Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen

Chapter 3

Chapter 33,959 wordsPublic domain

Spilett verhaalde uitvoerig welke pogingen zij in het werk hadden gesteld om Cyrus Smith terug te vinden. Nab en hij hadden meer dan acht mijlen langs de kust afgelegd en dus waren zij veel verder gegaan dan de plek waar het onheil had plaats gehad, dat gevolgd was door de verdwijning van Cyrus Smith en zijn hond Top. De geheele kust was verlaten. Geen spoor, geen enkele voetstap. Waarschijnlijk had nooit eenig menschelijk wezen hier een voet gezet. De zee was even verlaten als het land, en zeker had de ingenieur eenige honderden passen daarvan verwijderd den dood gevonden.

Op dit oogenblik stond Nab op, en op een toon waaruit duidelijk sprak dat hij alle hoop nog niet verloren had, riep hij:

"Neen, neen, hij is niet dood! Neen het kan niet! Hij dood, onmogelijk! Ik! of wie anders ook, dat zou mogelijk wezen! Maar hij! Nooit! Hij redt zich altijd!...."

Daarop begaven hem zijn krachten en stamelde hij:

"O, ik kan niet meer!"

Harbert snelde naar hem toe.

"Nab," zeide de knaap, "wij zullen hem terugvinden! God zal hem ons wedergeven! Maar luister eens, gij hebt honger! Eet eerst eens wat!" Dit zeggende gaf hij den neger eenige lithodomen, een schamel en een ontoereikend voedsel.

Nab had sinds vele uren niets gebruikt, maar toch weigerde hij. Nu hij zijn meester niet meer had, kon of wilde Nab niet langer leven.

Maar Gideon Spilett van zijn kant verslond de schelpdieren; daarop legde hij zich op het zand neder aan den voet van een rots. Hij was uitgeput maar kalm.

Toen naderde hem Harbert, hem bij de hand vattende en zeide:

"Mijnheer, wij hebben een betere schuilplaats ontdekt dan deze. De nacht nadert. Ga nu rusten, morgen zullen wij verder zien." De correspondent stond op en met den knaap ging hij naar de schoorsteenen. Op dit oogenblik kwam Pencroff naar hem toe en op den meest natuurlijken toon, vroeg hij hem of hij ook een lucifer had.

Spilett stond stil, zocht in zijn zakken, vond niets en zeide:

"Ik had er wel, maar ik heb ze weg moeten werpen."

Toen riep de matroos Nab, deed hem dezelfde vraag en ontving hetzelfde antwoord.

"Vervloekt!" mompelde hij, zijn gewaarwordingen niet kunnende onderdrukken. Spilett hoorde het, en ging naar Pencroff toe met de woorden:

"Hebt gij geen lucifers?"

"Geen een en dus ook geen vuur!"

"O," riep Nab uit, "als mijn meester er maar was, hij zou het u wel verschaffen!"

De vier schipbreukelingen staarden elkander roerloos en verbijsterd aan. Harbert verbrak het eerst de stilte met de woorden:

"Mijnheer Spilett, gij rookt, gij moet altijd lucifers bij u hebben. Misschien hebt gij niet goed gevoeld? Zoek nog eens! Eén lucifer zou ons voldoende wezen!"

Weder doorzocht de reporter al zijn zakken en tot groote vreugde van Pencroff, evenals tot zijn eigen niet geringe verbazing voelde hij tusschen de voering van zijn vest een stukje hout. Hij had het wel tusschen zijn vingers, maar kon het houtje toch niet door de voering trekken en daar het de eenige lucifer was, dien zij hadden, moesten zij vooral zorgen dat de phosphorus er niet afging. Het gelukte eindelijk aan Harbert het ongeschonden er uit te krijgen.

"Eén lucifer!" riep Pencroff uit. "Het is zoo goed alsof wij een geheele lading hebben!"

Hij nam den lucifer en gevolgd van zijn drie makkers ging hij naar de schoorsteenen terug.

Het kleine stukje hout, dat in de bewoonde landen met zulk een groote onverschilligheid wordt bejegend en dat geen waarde heeft, moest hier met de uiterste behoedzaamheid worden behandeld. Eerst overtuigde de matroos zich dat het goed droog was. Toen hij dit gedaan had, zei hij:

"Nu moet ik papier hebben."

"Hier," antwoordde Gideon Spilett, die na eenige aarzeling een stukje uit zijn schrijfboekje scheurde. Pencroff nam het papier, dat de correspondent hem gaf en knielde bij den haard neder. Men legde er dorre bladeren en droog mos op, zoodanig dat de wind er doorheen speelde en het hout dus spoedig vlam zou vatten.

Toen hij den lucifer zacht afstreek, kwam er geen vuur. Pencroff had niet met genoeg kracht gedrukt, daar hij bang was de phosphorus er af te strijken.

"Neen, ik zal het niet kunnen," zei hij, "mijn hand beeft.... De lucifer zal niet afgaan.... Ik kan het niet.... ik wil het ook niet!" En opstaande liet hij de taak aan Harbert over.

Zeker was de knaap in zijn geheele leven nog nooit onder zulk een indruk geweest. Zijn hart bonsde. Toen Prometheus het vuur uit den hemel stal, kon hij zoo geroerd niet geweest zijn. Toch aarzelde hij niet en streek hij hem snel af. Een zwak knetteren hoorde men en daarop ontstond een blauwachtig vlammetje dat een scherpe zwaveldamp deed ontstaan, Harbert draaide den lucifer langzaam om, zoodat de vlam voedsel kreeg, daarop bracht hij hem bij het papier. Het papier vatte oogenblikkelijk vlam en spoedig het mos ook.

Eenige oogenblikken later knetterde het droge hout en een vroolijk vlammetje, aangewakkerd door het blazen van den matroos, flikkerde te midden der duisternis.

"Eindelijk," riep Pencroff, "ik ben nog nooit zoo ontroerd geweest!"

Hun eenige zorg was thans dit vuur niet meer te laten uitgaan; dit zou hun niet moeilijk vallen, daar er hout in overvloed was.

Pencroff maakte het zich terstond ten nutte, met er een voedzamer maaltijd op te bereiden. Spilett zat in een hoek en zijn eenige gedachten waren: Leeft Cyrus nog? En zoo hij leeft, waar zou hij wezen? Zoo hij niet in de golven is omgekomen, waarom heeft hij dan geen middel gevonden, om dit ons bekend te maken. Wat Nab betrof, deze zwierf langs de kust. Hij was slechts een lichaam zonder ziel.

Eenige oogenblikken later was Pencroff met zijn maal gereed.

De harde eieren, die hij hun voorzette, versterkten de arme schipbreukelingen, en nadat Spilett met korte woorden de gebeurtenissen van de twee laatste dagen had opgeteekend, gelukte het hem eindelijk in slaap te vallen.

Harbert was ook spoedig in rust. Wat den matroos aanging, deze bracht zijn nacht bij het vuur door, waarop hij telkens nieuwe brandstoffen wierp. Eén echter van hen sliep niet. Het was Nab. Deze doolde den ganschen nacht langs de kust en riep gedurig zijn meester.

VI.

De inventaris der schipbreukelingen.--Niets.--Gebrand linnen.--Een tocht door het bosch.--De bloem der groene boomen.--Het boomkruipertje.--Sporen van wilde dieren.--Koeroekoes.--Schildpadden.--Zonderlinge vangst met een hengel.

De inventaris van al wat de schipbreukelingen, op dit verlaten eiland geworpen, bezaten, was spoedig opgemaakt.

Zij hadden niets dan de kleeren, die zij droegen, toen hen het onheil trof. Toch had Gideon Spilett, bij ongeluk zeker, een opschrijfboekje en een horloge behouden, maar overigens was er geen wapen, geen werktuig, zelfs geen zakmes te vinden. De reizigers in het bootje hadden alles overboord geworpen om het luchtschip lichter te maken.

De denkbeeldige helden van Daniël de Foe of van Wyss, zoowel als de Selkirken en de Raynals, die schipbreuk leden op de Juan-Fernandez eilanden of in den archipel der Auckland eilanden, waren nooit zoo geheel en al van alles beroofd of zij vonden toereikende hulpmiddelen in hun gestrand schip, of hadden een voorraad graan, vee, werktuigen en kruit en lood. Of wel er dreef een wrak naar de kust, dat hen van de eerste levensbehoeften voorzag. Zij bevonden zich niet zoo terstond geheel ongewapend tegenover de natuur. Hier echter was geen enkel stuk gereedschap, geen werktuig. Maar vóor alles moesten zij zich vestigen op dit gedeelte der kust, zonder eerst te onderzoeken tot welk land zij behoorden, of het bewoond werd, dan wel slechts het strand van een onbewoond eiland uitmaakte.

Dit was een gewichtige vraag, die zoo spoedig mogelijk moest opgelost worden. Toen dit besluit genomen was, moest men slechts voor het dadelijk noodige zorgen. In elk geval volgde men den raad van Pencroff op, die het geschikter vond nog eenige dagen te wachten, voor men tot een onderzoek overging. Men moest toch eenige levensmiddelen bereiden en zich versterkender voedsel verschaffen dan eieren en schelpdieren.

De schoorsteenen boden voor het oogenblik een voldoende schuilplaats aan. Nu het vuur eenmaal brandde, viel het hun niet moeielijk dit te onderhouden. Voor 's hands hadden zij geen gebrek aan schelpdieren en eieren, die zij op de rotsen en het strand vonden. Nu en dan gelukte het hun eenige duiven te vangen, die bij honderden over de bergvlakte vlogen, en die zij dan met stokken of steenen doodden. Misschien zouden de boomen van het naburige bosch hun wel van eetbare vruchten voorzien. En eindelijk had men hier toch zoet water. Men kwam dus overeen, dat men nog eenige dagen in de schoorsteenen zou blijven om zich tot een ontdekkingstocht gereed te maken, hetzij langs de kust, hetzij in het binnenste gedeelte van het eiland.

Zeer vroeg in den ochtend van den 26sten Maart was Nab, die niet aan den dood zijns meesters geloofde, de noordelijke richting van het eiland gevolgd en hij was teruggekeerd naar het punt, waar de zee den ongelukkigen Smith vermoedelijk had verzwolgen.

Toen zij dien dag het middagmaal gebruikt hadden, vroeg Pencroff aan den reporter of deze hen naar het bosch wilde vergezellen, daar Harbert en hij van plan waren te gaan jagen?

Maar alles wel overlegd, moest er toch iemand thuis blijven, om het vuur te onderhouden, en ook voor het geval dat zich misschien mocht voordoen, hoewel het zeer onwaarschijnlijk was, dat Nab hulp noodig had. De reporter bleef dus.

"Op jacht, Harbert," zeide de matroos. "Wij zullen wel op onzen weg jachtgereedschap vinden en ons in het bosch van een geweer voorzien."

Maar op het oogenblik dat zij zouden vertrekken, merkte Harbert op dat zij geen zwam hadden en misschien verstandig handelden tondel mede te nemen.

Het was toen negen uur in den morgen. Het weer was onstuimig en de wind blies uit het zuidoosten.

Harbert en Pencroff sloegen den hoek van de schoorsteenen om, maar wierpen eerst een blik op den rook, die boven de rots opsteeg; daarop volgden zij den linker oever der rivier.

Toen zij in het bosch kwamen, was Pencroffs eerste werk om twee stevige takken af te breken, die hij tot knuppels maakte, en waaraan Harbert tegen een rots een punt sleep. Wat zou hij niet hebben willen geven om een mes te bezitten! Daarop gingen zij in het hooge gras, terwijl zij den steilen oever volgden.

De zeeman beschouwde intusschen aandachtig de gesteldheid en de natuur van het land. In het bosch, zoowel als aan de kust, was geen spoor van eenig menschelijk wezen te ontdekken. Pencroff zag slechts sporen van viervoetige dieren, maar tot welke soort die behoorden, kon hij niet nagaan.

Zéér zeker--en dit meende Harbert ook--waren er eenige verslindende dieren, waarmede zij ongetwijfeld ook nog te strijden zouden hebben; maar nergens was de houw van een bijl op een boomstam te vinden, noch de overblijfselen van een uitgedoofd vuur, noch de indruk van een voetstap. Dit was misschien nog gelukkig, want op dit eiland, in het midden van den Stillen Oceaan, was de tegenwoordigheid van een mensch meer te vreezen dan te wenschen.

Harbert en Pencroff spraken weinig, want de moeielijkheden, die de weg opleverde waren talrijk en zij vorderden slechts zeer langzaam. Na een uur loopen hadden zij nog nauwelijks een mijl afgelegd.

Tot nog toe had de jacht weinig opgeleverd. Soms hoorden zij eenige vogels zingen en zagen ze tusschen het groen fladderen, waarop ze dan zeer verschrikt wegvlogen alsof de mensch hun een instinctmatigen angst inboezemde.

Onder het gevogelte herkende Harbert, in een zeer moerassig gedeelte van het bosch, een dier met langen spitsen bek, die veel op een ijsvogel geleek. Vooral deed hij aan dezen denken door zijn donker gevederte, waarover een metalen glans lag.

"Het moet een boomkruipertje wezen," zeide Harbert, terwijl hij beproefde het dier te naderen.

"Dit zou een goede gelegenheid wezen, om zoo'n boomkruipertje eens te proeven," hernam de zeeman, "zoo dat vogeltje tenminste geschikt is om gebraden te worden."

Op hetzelfde oogenblik wierp de knaap met krachtige hand een steen, die het dier aan zijn vleugel trof; maar de worp was niet doodelijk geweest, want de boomkruiper vluchtte in allerijl en was in een oogenblik uit het gezicht.

"Domkop, die ik ben!" riep Harbert uit.

"Wel neen, beste jongen!" zeide de matroos. "Gij hebt goed gemikt en menigeen zou den vogel niet geraakt hebben. Kom, treur er maar niet over! Wij zullen hem een andermaal wel vangen!"

De ontdekkingstocht werd voortgezet. Naarmate de jagers verder kwamen, werden de boomen schaarscher maar ook prachtiger, hoewel er aan geen enkelen eetbare vruchten gevonden werden. Juist vloog er een zwerm kleine vogels, met langen staart en prachtige veeren, tusschen het geboomte op en bedekte den grond met vederen.

"Het zijn koeroekoes, nietwaar?"

"Ik zou wel zoo graag een parelhoen of een korhoen gehad hebben," antwoordde Pencroff; "maar zij zullen toch ook lekker zijn?"

"Zij smaken uitmuntend, hun vleesch is zelfs zeer fijn," hervatte Harbert. "En, zoo ik mij niet vergis, kan men ze gemakkelijk naderen en met een stok dooden."

De matroos en de knaap drongen tusschen het gras door en slopen op hun teenen naar een zeer lagen tak, waarop een menigte van die vogeltjes zaten. Deze koeroekoes loeren op de kleine insecten waarmede zij zich voeden.

De jagers richtten zich op en met hun stokken, die zij als zeisen hanteeren, doodden zij geheele rijen van deze kleine vogels, die er niet aan dachten om weg te vliegen en zich argeloos lieten treffen. Een honderdtal lag reeds over den grond gestrooid, toen de overigen besloten te vluchten.

"Ziezoo," zeide Pencroff, "nu hebben wij een wild, zooals voegt aan jagers, gelijk wij! Wij zouden ze met de hand kunnen grijpen!"

Tegen drie uur 's middags ontdekte men een nieuwe vlucht vogels boven zekere boomen, waarvan zij de bessen afplukten, die een welriekenden geur verspreidden. Plotseling weerklonk een waar trompetgeschal door het bosch. Deze zonderlinge en helderklinkende fanfare was het gezang van hoendervogels, welke men in de Vereenigde Staten ook aantreft. Weldra kwamen er eenige te voorschijn. Pencroff achtte het noodzakelijk om zich van een dezer vogels meester te maken, die ongeveer de grootte van een kip hebben en wier vleesch even malsch als van een hoen is, maar het ging met zeer veel moeielijkheden gepaard, daar men ze niet naderen kon. Na eenige vruchtelooze pogingen, die tot geen andere uitkomst leidden dan dat zij de vogels schrik aanjoegen, zeide de matroos tot den knaap:

"Zeker moeten wij die, daar men ze niet in de vlucht kan grijpen, aan den hengel vangen."

"Als een karper?" riep Harbert verwonderd over dit voorstel uit.

"Als een karper," antwoordde de zeeman op ernstigen toon.

Pencroff had in het gras een zestal nestjes dezer vogels gevonden en in elk lagen twee a drie eieren. Hij zorgde wel dat hij deze nestjes niet aanraakte, daar ongetwijfeld de eigenaars wel er in terug zouden keeren. Om hen te vangen zou hij een net spannen, met een lokaas er in. Hij wenkte Harbert op korten afstand van de nestjes nader te komen en bracht daar alles tot de vangst in gereedheid. Daarop verscholen zij zich beiden achter een boom, waar zij geduldig afwachtten wat gebeuren zou. Het behoeft wel niet gezegd te worden dat Harbert weinig vertrouwen stelde in de goede uitwerking van zijn toestel.

Toen een half uur verloopen was, gebeurde wat de matroos voorzien had, en keerden verscheidene vogels in hun nest terug. Zij trippelden rond en zochten op den grond hun voedsel, en schenen volstrekt de tegenwoordigheid der jagers niet te bespeuren, die dan ook wel gezorgd hadden, dat zij niet door de hoenders bemerkt konden worden.

Inmiddels kwamen de vogels langzamerhand op het lokaas af; Pencroff bewoog het nu en dan eens, alsof de wormen nog levend waren.

Zeker is het, dat zich op dat oogenblik een geheel andere gewaarwording van den matroos meester maakte dan die, welke de hengelaar gevoelen moet, daar deze zijn prooi niet onder het water zien kan.

Spoedig trok het op en neer gaan van het aas de aandacht van de hoenders en pikten zij in het lokaas. Op hetzelfde oogenblik had Pencroff er verscheidene in zijn bezit.

"Hoezee!" riep hij en snelde naar zijn buit.

Harbert klapte in de handen van vreugde over het welslagen zijner poging, want hij had nog nooit vogels met een hengel zien vangen.

Maar daar de avond begon te vallen, achtten zij het raadzamer huiswaarts te keeren, en tegen zes uur kwamen zij vermoeid in de schoorsteenen aan.

VII.

Het avondeten.--Een slechte nacht.--Vreeselijke storm.--Nachtelijke tocht.--Strijd met regen en wind.--Op acht mijlen van het eerste kamp.

Spoedig hadden zij eenige vogels geplukt en zorgde Pencroff voor een meer versterkend maal. Tegen den nacht zette de storm weder op. De zee klotste met geweld tegen de rotsen en een zware regenbui viel als een dikke mist neer. Hieraan moest men het wegblijven van Nab toeschrijven, die ongetwijfeld een nachtverblijf in een rots gevonden had.

Men besloot dan ook, zich niet verder over hem ongerust te maken en elk zocht zijn hoekje van den vorigen nacht weder op.

Ondanks het geloei van den storm was Pencroff, die zich aan alle weer gewend had, in slaap gevallen. Gideon Spilett alleen was door de onrust, die hij omtrent Nab koesterde, wakker gebleven.

Het was ongeveer twee uur 's nachts toen Pencroff, die in een diepen slaap gedompeld was, plotseling wakker werd geschud.

"Wat is er?" vroeg hij, en terwijl hij ontwaakte was hij met de vlugheid van geest, die den zeeman eigen is plotseling weder geheel op de hoogte van den toestand.

De reporter stond naast hem en zeide:

"Luister Pencroff, luister."

De zeeman luisterde aandachtig, maar geen enkel geluid dan het loeien van den storm trof zijn oor.

"Het is de wind," zeide hij.

"Neen," antwoordde Gideon Spilett, terwijl hij opnieuw luisterde, "ik meen iets gehoord te hebben...."

"Wat dan?"

"Het blaffen van een hond!"

"Een hond!" riep Pencroff uit, terwijl hij overeind sprong.

"Ja,.... blaffen...."

"Het is onmogelijk!" antwoordde de zeeman. "En buitendien, hoe zou het kunnen, bij het loeien van den storm...."

"Wacht.... Hoor dan zelf," zeide Spilett.

Pencroff luisterde nog oplettender, en meende nu ook geblaf in de verte te hooren.

"Nu!...." zeide de reporter, terwijl hij de hand van den zeeman vastgreep.

"Ja, ja!...." antwoordde Pencroff.

"Het is Top! Het is Top!...." riep Harbert uit, die ook ontwaakt was en alle drie snelden naar den ingang der schoorsteenen.

Met moeite konden zij buiten komen; de wind hield hen tegen, maar eindelijk toch slaagden zij, en konden zij zich, door zich aan de rotsen vast te klampen, staande houden.

Het was stikdonker. Eenige oogenblikken stonden de correspondent en zijn vrienden stil, als vastgenageld door den storm, doornat van den regen en verblind door het zand. Eindelijk hoorden zij weder blaffen, en bemerkten zij, dat het geluid nog verre van hen verwijderd was. Geen ander dan Top kon het wezen! Maar was hij alleen! Het waarschijnlijkste was dat hij alleen was, want zoo Nab zich bij hem bevond, zou hij wel naar de schoorsteenen geijld zijn.

De zeeman drukte de hand van Spilett, daar deze hem niet verstaan kon; en hiermede gaf hij te kennen:

"Wacht!" en daarop ging hij weder naar binnen.

Een oogenblik later kwam hij met een brandenden takkenbos terug, zij wierpen dien in de duisternis, terwijl zij een schel gefluit lieten hooren.

Dit teeken scheen verwacht te zijn; dit mocht men ten minste gelooven, want het werd weder door een geblaf beantwoord en weldra zagen zij een hond de schoorsteenen binnen snellen. Pencroff, Harbert en Gideon Spilett volgden hem.

Zij wierpen eenig droog hout op het vuur. Een helder licht verspreidde zich in de duisternis.

"Het is Top!" riep Harbert uit.

Het was inderdaad Top, de hond van den ingenieur Cyrus Smith. Maar hij was alleen! Noch zijn meester, noch Nab vergezelde hem!

Hoe had zijn instinct hem naar de schoorsteenen geleid, die hij volstrekt niet kende. Dit was hun onbegrijpelijk, vooral in deze duisternis en met zulk een hevigen storm! Maar wat zij nog minder konden verklaren was dat Top volstrekt niet vermoeid noch uitgeput scheen en zelfs geen slijk of zand aan zijn pooten had!

Harbert had hem naast zich genomen en omvatte zijn kop met beide handen. De hond liet hem rustig begaan.

"Wanneer de hond teruggevonden is, zullen wij den meester ook weervinden," zeide Spilett.

"Ik hoop het!" antwoordde Harbert. "Kom, laten wij voortgaan, Top zal ons geleiden!"

Pencroff maakte geen tegenwerpingen. Hij begreep dat de terugkomst van Top zijn voorgevoel logenstrafte....

"Vooruit!" zeide hij.

Eerst legde hij nog eenige blokken hout op het vuur en daarop vertrokken zij allen, voorafgegaan door den hond, die zich eerst nog aan de overblijfselen van het avondmaal te goed had gedaan.

De storm had toen zijn toppunt bereikt en daar het nieuwe maan was, dus geen straaltje licht op de aarde viel, moesten zij geheel op het instinct van Top vertrouwen. De correspondent en Harbert volgden hem, en Pencroff sloot den stoet. Het was hun onmogelijk een woord te wisselen, daar de regen te veel gedruisch maakte.

Eindelijk kwamen zij achter de rotsen en waren zij dus voor een groot gedeelte tegen den wind beschut. Harbert en Spilett stonden stil om adem te halen. Nu konden zij elkaar verstaan en antwoorden en toen Harbert den naam van Cyrus Smith uitsprak, blafte Top, alsof hij zeggen wilde, dat zijn meester gered was.

"Gered, nietwaar?" herhaalde Harbert, "gered Top?"

En de hond blafte als om te antwoorden.

Tegen vier uur in den morgen hadden zij ongeveer vijf mijlen afgelegd. Het weer helderde langzamerhand op; maar thans hadden zij meer van de koude te lijden, daar hun kleeren volstrekt niet dik genoeg waren; maar geen klacht ontsnapte aan hun lippen. Zij waren vast besloten het verstandige dier te volgen, waar het hen ook brengen mocht.

Tegen zes uur was het klaar dag. De matroos en zijn vrienden waren toen ongeveer zes mijlen van de schoorsteenen verwijderd. Zij waren thans op een vlakke kust; aan hun linkerzijde verhief zich een keten van rotsen, waarvan de toppen alleen boven de zee uitstaken, wanneer het vloed was; hier en daar zag men eenige boomen. Op verren afstand strekte zich de zoom van het laatste bosch uit.

Op dit oogenblik blafte de hond weder, maar veel gejaagder. Hij liep heen en weer en snelde naar den matroos en smeekte hem als het ware zijn schreden te verhaasten. De hond sloeg den weg naar de duinen in.

Men volgde hem. Het land scheen geheel verlaten te zijn. Geen levend wezen was er te bespeuren. Vijf minuten later stond Top voor een hol stil en begon heftig te blaffen. Harbert, Pencroff en Spilett drongen er binnen.

Nab lag daar naast een lichaam geknield, dat op eenige droge kruiden was uitgestrekt. Het was het lichaam van den ingenieur Cyrus Smith.

VIII.

Leeft Cyrus Smith?--Nab's verhaal.--Voetstappen in het zand.--Onoplosbare vraag.--De eerste woorden van Cyrus Smith.--Terugkeer naar de schoorsteenen.--Pencroff radeloos.

Nab verroerde zich niet. De matroos zeide slechts:

"Leeft hij?"

Nab antwoordde niet, Gideon Spilett en Pencroff werden doodsbleek. Harbert vouwde de handen krampachtig samen, maar bleef onbeweeglijk staan. Het waarschijnlijkste was, dat de arme neger, te zeer overstelpt door zijn eigen smart, noch zijn vrienden gezien, noch hun woorden gehoord had.

De reporter knielde naast dat wezenlooze lichaam neder, waarvan hij de kleederen losmaakte. Een minuut--een eeuw!.... verliep, terwijl Spilett aandachtig naar eenig kloppen van het hart luisterde. Nab had zich een weinig opgericht en staarde hen aan zonder te zien. Nog nooit had de wanhoop een menschelijk gelaat zoo kunnen veranderen. Nab was onkenbaar, uitgeput van vermoeienis en gebroken door zijn smart. Hij meende dat zijn meester dood was.

Gideon Spilett stond op na hem lang met aandacht gadegeslagen te hebben.

"Hij leeft!" zeide hij.