Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen
Chapter 4
Pencroff knielde thans op zijn beurt naast Cyrus Smith neder; ook hij hoorde het kloppen van het hart en zijn lippen voelden den adem van den ingenieur.
Harbert snelde naar buiten, om op verzoek van den correspondent water te halen. Een honderd passen ver vond hij een helder stroomend beekje. Maar hij had niets om dit water in te scheppen. De knaap moest zich dus tevreden stellen met zijn zakdoek daarin te doopen en spoedig snelde hij naar de grot terug.
Gelukkig was deze natte zakdoek voor Gideon Spilett voldoende, daar hij slechts de lippen van den ingenieur wilde bevochtigen. Deze weinige droppelen water hadden een plotselinge uitwerking. Een zucht ontsnapte aan de borst van Cyrus Smith en het scheen zelfs dat hij wilde beproeven eenige woorden te spreken.
"Wij zullen hem behouden!" riep de reporter.
Nab kreeg bij deze woorden weer eenige hoop. Hij ontkleedde zijn meester om te zien of hij ook ergens gewond was. Maar noch het hoofd, noch de borst, noch de armen, noch de beenen hadden eenig letsel bekomen, zelfs geen enkele schram, iets wat hem zeer verwonderde, daar het lichaam van Cyrus Smith toch tegen de rotsen moest zijn geworpen. Zelfs de handen waren onbezeerd; het was hem onverklaarbaar dat er bij den ingenieur volstrekt geen sporen te bekennen waren van de pogingen die hij had moeten doen om over de klippen te komen.
Maar later zou zich deze onbegrijpelijke omstandigheid wel verklaren.
Toen Cyrus Smith weder spreken kon, verhaalde hij hun het gebeurde. Voor het oogenblik kwam het er slechts op aan, niets onbeproefd te laten, om hem in het leven terug te roepen, en het was niet onwaarschijnlijk dat men dit doel door wrijven zou bereiken. Zij hadden het aan den duffel van den matroos te danken. De ingenieur werd door de aanraking met deze ruwe stof een weinig verwarmd en gevoelde zich daardoor in staat om zijn arm even op te lichten en zijn ademhaling werd regelmatiger. Hij leed aan uitputting en ongetwijfeld zou het, zonder de komst van Spilett en zijn vrienden, met Cyrus Smith gedaan zijn geweest.
"Gij dacht dus dat uw meester dood was?" vroeg de matroos aan Nab.
"Ja! dood!" antwoordde Nab, "en zoo Top u niet gevonden had en gij niet gekomen waart, zou ik mijn meester begraven hebben en zou ik aan zijn zijde zijn gestorven!"
Men ziet dus waarvan het leven van Cyrus Smith had afgehangen.
Nab verhaalde toen hetgeen voorgevallen was. Den vorigen dag, nadat hij de schoorsteenen verlaten had, had hij de noordwestelijke richting van de kust gevolgd en was dus in dat gedeelte gekomen, wat zij reeds doorzocht hadden.
Nab was vastbesloten toch nog eenige mijlen de kust te houden. Misschien was het lijk door het opkomen van de zee verder opgespoeld. Wanneer een lijk op eenigen afstand van de kust drijft, gebeurt het zeer zelden dat de golven het niet vroeg of laat op het strand werpen. Nab wist dit en hij wilde zijn meester toch nog voor het laatst zien.
"Twee mijlen volgde ik nog de kust," zeide hij, "en waar of ik ook zocht, nergens vond ik eenig spoor en begon nu te wanhopen, iets van hem te ontdekken toen ik gisteren, omstreeks vijf uur 's avonds, eenige indrukken van voetstappen bespeurde."
"Voetstappen?" riep Pencroff uit.
"Ja!" antwoordde Nab.
"En die voetstappen begonnen reeds op de klippen?" vroeg de correspondent verder.
"Neen," antwoordde Nab, "op het strand eerst, want tusschen het strand en de klippen moeten de voetstappen zijn uitgewischt."
"Ga voort, Nab," zeide Gideon Spilett.
"Toen ik deze voetstappen zag werd ik waanzinnig. Zij waren goed zichtbaar en blijkbaar voerden zij naar de duinen. Ik volgde ze een halve mijl, maar zorgde wel ze niet uit te wisschen. Vijf minuten later, toen de avond begon te vallen, hoorde ik het blaffen van een hond. Het was Top en Top bracht mij hierheen, bij zijn meester."
Nab's eerste gedachten waren toen aan zijn makkers geweest. Deze zouden hem waarschijnlijk ook nog wel eens voor het laatst willen zien! Top was daar. Kon hij niet vertrouwen op het verstand van dit edelmoedige dier? Nab sprak toen verscheidene malen den naam van Spilett uit, daar hij een van de vrienden van den ingenieur was, dien Top het best kende; daarop wees hij hem het zuidelijke gedeelte der kust en de hond verwijderde zich in de aangewezen richting.
Men weet, hoe de hond door een bijna bovennatuurlijk instinct geleid aan de schoorsteenen was gekomen.
Allen hadden naar dit verhaal aandachtig geluisterd. Er lag iets onbegrijpelijks in, dat Cyrus Smith, na alle pogingen die hij moest aangewend hebben om aan de golven te ontsnappen en over de klippen heen te klimmen, zelfs geen enkele schram bekomen had. En wat hun niet minder onverklaarbaar toescheen, was dat de ingenieur op een mijl afstand van de kust deze grot in het midden der duinen gevonden had.
Slechts Cyrus Smith zelf kon hun deze vragen ophelderen. Men moest dus geduld hebben tot dat hij weer tot zich zelf was gekomen. Gelukkig ontwaakte het leven meer en meer in hem. Nab, die naast hem zat sprak nu en dan zijn naam uit, maar zijn oogen bleven altijd gesloten. Eindelijk kwamen zij overeen daar Pencroff geen vuur bij zich had, Smith zoo spoedig mogelijk naar de schoorsteenen over te brengen.
Toch kwam de ingenieur sneller bij kennis dan men had durven hopen. Pencroff kwam op het denkbeeld om bij het water, waarmede hij zijn lippen bevochtigde, een weinig vet van de vogels te doen, die hij meegebracht had. Harbert keerde eindelijk met twee groote schelpen terug. De matroos maakte een drank klaar, dien hij langzaam tusschen de lippen van den ingenieur liet vloeien, wien het blijkbaar goed deed.
Daarop opende hij de oogen. Nab en de correspondent waren over hem heen gebogen.
"Meester! Meester!" riep Nab uit.
De ingenieur hoorde hem. Hij herkende Nab en Spilett, daarna zijn beide andere metgezellen, Harbert en Pencroff; zacht raakte hij hen met de hand aan.
Toen kwamen eenige woorden over zijn lippen--woorden, die hij zeker reeds meer gezegd had en die duidelijk te kennen gaven welke gedachten in hem omgingen. Deze woorden waren slechts:
"Eiland of vasteland?"
"Och!" riep Pencroff uit, en hij kon dezen uitroep niet weerhouden, "goede hemel, wat zal er dat toe doen, als gij maar leeft, mijnheer Cyrus! Eiland of vasteland. Dat zullen wij later wel zien."
De ingenieur knikte toestemmend en scheen weder in te slapen.
Daarop gingen Pencroff en zijn beide vrienden naar de duinen, waar zij met geen ander werktuig dan hun handen een dun boompje uit den grond haalden. Van de takken maakten zij een bed waarover zij droge bladeren en kruiden spreidden, zoodat de ingenieur daarop gelegd kon worden.
Dit was het werk van een half uur en het was tien uur toen Nab en Harbert bij den ingenieur terugkeerden, terwijl Gideon Spilett hem niet verlaten had.
Cyrus Smith ontwaakte juist. Er kwam weder kleur op zijn wangen, die tot nog toe doodsbleek waren geweest. Hij richtte zich een weinig op, wierp een blik om zich heen en scheen te vragen waar hij zich thans bevond.
Eindelijk vroeg Cyrus Smith op zwakken toon of zij hem niet op het strand gevonden hadden?
"Neen," zeide Spilett.
"Zijt gij het dan niet, die mij in deze grot gelegd hebt?"
"Neen."
"Hoever is de grot van de klippen verwijderd?"
"Ongeveer een halve mijl," antwoordde Pencroff, "en zoo gij verwonderd zijt, mijnheer Smith, wij zijn niet minder verbaasd u hier te vinden."
"Inderdaad," hernam de ingenieur die langzamerhand meer belang in alles begon te stellen, "inderdaad, dat is zeer zonderling!"
"Maar," zeide de matroos, "kunt gij ons zeggen, wat er met u voorgevallen is, sedert gij door dien golfslag medegevoerd werd?"
Cyrus Smith bedacht zich een oogenblik. Hij wist er weinig van. De golfslag had hem uit het net gerukt. Hij was eerst in de diepte verdwenen. Toen hij op de oppervlakte der zee terugkwam, voelde hij in deze halve duisternis een levend wezen naast zich. Het was Top, die hem ter hulp was gesneld. Hij bevond zich te midden der onstuimige golven, op geen grooteren afstand dan een halve mijl van de kust verwijderd. Hij beproefde tegen de golven te worstelen, door te zwemmen. Top hield hem aan zijn kleederen vast. Toen hij plotseling door den storm werd medegevoerd en nadat hij een half uur lang zich er met kracht tegen verzet had, moest hij zich laten drijven en sleepte hij Top in den afgrond mede. Van dat oogenblik af totdat hij zich in de armen zijner vrienden bevond, herinnerde hij zich niets meer.
"Toch moet gij kracht genoeg gehad hebben," zeide Pencroff, "om, toen gij op het strand geworpen waart, van daar naar deze grot te loopen, want Nab heeft hier uw voetstappen ontdekt."
"Ja.... dat moet wel...." antwoordde de ingenieur peinzend. "En gij hebt volstrekt geen spoor van eenig menschelijk wezen gevonden?"
"Geen enkel," antwoordde Spilett. "En bovendien, zoo gij toevallig door iemand gered waart, welke redenen zou die persoon hebben u te verlaten nadat hij u aan de golven had ontrukt."
"Ge hebt gelijk, beste Spilett.--Zeg Nab," ging hij voort, terwijl hij zich tot zijn bediende wendde, "gij waart het niet.... ge zult toch niet gedachteloos iets gedaan hebben.... terwijl ge.... Neen, dat is al te ongerijmd.... Zijn er nog van die voetstappen te zien?" vroeg Cyrus Smith.
"Ja, meester," antwoordde Nab, "hier bij den ingang zijn er nog eenige. De overige zijn door den storm en den regen uitgewischt."
"Pencroff," hernam Cyrus Smith, "wilt gij mijn schoenen medenemen en zien of zij dezelfde indrukken maken?" De matroos deed wat hem gevraagd werd. Harbert en hij gingen, geleid door Nab, naar de plaats waar de indrukken te vinden waren, terwijl Cyrus Smith tot den reporter zeide:
"Er hebben onverklaarbare dingen plaats gehad!"
"Onverklaarbare!" beaamde Spilett.
"Maar laten wij er niet langer over denken, later spreken wij er nader over." Een oogenblik daarop kwamen de matroos, Nab en Harbert weder terug.
Er viel thans niet meer te twijfelen. De schoenen van den ingenieur pasten juist in de voetsporen. Het was dus Cyrus Smith, die ze in het zand gedrukt had.
"Ik was het dus die deze zinsverbijstering onderging, terwijl ik dacht dat het Nab geweest was. Ik moet in mijn slaap gewandeld hebben, zonder te weten waarheen ik mijn schreden richtte; en het was dus Top, die door zijn instinct geleid, mij hierheen bracht, na mij gered te hebben.... Kom eens hier Top! mijn beste trouwe hond!"
De prachtige hond sprong blaffend tegen zijn meester op en werd overladen met liefkoozingen.
Tegen den middag gevoelde Cyrus Smith zich in staat, gesteund door den arm van Spilett, naar de schoorsteenen te gaan.
Men bracht nu de draagbaar. Cyrus Smith strekte zich op het mos en de droge bladeren uit, terwijl Pencroff en Nab de baar tusschen zich namen. Acht mijlen moesten zij afleggen; en daar zij niet snel zouden kunnen loopen en zeker nog wel eens dikwijls stil zouden moeten staan, kon men rekenen dat er zes uur zouden voorbijgaan eer de schoorsteenen bereikt waren.
Tegen vijf uur waren zij hun doel nabij en bevonden zij zich vóór hun woning. Allen stonden stil en zetten de draagbaar op het zand neer. Cyrus Smith lag in een diepen slaap en ontwaakte niet.
De grond voor de schoorsteenen was geheel door den opgekomen vloed doorweekt. Pencroff snelde naar binnen, want plotseling had zich een gedachte van hem meester gemaakt.
Oogenblikkelijk daarop keerde hij terug en staarde roerloos zijn vrienden aan....
Het vuur was uitgedoofd. De tondel die de plaats van zwam kon innemen was verdwenen. De zee was zeer ver in de schoorsteenen doorgedrongen en had alles verwoest wat daar aanwezig was.
IX.
Cyrus is er.--Pogingen van Pencroff.--Wrijven van hout.--Eiland of vastland?--De plannen van den ingenieur.--Op welk punt van de Zuidzee?--In het dichtst van het woud.--De pijnboom.--De jacht.--Rook die veel belooft.
Met weinige woorden werden Gideon Spilett, Harbert en Nab op de hoogte van den toestand gebracht. Deze gebeurtenis die zeer ernstige gevolgen kon hebben,--Pencroff zag het ten minste zoo in,--had een verschillende uitwerking op de metgezellen van den braven zeeman. Nab was zoo verheugd zijn meester te hebben weergevonden, dat hij niet luisterde en zelfs volstrekt niet wilde letten op hetgeen Pencroff zeide. Harbert scheen eenigermate de vrees van den zeeman te deelen. Wat den verslaggever betreft, deze antwoordde slechts op de woorden van Pencroff.
"Op mijn woord van eer, Pencroff, het is mij volmaakt onverschillig! Is Cyrus er dan niet? Leeft onze ingenieur niet? Hij zal wel weten hoe hij ons vuur kan verschaffen?"
"Waarmee dan?"
"Met niets."
Wat moest Pencroff daarop antwoorden? Hij antwoordde niet, want in zijn binnenste deelde hij het vertrouwen, dat zijn metgezellen in Cyrus Smith stelden. De ingenieur was voor hem een vereeniging van alle menschelijke wetenschappen en kennis! Het kwam op hetzelfde neer of men met Cyrus op een verlaten eiland was, dan wel zonder Cyrus in de meest welvarende stad van de Unie. Met hem kon men aan niets gebrek hebben. Met hem behoefde men nooit te wanhopen. Al had men dezen goeden lieden gezegd, dat een vulkaansche uitbarsting dit land zou vernietigen, dat het verzinken zou in de peillooze diepte van de Stille Zee, zij zouden kalm geantwoord hebben: "Cyrus is daar! Daar is Cyrus!"
Cyrus Smith moest nu vóór alles onder gebracht worden; men bereidde hem zoo goed mogelijk een bed van zeegras en de diepe slaap, waarin hij weldra verzonk, herstelde spoedig zijn krachten.
De nacht was ingevallen en de temperatuur begon tegelijkertijd kouder te worden door het draaien van den wind naar het noordoosten. Daar de zee de beschuttingen had verwoest, die Pencroff op verscheidene plaatsen had aangebracht, begon het zoo te tochten dat de schoorsteenen bijna onbewoonbaar werden. Het zou er dus slecht voor den ingenieur hebben uitgezien, indien zijn lotgenooten hem niet zorgvuldig toegedekt hadden, door zich zelve van hun overkleederen te ontdoen.
Het avondeten bestond dien avond slechts uit die onvermijdelijke lithodomen, waarvan Harbert en Nab er zooveel op de kust hadden gevonden; zij wisten echter op de hoogste rotsen nog een eetbare plant te vinden, die nog al in den smaak viel van den correspondent en zijn lotgenooten.
"Toch wordt het tijd, dat Cyrus ons te hulp komt," zeide de zeeman.
Het werd intusschen zeer koud en ongelukkig genoeg, men had geen enkel middel om de koude tegen te gaan.
De zeeman, die inderdaad ongerust werd, beproefde op alle mogelijke manieren vuur te maken. Nab hielp hem zelfs daarbij. Hij had eenig droog mos gevonden en door twee keisteenen tegen elkander te slaan, verkreeg hij vonken; maar het mos, was niet brandbaar genoeg en vatte geen vlam; die vonken waren toch slechts gloeiende stukjes vuursteen en hadden niet dezelfde bestanddeelen als die, welke aan het staal bij het vuurslaan ontspringen. De poging gelukte dus niet.
Pencroff beproefde vervolgens, hoewel hij er niet veel van verwachtte, om, in navolging van de wilden, twee stukken droog hout tegen elkander te wrijven. Wanneer volgens de nieuwe theorie, de beweging, die Nab en hij maakten, in warmte moest overgaan, dan zou deze zeker voldoende zijn geweest om het water voor een stoomketel aan de kook te brengen! De uitkomst echter leidde tot niets. De stukken hout werden warm, dat was alles, en zelfs niet eens zoo warm als zij, die de beweging maakten.
Na een uur gewreven te hebben, gudste Pencroff het zweet uit alle poriën en hij wierp spijtig de stukken hout weg.
"Als het waar is, dat de wilden op deze manier vuur maken," zeide hij, "dan zou het zelfs in den winter warm zijn! Door zoo te wrijven zou ik nog eerder mijn armen in brand steken!"
Pencroff vergat dat niet alle soorten van hout er toe geschikt zijn en dat hij er niet den slag van had.
Harbert had den zeeman gadegeslagen en de stukken hout opgenomen, toen deze ze wegwierp; hij begon met grooten ijver te wrijven en hij antwoordde, toen Pencroff hem spottend toeriep:
"Wrijf maar, mijn jongen, wrijf maar."
"Ik wrijf alleen om mij zelf warm te maken evenals gij het er door zijt geworden, Pencroff."
Wat er ook gebeurde, zij moesten zich dien nacht ter ruste leggen zonder er in geslaagd te zijn vuur te maken.
Spilett, Harbert, Nab en Pencroff strekten zich in een van de gangen op het zand uit en Top sliep aan de voeten van zijn meester.
Toen de ingenieur den volgenden morgen, 28 Maart, tegen acht uur ontwaakte, zag hij zijn metgezellen om zich geschaard, die op zijn ontwaken wachtten; evenals den vorigen avond, waren zijn eersten woorden:
"Eiland of vasteland?"
Men ziet, deze gedachte vooral hield hem bezig.
"Dit is nu juist wat wij niet weten, mijnheer Smith!" antwoordde Pencroff.
"Weet gij dat nog niet?..."
"Maar wij zullen het weten," voegde Pencroff er bij, "wanneer gij ons door dit land den weg hebt gewezen."
"Ik geloof wel het te kunnen ondernemen," antwoordde de ingenieur die zonder veel inspanning opstond en bleef staan.
"Dat gaat al goed!" riep de zeeman uit.
"Ik zou bijna van honger omkomen," antwoordde Cyrus Smith. "Vrienden, ik moet iets te eten hebben, en dan ben ik ter uwer beschikking.--Er is vuur, nietwaar?"
Het duurde eenige oogenblikken, voordat er antwoord op deze vraag kwam. Pencroff zeide eindelijk:
"Helaas, wij hebben geen vuur, of liever, mijnheer Smith, wij hebben geen vuur meer!"
Hij vertelde vervolgens, wat er den vorigen avond gebeurd was. Smith gebruikte inmiddels zijn sober maal, en toen dit genuttigd was, kruisde hij zijn armen en zeide:
"En dus, mijn vrienden, gij weet nog niet of het lot ons op het vasteland of wel op een eiland geworpen heeft?"
"Neen, mijnheer Smith," was het antwoord.
"Morgen zullen wij het weten," hernam de ingenieur. "Tot zoolang staat ons niets te doen."
"Zeker wel," gaf Pencroff ten antwoord.
"Wat dan?"
"Vuur," zeide de zeeman, die ook van zijn kant een idée fixe had.
"Wij zullen vuur maken, Pencroff," antwoordde Cyrus Smith.--"Heb ik gisteren niet, terwijl gij mij vervoerdet, in het westen een berg gezien die boven alles uitsteekt?"
"Ja," antwoordde Gideon Spilett, "een berg, die hoog genoeg moet zijn...."
"Goed," hernam de ingenieur. "Morgen zullen wij den top bestijgen en zien of dit land een eiland of het vasteland is. Tot zoolang, ik herhaal het, is er niets te doen."
"Toch wel, vuur!" hernam nogmaals de koppige matroos.
"Maar men zal vuur maken!" antwoordde Gideon Spilett. "Een beetje geduld, Pencroff."
De zeeman zag Gideon Spilett aan, alsof hij zeggen wilde: "Indien gij er alleen voor staat om het ons te geven, dan zullen wij nog zoo spoedig geen biefstuk bakken!" Maar hij zweeg.
Cyrus Smith echter had nog niets geantwoord. De quaestie om vuur te maken scheen hem al zeer weinig bezig te houden. Gedurende eenige oogenblikken bleef hij in gedachten verzonken. Eindelijk nam hij het woord en zeide:
"Mijne vrienden, onze toestand is misschien ellendig, maar hij is in ieder geval zeer eenvoudig. Of wij zijn op een vasteland, en dan kunnen wij ten koste van meerdere of mindere vermoeienis, een bewoond punt bereiken; òf wel, wij zijn op een eiland. In dit laatste geval blijven ons slechts twee dingen over; indien het eiland bewoond is, dan zullen wij het met zijn bewoners trachten te vinden; is het verlaten, dan zullen wij trachten ons alleen te redden en ons hier vestigen, alsof wij het nooit moesten verlaten!"
"Nooit!" riep de verslaggever uit. "Zegt gij nooit! mijn waarde Cyrus?"
"Het is beter, dadelijk het ergste van de zaken te zien," antwoordde de ingenieur, "en betere uitkomst als een verrassing te beschouwen."
"Flink!" zeide Pencroff. "En men moet ook nog hopen, dat dit eiland, als het er een is, niet juist geheel buiten den weg der schepen ligt! Dat zou al zoo ongelukkig mogelijk zijn!"
"Wij zullen niet eer weten waar ons aan te houden, vóórdat wij den berg hebben bestegen," antwoordde de ingenieur.
"Maar, mijnheer Cyrus, zult gij morgen de vermoeienis van dien tocht kunnen doorstaan?" vroeg Harbert.
"Ik hoop het," antwoordde de ingenieur, "maar onder voorwaarde dat Pencroff en gij, mijn jongen, zult toonen knappe en handige jagers te zijn."
"Mijnheer Cyrus," viel de zeeman hem in de rede, "daar gij nu toch van wild spreekt, als ik, bij mijne terugkomst, even zeker kon zijn het wild te zien braden, als ik nu zeker ben het thuis te brengen...."
"Breng het maar eerst thuis, Pencroff," antwoordde Cyrus Smith.
Men kwam overeen, dat de ingenieur en de correspondent den dag in de schoorsteenen zouden doorbrengen, om de kust en de hooge vlakte te onderzoeken. Nab, Harbert en de zeeman zouden intusschen naar het bosch terugkeeren, een nieuwen voorraad hout opdoen en zich meester maken van elken vogel of van elk stuk wild, dat onder hun bereik mocht komen.
Tegen tien uur in den morgen gingen zij op weg, Harbert vol vertrouwen, Nab vroolijk en Pencroff binnensmonds mompelende:
"Als ik bij mijn terugkomst vuur in huis vind, dan heeft het onweder in eigen persoon het er aangebracht!"
Zij kwamen overeen om met de jacht te beginnen en op den terugtocht hout in te zamelen. In plaats van, zooals den vorigen keer, de rivier te volgen, drongen zij dieper in het bosch door, maar dit beantwoordde niet aan hunne verwachting, want na een uur geloopen te hebben, hadden zij nog geen wild gezien.
De zon had haar hoogste standpunt nog niet bereikt; de tocht duurde nog maar altijd voort. Eindelijk werden zij beloond; Harbert ontdekte namelijk een soort van denneboom, waarvan de vruchten eetbaar waren en veel overeenkomst met amandelen hadden.
"Dat gaat goed," zeide Pencroff, "zeeplanten in plaats van brood, rauwe mosselen in plaats van vleesch en amandelen tot dessert, dat is wel een diner voor menschen die geen enkelen lucifer meer in hun zak hebben!"
"Ge moet niet klagen," antwoordde Harbert.
"Ik klaag niet, mijn jongen," hernam Pencroff, "ik herhaal slechts, dat het vleesch wel een beetje te veel ontbreekt bij dat maal!"
"Top denkt er anders over...." riep Nab uit, die op een kreupelboschje toeliep, waarin de hond blaffend verdwenen was. Het keffen van Top vermengde zich met een zonderling geknor.
De zeeman en Harbert waren Nab gevolgd. Nauwelijks waren de jagers in het boschje of zij zagen Top, die een beest bij een oor vasthield. Het was een soort varken, ongeveer twee en een halven voet lang, bruinzwart van kleur met een harde, maar niet zeer dikke huid, en pooten waarvan de teenen, die op dat oogenblik aan den grond als genageld stonden, door vliezen verbonden waren.
Harbert meende dat het een moeraszwijn was, dat is te zeggen, het grootste soort van de orde der knaagdieren.
Intusschen verweerde het dier zich volstrekt niet tegen den hond. Het keek dom uit zijn oogen, diep verborgen in een dikke laag vet. Misschien was dit de eerste maal dat het menschen voor zich zag.
Nab had zijn stok stevig in de hand genomen en wilde het knaagdier afmaken, toen dit zich eensklaps uit de tanden van Top, die slechts een stuk van het oor behield, losrukt, een vreeselijk gebrul uitstoot, op Harbert aanvliegt, dezen op den grond werpt en daarna in het bosch verdwijnt.
"Ha! die schelm," riep Pencroff uit.
Onmiddellijk volgden zij de sporen van Top en op het oogenblik dat zij het beest nabij waren verdween het onder water in een grooten poel, door eeuwenoude pijnboomen omringd.
Nab, Harbert en Pencroff stonden onbeweeglijk. Top was in het water gesprongen, maar het dier verscheen niet weer.
"Wij moeten wachten," zeide de knaap, "want het zal weldra komen om adem te halen."
"Zou het niet verdrinken?" vroeg Nab.
"Neen," antwoordde Harbert, "het heeft zwemvliezen en is dus een amphibie. Maar wij moeten opletten."
Top bleef te water. Pencroff en zijn metgezellen gingen ieder aan een kant staan, om het beest elken uitweg af te snijden.
Harbert had zich niet vergist. Weinige oogenblikken later verscheen het zwijn aan de oppervlakte van het water. Top wierp zich in een sprong op hem en belette het op nieuw onder te duiken. Het volgende oogenblik was het dier door een slag van den stok van Nab afgemaakt.