Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen

Chapter 18

Chapter 183,939 wordsPublic domain

Harbert had zich niet bedrogen. Hij brak den stengel van een der "cycas", die uit een kleiachtig weefsel bestond en een zekere hoeveelheid fijn meel bevatte. Dit was echter vermengd met een slijmerig sap van onaangenamen smaak, maar dat door sterke drukking verwijderd kon worden. Het meel was overigens van de beste soort en zeer voedzaam, voorheen werd de uitvoer er van door de japaneesche wetten verboden.

Nadat Cyrus Smith en Harbert nauwkeurig hadden opgenomen in welk gedeelte van het bosch deze cycas groeiden, maakten zij herkenningsteekens en keerden naar het Rotshuis terug, waar zij hunne ontdekking meedeelden.

Den volgenden morgen gingen de kolonisten den oogst halen, en Pencroff, die hoe langer hoe meer met zijn eiland begon te dweepen, zeide tot den ingenieur:

"Mijnheer Cyrus, gelooft gij, dat er eilanden voor schipbreukelingen zijn?"

"Wat bedoelt gij daarmee, Pencroff?"

"Ik meen, eilanden, die opzettelijk, geschapen zijn opdat men er gemakkelijk schipbreuk zou kunnen lijden, en waarop arme stakkers zich altijd uit den nood kunnen redden!"

"Dat is wel mogelijk," antwoordde de ingenieur lachende.

"Dat is zeker, mijnheer," hernam Pencroff, "en het is even zeker dat het eiland Lincoln een van die eilanden is."

Zij kwamen in het Rotshuis met een grooten oogst van cycas-stengels terug. De ingenieur vervaardigde een pers om er het slijmachtige sap uit te persen en hij verkreeg een aanzienlijke hoeveelheid meel, dat, onder de handen van Nab, in gebakken brood veranderde. Het was nog niet het ware tarwebrood, maar het verschil was toch gering.

De onagga, de schapen en de geiten van de kraal verschaften nu ook dagelijks in overvloed melk aan de kolonie. De kar, of liever de lichte kariool, die deze vervangen had, deed verscheiden tochten naar de kraal, en wanneer het de beurt van Pencroff was nam hij Jup mede en hij liet deze mennen, van welke taak de aap zich onder het klappen van zijn zweep, even uitmuntend als van alle andere kweet.

Alles ging dus naar wensch, zoowel in de kraal als in het Rotshuis, en de kolonisten hadden zich waarlijk over niets te beklagen, zoo het niet ware dat zij steeds ver van hun dierbaar vaderland verwijderd bleven. Zij waren zoo goed voor dat leven geschikt en hadden zich zoozeer aan het eiland gehecht, dat zij zijn gastvrijen bodem niet zonder spijt zouden verlaten hebben!

En toch is de liefde tot het vaderland bij den mensch zoo diep geworteld, dat wanneer er onverwacht een schip in het gezicht ware gekomen, de kolonisten seinen zouden gegeven hebben, het tot zich hadden geroepen en vertrokken zouden zijn.... In afwachting leefden zij gelukkig, en zij vreesden meer dan zij wel wenschten, dat een onverwachte gebeurtenis hen mocht storen.

Maar wie kan er zich op beroemen de fortuin aan banden gelegd te hebben en buiten bereik van haar tegenspoeden te zijn!

Hoe het ook zij, het eiland Lincoln, dat de kolonisten sedert meer dan een jaar bewoonden, was dikwijls het onderwerp van hun gesprek, en eens werd een opmerking gemaakt, die later gewichtige gevolgen zou hebben.

Het was op den 1sten April, eersten Paaschdag, dien Cyrus Smith en zijne lotgenooten gevierd hadden als een rustdag en een dag des gebeds. Het weder was zoo schoon als men dit kon verlangen; het was als in October in noordelijke streken.

Tegen den avond, na het middagmaal waren allen onder de veranda bijeen aan den zoom van de bergvlakte en zij zagen den nacht aan den horizon nederdalen. Nab had eenige kopjes van het aftreksel van vlier, dat als koffie diende, rondgediend. Zij spraken over het eiland, over zijn verlaten ligging in de Stille Zee, toen Gideon Spilett zeide:

"Mijn waarde Cyrus, hebt gij de ligging van ons eiland wel weder waargenomen nadat gij den sextant bezat, dien wij in de kist gevonden hebben?"

"Neen," antwoordde de ingenieur.

"Maar het zou misschien niet kwaad zijn het nog eens te doen, met dat instrument dat beter is dan hetgeen gij gebruikt hebt."

"Waartoe?" zeide Pencroff. "Het eiland ligt toch nu waar het toen ook lag."

"Ongetwijfeld," hernam Gideon Spilett, "maar het zou kunnen gebeuren, dat het gebrekkige der toestellen schade had gedaan aan de juistheid van de waarnemingen, en daar het niet moeielijk is zekerheid daaromtrent te verkrijgen...."

"Gij hebt gelijk, Spilett," antwoordde de ingenieur, "en ik had dit reeds eerder moeten inzien, maar heb ik mij al vergist, dan kan dit toch niet meer dan vijf graden in lengte of breedte zijn."

"Wie weet?" hernam de correspondent, "of wij niet veel dichter bij een bewoond land zijn dan wij dachten."

"Dit zullen wij morgen weten," antwoordde Cyrus Smith, "en had ik niet zooveel te doen gehad, dan zouden wij het nu reeds geweten hebben.

"Och," zeide Pencroff, "mijnheer Cyrus is een te goed waarnemer om zich vergist te hebben; indien het niet van plaats veranderd is, dan moet het eiland nog liggen, waar hij gezegd heeft dat het lag!"

"Wij zullen zien."

Den volgenden morgen nam de ingenieur met behulp van zijn sextant de noodige waarnemingen om te zien of zijn reeds verkregen uitkomsten goed waren en ziehier het resultaat van zijne proef:

Door zijn eerste waarneming had hij verkregen dat de ligging van het eiland Lincoln was:

150° à 155° westerlengte; 30° à 35° zuiderbreedte.

Door zijn tweede verkreeg hij nauwkeurig:

150° 40' westerlengte; 34° 57' zuiderbreedte.

Cyrus Smith had dus, ondanks zijn gebrekkige instrumenten, zoo goed waargenomen, dat hij zich nog geen vijf graden vergist had.

"Nu wij, evenals een sextant, ook een atlas bezitten," zeide Gideon Spilett, "laten wij nu eens nagaan, Cyrus, welke plaats het eiland Lincoln in de Stille Zee inneemt."

Harbert ging den atlas halen, die in Frankrijk uitgegeven was en waarop dus de namen in het Fransch waren aangegeven.

De kaart van de Stille Zee werd opgeslagen en de ingenieur was gereed om met zijn passer in de hand de ligging te bepalen.

Plotseling hield hij den passer onbeweeglijk in zijn hand en hij riep uit:

"Maar er bestaat reeds een eiland in dit gedeelte der Stille Zee!"

"Een eiland?" vroeg Pencroff.

"Zeker het onze?" antwoordde Spilett.

"Neen," hernam Cyrus Smith. "Dit eiland is gelegen op 153° lengte en 37° 4' breedte, dat is te zeggen, twee en een halven graad westelijker en twee graden zuidelijker dan het eiland Lincoln."

"En welk is dat eiland?" vroeg Harbert.

"Het eiland Tabor."

"Een eiland van eenige beteekenis?"

"Neen, een verloren eilandje in de Stille Zee, op welks bodem misschien nog nooit een voet is gezet."

"Dan zullen wij dien voet zetten," zeide Pencroff.

"Wij?"

"Ja, mijnheer Cyrus. Wij zullen een schip met een dek bouwen, en ik belast mij met het besturen er van.--Hoe ver zijn wij van dat eiland verwijderd?"

"Ongeveer honderd vijftig mijlen noordoostelijk," antwoordde Cyrus Smith.

"Honderd vijftig mijlen! Wat beteekent dat nu?" antwoordde Pencroff. "Die leggen wij, bij gunstigen wind, in acht en veertig uur af!"

"Maar waartoe zou dat dienen?" vroeg de verslaggever.

"Men kan nooit weten!"

Er werd besloten een vaartuig te maken om tegen de volgende maand October zee te kunnen kiezen, wanneer het zachte jaargetijde zou zijn aangebroken.

XXXII.

Samenstelling van een schip.--Tweede graanoogst.--Jacht op Koula's.--Een nieuwe plant even aangenaam als nuttig.--Een walvisch in zicht.--De harpoen van Vineyard.--De walvisch wordt geslacht.--Gebruik van de baleinen.--Het einde van Mei.--Pencroff heeft niets meer te begeeren.

Wanneer Pencroff zich iets in het hoofd had gezet, gunde hij zich ook geen rust voor dat het ten uitvoer was gebracht. Hij wilde het eiland Tabor bezoeken, en daar er een vaartuig van zekeren omvang voor dezen tocht noodig was, moest dat vaartuig ook gebouwd worden.

Welk hout zou men voor het samenstellen van dit schip gebruiken? Olmen- of dennenhout, dat beide in overvloed op het eiland voorhanden was? Men bepaalde zich tot het dennenhout, dat wel een weinig "gespleten" is, maar toch gemakkelijk te bewerken is, en even goed als het olmenhout aan het water weerstand biedt.

Verder werd overeengekomen dat Cyrus Smith en Pencroff alleen aan het schip zouden werken, omdat het nog zes maanden zou duren vóor het zachte jaargetijde weder zou aanbreken. Gideon Spilett en Harbert bleven jagen, en Nab zou met Jup, zijn trouwe hulp, het huiswerk blijven verrichten.

Zoodra de boomen uitgezocht waren, werden zij omgehakt en aan planken gezaagd. Acht dagen later was er tusschen de schoorsteenen en den rotsmuur een timmerwerf gereed, en zag men reeds eene kiel van vijf en dertig voet lengte.

Cyrus Smith had niet in den blinde gehandeld bij den nieuwen arbeid dien hij ondernam. Hij was in den scheepsbouw even goed thuis als in al dat andere, en hij had eerst het plan van zijn vaartuig op papier gebracht. Hij werd overigens flink door Pencroff bijgestaan, die eenige jaren aan een werf te Brooklyn had gewerkt en het vak vrij goed verstond. Niet dan na rijpe overweging en nauwkeurige berekeningen ging men aan het werk.

Zoo als men licht begrijpen kan, was Pencroff vol vuur en lust voor zijn nieuwe onderneming en hij zou haar geen oogenblik hebben willen opgeven.

Slechts een enkelen dag verliet hij zijn werf voor een anderen arbeid. Het was voor den tweeden oogst van het koren, die op den 15den April plaats had. Hij was even goed als de vorige geslaagd en leverde den voorraad graan, die men vooruit berekend had.

"Vijf schepels! mijnheer Cyrus," zeide Pencroff, na nauwkeurig zijn schat te hebben nagemeten.

"Vijf schepels," antwoordde de ingenieur, "en tegen honderd dertig duizend graankorrels per schepel, maakt dit zes honderd vijftig duizend graankorrels."

"Dan zullen wij dezen keer alles zaaien," zeide de zeeman, "behalve een klein gedeelte voor reserve."

"Ja, Pencroff, en indien de volgende oogst een evenredige hoeveelheid geeft zullen wij vier duizend schepels hebben."

"En wij zullen brood eten?"

"Wij zullen brood eten."

"Maar daartoe hebben wij een molen noodig."

"Wij zullen een molen maken."

Het derde korenveld werd ontzaglijk veel uitgestrekter dan de twee eerste en het kostbare zaad werd onder den grond geborgen, die vooraf goed toegemaakt was. Toen dit geschied was keerde Pencroff naar zijn werf terug.

Gideon Spilett en Harbert jaagden intusschen in de omstreken en zij waagden zich dikwijls zeer ver in het nog onbekende gedeelte van het bosch van 't Verre Westen, maar hunne geweren waren met kogels geladen en tegen elke kwade ontmoeting berekend. Het was een ondoordringbare massa van prachtige boomen, die dicht bij elkander gegroeid waren alsof hun de noodige ruimte ontbroken had. Het was zeer moeielijk om hier een geregelde verkenning te doen, en de correspondent waagde er zich nooit in zonder zijn zakkompas mede te nemen; want de zon drong nauwelijks door dat dichte gebladerte en het zou moeilijk geweest zijn den weg terug te vinden. Het spreekt van zelf dat het wild ook zeldzamer op deze plaatsen was, daar het geen ruimte genoeg zou hebben gehad om zich vrij te bewegen.

In de laatste helft van April werden er echter drie groote plantetende dieren gedood. Het waren koula's die de kolonisten reeds ten noorden van het meer gezien hadden, en die zich in hunne domheid lieten dooden tusschen twee takken, waarop zij een schuilplaats hadden gezocht. Hunne huiden werden naar het Rotshuis gebracht, waar zij met behulp van zwavelzuur een soort van looiing ondergingen, die ze ten gebruike geschikt maakte.

Nog werd op een van deze tochten een zeer kostbare ontdekking gedaan, die men voor ditmaal aan Gideon Spilett te danken had.

Het was den 30sten April. De twee jagers waren in zuidwestelijke richting het bosch binnengedrongen, toen de correspondent, die een vijftig passen voor Harbert liep, bij een plaats kwam, waar de boomen minder dicht bij elkander stonden en eenige zonnestralen doorlieten.

Gideon Spilett was in het eerst verwonderd over de sterke lucht die uit zekere planten met rechte stengels opsteeg en veroorzaakt werd door bloemen, die in trossen groeiden en wier hart uit zeer kleine korrels bestond. De correspondent plukte een paar van die stengels en kwam bij den knaap met de woorden:

"Zie eens, wat is dat, Harbert?"

"Waar hebt gij die plant gevonden, mijnheer Spilett?"

"Daar op die open plaats, waar zij in overvloed groeit."

"Nu, mijnheer Spilett," zeide Harbert, "dat is een vondst, waardoor gij alle recht op de dankbaarheid van Pencroff verkrijgt!"

"Is het dan tabak?"

"Ja, en al is zij niet van de fijnste soort, het is in ieder geval tabak!"

"Die goede Pencroff! Wat zal hij in zijn schik zijn! Maar hij moet niet alles oprooken, hoor! Wij moeten er ook ons deel van hebben!"

"Daar valt mij iets in, mijnheer Spilett," antwoordde Harbert. "Laten wij niets aan Pencroff zeggen, die tabak bereiden en op een mooien dag hem een gestopte pijp aanbieden!"

"Dat is afgesproken, Harbert, en van dien dag af zal onze vriend niets ter wereld meer te wenschen hebben!"

De reporter en Harbert namen een goeden voorraad van deze kostbare plant mede en keerden naar het Rotshuis terug, waar zij hem zoo voorzichtig binnen smokkelden, alsof Pencroff de strengste douaan geweest ware.

Cyrus Smith en Nab werden in het vertrouwen genomen en de zeeman vermoedde niets gedurende al den tijd die er noodig was om de kleine bladeren te drogen, te hakken en op warme steenen te eesten. Daarvoor werden twee maanden vereischt; maar al deze bewerkingen konden geschieden zonder dat Pencroff het bemerkte, want hij had het zoo druk met zijn schip, dat hij niet in het Rotshuis kwam dan om te slapen.

Eens echter werd hij op den 1sten Mei in zijn geliefkoosde bezigheid gestoord, door een vischvangst waaraan alle kolonisten moesten deelnemen.

Sedert eenige dagen had men in zee op twee of drie mijlen van de kust een groot beest kunnen zien dat om het eiland Lincoln zwom. Het was een walvisch van de grootste soort, waarschijnlijk tot die der zuidpoolzeeën behoorende, namelijk tot de "kaap-walvisschen."

"Als wij dien eens te pakken konden krijgen!" riep de zeeman uit. "Hadden wij maar een bruikbaar schip en een goeden harpoen, dan zou ik wel zeggen: Laten wij dat beest nazetten, want het is wel de moeite waard om mee te nemen!"

"Nu, Pencroff," zeide Gideon Spilett, "ik zou je wel eens met een harpoen aan het werk willen zien. Dat moet merkwaardig zijn!"

"Zeer merkwaardig en niet zonder gevaar," zeide de ingenieur; "maar daar wij geen wapenen hebben om dit dier aan te vallen, is het onnoodig dat wij ons met hem bezig houden."

"Het verwondert mij," zeide de correspondent, "op deze breedte een walvisch te zien."

"Waarom, mijnheer Spilett?" antwoordde Harbert. "Wij zijn juist in dat gedeelte der Stille Zee, dat de Engelsche en Amerikaansche visschers het "Walvisschen Gebied" noemen, en juist hier tusschen Nieuw-Zeeland en Zuid-Amerika komen de meeste walvisschen uit het zuidelijk halfrond in grooten getale."

"Dat is zeer waar," antwoordde Spilett, "en hetgeen mij het meest verwondert, is dat wij er nog niet meer gezien hebben. Maar daar wij ze toch niet kunnen vangen doet het er niet toe!"

Pencroff keerde met een zucht naar zijn werk terug, want elke zeeman is tevens visscher, en daar het genot van de vangst in verhouding staat tot de grootte van het dier kan men eenigszins nagaan wat een walvischvanger gevoelt in de nabijheid van een walvisch.

En was het dan alleen nog maar het genot geweest! Maar men moest erkennen dat zulk een prooi van zeer veel nut voor de kolonie zou geweest zijn, want de olie en het vet zouden in velerlei opzicht goed te pas zijn gekomen!

De walvisch nu scheen het water om het eiland niet te willen verlaten. Elke beweging van het beest werd door Harbert en Gideon Spilett, wanneer zij niet op jacht waren, en door Nab, terwijl hij bij zijn oven stond, nauwkeurig gadegeslagen. Soms kwam het zoo dicht bij de kust dat men het geheel kon opnemen. Het was inderdaad een walvisch uit 't zuidelijke halfrond, die geheel zwart ziet en waarvan de kop meer ingedrukt is dan die uit het noordelijke.

Men zag ook hoe hij door zijn kieuwen tot op groote hoogte stoom of water uitblies, want--hoe vreemd het ook schijne--de natuurkundigen en de walvischvangers zijn het daarover nog niet eens. Is het lucht of is het water dat zoo opgeworpen wordt? Over het algemeen neemt men aan dat het stoom is, die door de aanraking met de koude lucht plotseling verdikt wordt en in regen neervalt.

De nabijheid van het zoogdier hield de kolonisten onophoudelijk bezig, vooral Pencroff, die daardoor in groote mate van zijn werk werd afgeleid. Eindelijk verlangde hij, als een kind naar een verboden voorwerp, naar dien walvisch. 's Nachts droomde hij er hardop van en had hij slechts wapenen gehad om hem aan te vallen, was zijn sloep in staat geweest zee te houwen, hij zou geen oogenblik geaarzeld hebben om er jacht op te maken.

Maar hetgeen de kolonisten niet konden doen, deed het toeval voor hen, en den 3den Mei kondigde een kreet van Nab, die voor het venster van zijn keuken stond, aan, dat de walvisch op de kust van het eiland gestrand was.

Harbert en Gideon Spilett, die juist gereed stonden om op jacht te gaan, legden hunne geweren neer, Pencroff wierp zijn bijl weg, Cyrus Smith en Nab voegden zich bij hunne metgezellen en allen snelden in allerijl naar de strandingsplaats.

De walvisch was bij vloed op het strand geworpen, op ongeveer drie mijlen van het Rotshuis. Het was dus waarschijnlijk, dat hij niet zoo spoedig meer in zee zou komen. In ieder geval moest men zich haasten om hem, zoo noodig, elken uitweg af te snijden. De kolonisten gingen met ijzeren pieken en scherpe wapens over de brug van de Mercy, langs den rechteroever der rivier, volgden den oever en in minder dan twintig minuten stonden zij voor het groote dier, waarop reeds een massa vogels neergestreken waren.

"Welk een monster!" riep Nab uit.

En die uitdrukking was juist, want het was een walvisch van tachtig voet lang, een reus in zijn soort, die niet minder dan honderd vijftig duizend pond moest wegen!

Het monsterdier bewoog zich echter niet en trachtte evenmin door spartelen weder in zee te komen nu het nog vloed was.

De kolonisten begrepen echter spoedig van waar die onbeweeglijkheid kwam, toen zij bij eb rondom het beest konden loopen.

Hij was dood en er stak een harpoen in de linkerzijde.

"Er zijn dus walvischvaarders in onze nabijheid?" zeide Gideon Spilett.

"Waarom?" vroeg de zeeman.

"Omdat die harpoen er nog in is...."

"Wel, mijnheer Spilett, dat bewijst niets," antwoordde Pencroff. "Het komt menigmaal voor dat de walvisschen duizenden mijlen afleggen met een harpoen in het lijf, en deze is misschien in het noorden van den Atlantischen Oceaan getroffen om in het zuiden van de Stille zee te sterven, zonder dat men zich daarover moet verwonderen!"

"Maar...." zeide Gideon Spilett, die nog slechts ten halve door Pencroff overtuigd was.

"Dat is zeer wel mogelijk," bevestigde Cyrus Smith; "maar laten wij dien harpoen eens van nabij bekijken. Mogelijk hebben de walvischvaarders den naam van hun schip er op gegraveerd, zooals dit veelal het gebruik is."

En Pencroff las inderdaad het volgende inschrift op den harpoen, dien hij uit het lichaam van het dier getrokken had: "Maria-Stella, Vineyard."

"Een schip van Vineyard! Een schip van mijn land!" riep hij uit. "De Maria-Stella! een prachtige walvischvaarder, op mijn woord! dien ik zeer goed ken! Vrienden, een schip van Vineyard, een walvischvaarder van Vineyard!"

De zeeman zwaaide met den harpoen en herhaalde niet zonder eenige aandoening dien naam, die hem zeer aan het hart ging, dien naam van zijn geboorteland.

Maar daar men niet kon verwachten dat de Maria-Stella het dier dat door haar gedood was, kwam opeischen, besloot men het in stukken te snijden voordat de ontbinding begon. De roofvogels, die sedert eenige dagen die rijke prooi bespiedden, wilden zonder dralen er bezit van nemen en men moest hen met geweerschoten verdrijven.

Pencroff had vroeger op een walvischvaarder dienst gedaan, hij kon dus het klein hakken van den walvisch leiden--een zeer onaangename bezigheid, die drie dagen duurde, maar waarvoor geen der kolonisten terugdeinsde, zelfs Gideon Spilett niet, die, volgens Pencroff, nog zou eindigen met "een zeer goed schipbreukeling" te worden.

Het spek werd in reepen van twee en een halven voet dikte gesneden, vervolgens in stukken verdeeld, die ieder ongeveer duizend pond wogen, deze stukken werden in aarden potten gesmolten, die op de plaats gebracht werden, waar men het beest aan stukken sneed, want men wilde de bergvlakte niet met zulk een lucht verpesten;--bij deze smelting verloor hij een derde van zijn gewicht. Maar men had goeden voorraad: de tong alleen leverde zes duizend pond olie en de onderlip vier duizend pond. Behalve het vet, dat voor langen tijd den voorraad stearine en glycerine waarborgde, had men nog de kieuwen, die zeker ook wel tot een doel zouden gebruikt worden, hoewel de bewoners van het Rotshuis regenschermen noch korsetten gebruikten. Het bovengedeelte van den bek van den walvisch was aan beide zijden voorzien van acht honderd baleinen, allen zeer buigzaam en aan weerskanten afgepunt evenals twee groote kammen, waarvan de pooten, die zes voet lang zijn, dienen om de duizende onzichtbare diertjes, kleine vischjes en schelpdieren, waar de walvisch zich mee voedt, vast te houden.

Toen deze bewerking tot groote voldoening van de kolonisten afgeloopen was, liet men de rest van het beest aan de vogels over, die het tot de laatste stukjes deden verdwijnen, en het dagelijksch werk van het Rotshuis werd hervat.

Voordat Cyrus Smith echter naar zijn werf terugkeerde, kwam hij op het denkbeeld om een soort van wapen te vervaardigen dat in hooge mate de nieuwsgierigheid van zijn metgezellen opwekte. Hij nam een twaalftal baleinen, die hij in zes gelijke deelen sneed en aan de uiteinden scherpte.

"En dat zal dienen, mijnheer Cyrus," vroeg Harbert, toen Smith daarmede gereed was, "dat zal dienen?...."

"Om wolven, vossen en zelfs jaguars te dooden," antwoordde de ingenieur.

"Nu?"

"Neen, dezen winter, wanneer de vorst is ingevallen."

"Dat begrijp ik niet.. .." antwoordde Harbert.

"Ge zult het weldra begrijpen, mijn jongen," antwoordde de ingenieur. "Dit wapen is geen uitvinding van mij. Het wordt zeer veel gebruikt door de jagers in russisch Amerika. Wanneer het vriest, zal ik deze baleinen buigen en met water begieten, totdat zij geheel met een ijskorst bedekt zijn en daardoor gekromd blijven, wij zullen ze op de sneeuw leggen, nadat ze vooraf onder een laag vet zijn verborgen. Wat zal er gebeuren wanneer een van deze uitgehongerde dieren dit lokaas verslindt? De warmte van zijn maag zal het ijs doen smelten, het moordtuig zal zich ontspannen en met zijn scherpe punten in het vleesch dringen."

"Dat is goed bedacht!" riep Pencroff uit.

"En zal kruit en kogels besparen," antwoordde Cyrus Smith.

"Dat is nog beter dan vallen!" voegde Nab er bij.

"Laten wij den winter afwachten!"

"Goed, wij zullen den winter afwachten."

Het schip vorderde goed en tegen het einde van de maand was het ten halve gereed.

Pencroff werkte voorbeeldeloos hard, en slechts zulk een sterke gezondheid als de zijne was tegen die vermoeienis bestand; maar zijn lotgenoten bereidden hem in stilte een belooning voor zooveel moeite, en den 31sten Mei zou voor hem een van de schoonste dagen van zijn leven zijn.

Toen hij dien dag, na afloop van het middagmaal, de tafel wilde verlaten, voelde Pencroff een hand op zijn schouders drukken.

Het was de hand van Gideon Spilett, die tot hem zeide:

"Een oogenblik, Pencroff, zoo gaat men niet heen! Gij vergeet het dessert."

"Dank je, mijnheer Spilett," antwoordde de zeeman, "ik ga aan mijn werk."

"Geen kopje koffie, vriend?"

"Volstrekt niet."

"Een pijp dan?"

Pencroff was plotseling opgestaan en zijn goedig breed gelaat verbleekte, toen de reporter hem een gestopte pijp aanbood en Harbert een gloeiende kool.