Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen

Chapter 6

Chapter 63,896 wordsPublic domain

Zooals men weet, had dat van Gideon Spilett niet door het zeewater geleden, omdat de correspondent dadelijk op het zand was terecht gekomen, buiten bereik van de golven. Het was een uitmuntend uurwerk, een ware zak-chronometer, dien Gideon Spilett nooit vergeten had op te winden. Het horloge van den ingenieur had natuurlijk stilgestaan gedurende den tijd dien Smith in de duinen had doorgebracht.

De ingenieur wond het op en rekende dat het te oordeelen naar de zon, ongeveer negen uur in de morgen moest zijn: hij zette zijn horloge op dat uur.

Spilett wilde zijn voorbeeld volgen, toen Smith hem weerhield en zeide:

"Neen, wacht even. Gij hebt den tijd van Richmond behouden, nietwaar?"

"Ja, Cyrus."

"Bijgevolg is uw horloge geregeld naar den meridiaan van de stad, de meridiaan, die bijna dezelfde is als die van Washington."

"Zeker."

"Nu, houd het dan zoo. Wind het slechts trouw op, maar kom nooit aan de wijzers. Dit kan ons van dienst zijn."

"Waartoe moet dat dienen!" dacht de zeeman.

Men besloot een anderen weg terug te gaan om het meer Grant eens van naderbij te beschouwen. Er was overeengekomen dat de kolonisten, zonder juist allen bij elkander te loopen, toch niet te ver uiteen zouden gaan. In de dikke bosschen van het eiland zouden zeker eenige wilde dieren verblijf houden en men moest dus voorzichtig zijn. Meestal gingen Pencroff, Harbert en Nab voorop, zonder echter bij Top te kunnen blijven, die overal rondsnuffelde. De ingenieur en de correspondent liepen samen; Gideon Spilett gereed om de minste bijzonderheid aan te teekenen, en Smith in gedachten verzonken; hij bukte zich slechts nu en dan om een steen of plant op te rapen, die hij, zonder er een woord over te zeggen in zijn zak stak.

"Wat drommel raapt hij daar toch op?" mompelde Pencroff. "Ik kijk al, maar zie niets, dat de moeite waard is om er voor te bukken!"

Tegen tien uur was de kleine troep aan den voet van den berg Franklin. Slechts hier en daar stond eenig laag hout en een paar boomen. Men liep over een vlakte van ongeveer een vierkante mijl, die aan den zoom van het bosch vooraf ging en waarvan de grond geel en kalkachtig was. Hier en daar lagen groote blokken basalt, die, volgens Bischof, drie honderd vijftig millioen jaren noodig hebben gehad om af te koelen. Er waren echter nergens sporen van lava te ontdekken; deze was meer langs de noordelijke helling afgevloeid.

Op eens snelde Harbert op Smith toe, terwijl Nab en de zeeman zich achter een rots verscholen.

"Wat is er mijn jongen?" vroeg Gideon Spilett.

"Rook," antwoordde Harbert. "Wij hebben rook zien opstijgen achter de rotsen op ongeveer honderd passen van ons verwijderd."

"Hier menschen?" riep de verslaggever uit.

"Laten wij ons niet laten zien, voordat wij weten met wie wij te doen hebben," antwoordde Cyrus Smith. "Ik vrees de bewoners van dit eiland meer, dan dat ik naar hen verlang. Waar is Top?"

"Top is vooruit."

"En hij blaft niet."

"Neen."

"Dat is zonderling. Laten wij niettemin trachten hem terug te roepen."

In een oogwenk waren de ingenieur, Gideon Spilett en Harbert bij hun twee metgezellen en verscholen zich, evenals deze achter blokken basalt. Van daar zagen zij duidelijk een rookwolk in de lucht opstijgen, waarvan de geelachtige kleur hunne bijzondere aandacht trok.

Top was op een zacht fluitje van zijn meester teruggekomen en deze gaf een teeken aan zijn lotgenooten om hem te wachten terwijl hij zelf tusschen de rotsen vooruit sloop. De kolonisten wachtten met zekere angst den uitslag van deze verkenning af, toen zij allen op het geroep van Cyrus Smith toesnelden. Toen zij bij hem kwamen, waren zij verbaasd over de onaangename reuk, waarmede de lucht bezwangerd was.

"Dat vuur," zei Cyrus Smith, "of liever, die rook, is alleen door de natuur ontstaan. Daar is een zwavelbron en niet anders."

"Welzoo," zeide Pencroff. "Hoe jammer dat ik niet verkouden ben."

De kolonisten begaven zich vervolgens naar de plaats, waar de rook opsteeg. Daar zagen zij een bron van zwavelzure soda die vrij overvloedig tusschen de rotsen stroomde na de zuurstof uit de lucht te hebben opgeslorpt, en waarvan het water sterk naar zwavelwaterstof rook.

Toen Cyrus Smith zijn hand in dat water stak, bevond hij, dat het olieachtig was. Hij proefde het en bevond, dat het een flauw zoeten smaak had. De temperatuur er van schatte hij op vijf en negentig graden Fahrenheit. En toen Harbert hem vroeg op welken grond hij dit deed, antwoordde hij:

"Zeer eenvoudig, mijn jongen, omdat ik kou noch warmte gevoelde op het oogenblik, dat ik er mijn hand indompelde. Het is dus van dezelfde temperatuur als het menschelijk lichaam, dat ongeveer vijf en negentig graden heeft."

Daar de zwavelbron op dat oogenblik van geen nut was, richtten de kolonisten zich naar den zoom van het bosch. Zooals men vermoed had, stroomde de beek met haar helder doorschijnend water tusschen steile oevers van rood zand, waarvan de kleur de aanwezigheid van ijzeroxyde verried. Naar aanleiding van deze kleur noemde men dit water de Roode Beek. Het water was zoet, hetgeen deed veronderstellen, dat het meer eveneens zoet zou zijn. Voor het geval dat men aan zijn oevers een betere woning dan de schoorsteenen mocht vinden, was deze omstandigheid van zeer veel belang.

De boomen behoorden grootendeels tot die soort, welke overvloedig gevonden wordt in de gematigde luchtstreek van Australië of van Tasmanië en waren niet dezelfde als men gevonden had op eenige mijlen van de bergvlakte. Het waren in het bijzonder de cassia boomen en een soort van myrteplant, waarvan eenige het volgende voorjaar een suikerachtig mannabrood moesten leveren, dat geheel overeenkwam met het oostersche manna. Kleine cederbosschen stonden hier en daar verspreid, maar de kokosboom, die zoo weelderig groeit op de eilanden der Stille Zee scheen geheel te ontbreken op dit eiland dat waarschijnlijk op te geringe breedte was gelegen.

"Hoe jammer!" zeide Harbert, "zulk een nuttige boom, waaraan zulke heerlijke vruchten groeien!"

Wat de vogels betreft, deze fladderden tusschen casuar- en myrteboomen, waarvan de takken ver uit elkander groeiden, en het uitspreiden van hunne vleugels niet verhinderde. Zwarte, witte en grijze kakketoes, papegaaien en parkietjes met bontgekleurde veeren vertoonden zich als door een prisma gezien en fladderden rond met een oorverdoovend gekrijsch.

Plotseling deed zich uit een boschje een onharmonisch concert hooren. De kolonisten vernamen achtereenvolgens het gezang van vogels, de kreten van wilde dieren en geluiden die zij aan een menschelijk wezen konden toeschrijven. Nab en Harbert waren op het boschje toegeschoten en verloren daarbij de meest noodzakelijke maatregelen van voorzichtigheid uit het oog. Gelukkig was er noch een verscheurend dier noch een gevaarlijke inboorling te vreezen, maar slechts een half dozijn van die spottende zangvogels die men weldra als "bergfazanten" herkende. Eenige behendig toegebrachte stokslagen maakten een einde aan die nabootsing van den mensch en verschaften heerlijk wild voor het avondeten.

Harbert wees nog op prachtige duiven met gebronsde vleugels, sommigen met schitterende kammen, anderen groenachtig evenals hunne stamverwanten van Port-Macquarie, maar men kon ze onmogelijk vangen, evenmin als de kraaien en eksters welke bij massa's opstegen.

Het gebrek aan vuurwapens deed zich zeer levendig gevoelen, toen een troep viervoetige dieren door het kreupelhout heen wegvlood en daarbij zulke groote sprongen nam, van dertig voet en meer dat men zou gezegd hebben dat zij als eekhorens van boom op boom huppelden.

"Kangaroes!" riep Harbert uit.

"Kan men die eten?" vroeg Pencroff.

"Gestoofd," antwoordde de verslaggever, "zijn zij even goed als het fijnste wildbraad!"

Spilett had nauwelijks dit aangenaam vooruitzicht geopend of Pencroff, Nab en Harbert waren de kangaroes achterna gesneld. Cyrus Smith riep hen te vergeefs terug. Maar het was ook te vergeefs, dat de jagers deze vlugge beesten nazetten, die als hazen liepen. Na vijf minuten waren ze buiten adem, en het wild verdween in het kreupelhout. Top was evenmin als zijn meester geslaagd.

"Mijnheer Cyrus," zeide Pencroff, toen zij weder bij den ingenieur en den correspondent waren, "mijnheer Cyrus, ge ziet wel dat het noodzakelijk is, dat wij geweren maken. Zou dat niet mogelijk zijn?"

"Misschien," antwoordde de ingenieur. "Maar we zullen eerst boog en pijlen maken, en ik twijfel niet of gij zult er even handig mee leeren omgaan als de Australische jagers."

"Pijlen, bogen!" zeide Pencroff met minachting. "Dat is goed voor kinderen!"

"Geloof dat maar niet, vriend Pencroff," antwoordde de correspondent. "Eeuwen lang zijn pijl en boog voldoende geweest om stroomen bloeds te vergieten. Het kruit is slechts van gisteren, en de oorlog is even oud als het menschelijk geslacht,--helaas!"

Harbert kwam intusschen weder op de kangaroes terug, daar de natuurlijke historie zijn geliefkoosde wetenschap was.

"Wij hadden daar dan ook te doen met het soort dat het moeilijkst te vangen is. Het reuzensoort met lang haar; maar als ik mij niet vergis, bestaan er zwarte en roode kangaroes, rots- en rattenkangaroes, die allen gemakkelijker te vangen zijn. Men heeft een twaalftal soorten...."

"Harbert," antwoordde de zeeman ernstig, "er bestaat voor mij slechts een soort van kangaroe, de "kangaroe aan het spit gebraden", en juist dien zullen wij van avond missen."

Top, die scheen te begrijpen dat ook zijn belang op het spel stond, draaide en snuffelde overal, rondgeleid door zijn instinct, dat nog verhoogd werd door zijn grooten honger. Het was zelfs waarschijnlijk, dat wanneer hij hier of daar een stuk wild machtig mocht worden, er weinig voor de jagers zou overblijven, en dat Top voor eigen rekening jaagde; maar Nab ging hem nauwkeurig na en deed daar wel aan.

Tegen drie uur verdween de hond in het kreupelhout; een dof geknor bewees weldra, dat hij eenig wild op het spoor was.

Nab snelde er op los en zag Top bezig een viervoetig dier te verscheuren, dat tien minuten later geheel in zijn maag zou verdwenen zijn. Maar gelukkig had de hond een nest vol aangevallen; hij had een driedubbele vangst gehad en twee andere knaagdieren--de prooi van Top behoorde tot die soort--lagen doodgebeten op den grond.

Nab keerde zegepralend terug, in iedere hand een knaagdier houdende, grooter dan een haas. Hun gele huid was bezaaid met groenachtige vlekken en hun staart bestond slechts uit een begin van dat lichaamsdeel.

Een burger der Vereenigde Staten kon geen oogenblik aarzelen den waren naam aan deze knaagdieren te geven. Het waren "patagonische hazen," een soort van konijn-varken, een weinig grooter dan men ze in de tropische streken vindt, de konijnen van Amerika, met lange ooren, in den bek aan weerskanten met vijf scherpe kiezen gewapend, hetgeen ze juist van het varken-konijn onderscheidt.

"Hoezee!" riep Pencroff. "Daar hebben wij het gebraad! Nu kunnen wij naar huis gaan!"

De tocht huiswaarts werd aanvaard en snel voortgezet tot aan het meer Grant. Daar proefde men het water en bevond dat het zoet was. Aan sommige kringen, welke zich nu en dan aan de oppervlakte vertoonden, kon men bespeuren, dat het zeer vischrijk moest wezen.

"Dat meer is werkelijk schoon!" zeide Gideon Spilett. "Men zou aan zijn oever willen leven!"

"En wij zullen er leven!" antwoordde Cyrus Smith.

De kolonisten namen den naasten weg naar huis; zij baanden zich niet zonder moeite een pad door het kreupelhout en richtten zich naar de kust. Bij de Schoorsteenen gekomen, legden Nab en Pencroff een goed vuur aan en zorgden verder voor het middagmaal.

Toen allen zich te goed hadden gedaan en zich ter ruste wilden begeven, haalde Cyrus Smith de kleine stalen van verschillende delfstoffen, welke hij onderweg opgeraapt had, uit zijn zak, en zeide slechts:

"Mijne vrienden, dit is ijzererts, dit is een vuursteen, hier is klei, kalk en steenkool. Dit alles schenkt ons de natuur, en dit is haar deel in den gezamenlijken arbeid!--Morgen is het onze beurt!"

XIII.

Wat men bij Top vindt.--Het vervaardigen van pijl en boog.--Een steenbakkerij.--Keus en raad.--De eerste "pot op 't vuur."--De bijvoet.--Het zuiderkruis.--Eene belangrijke astronomische waarneming.

"Welnu, mijnheer Cyrus, waar moeten wij mede beginnen?" vroeg Pencroff den volgenden morgen aan den ingenieur.

"Met het begin," antwoordde Cyrus Smith.

En het was inderdaad letterlijk waar dat de kolonisten met het begin moesten beginnen. Zij bezaten zelfs de noodige gereedschappen niet om gereedschappen te maken, en zij bevonden zich niet in den toestand der natuur, die de wet volgt: "tijd spaart arbeid." Tijd ontbrak hun, omdat zij dadelijk moesten voorzien in al hunne levensbehoeften, en moesten zij al niet alles uitvinden, zij moesten toch alles samenstellen. Hun ijzer en hun staal waren nog slechts delfstoffen, hunne potten en pannen nog slechts klei, hun linnen en kleederen moesten nog gesponnen worden.

Men moet echter bekennen, dat die kolonisten "mannen" waren in de schoone en krachtige beteekenis van het woord. De ingenieur Smith kon door geen handiger metgezellen bijgestaan worden, noch met meer toewijding en ijver. Hij had hen beproefd. Hij wist wat zij vermochten. Het zou werkelijk moeite kosten vijf menschen bijeen te brengen, die beter geschikt waren te strijden tegen het noodlot en zekerder waren daar over te zegepralen.

"Met het begin," had Cyrus Smith gezegd. Het begin, waarvan de ingenieur sprak, was het vervaardigen van een toestel, dat dienen kon om hetgeen de natuur verschafte in andere vormen te brengen. Men kent de rol, die de warmte speelt bij deze verandering van vorm. Dus brandstoffen als hout en steenkool waren reeds aanstonds bruikbaar. Men moest slechts een oven samenstellen om ze aan te wenden.

"Waartoe moet die oven dienen?" vroeg Pencroff.

"Om potten te maken, die wij hoog noodig hebben," antwoordde Cyrus Smith.

"En waarmede zullen wij den oven maken?"

"Met steenen."

"En deze steenen?"

"Van klei. Vooruit dan vrienden. Om het vervoeren te voorkomen, zullen wij onze werkplaats aanleggen op de plaats, waar wij de grondstoffen vinden. Nab zal voor provisie zorgen en vuur zal ons niet ontbreken om onze spijzen te bereiden."

"Neen," antwoordde de correspondent, "maar als wij gebrek aan spijs krijgen, omdat wij geen wapen voor de jacht hebben?"

"Hadden wij maar een mes!" riep de zeeman uit.

"Wat dan?" vroeg Cyrus Smith.

"Dan maakte ik spoedig pijl en boog, en wij zouden wild in overvloed hebben."

"Ja, een mes, een snijdend werktuig...." zeide de ingenieur in zichzelf sprekend. Op hetzelfde oogenblik viel zijn blik op Top, die aan den oever van de rivier heen en weer snuffelde. Smith scheen plotseling op een inval te komen:

"Top, hier!" riep hij.

Op het bevel van zijn meester snelde de hond toe. Deze nam den kop van Top tusschen zijn handen, ontdeed hem van de halsband, die het dier droeg, brak deze in twee stukken en zeide:

"Hier hebt ge twee messen, Pencroff!"

Twee vreugdekreten waren het antwoord van den zeeman. De halsband van Top bestond uit een smalle band hard staal. Het moest dus slechts op een biksteen geslepen worden; de rotsen van dit fijne zand waren talloos langs de kust en twee uur later bestonden de werktuigen van de kolonie in twee scherpe messen, waarvoor men gemakkelijk twee sterke heften had kunnen vinden.

Het bezit van dit eerste werktuig werd als een overwinning beschouwd; het was inderdaad een zeer gewichtige overwinning, die hoogst welkom was.

De tocht werd aanvaard. Onderweg ontdekte Harbert een boom, waarvan de Indianen in Zuid-Amerika de takken gebruiken om hunne bogen te maken. Het was de "crejimba" een soort van palmboom, die geen eetbare vruchten oplevert. Lange, rechte takken werden afgebroken, ontbladerd en aan de uiteinden dunner gesneden dan in het midden, zoodat men nog slechts een plant moest vinden, geschikt om er de pees van te vervaardigen. Deze werd verschaft door een soort van maluweplant, die bijzonder sterke vezels levert, welke te vergelijken zijn met de zenuwen van een dier. Op deze wijze verkreeg Pencroff een boog van vrij groote kracht, waaraan nog slechts de pijlen ontbraken. Die pijlen zouden geen moeielijkheid opleveren; er waren rechte takken zonder knoesten in overvloed, maar een zelfstandigheid, welke het ijzer moest vervangen aan de punt was moeilijker te vinden. Pencroff beweerde echter, dat nu hij zijn deel aan het werk gedaan had, het toeval het overige wel zou doen.

De kolonisten kwamen op het terrein, dat zij den vorigen avond opgenomen hadden. Het bestond uit zachte klei, die gebruikt wordt om steenen en pannen te bakken en bijgevolg uitmuntend geschikt was voor het werk dat men ging ondernemen. Men bracht er zand bij om ze vaster te maken; de steenen werden gevormd en boven een vuur van takkebossen gebakken. Die dag en de volgende werden met dezen arbeid doorgebracht. Een geoefend werkman kan, zonder machine, in vier en twintig uur tien duizend steenen vormen; maar in de twee dagen, welke de vijf steenbakkers van het eiland Lincoln werkten, vervaardigden zij er niet meer dan drie duizend, die bij elkander gezet werden, totdat het aantal voldoende zou zijn om ze te bakken, hetgeen nog drie à vier dagen zou duren.

Cyrus Smith begon den 2den April de ligging van het eiland tot zijn ernstig onderzoek te maken.

Den vorigen avond had hij nauwkeurig aangeteekend, op welk uur de zon achter den horizon verdwenen was, de straalbreking in aanmerking nemende. Dien morgen ging hij met niet minder juistheid het uur na, waarop zij weder verrees. Er waren twaalf uur, vier en twintig minuten voorbijgegaan tusschen dat op- en ondergaan. Dien dag zou de zon dus zes uur twaalf minuten na haar opkomst den meridiaan passeeren en het punt, dat zij op dat oogenblik aan den hemel zou innemen, zou het noorden zijn.

Op het bepaalde uur nam hij het punt waar, plaatste twee boomen zoodanig, dat zij hem als baken konden dienen en verkreeg aldus een onveranderlijke meridiaan voor zijn verdere waarnemingen.

De twee dagen, welke aan het bakken van de steenen voorafgingen, werden doorgebracht met het bijeenzoeken van brandstoffen. In het bosch werden takken gesneden en al het gevallen hout opgeraapt. Middelerwijl werd er in de omstreken gejaagd, te meer daar Pencroff nu in het bezit was van een boog en eenige dozijnen pijlen met scherpe punt. Top had deze punten verschaft door het aanbrengen van een stekelvarken, dat als wild niet veel waarde had, maar van onbetwistbaar nut was wegens de scherpe stekels, waarmede het was overdekt. De punten werden stevig aan de pijlen bevestigd en de verslaggever en Harbert waren spoedig een paar geoefende schutters, zoodat er steeds wild in overvloed was. Hoe lekker en smakelijk het ook gereed werd gemaakt, het was toch altijd maar wild en nog eens wild, en de kolonisten zouden overgelukkig zijn geweest als zij weer het gekook van een eenvoudigen pot gehoord hadden; maar men moest wachten tot de pot gemaakt was en bijgevolg tot dat de oven gereed zou zijn.

Op de tochten die zich tot een nauwen kring om de steenbakkerij beperkten, zagen de jagers versche sporen van groote dieren met sterke klauwen; zij konden echter nog niet bepalen tot welke soort deze behoorden. Cyrus Smith beval de grootste voorzichtigheid aan, want het was wel waarschijnlijk dat er in het bosch eenige wilde dieren zouden schuilen. En hij had gelijk. Gideon Spilett en Harbert zagen op een dag inderdaad een dier, dat veel overeenkomst had met een jaguar. Het viel gelukkig niet op hen aan, want zij zouden er misschien niet dan met eenige ernstige wonden zijn afgekomen. Maar Gideon Spilett nam zich vast voor aan alle wilde dieren een oorlog op leven en dood te verklaren en er het eiland van te zuiveren, zoodra hij in het bezit zou zijn van een deugdelijk wapen, dat is te zeggen, van een van die geweren, waarop Pencroff aanspraak maakte.

Reeds vroeg in den morgen van 6 April waren de ingenieur en zijn lotgenooten bijeen op een open plek in het bosch, waar men de steenen zou bakken. Dit moest natuurlijk in de open lucht geschieden en niet in ovens of liever de opeenhooping van de steenen zou een reusachtige oven zijn, die zich zelf zou bakken. De brandstoffen, welke uit takkebossen bestonden, werden op den grond gelegd en daarom heen plaatste men verscheidene rijen droge steenen, die weldra een grooten kubus vormden, waarin men luchtgaten maakte. Met dit werk ging een gansche dag voorbij en eerst 's avonds kon men de takkebossen aansteken.

Dien nacht legde niemand zich te slapen, en men waakte zorgvuldig, dat het vuur niet verflauwde. Acht en veertig uur bracht men in gespannen verwachting door, maar zij hadden de voldoening dat hun werk uitmuntend geslaagd was. Aan de rookende massa moest vervolgens tijd tot afkoeling gelaten worden en Nab en Pencroff vervoerden intusschen, door Smith geleid, op een draagbaar van takken gevlochten, een groot aantal steenen, waarvan het voornaamste bestanddeel koolzure kalk was, en welke steenen in overvloed op den noordelijken oever van het meer gevonden werden.

Toen deze steenen door de warmte ontleed werden, verkreeg men dikke ongebluschte kalk, die zeer sterk uitzette toen zij gebluscht werd, en even zuiver was alsof zij verkregen was door de verkalking van krijt en marmer. Met een weinig zand gemengd om het te sterk indrogen er van te beletten, leverde deze kalk een voortreffelijke metselspecie.

Den 9den April was de ingenieur in het bezit van eene goede hoeveelheid bereide kalk en eenige duizenden steenen.

Zonder een oogenblik verloren te laten gaan, begon men aan het samenstellen van een oven, die moest dienen tot het bakken van verscheidene potten en pannen, voor huiselijk gebruik onmisbaar. Daarin slaagde men zonder groote moeielijkheid. Vijf dagen later was de oven gevuld met steenkolen, waarvan de ingenieur een laag ontdekt had aan den mond van de Roode Beek en de eerste rookwolken stegen op uit een schoorsteen van ongeveer twintig voet hoog. De open plek in het bosch was in een werkplaats herschapen en Pencroff was overtuigd, dat uit dezen oven alle voortbrengselen van de tegenwoordige nijverheid te voorschijn zouden komen.

Het eerst werden er potten en pannen gebakken om de spijzen van de kolonisten te bereiden. De vorm was nog wel gebrekkig, maar zij beantwoordden aan hun doel, en dit was het voornaamste.

Pencroff wilde zich overtuigen of de aarde, toebereid, zooals zij dit was om de pannen te bakken, de naam van "pijpaarde", welke er aan gegeven was, verdiende; hij maakte daarom eenige grove pijpen, die hij prachtig vond, maar waaraan de tabak, helaas, ontbrak! Een gemis, dat Pencroff onophoudelijk gevoelde.

"Maar, evenals al het andere, zal de tabak ook wel komen!" riep hij bij herhaling met het volste vertrouwen uit.

Tot den 15den April hield deze arbeid aan. Nu de kolonisten pottenbakkers waren geworden, deden zij ook niets anders dan potten bakken. Wanneer Cyrus Smith het oogenblik gekomen zou achten hen in smeden te veranderen, zouden zij smeden zijn. Maar den volgenden dag was het Zondag en wel de eerste Paaschdag en allen kwamen overeen dien dag te vieren door rust te nemen.

De oven doofde uit en de potten werden naar de Schoorsteenen meegenomen. Op den terugtocht deed de ingenieur een belangrijke ontdekking; hij vond namelijk een zelfstandigheid, die geschikt was om de zwam te vervangen. Hij nam er een zekere hoeveelheid van in zijn hand en liet die Pencroff zien, welke, vervuld als hij was met de tabak, niet anders dacht of het was die, volgens hem, onmisbare plant.

"Neen," antwoordde Cyrus Smith, "voor de geleerden is dit de chineesche bijvoet, en voor ons zal het zwam zijn."

Deze bijvoet was inderdaad een zeer brandbare stof, als zij goed gedroogd was en vooral later, toen de ingenieur haar in salpeterzure potasch dompelde, die overvloedig op het eiland gevonden werd, en niets anders is dan salpeter.