eiland Lincoln trachten te bepalen." Inderdaad berekende hij, alleen op de gegevens door Harbert medegedeeld, door het stellen van staken, de juiste ligging van het eiland.
XIV.
De lengte van het eiland.--Een ontdekkingstocht ten noorden.--Een oesterbank.--Plannen voor de toekomst.--De zon gaat door den meridiaan.--De ligging van Lincoln.
De uitslag van de berekeningen, welke Cyrus Smith op den 15den April maakte, was, dat het eiland Lincoln gelegen was op den zevenendertigsten graad zuiderbreedte.
De ingenieur zou de lengte bepalen, wanneer de zon den meridiaan zou passeeren.
Men besloot den zondag te besteden met, na hun kleederen gewasschen te hebben, een wandeling te maken of liever een verkenningstocht tusschen de noordzijde van het meer en de Haaien-golf, en indien het weer het toeliet, zou men den tocht in het zuiden tot kaap Zuid-Mandibule uitstrekken. Zij wilden provisie meenemen en eerst 's avonds thuis komen.
Om half negen waren allen gereed en begaven zij zich langs de beek op weg. Aan de andere zijde, op een klein eilandje, stapte een groot aantal vogels statig op en neer. Het waren duikers, een soort van ganzen, die men dadelijk herkent aan het onaangename gekrijsch dat zij maken en dat eenige overeenkomst heeft met het balken van een ezel. Pencroff beschouwde deze slechts uit een oogpunt van eetbaarheid, en het deed hem onuitsprekelijk veel genoegen, toen hij hoorde, dat hun vleesch, hoewel zwart van kleur, zeer goed te gebruiken was.
Men zag ook groote amphibieën over het zand kruipen, waarschijnlijk zeehonden, die het eilandje tot toevluchtsoord gekozen schenen te hebben. Men kon deze dieren onmogelijk als een bruikbare spijs beschouwen, want hun vleesch is traanachtig en onsmakelijk; Cyrus Smith sloeg ze echter aandachtig gade en zonder zijn denkbeelden er over mede te deelen, zei hij tot zijn metgezellen, dat zij weldra het eilandje zouden bezoeken.
Langs den oever lagen tallooze schelpen, waarvan eenigen van hooge waarde zouden geweest zijn voor een natuurkundige. Het waren onder anderen driehoekschelpen, ammonshoorns, phasiasnellen enz. Maar hetgeen het meest van nut kon zijn, was een groote oesterbank die bij laag water zichtbaar was en door Nab aangewezen werd tusschen de rotsen op ongeveer vier mijlen afstands van de Schoorsteenen.
"Nab heeft vandaag den kost verdiend," riep Pencroff uit, terwijl hij de oesterbank beschouwde.
"Het is inderdaad een gelukkige ontdekking," zei de verslaggever, "en, als het waar is, dat elke oester, zooals men beweert, vijftig à zestig duizend eieren legt, dan hebben wij daar een onuitputtelijken voorraad."
"Ik geloof echter, dat oesters niet zeer voedzaam zijn," merkte Harbert op.
"Neen," antwoordde Cyrus Smith. "De oester bevat slechts zeer weinig stikstofhoudende bestanddeelen en iemand, die er zich uitsluitend mee mocht willen voeden, had er niet minder dan vijftien à zestien dozijn daags noodig."
"Welnu," antwoordde Pencroff, "wij kunnen menig gros verslinden, voordat de bank ledig is. Als wij er eens een paar voor ons ontbijt namen?"
Nab en Harbert maakten eenige van die schelpdieren los, zonder antwoord af te wachten, daar zij wel wisten dat het voorstel ieder welkom moest zijn. Zij deden ze in een net, dat Nab gemaakt had van de vezels van heemst, en waarin het verdere maal ook was geborgen. Vervolgens zette men den weg tusschen de duinen en de zee, langs de kust voort.
Cyrus Smith keek van tijd tot tijd op zijn horloge, om vooral het oogenblik niet voorbij te laten gaan, waarop hij de zon kon schieten.
Dit geheele gedeelte van het eiland was zeer onvruchtbaar tot aan het punt, waar de baai der Vereenigde Staten eindigde, dat men kaap Zuid Mandebule genoemd had. Men zag er slechts zand en schelpen, vermengd met stukken lava. Eenige zeevogels kwamen nu en dan op dit verlaten strand, zeemeeuwen, groote stormvogels en zelfs wilde eenden, die met recht de begeerlijkheid van Pencroff opwekten. Hij trachtte wel ze met zijn pijlen te treffen, maar zonder gevolg, want zij bleven niet zitten en men zou ze in hun vlucht moeten raken.
De zeeman vond hierin alweder een geschikte gelegenheid om den ingenieur weder de volgende opmerking te maken:
"Ziet ge wel, mijnheer Cyrus, zoolang wij niet een of twee jachtgeweren hebben, zal ons materieel niet volmaakt zijn."
"Zeker, Pencroff," antwoordde de verslaggever, "maar het hangt slechts van u af. Verschaf ons ijzer voor de loopen, staal voor de batterijen, salpeter, kool en zwavel voor kruit, kwik en salpeterzuur voor het knalzuurzout, en eindelijk lood voor de kogels en dan zal Cyrus ons geweren van de beste soort maken."
"O!" antwoordde de ingenieur, "wij kunnen al deze bestanddeelen zonder twijfel op het eiland vinden, maar een vuurwapen eischt zeer veel zorg en goede gereedschappen. Maar wij zullen later zien."
"Waarom hebben wij dan ook al die wapens en gereedschappen die met ons in het schuitje waren, overboord geworpen, zelfs onze zakmessen!" bromde Pencroff.
"Maar, als wij dat niet gedaan hadden, Pencroff, zouden wij met den ballon tot op den bodem der zee gezonken zijn!" antwoordde Harbert.
"Ja, dat is waar, ge hebt gelijk, mijn jongen!"
Oogenblikkelijk ging hij tot een ander onderwerp over en zei:
"Maar daar valt mij iets in, wat zal Jonathan Forster en zijn metgezellen verbaasd hebben gestaan, toen zij den volgenden morgen de plaats verlaten en den ballon gevlogen vonden!"
"Dat is wel het laatste waarover ik mij zal bekommeren!" antwoordde de correspondent.
"Nu heb ik daar toch het eerst aan gedacht," zei Pencroff vol zelfvoldoening.
"Een mooie gedachte, Pencroff," hernam Gideon Spilett lachende, "en wie heeft ons gebracht waar wij nu zijn!"
"Ik ben liever hier dan in de handen der Zuidelijken!" riep de zeeman uit, "vooral sedert mijnheer Cyrus de goedheid heeft gehad zich bij ons te voegen!"
"En ik ook, waarachtig!" stemde de correspondent in. "Bovendien, wat ontbreekt ons hier? Niets!"
"Of.... alles!" antwoordde Pencroff, die in lachen uitbarstte en zijn breede schouders schudde. "Maar vroeg of laat zullen wij het middel ontdekken om weg te komen!"
"En misschien eerder dan gij wel denkt, vrienden," zei toen de ingenieur, "indien het eiland Lincoln slechts op matigen afstand is gelegen van bewoonde eilanden of vastland. Binnen een uur zullen wij dit weten. Ik heb geen kaart van de Stille Zee, maar het zuidelijk gedeelte staat mij helder voor den geest. Ten westen van het eiland Lincoln ligt, volgens de breedte, die ik gisteren verkregen heb, Nieuw-Zeeland en ten oosten Chili; maar die twee landen liggen minstens zesduizend mijlen van elkander. Er blijft dus slechts over te bepalen, welke plaats dit eiland inneemt op deze groote uitgestrektheid zee, en dat zullen wij aanstonds door de lengte juist genoeg te weten komen."
"Is het niet de Pomotou-archipel," vroeg Harbert, die, wat de breedte betreft, het dichtst bij ons is?"
"Ja," antwoordde de ingenieur, "maar wij zijn er toch door een afstand van meer dan twaalfhonderd mijlen van gescheiden."
"En daar?" vroeg Nab, die met de grootste belangstelling het gesprek gevolgd had, en naar het zuiden wees.
"Daar, niets," antwoordde Pencroff.
"Niets, inderdaad," voegde de ingenieur er bij.
"En, Cyrus," vroeg de correspondent, "wanneer Lincoln op slechts twee à drie honderd mijlen van Nieuw-Zeeland of Chili gelegen is?...."
"Welnu," antwoordde de ingenieur, "dan bouwen wij in plaats van een huis een schip, en meester Pencroff zal zich met het besturen daarvan belasten...."
"Zeker, zeker, mijnheer Cyrus," riep de zeeman uit, "ik ben aanstonds gereed het ambt van kapitein te aanvaarden.... zoodra gij de middelen zult gevonden hebben om een schip samen te stellen, waarmee wij ons op zee vertrouwen kunnen!"
"Wij zullen er een bouwen, als het noodig is!" antwoordde Cyrus Smith.
Intusschen naderde de tijd, waarop de waarneming moest geschieden. Hoe zou Cyrus Smith het aanleggen om, zonder een enkel instrument, het passeeren van de zon door den meridiaan gade te slaan? Dit ging het verstand van Harbert te boven.
De kolonisten waren op ongeveer zes mijlen van de Schoorsteenen verwijderd, en niet ver van de plaats in de duinen waar de ingenieur gevonden was na zijn wonderbaarlijke redding. Zij besloten daar halt te houden en alles werd voor het ontbijt gereed gemaakt, want het was half twaalf. Harbert ging water halen uit de beek, die er dicht bij stroomde en bracht het in een kruik, welke Nab medegenomen had.
Cyrus Smith maakte zich intusschen tot zijn astronomische waarneming gereed. Hij koos een gedeelte van het strand dat door de afnemende zee volkomen waterpas geworden was, en stak er een stok van zes voet lang loodrecht in.
Harbert begreep toen hoe de ingenieur te werk zou gaan om den doorgang van de zon door den meridiaan te bepalen. Het was door middel van de schaduw die de stok op het zand wierp, een middel, dat, bij gebrek aan instrumenten, hem een voldoende juistheid zou geven voor het resultaat, dat hij wilde verkrijgen.
Het oogenblik dat die schaduw het minimum van lengte zou bereiken, zou juist het zuiden zijn. En het was voldoende dat men het verste punt van de schaduw waarnam, om het oogenblik te bepalen, waarop zij, na steeds korter geworden te zijn, weder langer werd.
De verslaggever stond met zijn horloge in de hand gereed om te zeggen hoe laat het precies was, als de schaduw het kortst zou zijn.
De zon ging intusschen langzaam voort; de schaduw van den stok werd al korter en korter, en toen het Cyrus Smith voorkwam dat hij langer begon te worden, riep hij uit:
"Hoe laat?"
"Vijf uur en een minuut," antwoordde Gideon Spilett onmiddellijk.
De waarneming moest nu nog slechts becijferd worden. Niets was gemakkelijker. Er was, zooals men ziet, precies vijf uur verschil tusschen den meridiaan van Washington en dien van het eiland Lincoln, dat is te zeggen, het was middag op Lincoln, toen het reeds vijf uur in den avond te Washington was. De zon doorloopt in haar schijnbare beweging om de aarde, een graad in vier minuten, dus vijftien graden in een uur. In een uur doorloopt zij vijftien graden, dus in vijf uur vijfmaal vijftien graden, gelijk aan vijf en zeventig graden.
Daar Washington ligt op 77° 3' 11'' westelijk van den meridiaan van Greenwich,--die de Amerikanen evenals de Engelschen tot uitgangspunt van de lengte aangenomen hebben,--volgt er uit, dat het eiland, in ronde cijfers, gelegen was op zeven en zeventig graden, plus vijf en zeventig graden ten westen van den meridiaan van Greenwich, dat is alzoo op honderd twee en vijftig graden westerlengte.
Cyrus Smith deelde dat resultaat aan zijn metgezellen mee, en alles in aanmerking nemende, meende hij te kunnen verzekeren, dat het eiland Lincoln gelegen was tusschen de vijf en dertigste en zeven en dertigste parallel en tusschen den honderd vijftigsten en honderd vijf en vijftigsten meridiaan ten westen van den meridiaan van Greenwich.
Het was zeer waarschijnlijk, dat het eiland Lincoln zoover verwijderd lag van elk land of eiland, dat men het niet wagen mocht, dien afstand in een eenvoudige, zwakke boot af te leggen.
Door deze waarneming kwam men tot de zekerheid, dat het eiland op minstens twaalf honderd mijlen gelegen was van Taiti en van de eilanden der Pomotou-archipel en op achttien honderd mijlen van Nieuw-Zeeland, en eindelijk op meer dan vier duizend vijf honderd mijlen van de Amerikaansche kust!
Cyrus Smith herinnerde zich niet dat er eenig eiland gelegen was in dat gedeelte van de Stille Zee, waar zij nu overtuigd waren, dat het eiland Lincoln lag.
XV.
Er wordt bepaald besloten tot overwintering.--De quaestie der delfstoffen.--Onderzoek van het eiland.--Jacht op zeehonden.--De katalaansche methode.--Vervaardiging van ijzer.--Hoe men staal bekomt.
Den anderen morgen, den 17den April richtte de matroos het eerste woord tot Gideon Spilett.
"Wel mijnheer," zeide hij, "wat zullen wij nu van daag zijn?"
"Alles wat Cyrus Smith goedvindt," antwoordde de reporter. Tot nog toe waren zij steen- en pottebakkers geweest, maar nu zouden de vrienden van den ingenieur metaalgieters worden.
Den vorigen dag, na het ontbijt, hadden zij hun onderzoek tot de kaap Zuid-Mandibule kunnen uitstrekken, welke ongeveer zeven mijlen van de Schoorsteenen was verwijderd, en waar de grond van een geheel anderen aard was. De avond was toen echter gevallen, zoodat zij wel naar de Schoorsteenen moesten terugkeeren, maar dien nacht deden zij geen oog dicht, voordat zij overeengekomen waren het eiland Lincoln te verlaten.
Wel was de afstand van twaalf honderd mijlen, die het eiland scheidde van den Pomotou-archipel, groot. Met een bootje was het onmogelijk, vooral daar een slechte tijd naderde. Pencroff had dit ronduit gezegd. Een groote boot te timmeren, al had men er alle werktuigen voor, zou toch moeielijk gaan. Zij besloten dus op het eiland Lincoln te overwinteren, en een beter verblijf dan de Schoorsteenen op te zoeken.
Vóór alles moesten zij gebruik maken van de ijzermijn om dan staal of ijzer er uit te bereiden.
"Moeten wij nu ijzer gaan maken, mijnheer Smith?" vroeg Pencroff.
"Ja," was het antwoord van den ingenieur, "en daarom--wat u ongetwijfeld genoegen zal doen--moeten wij eerst zeehonden op het eilandje gaan vangen."
"Jacht op de zeehonden!" riep de matroos uit, terwijl hij zich tot Gideon Spilett wendde. "Wij moeten dus een zeehond hebben om ijzer te bereiden?"
"Cyrus Smith zegt het!" antwoordde de verslaggever.
Maar de ingenieur had de Schoorsteenen reeds verlaten en Pencroff maakte zich tot de jacht gereed, zonder eenige andere verklaring gekregen te hebben.
Spoedig waren Cyrus Smith, Gideon Spilett, Nab en de matroos op het strand vereenigd daar, waar de zee een doorwaadbare plek bij eb aanbood.
Het was de eerste maal dat Cyrus Smith een voet op het eilandje zette en de tweede maal van zijn vrienden sedert zij er door den ballon opgeworpen waren. De jagers verspreidden zich terstond achter de rotsen waar zij geduldig wachtten tot de zeehonden op het strand kwamen.
Een uur ging er voorbij eer dat er een zeehond te zien was; zij telden er toen ongeveer een half dozijn. Pencroff en Harbert begaven zich naar de punt van het eilandje, om ze den terugtocht te beletten. Intusschen plaatsten Cyrus Smith, Gideon Spilett en Nab zich langs de rotsen en naderden zoo de plaats waar de strijd gevoerd moest worden.
Plotseling verhief zich de hooge gestalte van Pencroff. De matroos uitte een kreet. De ingenieur en zijn makkers snelden ijlings naar hem toe. Twee dieren lagen, door een geweldigen slag getroffen, dood op den grond, maar de overigen konden zich nog bij tijds in zee werpen.
"Hier hebt gij de bestelde zeehonden, mijnheer Smith!" zeide Pencroff tot den ingenieur.
"Goed," antwoordde deze, "wij zullen er blaasbalgen van maken!"
"Blaasbalgen!" riep Pencroff verbaasd uit.
Inderdaad was de ingenieur van plan een blaasbalg te maken van de huid dezer dieren. Zij hadden een middelmatige lengte, en hun kop geleek veel op dien van een hond.
Maar daar zij zulk een zwaren last niet gaarne onnoodig mededroegen, besloten Nab en Pencroff op de plaats zelf hun huid af te stroopen, terwijl Cyrus Smith en de reporter het eiland verder gingen onderzoeken.
De matroos en de neger kweten zich zeer behendig van hun taak, en drie uur later was Cyrus Smith in het bezit van twee zeehondenhuiden, die hij onbereid zou gebruiken.
Spoedig daarop konden zij weder de Schoorsteenen binnentreden.
Maar het was lang geen gemakkelijk werk om deze huiden op lange reepen hout uit te spreiden, en ze door middel van vezels er op vast te maken, zoodat de lucht er in opgenomen kon worden, zonder veel er uit te laten ontsnappen. Verscheidene malen moest men van voren af aan beginnen. Cyrus Smith had slechts twee stukjes staal tot zijn dienst, afkomstig van den halsband van Top, en toch ging hem alles zoo goed af, en stonden zijn vrienden hem zoo vaardig ter zijde, dat zij drie dagen later in het bezit waren van een blaasbalg die volop lucht in het erts kon blazen.
Het was op den 20sten April, dat ze 's morgens vroeg hun werk aanvingen. Maar aangezien de mijn in het noordwesten van den berg Franklin gelegen was, dus zes mijlen van de Schoorsteenen verwijderd, konden zij niet elken dag naar de Schoorsteenen terugkeeren, en kwamen zij dus overeen, daar voor behulp een hut op te slaan, zoodat ze dag en nacht met hun belangrijken arbeid konden voortgaan. Zij hadden een langen weg af te leggen, maar dit stelde hen in staat om den grond en het gevogelte gade te slaan. Tegen vijf uur maakte Cyrus Smith halt. Zij hadden thans het bosch achter zich. Eenige honderden passen verder stroomde de Roode Beek; dus waren zij in de nabijheid van drinkwater.
Den anderen ochtend, den 21sten April, ging Cyrus Smith, vergezeld van Harbert, het terrein, waar zij reeds ijzererts gevonden hadden verder onderzoeken. Deze mijn was zeer rijk aan ijzer en Cyrus besloot hier de Katalaansche methode in toepassing te brengen, welke ook op Corsica algemeen gevolgd wordt. Wel moest hij deze methode zeer vereenvoudigen, daar hij slechts een ijzermassa wilde hebben. Zeker hadden Tubal-Kaïn en de eerste metaalbewerkers op dezelfde wijze het ijzer bereid. Maar wat aan het kroost van Adam gelukt was en zulke goede uitkomsten opleverde in streken zoo rijk aan ijzer en brandstof, moest ook gelukken onder de omstandigheden, waarin de kolonisten van het eiland Lincoln geplaatst waren.
Evenals het erts werden ook de brandstoffen zonder moeite uit den omtrek, waar zij op de oppervlakte van den bodem lagen, bijeengezameld. Men brak eerst het erts in stukjes en ontdeed ze van de onreinheden waarmede zij bedekt waren. Daarop werden de steenkolen en het erts in elkander afwisselende lagen opeengestapeld, gelijk de kolenbrander doet wanneer hij houtskool maakt. Op die wijze en onder de werking der verhitte lucht, welke door den blaasbalg verkregen werd, veranderde de kool in koolzuur en in kool-oxyde, om op die wijze het ijzer van zuurstof te bevrijden. De blaasbalg van zeehonden-vel met een steenen handvat aan het uiteinde, dat eerst in den pottenbakkers-oven was vervaardigd, werd bij den ertsstapel geplaatst en door een toestel in beweging gebracht, dat uit koorden en tegenwichten bestond en een hoeveelheid lucht uitblies, welke de temperatuur deed stijgen en aldus behulpzaam was bij het chemisch proces, waardoor het zuivere ijzer zou worden verkregen. De bewerking was moeilijk; zij vereischte al het geduld en beleid van de kolonisten om ze tot een goed einde te brengen. Maar eindelijk slaagde men er in en verkreeg een klomp ijzer, welke men moest smeden om er de lucht- en waterdeelen uit te drijven. Een hamer nu ontbrak aan deze smeden; maar alles wel beschouwd, verkeerden zij in denzelfden toestand, waarin de eerste metaalbewerker verkeerd had, en deden zij wat deze moet hebben gedaan.
De eerste klomp, aan een stok bevestigd, diende als hamer om den tweede te smeden op een aanbeeld van graniet, en zoo verkreeg men een ruw metaal, dat tamelijk bruikbaar was.
Eindelijk, na veel moeite en inspanning, gelukte het hun den 25sten April eenige ijzeren staven te bezitten, die zij tot verschillende werktuigen versmeedden.
Maar toch kon dit metaal hun geen groote diensten bewijzen, daar het zuiver ijzer was en zij vooral behoefte hadden aan staal.
Het staal nu is een verbinding van ijzer en zuurstof, die men verkrijgen kan, hetzij uit gesmolten ijzer, door daaruit de te groote hoeveelheid koolstof te verwijderen, of uit het ijzer door er de vereischte hoeveelheid koolstof bij te voegen.
Hierop was Cyrus Smith ook weder bedacht en hij slaagde er in. Allerlei instrumenten, natuurlijk grof bewerkt, gelukten hem ook, en eindelijk was den 5den Mei hun metaalbewerking afgeloopen en keerden de smeden weder naar de Schoorsteenen terug, om daar een nieuwen werkkring te zoeken.
XVI.
De huisvesting op nieuw besproken.--Een droombeeld van Pencroff.--Een onderzoek van het noordelijk meer.--De noordelijke grens van den bergrug.--De slangen.--Het uiteinde van het meer.--Top is onrustig.--Top zwemt.--Een strijd onder water.--De zeekoe.
Het was nu de 6de Mei, de dag, die met den 6den November van het noordelijk halfrond gelijk staat. De lucht werd mistig en men moest aan eenige toebereidselen voor den winter gaan denken. Toch was de temperatuur niet veel kouder geworden. Maar al dreigde de koude nog niet in te vallen, de regentijd naderde toch en op dit verlaten eiland, te midden der Stille Zee, moest het vaak slecht weder zijn.
De quaestie, een beter verblijf te kiezen, moest dus wel ernstig besproken en overdacht worden.
Natuurlijk had Pencroff wel eenige voorliefde voor deze woning, die hij zelf ontdekt had; maar hij begreep ook dat het raadzamer was een andere te zoeken. Reeds eenmaal was de zee in de Schoorsteenen doorgedrongen en men kon zich niet weder op nieuw aan zulke onheilen blootstellen.
"Bovendien," voegde Cyrus Smith er bij, toen zij dien dag over dat onderwerp spraken, "moeten wij toch eenige voorzorgen nemen."
"Waarom? Het eiland is toch onbewoond," zei de correspondent.
"Dat is waarschijnlijk," antwoordde de ingenieur, "hoewel wij het nog niet geheel en al onderzocht hebben, maar zoo er zich geen enkel menschelijk wezen op bevindt, vrees ik toch dat de wilde dieren het niet verlaten zullen hebben. Het beste is dat wij ons tegen alle aanvallen in veiligheid brengen, en wij moeten vooral niet vergeten elken nacht een van allen te waken om het vuur te onderhouden. In ieder geval, vrienden, moeten wij op alles bedacht wezen."
"Wat," zei Harbert, "op zulk een afstand van elk land?"
"Ja, beste jongen," antwoordde de ingenieur. "De zeeroovers zijn dappere lieden en geduchte boosdoeners, daarom moeten wij onze maatregelen nemen."
"Welnu," antwoordde Pencroff, "wij zullen ons tegen de wilden, zoowel tegen de twee- als de viervoetigen beveiligen. Maar, mijnheer Cyrus, zou het niet beter wezen, als wij, voor iets te ondernemen, het eiland in zijn geheele uitgestrektheid onderzochten?"
"Ik geloof ook, dat dit het raadzaamste is," zei Gideon Spilett. "Wie weet of wij aan de tegenovergestelde kust geen grot vinden, die wij hier tevergeefs hebben gezocht?"