Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen
Chapter 5
"Hoezee!" riep Pencroff, die gaarne door dien kreet zijn vreugde uitte. "Nu nog slechts een gloeiend kooltje en dit knaagdier zal zelf tot op de beenderen afgeknaagd worden!"
Pencroff laadde het zwijn op zijn schouders en den stand der zon gadeslaande, oordeelde hij, dat het ongeveer twee uur zou zijn en gaf bevel tot den terugtocht.
Dank zij het instinct van Top, konden de jagers den weg, dien zij gekomen waren, terugvinden. Een half uur later waren zij aan den oever van de rivier. De zeeman was nog op vijftig passen van de schoorsteenen verwijderd, toen hij op nieuw een oorverdoovend hoezee aanhief en op den steenhoop wijzende, uitriep:
"Nab! Harbert! Zie eens!"
Een rookwolk steeg kronkelend boven de rotsen op!
X.
Eene uitvinding van den ingenieur.--De vraag, die Cyrus Smith bezig houdt.--Op weg naar het gebergte.--Het woud.--Vulkanische bodem.--Vreemde dieren.--De eerste vlakte.--Een nacht in de open lucht.--De top van den kegel.
Eenige oogenblikken later stonden de drie jagers voor een knetterend vuur. Cyrus Smith en de correspondent bevonden zich daar eveneens, Pencroff staarde hen aan, zonder een woord te zeggen, met zijn zwijn in de hand.
"Zeker, zeker, mijn jongen," riep de verslaggever uit. "Vuur waarachtig vuur, dat dit prachtige stuk wild, waaraan wij ons straks te goed zullen doen, heerlijk zal braden!"
"Maar wie heeft dit aangemaakt?" vroeg Pencroff.
"De zon!"
Het antwoord van Gideon Spilett was zeer juist. De zon had deze warmte aangebracht, waarover Pencroff zich verwonderde. De zeeman kon zijn oogen niet gelooven, en hij was zoo buiten zich zelf van verbazing, dat hij er niet eens aan dacht den ingenieur naar de toedracht der zaak te vragen.
"Hadt gij dan een brandglas, mijnheer?" vroeg Harbert aan Smith.
"Neen, mijn jongen," antwoordde hij, "maar ik heb er een gemaakt."
En hij liet hem den toestel zien, dien hij voor brandglas gebruikt had. Het waren slechts de glazen van de horloges van den correspondent en van hem. Na ze met water gevuld en de randen door middel van een weinig klei hermetisch aaneengesloten te hebben, had hij een brandglas vervaardigd, dat, door de zonnestralen op een stuk zeer droog mos te concentreeren, de ontbranding had veroorzaakt.
De zeeman beschouwde den toestel en keek toen den ingenieur aan zonder een woord te spreken. Maar zijn blik zeide genoeg! Was Cyrus Smith voor hem al niet een God, zeker was hij meer dan een mensch. Eindelijk kreeg hij zijn spraak terug en riep uit:
"Teeken dat aan mijnheer Spilett, teeken dat in uw boek aan."
"Het is reeds aangeteekend," antwoordde de verslaggever.
Weldra had de zeeman, met behulp van Nab, het zwijn aan het braadspit. De ingenieur en zijn metgezel hadden hun dag goed besteed, de schoorsteenen waren weder bewoonbaar geworden, doordat de reten met steen en zand dicht waren gemaakt en de gloed van het vuur zich ook daar deed gevoelen. Cyrus Smith had zijn krachten weder teruggekregen en staarde, in gepeins verzonken, naar den top van den berg, dien zij den volgenden dag zouden bestijgen. Die berg lag ongeveer op zes mijlen noord-westelijk en verhief zich, naar zijn schatting, drie duizend vijf honderd voet boven de oppervlakte der zee. Bijgevolg kon iemand, die op den top stond den horizon met een straal van minstens vijftig mijlen overzien. Cyrus Smith zou dus waarschijnlijk zonder moeite, de quaestie van "vasteland of eiland" kunnen oplossen, welke hij, niet zonder reden, de gewichtigste van allen oordeelde.
Het avondeten werd met grooten smaak genuttigd en na eenige groote blokken hout op het vuur geworpen te hebben, begaven zich allen ter ruste.
Den volgenden morgen om half acht waren Cyrus Smith en zijn lotgenooten, met stokken gewapend, gereed om den tocht te ondernemen. De rest van het zwijn was voldoende voedsel voor vier en twintig uur; zij hoopten onder weg echter nieuwen voorraad op te doen; en de glazen waren dan ook weer op de horloges van den ingenieur en den verslaggever gezet.
Op raad van Pencroff volgde men den reeds afgelegden weg door het bosch, daar dit de naaste naar den berg was. Toen zij aan den zoom van het bosch waren, begon de weg een weinig te hellen. Ten tien uur maakte men even halt op een plaats vanwaar men den berg in het gezicht had.
"Wij zijn op vulkanisch terrein," zeide Smith tot zijn metgezellen. Harbert maakte hen opmerkzaam op versche sporen van groote dieren, wilde of andere.
"Die beesten zullen ons misschien ongaarne hun gebied afstaan," merkte Pencroff op.
"Welnu," antwoordde de correspondent, die in Indië reeds tijgerjachten had mee gemaakt en in Afrika de leeuwen had vervolgd, "wij zullen ons van hen trachten te ontdoen. Maar laten wij intusschen op onze hoede zijn."
Om twaalf uur werd er een tweede halt gemaakt om te ontbijten, waarna het troepje zich weer in beweging zette, maar nu door vrij dik kreupelhout. In de schaduw fladderde een groot aantal vogels, tot het geslacht der fazanten behoorende. Gideon Spilett doodde met een steenworp een van deze vogels, waarop Pencroff, die waarschijnlijk door de lucht honger had gekregen, gulzige blikken wierp.
De weg werd voortdurend moeielijker, want hij ging nu steil naar de hoogte en ieder moest nauwkeurig toezien, waar hij zijn voet zette. Nab en Harbert gingen vooraan, Pencroff was de laatste; tusschen hen in liepen Cyrus en de verslaggever. De dieren, die op deze hoogte verblijf hielden--en hun sporen ontbraken niet--moesten noodzakelijk behooren tot die rassen met vasten voet en lenig lichaam, waartoe de gemzen en wilde geiten behooren. Men zag er zelfs eenigen, maar Pencroff scheen ze niet met een juisten naam aan te duiden, want eensklaps riep hij uit:
"Schapen!"
Allen bleven stilstaan op vijftig passen afstand van een half dozijn groote dieren met krachtige horens, die naar achteren gebogen en plat aan het uiteinde waren, hun vacht was wollig, maar verborgen onder lang zijdeachtig haar van licht gele kleur.
Het waren geen gewone schapen, maar een soort, dat algemeen gevonden wordt in de bergen der gematigde luchtstreken en waaraan Harbert den naam gaf van wilde rammen.
"Zitten er ook bouten en koteletten aan?" vroeg de zeeman.
"Ja," antwoordde Harbert.
"Nu dan zijn het ook schapen!" hernam Pencroff.
Deze beesten bleven onbeweeglijk en met verwonderden blik tusschen de blokken basalt staan alsof zij voor de eerste maal menschelijke wezens aanschouwden. Toen verdwenen zij in een paar sprongen achter de rotsen.
"Tot weerziens!" riep Pencroff hun op zulk een echt komischen toon na, dat zijn metgezellen begonnen te lachen.
Zeven uur lang waren zij bergopwaarts gegaan; de duisternis viel in en men besloot te kampeeren om de krachten te herstellen, het avondeten te nuttigen en vervolgens te slapen. Het weer was prachtig, de hemel onbewolkt en de nacht nog niet geheel donker. Te midden van eenige rotsen vond men een schuilplaats. Hoewel de brandstof niet overvloedig was, wisten de zeeman, Nab en Harbert spoedig zooveel mos en droog hout bij elkander te zoeken, dat er binnen weinige oogenblikken een knetterend vuurtje opvlamde, dat alleen diende om de koude nachtlucht een weinig tegen te gaan. Nab bewaarde den fazant voor den volgenden dag, de overblijfsels van het zwijn en eenige dozijnen amandelen vormden nu het souper. Het was nog geen half zeven, toen dit reeds afgeloopen was.
Cyrus Smith kwam op de gedachte om, voor hij ter ruste ging, den omtrek nog eens op te nemen; hij wilde zich overtuigen of men het pad kon volgen dat rondom dezen kegel liep, voor het geval dat de zijden te stijl mochten zijn en men den top aldus niet zou kunnen bereiken. Kon men echter geen van beiden, dan was het onmogelijk het westelijke gedeelte van de streek op te nemen en men zou het doel van den tocht gedeeltelijk missen.
Zonder zijn vermoeienis te tellen, liet de ingenieur Pencroff en Nab voor slaapplaatsen zorgen, Gideon Spilett zijn aanteekeningen schrijven en volgde hij zelf den weg, die om den top liep. Harbert vergezelde hem.
Na een marsch van ongeveer twintig minuten, konden Smith en Harbert niet verder: op dat punt vloeide de helling der beide kegels ineen; ter zelfder tijd werd hun echter de kans geopend om regelrecht op den top af te gaan. Zij bevonden zich namelijk voor een diepe spleet in den berg. Het was de mond van den krater, die zich bovenaan bevond, de hals, als het ware, waardoor de vloeibare stoffen uitgeworpen werden in den tijd dat de vulkaan nog in werking was. De lava was hard geworden, het metaalschuim had zich gezet en vormde een soort van natuurlijke trap met breede treden, die het beklimmen van den top van den berg gemakkelijk maakten.
In een oogopslag overzag Cyrus Smith den stand van zaken en, zonder aarzelen, begaf hij zich, door zijn jeugdigen makker gevolgd, in de groote spleet te midden van een diepe duisternis. Men moest nog ongeveer duizend voet stijgen. Zou de helling binnen den krater begaanbaar zijn? Men moest het onderzoeken. De ingenieur wilde zijn tocht voortzetten, zoolang hij door niets daarin belemmerd werd.
Wat den vulkaan zelf betrof, het viel geen oogenblik te betwijfelen of hij was geheel uitgedoofd. Geen rookwolkje steeg er uit. Geen vlam was er in de diepte zichtbaar. Geen gerommel, geen geluid, geen beweging kwam er uit deze donkere put, die mogelijk doordrong tot in het binnenste der aarde. Zelfs de atmosfeer in den krater was door geen enkelen zwavelachtigen damp bezwangerd. Het was meer dan een sluimerende vulkaan, het was een geheel uitgedoofde.
De poging van Cyrus Smith moest slagen. Langzamerhand zagen Harbert en hij, terwijl zij stegen, den krater boven hun hoofd wijder worden. Het gedeelte van den hemel dat zij boven zich zagen werd al grooter en grooter. Bij elken stap, dien Smith en Harbert deden kregen zij nieuwe sterren in het gezicht. Het schitterde prachtig.
Het was even voor acht uur toen Cyrus Smith en Harbert hun voet zetten op den top van den berg.
Het was geheel duister en zij konden niet verder dan twee mijlen zien. Werd dit onbekende land door de zee omgeven, of hechtte het zich in het westen aan eenig vasteland van de Stille Zee? Men kon het nog niet onderscheiden. In het westen maakte een nevelachtige streep, die scherp tegen den horizon afstak, de duisternis nog grooter en het oog kon niet beslissen of hemel en water in éen lijn samenvloeiden.
Plotseling echter vertoonde zich een flauw licht aan een punt van den horizon, dat langzaam daalde, naarmate de wolk steeg.
Het was de smalle sikkel van de maan, die weldra zou verdwijnen; maar haar licht was voldoende om de lijn van den horizon, waarvoor de wolk verdwenen was, duidelijk af te teekenen, en de ingenieur zag een oogenblik haar beeld zich in een vloeiende oppervlakte trillend weerspiegelen.
Cyrus Smith vatte de hand van den knaap en zeide op ernstigen toon, op het oogenblik dat de maan in de golven verdween:
"Een eiland!"
XI.
Op den top van den kegel.--Het binnenste van den krater.--De zee rondom.--Geen land in zicht.--De kust in vogelvlucht gezien.--Is het eiland bewoond?--Doop der baaien, golven, kapen en rivieren.--Het eiland Lincoln.
Een half uur later waren Cyrus Smith en Harbert weder op weg naar hun kamp. De ingenieur zeide slechts tot zijn metgezellen, dat het land, waarop zij geworpen waren, een eiland was, en dat men den volgenden dag verder zou overleggen. Vervolgens maakte ieder het zich zoo gemakkelijk mogelijk om te slapen en in dat hol van basalt op een hoogte van vijf en twintig honderd voet boven de oppervlakte der zee, smaakten "de eilandbewoners" een diepe rust.
Den volgenden morgen, 30 Maart, wilde de ingenieur, na een sober ontbijt, uit een gebraden geit bestaande, weder den top van den vulkaan bestijgen, teneinde nauwkeurig het eiland op te nemen, waarop hij en de zijnen gevangen waren, misschien zelfs levenslang, indien het op grooten afstand van elk land gelegen was, of wanneer het niet in den weg lag van de schepen, welke de archipel der Stille Zee bezoeken. Ditmaal volgden allen hem op zijn ontdekkingstocht. Ook zij wilden het eiland zien, dat al hun behoeften zou moeten bevredigen. Cyrus Smith volgde denzelfden weg als den vorigen dag. Het was prachtig weer. De zon steeg aan een effen hemel en verlichtte met haar stralen het geheele oostelijk gedeelte van den berg.
Men kwam bij den krater. De ingenieur zou hem zelfs in de duisternis teruggevonden hebben. Nog voor twee uur waren Smith en zijn metgezellen op den top van den krater vereenigd, op een kegelvormige hoogte, die zich aan de noordzijde verhief.
"Zee! overal zee!" riepen zij uit, alsof hun lippen dat woord niet konden weerhouden, dat hen tot eilanders maakte.
De ingenieur en zijn vrienden beschouwden eenige oogenblikken, sprakeloos en onbeweeglijk, alle punten van den oceaan. Zij drongen met hun oog tot de uiterste grenzen der onmetelijke watervlakte door. Maar Pencroff, die zulk een scherp gezicht had, zag niets, en waarlijk, indien er aan den horizon land ware geweest, al had het zich ook voorgedaan als een flauwe nevel, de zeeman zou het ongetwijfeld herkend hebben, want het waren twee ware telescopen die de natuur onder zijn zware wenkbrauwen geplaatst had.
Van den oceaan richtten zij hun blikken naar het eiland, dat zij geheel overzagen, en Gideon Spilett was de eerste, die het woord nam en de belangrijke vraag stelde:
"Hoe groot kan dit eiland zijn?"
Het scheen inderdaad niet groot te midden van den onmetelijken oceaan.
Cyrus Smith dacht eenige oogenblikken na; hij volgde oplettend den omtrek van het eiland, waarbij hij de hoogte waarop hij zich bevond, in aanmerking nam, en zeide toen:
"Vrienden, ik geloof niet dat ik mij vergis, wanneer ik den omtrek van het eiland op ongeveer tweehonderd mijlen schat."
"En bijgevolg is de oppervlakte?...."
"Dat valt moeielijk te bepalen," antwoordde de ingenieur, "want er zijn te veel bochten."
Cyrus Smith vergiste zich niet in zijn schatting; het eiland had ongeveer de uitgestrektheid van Malta of Zante in de Middellandsche Zee; maar het was daarbij veel onregelmatiger, en minder rijk in kapen, uitstekende punten, baaien, inhammen en kreken. Zijn inderdaad zonderlinge vorm verwonderde allen, en toen Gideon Spilett, op raad van den ingenieur, den omtrek er van geteekend had, vond men dat het geleek op eenig phantastisch dier, een monsterachtig gevind weekdier, dat op de oppervlakte van de Stille Zee ingeslapen was.
Het eiland zelf maakte in het algemeen daarvan den indruk. Het geheele zuidelijke gedeelte, van den berg tot de kust, was dicht met hout begroeid; het was onvruchtbaar en zandig in het noorden. Cyrus Smith en zijn metgezellen waren niet weinig verwonderd, toen zij tusschen den vulkaan en de kust een meer zagen, rondom door groene boomen omringd, waarvan zij het bestaan niet hadden vermoed. Van die hoogte af scheen het meer en de zee hetzelfde peil te hebben, maar, na er over te hebben nagedacht, verklaarde de ingenieur, dat de hoogte van dat meer boven de oppervlakte der zee ongeveer drie honderd voet moest bedragen, want de bergvlakte die tot kom diende was slechts een verlenging van de kust.
"Het is dus een zoetwatermeer?" vroeg Pencroff.
"Dat kan niet anders," antwoordde de ingenieur, "want het moet gevoed worden door het water dat van de bergen stroomt."
"Ik zie een klein riviertje dat er zich in uitstort," zei Harbert, op een smalle beek wijzende.
"Inderdaad," antwoordde Smith, "en daar deze beek het meer van water voorziet, is het waarschijnlijk dat er aan den zeekant een uitloozing bestaat, waardoor het overvloedige water ontsnapt. Wij zullen dit op onzen terugtocht zien."
De vulkaan was niet midden in het eiland gelegen; hij verhief zich integendeel in het noordwesten en scheen de grens aan te geven der twee hemelstreken. In het zuidwesten, zuiden en zuidoosten verdween het laagste gedeelte van het voorgebergte onder een weelderigen plantengroei.
In het noorden kon men echter zijn vertakkingen volgen die uitliepen in zandvlakten. Naar dien kant hadden dan ook, tijdens de uitbarstingen, de vloeibare stoffen een uitweg gezocht en een breede lavastroom strekte zich uit tot den kleinen inham, die in het noordoosten een baai vormde.
Er bleef nu nog een ernstige quaestie uit te maken, die van zeer veel invloed was voor de toekomst der schipbreukelingen.
Was het eiland bewoond?
Het was de verslaggever, die deze vraag deed, waarop men schijnbaar reeds ontkennend kon antwoorden, na het nauwkeurig onderzoek, dat naar verschillende kanten van het eiland ingesteld was.
Nergens zag men eenig werk van menschelijke hand. Geen verzameling van huizen, geen eenzame hut, zelfs geen visschersloods aan de kust. Geen rookwolkje steeg in de lucht en verried de aanwezigheid van menschen.
Een afstand van dertig mijlen scheidde evenwel de schipbreukelingen van de verst verwijderde punten, dat is te zeggen, van dat gedeelte, dat zich naar het zuid-westen uitstrekte, en het zou moeielijk zijn, zelfs voor oogen als die van Pencroff, daar een woning te ontdekken. Ook kon men dat gordijn van gebladerte niet optillen, dat drie vierden van het eiland bedekte, en zien of het al dan niet eenig klein gehucht verborg. Maar over het algemeen vestigen zich de bewoners van die kleine eilanden, welke uit de golven van de Stille Zee verrijzen, aan de kust, en die kust scheen geheel en al verlaten.
Tot het tegendeel uit een nauwkeuriger onderzoek zou zijn gebleken, kon men dus aannemen, dat het eiland onbewoond was.
Maar werd het ook bezocht, al was het ook slechts nu en dan, door de bewoners der naburige eilanden? Op die vraag was moeilijk te antwoorden. Gedurende die onzekerheid moest men echter eenige voorzorgen nemen tegen een mogelijke landing van naburige volksstammen.
De verkenning van het eiland was volbracht, zijn vorm opgenomen, zijn hoogte aangeteekend, zijn oppervlakte berekend, zijn toestand, met betrekking tot water en bergen, verkend. De gesteldheid der bosschen en vlakten was in het algemeen op het plan van den verslaggever aangegeven. Men moest nu slechts de hellingen van den berg afdalen en den bodem onderzoeken uit het drievoudig oogpunt, dat der delfstoffen, der planten en der dieren. Maar alvorens zijn lotgenooten het sein tot den terugtocht te geven, zei Cyrus Smith op kalmen, ernstigen toon tot hen:
"Ziehier, mijne vrienden, het kleine stukje grond waarop de Almachtige ons geworpen heeft. Hier zullen wij moeten leven, misschien zeer lang. Misschien zal hier onverwacht hulp komen, indien eenig schip bij toeval voorbij zeilt.... Ik zeg bij toeval, want dit eiland is van weinig beteekenis; het heeft zelfs geen haven, die een toevluchtsoord zou kunnen zijn voor schepen, en het is te vreezen, dat het ligt buiten elken koers, die gewoonlijk gevolgd wordt, dat is te zeggen, te zuidelijk voor de schepen, welke de archipels van de Stille Zee bezoeken, te noordelijk voor diegenen, welke naar Australië gaan en Kaap Hoorn omzeilen. Ik wil u niets omtrent onzen toestand verbergen...."
"En gij hebt gelijk, mijn waarde Cyrus," antwoordde de correspondent met vuur. "Gij hebt met mannen te doen. Zij stellen vertrouwen in u en gij kunt op hen rekenen. Niet waar, mijne vrienden?"
Harbert en Nab verzekerden Smith van hun gehoorzaamheid en trouw, en de zeeman stelde zelfs voor om van dat eiland een klein Amerika te maken. Hij zag geen bezwaar om steden te bouwen, spoorwegen aan te leggen en zelfs een telegraaf op te richten, en wanneer dit alles volbracht was, het te gaan aanbieden aan het gouvernement der Vereenigde Staten. Hij stelde slechts één voorwaarde.
"Welke?" vroeg de correspondent.
"Ons niet meer als schipbreukelingen te beschouwen, maar als kolonisten, die hier gekomen zijn om een kolonie te stichten!"
Cyrus Smith kon niet nalaten te glimlachen, en het voorstel van den zeeman werd aangenomen. Vervolgens bedankte hij zijn lotgenooten en voegde er bij, dat hij rekende op hun energie en op den bijstand des hemels.
"Welnu, op weg naar de schoorsteenen!" riep Pencroff uit.
"Nog een oogenblik, vrienden," zei de ingenieur, "het komt mij niet kwaad voor dit eiland een naam te geven evenals aan de kapen, de golven en de stroomen, die wij aanschouwen."
"Zeer goed," zei de correspondent. "Dat zal in het vervolg de bevelen, die wij moeten geven of volgen, gemakkelijker maken."
"Inderdaad," zei de zeeman, "het is reeds veel te kunnen zeggen waarheen men gaat of vanwaar men komt. Dan weet men ten minste dat men ergens is."
"Bij voorbeeld in de schoorsteenen," zei Harbert.
"Juist!" antwoordde Pencroff. "Die naam is het eenvoudigste, en ook bij mij is die van zelf opgekomen. Zullen wij aan onze eerste verblijfplaats den naam geven van Schoorsteenen, mijnheer Cyrus?"
"Ja, Pencroff, omdat gij die zoo gedoopt hebt."
"Goed! en wat de andere betreft, dat is gemakkelijk," hernam de zeeman. "Laten wij er namen aan geven zooals Robinson, waaruit Harbert mij zoo dikwijls heeft voorgelezen: "de baai der Voorzienigheid", "Walvisschen-kaap" en "kaap der bedrogen hoop!"....
"Of liever de namen van de heeren Smith en Spilett of van Nab," zei Harbert.
"Mijn naam!" riep Nab uit, terwijl hij zijn schitterende witte tanden liet zien.
"Waarom niet," antwoordde Pencroff.
"Nab's haven, dat klinkt zeer goed! En dan kaap Gideon...."
"Ik zou de voorkeur geven aan namen, aan ons land ontleend," antwoordde de correspondent; "zij zouden ons aan Amerika herinneren."
Cyrus Smith was het volkomen met hem eens. Een groote baai in het oosten, werd de baai der Vereenigde Staten genoemd, een ander in het zuiden Washingtonbaai; de berg waarop zij stonden werd berg Franklin gedoopt, en het meer, dat zij voor zich hadden, het Grantmeer. Er werd besloten de stroomen, bosschen en kreken later een naam te geven. Een schiereiland, dat in het zuidwesten slechts door een smalle strook land aan het groote eiland verbonden was, noemde men het Slangenschiereiland, en de vooruitstekende punt de Hagedis. De rivier, in wier nabijheid de ballon hen geworpen had kreeg den naam van de Mercy. Het dichte bosch op het Slangenschiereiland werd het bosch van het Verre Westen genoemd.
Alles had een naam gekregen en de kolonisten zouden den berg Franklin verlaten, om naar de Schoorsteenen terug te keeren, toen Pencroff uitriep:
"Wat zijn wij toch dom!"
"Hoe dat?" vroeg Gideon Spilett, die zijn aanteekeningboek reeds gesloten had en opstond.
"En ons eiland? Dat hebben we geheel vergeten te doopen."
Harbert wilde het den naam van den ingenieur geven en allen zouden het zeker met hem eens geweest zijn, ware Smith hem niet in de rede gevallen met de woorden:
"Laten wij het den naam van een groot burger geven, vrienden, van hem, die op dit oogenblik strijdt om de eenheid van de Amerikaansche republiek te verdedigen! Laten wij het Lincoln noemen!"
Een luide toejuiching was het antwoord op dit voorstel.
Dien avond spraken de kolonisten, vóór zij zich ter ruste begaven, over hun vaderland; zij spraken over dien vreeselijken oorlog, die het tot een land des bloeds maakte; zij twijfelden niet of het Zuiden zou weldra onderworpen worden en de zaak van het Noorden, de zaak der rechtvaardigheid zou, dank zij Grant en Lincoln, zegepralen.
Dit viel voor op den 30sten Maart 1865, en zij waren geheel onbewust dat er zestien dagen later een vreeselijke moord te Washington zou gepleegd worden, en dat Abraham Lincoln op goeden Vrijdag door den kogel van een dweeper zou omkomen.
XII.
De horloges worden geregeld.--Pencroff is voldaan.--Een verdachte rook.--De roode beek.--De bloemen van het Lincolns eiland.--De dieren.--De bergfazanten.--Jacht op Kangaroes.--Het Grantmeer.--Terugreis naar de Schoorsteenen.
De kolonisten van het eiland Lincoln wierpen een laatsten blik om zich heen en daalden door den krater neder, en een half uur later waren zij op de plaats, waar zij hun nachtleger hadden opgeslagen. Pencroff dacht dat het tijd was om te ontbijten, en daardoor kwam men op het denkbeeld de horloges van Gideon Spilett en den ingenieur gelijk te zetten.