Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen
Chapter 17
In dien tijd begon men ook jacht te maken op de zeeschildpadden, die zeer dikwijls op het strand kwamen bij kaap Mandibule. Over het geheele strand zag men kleine hoogten, waarin ronde eieren verborgen waren, met harde, witte schaal en waarvan het wit de eigenschap mist om, evenals dat van vogeleieren, te stremmen. De zon broedt ze uit, en het aantal er van was natuurlijk zeer groot, daar elke schildpad jaarlijks tot twee honderd vijftig eieren legt.
"Een waar eierenveld," merkte Gideon Spilett op, "men heeft ze slechts te oogsten."
Maar zij stelden zich niet met de voortbrengselen tevreden; zij maakten ook jacht op de voortbrengers, waarbij niet minder dan twaalf schildpadden gevangen werden, die werkelijk niet te versmaden waren met het oog op hun maaltijden. Nab werd dikwijls geprezen, en te recht, voor de schildpadsoep, die hij bereidde met welriekende planten en prikkelende kruiden.
Nog moet een zeer gelukkige omstandigheid vermeld worden, waardoor zij weder nieuwen voorraad voor den winter konden opdoen. Een groot aantal zalmen waagden zich in de Mercy en gingen verscheidene mijlen stroomopwaarts. Duizenden van deze visschen, die ongeveer twee en een halven voet lang waren, stortten zich in de rivier en het was voldoende den mond te versperren om een groot aantal te vangen. Eenige honderden werden gezouten en bewaard voor den tijd dat de wintervorst elke vischvangst onmogelijk zou maken.
Jup werd tot kamerdienaar verheven. Hij kreeg een jasje en een korte broek van wit linnen en een voorschoot, waarvan de zakken zijn grootste geluk uitmaakten, want hij stak er altijd zijn handen in en duldde niet, dat men ze doorzocht. De behendige aap was uitmuntend gedresseerd door Nab en men zou gezegd hebben dat hij en de neger elkander begrepen, wanneer zij samen spraken. Jup had overigens een waarachtige genegenheid voor Nab, en Nab wederkeerig voor hem. Wanneer hij niet van dienst kon zijn, hetzij om hout aan te brengen of om in den top van den een of anderen boom te klimmen, bracht Jup het grootste gedeelte van zijn tijd in de keuken door en trachtte Nab in alles na te bootsen wat hij dezen zag doen. De meester legde overigens het grootste geduld en den meesten ijver aan den dag in het onderrichten van zijn leerling, en de leerling toonde een merkwaardig vlug begrip voor de lessen, die zijn meester hem gaf.
Men oordeele over het genoegen, dat Jup op een dag aan de bewoners van het Rotshuis verschafte, toen hij met een servet over den arm, de tafel kwam dekken, zonder dat men het hem gezegd had. Hij kweet zich behendig en oplettend van zijn taak, nam de borden weg, bracht de schotels op, schonk de glazen vol, en alles met zulk een ernst, dat de kolonisten, maar vooral Pencroff, er het grootste pleizier in hadden.
"Jup, de soep!"
"Jup, nog wat vleesch!"
"Jup, een bord!"
"Jup! Beste Jup! Knappe Jup!"
Jup werd met bevelen overstelpt en voldeed aan alles zonder zich het minst van streek te laten brengen; hij lette op alles en schudde met zijn verstandigen kop, toen Pencroff zijn aardigheid van den eersten dag herhaalde en zeide:
"Wij zullen bepaald je traktement moeten verdubbelen, Jup!"
Het is onnoodig te zeggen, dat Jup zeer gehecht was aan het Rotshuis en dat hij zijn meester dikwijls door het bosch vergezelde zonder ooit eenigen lust te toonen om te ontvluchten. Men moest hem zien loopen, met zijn stok, dien Pencroff voor hem gemaakt had, als een geweer op schouder! Moest men de eene of andere vrucht uit den top van een boom hebben, in een oogwenk was hij dan boven! Was het rad van den wagen uit het spoor, handig bracht Jup hem door een enkelen duw er weder in.
"Wat een kerel!" riep Pencroff dikwijls uit. "Als hij even ondeugend als goed was, dan zou er met hem geen huis te houden zijn!"
Tegen het einde van Januari ondernamen de kolonisten eenige groote werken in het middengedeelte van het eiland. Men had besloten om bij de bron van de Roode Beek, aan den voet van den berg Franklin een kraal aan te leggen, die bestemd was voor de herkauwende dieren, wier tegenwoordigheid hinderlijk zou geweest zijn voor de bewoners van het Rotshuis, en voor al de muffeldieren, die de wol moesten verschaffen voor de winterkleederen.
Iederen morgen begaf zich de kolonie soms geheel, soms alleen vertegenwoordigd door Cyrus Smith, Harbert en Pencroff, naar de bronnen van de rivier, een wandeling van vijf mijl onder dicht lommer en langs een nieuw aangelegden weg, dien men den Kraalweg genoemd had.
Toen na drie weken de kraal gereed was, moest men een groote drijfjacht aanleggen aan den voet van den berg Franklin, te midden van de weilanden, waar de herkauwende dieren meestal verblijf hielden. Dit had plaats op den 7den Februari, een prachtigen zomerdag, en allen namen er aan deel.
De twee onagga's, die reeds zeer goed gedresseerd waren en bereden werden door Gideon Spilett en Harbert, bewezen hierbij grooten dienst.
Men moest de muffeldieren en geiten tot een kudde brengen, door ze te omsingelen en den kring steeds nauwer te maken. Cyrus Smith, Pencroff, Nab en Jup vatten post op verschillende punten van het woud, terwijl de beide ruiters met Top in een straal van een halve mijl om de kraal rondreden.
De muffeldieren waren op dat gedeelte van het eiland zeer talrijk. Deze prachtige dieren, zoo groot als gemzen, met horens die sterker ontwikkeld zijn dan die der rammen, met een grijze langharige vacht, geleken veel op wilde steenschapen.
Het was een vermoeiende dag, waarop de jacht plaats had. Welk een heen en weer loopen, op en neer rennen en schreeuwen! Van de honderd muffeldieren die men insloot, ontsnapte meer dan tweederde gedeelte aan de jagers; maar bij het einde waren er toch een dertigtal van deze herkauwende dieren en een tiental wilde geiten naar de kraal gedreven, waarvan de geopende deur een uitweg scheen te bieden, terwijl zij hen voor goed gevangen hield.
De einduitslag was gunstig en de kolonisten hadden geen reden tot klagen. Het grootste gedeelte van deze muffeldieren waren wijfjes, waarvan sommige zelfs spoedig jongen ter wereld zouden brengen. Het was dus waarschijnlijk dat de kudde zou vermeerderen, en dat niet alleen de wol, maar ook de huiden binnen korten tijd in overvloed voorhanden zouden zijn.
De jagers kwamen dien avond uitgeput in het Rotshuis terug. Den volgenden dag gingen zij nochtans weder vroeg naar de kraal. De gevangenen hadden wel getracht de omheining om te stooten, maar waren er niet in geslaagd en zij werden al spoedig bedaard.
Gedurende de maand Februari viel er niets bijzonders voor. Het dagelijksch werk werd geregeld volbracht, en terwijl men den Kraalweg en den weg naar de Ballonhaven verbeterde, legde men ter zelfder tijd een derden aan, die van de kraal naar de westkust liep. Het onbekende gedeelte van het eiland Lincoln vormden nog steeds de groote bosschen op het Slangen-schiereiland, waar de wilde dieren, die Gideon Spilett hoopte te verdrijven, een schuilplaats zochten.
Voor dat het koude jaargetijde weder aanbrak, werd de meeste zorg besteed aan de wilde planten, die van het bosch naar de bergvlakte waren overgebracht. Harbert keerde zelden van een tocht terug zonder eenige nuttige kruiden mede te brengen. Soms waren het exemplaren van cichoreiplanten, waarvan ook het zaad door sterke persing een uitmuntende olie kon verschaffen; een ander maal was het zuring, waarvan de eigenschap om scheurbuik te genezen niet te versmaden was; vervolgens eenige van die kostbare knolvormige wortels, die sedert onheuglijke tijden in Zuid-Amerika werden verbouwd, de aardappels, waarvan men tegenwoordig meer dan twee honderd soorten kent. De moestuin, die nu goed onderhouden, geregeld begoten en tegen de aanvallen van vogels beschermd werd, was in kleine vakken verdeeld, waarop salade, aardappels, zuring, rammenas en andere kruiddragende planten groeiden. De grond op de bergvlakte was zeer vruchtbaar en men mocht hopen dat hij een overvloedigen oogst zou afwerpen.
Het ontbrak evenmin aan afwisselende dranken, en op voorwaarde dat men geen wijn zou eischen, behoefden zelfs zij, die het moeilijkst te bevredigen waren, zich niet te beklagen. Cyrus Smith had bij de Oswego-thee, die hem door de dubbele Amerikaansche lipbloem werd verschaft, en bij de gistende sappen uit de wortels van den drakenboom, zeer goed bier weten te bereiden; hij maakte het uit het jonge schot van de abies-nigra, dat, na goed gekookt en gegist te hebben, dien aangenamen en bijzonder gezonden drank verschaft, dien de Anglo-Amerikanen "springbeer" noemen.
Tegen het einde van den zomer was ook het gevogelte met een groot aantal vermeerderd.
Alles slaagde dus naar wensch, dank zij den moed en den ijver van deze mannen. De Voorzienigheid deed zeker veel voor hen; maar getrouw aan het groote voorschrift, hielpen zij eerst zich zelven, en kwam de hemel hun vervolgens te hulp.
Na die warme zomerdagen, was het voor de kolonisten het grootste genot om 's avonds, wanneer hun werk volbracht was, zich aan den zoom van de bergvlakte neer te zetten onder een begroeide veranda, die Nab zelf vervaardigd had. Daar praatten zij en onderwezen elkander en maakten plannen, en de vroolijke zeeman vermaakte onophoudelijk die kleine maatschappij, waarin altijd de meest onverstoorde eendracht heerschte.
Zij spraken ook over hun vaderland, over dat dierbare en groote Amerika. Hoe stond het met den burgeroorlog? Hij kon niet lang meer geduurd hebben! Richmond was zeker spoedig in handen van generaal Grant gevallen! Het innemen van de hoofdstad der geconfedereerden had het laatste feit van dezen noodlottigen krijg moeten zijn. Het Noorden had nu gezegepraald en de goede zaak overwonnen. Hoe welkom zou het een of andere nieuwsblad voor de ballingen van het eiland Lincoln geweest zijn! Reeds elf maanden was alle gemeenschap tusschen hen en de overige wereld afgebroken en binnen korten tijd, den 24sten Maart, zou de gedenkdag aanbreken van den dag, waarop de ballon hen op deze onbekende kust had geworpen! Toen waren zij slechts schipbreukelingen, die zelf niet wisten of zij hun ellendig leven aan de elementen zouden kunnen betwisten.
En nu, dank zij de kunde van hun aanvoerder, dank zij hun eigen vernuft, waren zij kolonisten geworden, voorzien van wapenen, werktuigen en instrumenten, die de dieren, planten en delfstoffen van het eiland, dat is te zeggen de drie rijken der natuur, tot hun nut hadden weten te exploiteeren.
Ja, zij spraken dikwijls over dat alles, en maakten nog tallooze plannen voor de toekomst!
Cyrus Smith luisterde gewoonlijk stilzwijgend naar zijn lotgenooten. Somtijds glimlachte hij over een opmerking van Harbert, een aardigheid van Pencroff, maar altijd en overal dacht hij aan die onverklaarbare feiten, aan dat zonderlinge raadsel, waarvan het geheim hem nog steeds duister bleef!
XXXI.
Slecht weer.--De hydraulische hijschtoestel.--Glas en glaswerk.--De broodboom.--Bezoeken aan de kraal.--Vermeerdering der kudde.--Een vraag van den reporter.--Voorstel van Pencroff.
In de eerste week van Maart veranderde het weer. In het begin van die maand was het volle maan geweest en het was nog steeds brandend heet. Men gevoelde, dat de dampkring met electriciteit bezwangerd was en het was inderdaad te vreezen, dat in de volgende dagen een hevig onweder zou woeden.
Den 2den Maart rolde dan ook de donder geweldig. De wind blies uit het oosten, en de hagel sloeg tegen den voorgevel van het Rotshuis alsof er met schroot op gevuurd werd. Men moest deuren en vensterluiken hermetisch sluiten, anders werd alles in de kamers overstroomd.
Toen Pencroff deze hagelsteenen zag vallen, waarvan sommigen zoo groot als duiveneieren waren, dacht hij er slechts aan dat zijn korenveld zeer veel gevaar liep.
Hij ging oogenblikkelijk naar zijn land, waar reeds kleine, groene sprietjes te zien waren en met behulp van een groot zeil slaagde hij er in zijn oogst te beschermen. Hij werd nu, wel is waar, zelf in plaats van zijn planten gesteenigd, maar hij beklaagde er zich niet over.
Dit slechte weer hield acht dagen aan; men hoorde den donder onophoudelijk rollen. Tusschen twee onweders vernam men hem nog buiten de grenzen van den horizon, en dan kwam hij weder met vernieuwde woede naderbij. Het weerlicht was niet van de lucht af en de bliksem trof verscheidene boomen op het eiland, onder anderen een grooten den, die bij het meer stond aan den zoom van het bosch. Ook het strand werd twee of drie keer getroffen door den electrischen stroom, welke op het zand neersloeg en er dondersteenen van maakte. Toen de ingenieur deze dondersteenen zag, kwam hij op het denkbeeld, dat het niet onmogelijk zou zijn om dikke, stevige glasruiten voor de vensters te brengen, die tegen wind, regen en hagel bestand waren.
Daar de kolonisten buitenshuis geen werk hadden waarbij spoed vereischt werd, maakten zij van het slechte weer gebruik om binnen het Rotshuis te arbeiden, waarvan het huisraad van dag tot dag verbeterd en vermeerderd werd. De ingenieur vervaardigde een draaibank, waardoor hij in staat was eenige benoodigdheden voor toilet en keuken te maken, en vooral knoopen, die men zeer miste. Er was een tropee gemaakt van de wapens, die met de grootste zorg onderhouden werden, en kasten noch bergplaatsen lieten iets te wenschen over. Men zaagde, schaafde, vijlde en draaide, en gedurende dat ongunstige weer hoorde men niets dan het geluid der werktuigen of van de draaibank, dat op het rollen van den donder antwoordde.
Jup werd niet vergeten, hij had een kamer alleen, bij het groote magazijn met een goed bed, hetgeen hem uitmuntend beviel.
"Die beste Jup," zeide Pencroff dikwijls, "hij spreekt nooit tegen, geeft nooit een ongepast woord! Wat een knecht, Nab, wat een knecht!"
"Mijn leerling," antwoordde Nab, "en weldra mijns gelijke!"
"Je meerdere," antwoordde de zeeman lachend, "want dat is toch waar Nab, jij praat en hij doet het niet!"
Het spreekt van zelf, dat Jup nu volkomen op de hoogte was van hetgeen hij doen moest. Hij klopte de kleeren uit, draaide het braadspit, veegde de kamers, bediende aan tafel, stapelde het hout en--iets wat Pencroff verrukte--ging nooit naar bed, zonder eerst bij den zeeman gekomen te zijn.
De gezondheid van de kolonisten, zoowel der tweevoetige als der tweehandige, der vierhandige als der viervoetige, liet niets te wenschen over. Dat leven in de open lucht, op dien gezonden grond, onder deze gematigde luchtstreek, terwijl hoofd en handen moesten werken, kon niet anders dan elken zweem van ziekte verjagen.
Ieder was dan ook gezond. Harbert was in dat jaar reeds twee duim gegroeid. Zijn lichaam vormde zich en werd mannelijker, en hij beloofde een man te worden even volmaakt naar lichaam als naar geest. Hij trok overigens partij van elk ledig uur, dat hem zijn handenarbeid liet, om zich te onderrichten, hij las de weinige boeken, welke in de kist gevonden waren en, na de practische lessen die hij trok uit den toestand, waarin hij verkeerde, vond hij in den ingenieur voor de wetenschap, in den correspondent voor de talen, meesters, die met hart en ziel zijn opvoeding voltooiden.
Het was het vaste plan van den ingenieur, om alles wat hij wist op Harbert over te planten, hem zoowel door voorbeeld als door woord te onderwijzen, en Harbert trok goed partij van de lessen van zijn leermeester.
Indien ik sterf, dacht Cyrus Smith, zal hij mij vervangen!
Den 9den Maart bedaarde de storm, maar de hemel bleef gedurende de gansche laatste zomermaand, door zware volken beneveld. De dampkring was door die electrische schokken zeer verstoord en herkreeg zijn vorige kalmte niet meer; op vier of vijf mooie dagen na, welke de kolonisten waarnamen om verscheidene tochten te maken, regende en mistte het onophoudelijk.
Tegen dien tijd bracht de onagga een jong ter wereld, dat eveneens tot het vrouwelijk geslacht behoorde en dat zeer welkom aan de kolonisten was. Ook de kraal werd meer bevolkt tot groote vreugde van Nab en Harbert, die onder de jonggeborenen hun lievelingen hadden.
Men beproefde ook de muskuszwijnen te temmen, waarin men volkomen slaagde. Bij de plaats van het gevogelte werd een stal gebouwd, waarin weldra een groot aantal jonge zwijnen zich meer kwamen beschaven, dat is te zeggen, vetter worden onder toezicht van Nab. Jup vervulde stipt de taak, die hem opgelegd was om de zwijnen te voeren met de overblijfsels van het middagmaal. Soms plaagde hij zijn kleine kostgangers wel eens en trok ze aan hun staart, maar dit was speelschheid en geen boosheid, want die kleine stompe staartjes vermaakten hem als een stuk speelgoed, en zijn instinkt was geheel dat van een kind.
Toen Pencroff op een mooien dag van de maand Maart eens met den ingenieur praatte, herinnerde hij Cyrus Smith een belofte, die deze nog geen tijd had gehad te vervullen.
"Gij hebt gesproken van een toestel, dat de lange ladders van het Rotshuis onnoodig zou maken, mijnheer Smith," zeide hij. "Zult gij het niet binnen kort vervaardigen?"
"Gij meent een hijschtoestel," antwoordde Cyrus Smith.
"Laten wij het een hijschtoestel noemen, als gij het zoo wilt," antwoordde de zeeman. "De naam doet er niets toe, als het ons maar zonder vermoeienis naar onze woning voert."
"Niets zal gemakkelijker zijn, Pencroff, maar is het wel noodig?"
"Zeker, mijnheer Cyrus. Na ons het noodige verschaft te hebben, moeten wij ook eens aan ons gemak denken. Voor personen zou het een weelde zijn, indien gij wilt, maar voor dingen is het onmisbaar! Het is niet gemakkelijk, een lange ladder op te klimmen, wanneer men zwaar beladen is!"
"Welnu, Pencroff, wij zullen ons best doen u tevreden te stellen," antwoordde Cyrus Smith.
"Maar gij hebt geen machine tot uw beschikking?"
"Wij zullen er een maken."
"Een stoommachine?"
"Neen, een watermachine."
Om zijn toestel te bewegen, had de ingenieur inderdaad een natuurkracht tot zijn beschikking, waarvan hij zonder veel moeite gebruik zou kunnen maken.
Daarvoor was het voldoende den uitloozingsmond, die het water binnen het Rotshuis bracht, te vergrooten, en den stroom te bezigen als beweegkracht voor een hydraulisch toestel, wat hem zonder veel moeite gelukte. Pencroff althans was volkomen bevredigd.
Den 17den Maart werd het hijschtoestel voor het eerst gebruikt tot groote voldoening der kolonisten. Van dat oogenblik af werd alles opgeheschen, hout, steenkolen en provisie, en ook de kolonisten zelven maakten van dat eenvoudige toestel gebruik, dat de ladder verving, welke door niemand betreurd werd. Top vooral was verrukt over deze verbetering, want hij bezat niet die handigheid van Jup in het beklimmen van een ladder, en zelfs was hij verscheiden malen op den rug van Nab en zelfs op dien van den aap naar het Rotshuis geklommen.
Cyrus Smith beproefde tegen dien tijd glas te vervaardigen, maar hij moest eerst den ouden steenoven in orde brengen voor deze nieuwe proeven. Dit bracht vrij groote moeilijkheden met zich; maar na vele vruchtelooze pogingen, slaagde hij er eindelijk in, een kleine glasfabriek in orde te maken, welke Gideon Spilett en Harbert, de aangewezen helpers van den ingenieur, gedurende eenige dagen niet verlieten.
Wat de zelfstandigheden betreft die voor het samenstellen van het glas noodig waren, zij bestonden hoofdzakelijk uit zand, krijt en soda. Het strand leverde zand, de kalk verschafte krijt, de zeeplanten gaven soda; zwavelzuur was in overvloed voorhanden in de metaalverbindingen en de grond bevatte genoeg steenkolen om den oven tot op den vereischten warmtegraad te verhitten. Cyrus Smith zag zich dus van alles voorzien wat voor de bewerking noodig was.
Het werktuig dat de grootste moeilijkheid opleverde, was de glastang, een ijzeren buis, vijf à zes voet lang, die dient om de geblazen voorwerpen aan te vatten. Maar met een lange dunne ijzeren strook, die als de loop van een geweer gerold werd, slaagde Pencroff er in, deze tang te vervaardigen, en zij werd weldra in gebruik gesteld.
Den 28sten Maart werd de oven gloeiend gestookt. Honderd deelen zand, vijf en dertig krijt, veertig soda, vermengd met drie of vier deelen fijn gestampte deelen steenkool. Dit alles samen maakte de zelfstandigheid uit, die in de aarde potten werd gestort. Toen de hooge warmtegraad van den oven die stoffen vloeibaar had doen worden of liever in deeg had veranderd, "plukte" Cyrus Smith met zijn tang een zekere hoeveelheid van dit deeg; hij rolde het heen en weer over een metalen plaat, die daarvoor bestemd was om het den vorm te geven, die voor het blazen vereischt werd; toen gaf hij de pijp aan Harbert, en beval hem door het andere uiteinde te blazen.
"Alsof ik bellen blaas?" vroeg de knaap.
"Net zoo," antwoordde de ingenieur.
En Harbert blies zijn wangen op, blies en blies zoo goed in de buis, terwijl hij onder de hand zorgde deze onophoudelijk rond te draaien, dat de glazen massa uit elkander ging en opzwol. Een andere hoeveelheid deeg werd bij de eerste gevoegd en men verkreeg spoedig een bol, waarvan de middellijn ongeveer een voet bedroeg. Toen nam Cyrus Smith de buis uit de handen van Harbert en door haar een slingerende beweging te laten ondergaan, slaagde hij er in de bel zoodanig te verlengen, dat men haar den vorm van een kegelvormigen cylinder geven kon.
Door het blazen had men dus een glazen cylinder verkregen, eindigende in twee halve bollen, die gemakkelijk er van af werden genomen, door een scherp ijzer, dat men in koud water had gedompeld. Daarop werd door dezelfde methode de kegel overlangs doorgesneden en nadat men hem door eene tweede verhitting wederom kneedbaar had gemaakt, werd hij op een plaat gelegd en plat gestreken met een houten rol.
De eerste ruit was dus vervaardigd, en men moest slechts vijftig maal dezelfde bewerking herhalen om vijftig ruiten te krijgen. De vensters van het Rotshuis waren weldra van doorschijnende schijven voorzien, misschien niet zeer helder, maar toch genoeg licht doorlatende.
Wat glazen en flesschen betreft, dit had niets te beteekenen. Men gebruikte ze overigens zooals ze aan het einde van de pijp geblazen werden. Pencroff had als gunst gevraagd, ook eens te mogen blazen, en het was voor hem een waar genot, maar hij blies zoo hard, dat hij de koddigste figuren te voorschijn bracht, die hij zelf steeds met de grootste opgetogenheid bewonderde.
Op een van de tochten werd er een nog niet bekende boom ontdekt, waarvan de vruchten een nieuwe bron van voeding voor de kolonie opleverde.
Cyrus Smith en Harbert waagden zich eens op jacht in het bosch van het Verre Westen, op den linkeroever van de Mercy, en zooals altijd had de knaap honderden vragen aan den ingenieur te doen, waarop deze steeds even bereid was te antwoorden. Maar het is met de jacht even als met alles hier op aarde: als men er niet den waren lust bij heeft, loopt men veel gevaar met ledige weitasch thuis te komen. Daar Cyrus Smith nu volstrekt geen jager was en Harbert van zijn kant over schei- en natuurkunde sprak, kwamen er dien dag menig kangaroe, moeraszwijn en konijn binnen hun bereik, dat aan het geweer van den knaap ontsnapte. Dit had ten gevolge, dat de dag reeds ver gevorderd was en de jagers veel kans hadden een vergeefschen tocht te hebben gedaan, toen Harbert met een kreet van vreugde stilstond en uitriep:
"Mijnheer Cyrus! ziet gij dien boom?"
Het was eer een struik waarop hij wees dan een boom, want het was slechts een enkele stengel, met een geschubde bast bekleed, waaraan gestreepte bladeren groeiden.
"Wat is dat voor een boom, die zooveel op een kleinen palmboom gelijkt?" vroeg Cyrus Smith.
"Het is een "cycas revoluta", waarvan ik een afbeeldsel in onzen atlas over de natuurlijke historie heb!"
"Maar ik zie geen vruchten aan dezen struik?"
"Neen, mijnheer Cyrus," antwoordde Harbert, "maar de stronk bevat een soort meel, dat de natuur ons gemalen verschaft."
"Het is dus de broodboom?"
"Ja! de broodboom."
"Dat is een kostbare ontdekking, mijn jongen, in afwachting van onzen oogst. Aan het werk, en de hemel geve, dat gij u niet bedrogen hebt!"