Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen
Chapter 2
Cyrus Smith luisterde naar den matroos en viel hem geen oogenblik in de rede, maar zijn oogen schitterden. De gelegenheid bood zich aan en hij was er de man niet naar, die voorbij te laten gaan. Wel was het plan zeer gevaarlijk, maar toch uitvoerbaar. 's Nachts kon men, ondanks de strenge bewaking, zeer gemakkelijk den ballon naderen, in het schuitje stappen en daarop de touwen doorsnijden, die hem vasthielden. Zeker, men liep gevaar omtekomen, maar daartegenover stond dat men slagen kon en zonder dien storm.... Maar zonder dien storm zou de ballon reeds vertrokken zijn, en de gelegenheid, die men zoo vurig wenschte, zou zich niet hebben voorgedaan. "Ik ben niet alleen!...." zeide Cyrus Smith eindelijk.
"Hoeveel personen wilt gij nog medenemen?" vroeg de matroos.
"Twee: mijn vriend Spilett en mijn bediende Nab."
"Dat is drie," antwoordde Pencroff, "en Harbert en ik maakt vijf. Maar de ballon moest er zes medenemen...."
"Het is genoeg. Wij zullen vertrekken!" zei Cyrus Smith.
Met het "wij" werd ook de correspondent bedoeld, maar deze was niet voor een klein gerucht vervaard en toen het plan hem medegedeeld werd, was hij het ten volle met zijn vriend eens. Het eenige waarover hij zich verwonderde, was, dat dit plan niet vroeger bij hem was opgekomen. En wat Nab betreft, deze volgde zijn meester overal, waar hij gaan wilde.
"Heden avond dus," zeide Pencroff. "Wij zullen alle vijf als nieuwsgierigen daar ronddwalen!"
"Heden avond ten tien ure," antwoordde Cyrus Smith, "en de hemel geve, dat de storm niet voor ons vertrek afneemt!"
Pencroff verliet den ingenieur en keerde naar zijn woning terug, waar hij Harbert Brown had achtergelaten. Dit moedige kind kende het plan van den matroos en niet zonder angst wachtte hij den uitslag van het gesprek met den ingenieur af. Vijf personen dus hadden besloten zich, te midden van een heftigen storm, tusschen hemel en aarde te wagen.
De avond viel. Het was een stikdonkere nacht. De straten waren geheel verlaten. Men had zelfs niet noodig geacht de plaats te bewaken waar de ballon heen en weer slingerde. Alles was blijkbaar het vertrek der gevangenen gunstig; maar die reis te midden der woedende elementen!....
"Slecht getij!" zeide Pencroff, terwijl hij zijn hoed stevig op zijn hoofd drukte. "Maar kom, wij zullen alles toch wel klaar spelen!"
Tegen half tien uur stonden de gevangenen naast het schuitje bij elkander. Niemand had hen bemerkt, en zulk een duisternis heerschte er, dat zij ook elkander niet zagen. Zonder een woord te spreken, plaatsten Cyrus Smith, Gideon Spilett, Nab en Harbert zich in het schuitje, terwijl Pencroff op bevel van den ingenieur den ballast er uitwierp. Dit was het werk van weinige oogenblikken en spoedig voegde de matroos zich bij hen.
De ballon werd slechts door een dubbel kabeltouw tegengehouden en wachtte op het bevel van Cyrus Smith om te stijgen. Op dat oogenblik sprong een hond tegen het schuitje op. Het was Top, de hond van den ingenieur, die van zijn ketting was losgebroken en zijn meester had gevolgd. Cyrus Smith, die vreesde voor te groote zwaarte, wilde het arme dier niet medenemen.
"Kom, één meer!" zeide Pencroff, terwijl hij twee zakken zand uit het schuitje wierp.
Daarop sneed hij den kabel los en de ballon steeg in een schuinsche richting, terwijl het schuitje in zijn vaart twee schoorsteenen verbrijzelde. De orkaan woedde in al zijn hevigheid. De ingenieur kon er gedurende den nacht niet aan denken te dalen, en toen de morgen aanbrak kon hij door den zwaren mist niets van de aarde bespeuren. Eerst vijf dagen later klaarde het op en was hij in staat de onmetelijke zee onder het schuitje te zien, dat door den wind met een vreeselijke snelheid werd voortgedreven!
Men weet, dat van de vijf personen, die den 20sten Maart vertrokken, vier den 24sten op een verlaten kust werden geworpen, die meer dan zes duizend mijlen van hun land was verwijderd.
En hij die ontbrak, tot wiens hulp de vier overigen terstond alle pogingen in het werk stelden, was hun chef, de ingenieur Cyrus Smith.
III.
Vijf uur in den avond.--Hij die ontbreekt.--Wanhoop van Nab.--Nasporingen ten Noorden.--Het eilandje.--Een nacht vol angst.--De morgennevel.--Nab zwemt.--Land in zicht.--Het doorwaden van het kanaal.
De mazen van het net waartusschen de ingenieur zich geslingerd had, waren onder den last bezweken, en hij was door een golf meegesleept. Ook zijn hond was verdwenen. Het trouwe dier had zich vrijwillig in den afgrond gestort, om zijn meester te redden.
"Vooruit!" riep de correspondent. En alle vier, Gideon Spilett, Harbert, Pencroff en Nab vergaten hun vermoeienissen en vingen hun onderzoek aan.
De arme Nab weende van woede en wanhoop, bij de gedachte dat hij alles verloren had, wat hem op de wereld lief was.
Geen twee minuten waren er verloopen sedert het oogenblik dat Cyrus Smith verdwenen was en zijn metgezellen op vasten wal waren gekomen. Zij hadden dus nog eenige kans hem te redden.
"Laten wij hem zoeken! laten wij hem zoeken!" riep Nab uit.
"Ja, Nab," zeide Gideon Spilett, "en wij zullen hem terugvinden."
"Levend?"
"Levend!"
"Kan hij zwemmen?" vroeg Pencroff.
"Ja," antwoordde Nab. "En bovendien is Top er bij!"
De matroos hoorde het klotsen der golven en schudde het hoofd! Zeker was de ingenieur op de noordelijke kust van het eiland en ongeveer een halve mijl afstands van het punt waar de schipbreukelingen waren neergekomen, verdwenen. Het was toen zes uur. De mist viel neder en dit maakte dat de nacht zeer donker was. De schipbreukelingen volgden de noordelijke richting der kust, waarop het toeval hen geworpen had--een onbekend land, waarvan zij zelfs de ligging niet konden gissen.
Nadat zij twintig minuten geloopen hadden, bevonden zij zich plotseling voor de zee. Zij voelden geen vasten grond meer. Zij waren aan het einde van een spits toeloopende punt, waarop de onstuimige golven braken.
"Dit is een voorgebergte," zeide de matroos. "Wij moeten weer terugkeeren."
"Maar zoo hij daar is?" zeide Nab.
"Wij zullen hem roepen," antwoordde Pencroff. Eenige malen riepen zij hem, doch te vergeefs; daarop vervolgden zij hun weg meer zuidwaarts. Nadat zij anderhalve mijl afgelegd hadden, steeds in de hoop plotseling een hoek te zien dien hen weer de noordelijke richting kon doen volgen, was hun teleurstelling zeer groot, toen zij nogmaals stuitten op steile rotsen.
"Wij zijn op een eilandje!" zeide Pencroff, "en wij hebben het van zijn eene uiteinde naar het andere doorsneden!"
De opmerking van den matroos was juist. De schipbreukelingen waren niet op het vaste land, zelfs niet op een eiland, maar op een eilandje van twee mijlen lengte, en dat zeker niet veel breeder kon zijn. Eindelijk zeide de correspondent:
"Dat wij niets van Cyrus Smith hooren, bewijst niets. Hij kan in zwijm liggen, gewond zijn of buiten staat ons op het oogenblik te antwoorden. Laten wij nog niet wanhopen."
Daarop kwam Spilett op het denkbeeld om een vuur aan te leggen, dat den ingenieur tot eenig signaal zou kunnen dienen. Maar men kon nergens takkenbossen of droog hout vinden. Slechts zand en steenen waren er.
Het waren pijnlijke uren die zij sleten. Er heerschte een felle koude. De schipbreukelingen leden veel, maar voelden het ternauwernood. Zij dachten er niet aan, zich een oogenblik rust te gunnen, zij vergaten alles om hun leidsman maar terug te vinden. Terwijl Nab steeds stond te roepen, was het of een zijner kreten werd weerkaatst. Harbert deed dit Pencroff opmerken en voegde er bij:
"Dat is een bewijs dat er in het westen een kust nabij is."
De matroos knikte toestemmend. Zijn oogen konden hem buitendien ook niet bedriegen. Zoo hij daar, hoe flauw het ook wezen mocht land zag, dan was daar ook land.
Maar die echo was het eenige antwoord, dat Nab op zijn geroep kreeg: overigens bleef alles doodstil om hen heen.
De nacht ging voorbij. Tegen vijf uur in den ochtend van den 25sten Maart kwamen er kleine wolken aan den hemel. De horizon was betrokken en, met het krieken van den dag, steeg er zulk een dikke mist uit zee op, dat men geen twintig pas vóór zich uit kon zien. De mist werd hoe langer zoo zwaarder.
Dit was een groote teleurstelling. De schipbreukelingen konden niets om zich heen zien. En terwijl Nab en de correspondent hun blik over den oceaan lieten dwalen, zochten Pencroff en Harbert de westelijke kust. Maar geen streep land was er te bespeuren.
"Het doet er niet toe," zeide Pencroff, "al zie ik geen kust, toch voel ik dat er een is.... zij is daar.... daar.... even zeker als dat wij niet meer te Richmond zijn!"
De mist hield niet lang aan. Spoedig brak de zon door en verspreidde eene aangename warmte over het eilandje.
Ja! Daar was land. Daar waren zij voor het oogenblik in veiligheid. Tusschen het eilandje en de kust, van elkander gescheiden door een kanaal van een halve mijl breedte, stroomde een helder en snelvlietend water.
Intusschen wierp zich een der schipbreukelingen, slechts aan de ingeving van zijn hart gehoor gevende, zonder een woord tot zijn metgezellen te zeggen in den stroom. Het was niemand anders dan Nab. Hij verlangde slechts om op die kust te zijn en zich noordwaarts te begeven. Niemand had hem kunnen weerhouden.
Pencroff riep hem terug, maar te vergeefs; Spilett wilde hem nu ook volgen.
Pencroff ging naar dezen toe.
"Wilt gij dat kanaal oversteken?" vroeg hij.
"Ja," antwoordde Gideon Spilett.
"Wacht liever," zeide de matroos. "Nab is voldoende om zijn meester hulp te brengen. Zoo wij ons in dit kanaal werpen, loopen wij nog gevaar door den heftigen stroom mede gevoerd te worden. Zoo ik mij niet vergis is het eb. Zie maar, de zee wijkt terug van het strand. Laten wij dus geduld hebben, misschien vinden wij een doorwaadbare plaats."
Nab had in dien tijd na vele moeielijkheden te hebben doorworsteld de overzijde bereikt. Eindelijk stond hij op een hoog rotsblok en verdween weldra daarachter.
Tegen tien uur trokken Gideon Spilett en zijn twee metgezellen hun kleederen uit, maakten er een pakje van, dat zij op hun hoofd legden en waagden zich in het kanaal dat geen vijf voet diep was. Harbert voor wien het water te hoog was, zwom als een visch, wat hem uitmuntend afging. Alle drie kwamen zonder moeite aan de overzijde. Daar droogde de zon hen spoedig en trokken zij de kleederen weer aan, die zij voor nat worden bewaard hadden, en overlegden zij wat hun te doen stond.
IV.
De lithodomen.--De rivier en haar monding.--Voortzetting van het onderzoek.--Het woud der groene boomen.--De voorraad brandstof.--Men wacht den vloed af.--Van de hoogte der kust.--De houtvlotten.--Terugkeer naar den oever.
Voor het oogenblik, zeide de correspondent, moesten zij maar wachten tot hij terugkwam en zonder een oogenblik te verliezen, volgde hij de kust, dezelfde richting nemende welke Nab eenige uren vóór hem was ingeslagen. Daarop verloren zij hem uit het gezicht, toen hij den hoek omsloeg.
Harbert had hem willen volgen.
"Blijf mijn jongen," had de zeeman gezegd, "wij moeten een kamp inrichten, en eens zien of het mogelijk is iets te eten te krijgen, dat beter in de maag staat dan schelpdieren. Onze vrienden moeten ook versterkt worden bij hun terugkomst. Ieder zijn taak."
"Ik ben tot uw dienst, Pencroff," antwoordde Harbert.
"Goed zoo," hernam de zeeman, "dan zal het wel gaan. Alle dingen moeten met orde geschieden. Wij zijn vermoeid, wij hebben het koud, wij hebben honger. Dus moeten we een ligplaats, vuur en voedsel vinden. In het bosch is er hout; in de nesten zijn eieren; wij behoeven alzoo slechts een huis te vinden."
"Welnu," sprak Harbert, "ik zal een grot in die rotsen zoeken, en ik zal wel een gat ontdekken, waarin we een schuilplaats vinden kunnen."
"Dat is juist wat wij noodig hebben," antwoordde Pencroff. "Vooruit nu maar, mijn jongen."
Zij volgden nu den rotsketen langs het strand, maar in plaats van noordwaarts, richtten zij zich zuidwaarts, omdat Pencroff had opgemerkt, dat een honderd passen verwijderd van de plek, waar zij aan land waren gekomen, de bodem een helling maakte, waaruit hij afleidde, dat daarginds een rivier of een beek moest stroomen. Nu was het van belang, dat men zich vestigde in de nabijheid van drinkwater, terwijl het bovendien niet onmogelijk was, dat de stroom Cyrus Smith herwaarts had gedreven.
De rotsketen had een hoogte van ongeveer driehonderd voet, maar hij vormde eene onafgebroken massa van de kruin tot den grond; geen enkele spleet vertoonde zich, waarin men een schuilplaats kon vinden. Boven de rotsen vlogen gansche zwermen van watervogels met lange puntige snavels; zij schreeuwden om het hardst, zonder zich te bekommeren om de menschen, die zeker voor de eerste maal thans hunne eenzaamheid verstoorden. Een geweerschot onder de dichte zwermen zou een groot aantal vogels hebben gedood, maar om een geweerschot te lossen, moet men een geweer hebben en Pencroff noch Harbert bezat er een. Bovendien die meeuwen en andere zeevogels zijn niet smakelijk, zelfs hun eieren zijn walglijk.
Harbert had zich een weinig ter linkerzijde begeven en ontdekte eenige rotsen met zeeplanten, die zoo straks, wanneer het water zou zijn gestegen, weder onzichtbaar zouden worden. Te midden van die planten bespeurde hij een menigte schelpdieren, die voor hongerige menschen niet te verwerpen waren.
"Het zijn mossels!" riep de matroos uit. "Zij kunnen bij ons de plaats van de eieren innemen, die ontbreken!"
"Het zijn geen mossels," antwoordde Harbert, toen hij ze nauwkeurig onderzocht had, "het zijn lithodomen."
"En kan men die eten?" vroeg Pencroff.
"Zeer goed."
"Dan zullen wij eten."
De matroos kon op den knaap vertrouwen, want Harbert had altijd groote liefhebberij in natuurlijke historie gehad.
Pencroff en Harbert voorzagen zich overvloedig van deze lithodomen; zij aten ze als oesters; daarbij vonden zij er een kruidensmaak in, zoodat ze het gemis van peper of welke andere specerij ook niet behoefden te betreuren.
Voor het oogenblik was hun honger dus gestild, maar hun dorst was nog door het gebruik dezer weekdieren toegenomen. Zij verlangden daarom des te meer naar zoet water, en het was niet waarschijnlijk dat in een land zoo rijk aan allerlei voortbrengselen dit ontbreken zou.
Ongeveer tweehonderd pas verder kwamen zij aan de streek, waar volgens het voorgevoel van Pencroff een rivier moest stroomen. En inderdaad vonden zijn daar een kanaal van honderd voet breedte.
"Hier is water! en daar een bosch! Nu, Harbert, nu moeten wij nog een huis hebben."
Het water was helder, Harbert zag al rond of hij een holte zag, die hun tot schuilplaats zou kunnen dienen, maar nergens ontdekte hij iets van dien aard.
Aan den mond van dezen stroom en boven de oppervlakte der zee hadden een aantal steenen geen grot, maar een opeenstapeling van rotsen gevormd, zooals men ze vindt in bergachtige streken, en die de naam van "schoorsteenen" dragen.
Harbert en Pencroff drongen een eind ver door tusschen die rotsen, door welker openingen het licht viel maar met dat licht baande zich ook de wind een weg. Pencroff begreep dat men, door die openingen met steenen en zand aan te vullen, die schoorsteenen tot een zeer geschikte woning zou kunnen inrichten. Hun eerste werk was nu om eenig vuur te maken en het hout, dat zij in den omtrek vonden, kwam hun spoedig te stade.
Zij verlieten nu de schoorsteenen en toen zij den hoek om waren, volgden zij den linker oever der rivier. Het was een snelstroomend water, waarin veel dood hout dreef. Daar het water opkwam--en men voelde het reeds op dit oogenblik--moest het altijd weder met een zekere kracht terugvloeien tot op een vrij grooten afstand. De matroos kwam toen op het denkbeeld dat men die eb en vloed zeer goed als vervoermiddel van zware voorwerpen kon aanwenden. Toen zij een kwartier hadden geloopen, maakte de rivier een kronkeling en vervolgde haar loop door een bosch met prachtige boomen, Hier voorzagen zij zich in overvloed van brandhout, wat zeer gemakkelijk ging, daar zij het maar voor het oprapen hadden. Maar zoo zij genoeg hout vonden, hadden zij toch nog geen middel om het te vervoeren. Het hout was zeer droog, het zou dus spoedig verbrand wezen. Men was daarom wel genoodzaakt, meende Harbert, een groote hoeveelheid in de schoorsteenen te brengen, maar dan waren twee man niet voldoende.
"Wel mijn beste jongen," antwoordde Pencroff hierop, "er zal wel een middel wezen om dit hout te vervoeren. Er is voor alles raad te vinden! Zoo wij een kar of een bootje hadden zouden wij geholpen zijn."
"Maar wij hebben de rivier!"
"Juist," hernam Pencroff. "De rivier is een weg voor ons, die geheel alleen gaat en de houtvlotten zijn niet voor niets uitgevonden."
"Alleen loopt die weg op het oogenblik in een andere richting dan de onze, daar het water opkomt," merkte Harbert aan.
"Dan wachten wij maar tot het weder afloopt," sprak de matroos, "en dan zal het ons tot vervoermiddel dienen. Laten wij in dien tijd ons vlot bouwen." Spoedig hadden zij het vervaardigd en stapelden zij er hun voorraad op. Binnen het uur lag het aan den oever en behoefde men slechts op de eb te wachten. Zij moesten evenwel nog geruimen tijd geduld hebben eer het water afnam, maar die uren gebruikten zij om een hooger gedeelte te gaan onderzoeken.
Toen zij bijkans het hoogste punt hadden bereikt, viel hun oog voor het eerst op dien onmetelijken oceaan, dien zij in zulk een vreeselijken toestand hadden overgestoken! Zij overzagen het geheele noordelijke gedeelte, waar de ballon was verongelukt. Daar was Cyrus Smith verdwenen. Een poos lang sloegen zij aandachtig de zee gade, of er ook soms een overblijfsel van den ballon, waaraan een mensch zich vast had kunnen klemmen, op de golven dobberde. Niets! De zee was geheel verlaten. Op de kust was ook geen spoor van eenig wezen te ontdekken. Noch de correspondent, noch Nab vertoonde zich. Maar het was zeer wel mogelijk dat zij zich op te grooten afstand bevonden, om hen met het bloote oog te zien.
"Er is iets," zeide Harbert, "hetwelk mij zegt, dat zulk een energiek man als mijnheer Smith zich niet als de eerste de beste heeft laten verdrinken. Hij moet eenig punt der kust bereikt hebben. Niet waar Pencroff?"
De matroos schudde droevig het hoofd. Hij voor zich geloofde niet meer dat zij Cyrus Smith terug zouden zien; maar toch wilde hij Harbert alle hoop niet ontnemen.
"Zeker, zeker," zeide hij, "onze ingenieur is wel de man om zich uit een zaak te redden, waaronder een ander bezwijken zou!...."
Toen zij verder waren gekomen en de geheele streek konden overzien, vroeg Pencroff onwillekeurig zich zelf af:
"Zijn wij wel op een eiland?"
"In ieder geval op een vrij groot!" antwoordde de knaap.
"Een eiland, hoe groot het ook wezen mag, blijft altijd een eiland!" hernam Pencroff.
Maar dit belangrijke vraagstuk konden zij thans niet oplossen. Zij moesten tot een geschikter tijd wachten. Wat het land zelf betreft, eiland of geen eiland, het bleek duidelijk dat het zeer vruchtbaar aangenaam gelegen en rijk aan verschillende voortbrengselen was.
"Dat is gelukkig," merkte Pencroff aan, "en in al onze ellende moeten wij toch dankbaar wezen."
Eensklaps zagen zij een aantal vogels opvliegen.
"Ha," riep Harbert uit, "ziet daar eens wat een vogels!"
"Wat voor vogels zijn het?" vroeg Pencroff. "Men zou zeggen, dat het duiven waren."
"Dat zijn zij inderdaad, maar in alle geval wilde. En daar de rotsduiven zeer goed te eten zijn, moeten haar eieren ook uitmuntend smaken, en als zij ze in het nest hebben gelaten!...."
"Zullen wij ze den tijd niet gunnen om uit den dop te komen, tenzij als ommelet!" riep de matroos lachend uit.
"Maar waarin zult gij uw ommelet bakken?" vroeg Harbert. "In uw hoed?"
"Jawel," zeide Pencroff; "zoo'n goochelaar ben ik niet. Wij zullen ons dus op versche eieren onthalen, en ik zal ze wel uit den dop eten."
Zij vonden dan ook een goede hoeveelheid eieren! Zij namen er een twaalftal in een zakdoek mede, en toen het water weder opkwam, begaven zij zich naar den oever der rivier. Toen zij dien bereikten was het één uur en dus tijd om hun vlot in beweging te brengen; vóór tweeën hadden zij met hun rijke lading de schoorsteenen bereikt.
V.
Inrichting der schoorsteenen.--De vuur-quaestie.--De lucifersdoos.--Onderzoek van de kust.--Terugkomst van den correspondent en Nab.--Eén lucifer.--Het vlammende vuur.--Het eerste avondmaal.--De eerste nacht aan land.
De eerste zorg van Pencroff was, toen zij het vlot gelost hadden, de schoorsteenen zoo bewoonbaar mogelijk in te richten door al dadelijk de openingen, waardoor de wind gierde, dicht te stoppen. Daarop plaatste hij een nauwe buis in een der holten, waardoor de rook kon opstijgen. De schoorsteenen waren verdeeld in drie of vier kamers, zoo men dien naam aan de duistere holen geven kon, waarin zich een wild dier tevreden had gesteld. Maar hier was men tenminste beschut tegen regen en wind en in de grootste kamer kon men recht overeind staan. Fijn zand bedekte overal den grond.
"Nu kunnen onze vrienden terugkomen. Zij zullen een voldoende schuilplaats vinden," zeide Pencroff. Thans moesten zij nog vuur aanleggen en een middagmaal bereiden. Dit was echter een zeer gemakkelijke taak. En terwijl de matroos bezig was eenig brandhout onder den schoorsteen te leggen, vroeg Harbert hem of hij wel lucifers had.
"Zeker," zeide Pencroff, "en ik voeg er bij, gelukkig, want zonder lucifers of zonder zwam zouden wij in groote verlegenheid zitten."
"Wij konden dan toch altijd vuur maken zooals de wilden," antwoordde Harbert, "door twee stukken droog hout tegen elkander te wrijven?"
"Welnu beproef het eens, en wij zullen zien of u iets ander gelukt dan uw armen te breken!"
"Men doet het toch veel op de eilanden van den Stillen Oceaan."
"Ik zeg ook niet dat het onwaar is, maar de wilden weten er mede om te springen of gebruiken er misschien bijzonder hout voor, want meer dan eens heb ik mij op deze wijze van vuur willen voorzien, maar het is mij nooit gelukt. Ik beken dus gaarne, dat ik liever lucifers heb! Waar zijn mijn lucifers?"
Pencroff zocht in zijn vestjeszak naar het doosje, dat hem nooit verliet, want hij was een verstokt rooker. Hij vond het niet. Hij doorzocht al zijn zakken en tot zijn groote verbazing voelde hij het nergens.
"Dat is toch dom, en meer dan dom!" zeide hij, terwijl hij Harbert aanzag. "Het doosje is zeker uit mijn zak gevallen en zoodoende heb ik het verloren! Maar Harbert, hebt gij niets, geen vuurslag, niets waarmede wij vuur kunnen maken?"
"Neen, Pencroff!"
De matroos verliet de schoorsteenen, gevolgd door Harbert, en krabde zich het hoofd.
Op het zand bij de rivier, in de rotsen, hoe en waar zij ook zochten, alles was te vergeefs. Het doosje dat van koper was, zou hun blik niet ontgaan zijn.
"Pencroff, hebt gij het niet over boord geworpen?" vroeg Harbert.
"Daar heb ik wel op gepast," antwoordde de matroos. "Maar als men zoo geslingerd is, zooals wij zijn gedaan, moet zulk een klein voorwerp wel zoek raken. Zelfs mijn pijp heb ik verloren! Duivelsche doos! Waar kan zij wezen?"
Nog eenigen tijd zochten zij naar het doosje, maar vruchteloos. Eindelijk keerden zij naar de schoorsteenen terug.
Tegen zes uur, op het oogenblik dat de zon in het westen verdween, kwam Harbert, die op de kust heen en weer liep, terug met de tijding dat Nab en Gideon Spilett op hun terugtocht waren. Zij keerden alleen terug!.... Een beklemd gevoel maakte zich van den knaap meester. De matroos had zich niet in zijn voorgevoel bedrogen. Men had den ingenieur Cyrus Smith niet gevonden!
Toen de correspondent was aangekomen, zette hij zich op een steen en sprak geen woord. Uitgeput van vermoeienis was het hem onmogelijk iets te zeggen.
Wat Nab betreft, diens roode oogen getuigden voldoende, dat hij geweend had, en de tranen die thans weer in zijn oogen kwamen, bewezen duidelijk dat hij alle hoop had verloren.