Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen
Chapter 16
Maar op dit oogenblik deed een kreet zich hooren en een groote aap, die in een der kamers was gevlucht, snelde de zaal binnen, vervolgd door Nab.
"O, die bandiet!" riep Pencroff. En met de bijl in zijn hand, wilde hij den kop van het dier kloven, toen hij hierin door Cyrus Smith weerhouden werd.
"Spaar hem, Pencroff."
"Zou ik dien schelm genade schenken?"
"Ja, want hij was het, die ons de ladder heeft weergegeven!"
De ingenieur sprak deze woorden op zulk een zonderlingen toon, dat het moeilijk viel er uit op te maken of hij in ernst sprak dan niet.
Toch sprongen zij allen op den aap af, die, nadat hij zich dapper geweerd had, op den grond werd geworpen en gekneveld.
"Oef," zeide Pencroff. "Wat zullen wij van hem maken?"
"Een knecht!" antwoordde Harbert.
Toen de knaap dit zeide, schertste hij niet, want hij wist dat men van deze verstandige dieren veel partij kon trekken.
De kolonisten naderden thans den aap en beschouwden hem aandachtig. Hij behoorde tot die soort, waarvan de aangezichtshoek niet veel kleiner is dan die der Australiërs en Hottentotten. Het was een oerang-oetang, de goedaardigste van alle apen.
Deze soort dieren zijn tot vele diensten geschikt; zij kunnen tafeldienen, de kamers opruimen, de kleeren verzorgen, schoenen poetsen, met mes, vork en lepel omgaan en zelfs wijn drinken.... alles even goed als de beste tweevoetige knecht zonder haren. Men weet dat Chateaubriand zulk een aap bezat, die hem lang en trouw diende.
De aap, die thans in een der kamers van het Rotshuis gekneveld lag, was zes voet lang, had een goed gebouwd lichaam, breede borst, de kop had een middelmatige grootte, de gelaatshoek was vijf en zestig graden, hij had een ronden schedel, spitsen neus en de huid was met zacht, glinsterend haar begroeid--kortom hij was een volmaakt type der menschvormige soort. Zijn oogen, een weinig kleiner dan die der menschen, schitterden van vernuft, zijn witte tanden kwamen van onder zijn knevel te voorschijn, en hij had een kleinen krulbaard van nootkleurig bruin.
"Een mooie jongen!" zeide Pencroff. "Als wij nu zijn taal maar konden spreken, dan zouden wij een gesprek met hem kunnen voeren."
"Dus is het ernst," vroeg Nab; "wij zullen hem als knecht aannemen?"
"Ja, Nab!" antwoordde Cyrus glimlachend. "Maar wees niet jaloersch!"
"En ik hoop dat hij een goede knecht zal zijn," voegde Harbert er bij. "Hij schijnt nog jong te wezen en zijn opvoeding zal ons dus gemakkelijk vallen; wij zullen ook niet genoodzaakt wezen om hem onderwerping in te prenten, door hem met strengheid te behandelen, noch hem de snijtanden uit te trekken, zooals men in zulke gevallen dikwijls doet! Hij zal zich wel aan zijn meesters hechten, wanneer deze goed voor hem zijn."
"En dat zullen we wezen," antwoordde Pencroff, die al zijn haat tegen deze grappenmakers vergat.
Daarop naderde hij den oerang-oetang.
"Welnu, beste jongen," vroeg hij, "hoe gaat het je?"
De aap beantwoordde deze vraag door een zacht gebrom, dat geen kwaad karakter verried.
"Gij wilt dus ook een deel van de kolonie uitmaken?" vroeg de matroos. "Gij wilt dus in dienst van Cyrus Smith treden?"
Weder een goedkeurend gebrom.
"En gij zult als loon met ons voedsel tevreden zijn?"
Een derde gebrom.
"Zijn gesprek is wel wat eentonig," merkte Gideon Spilett op.
"Goed," hernam Pencroff, "de beste bedienden zijn die, welke het minste spreken. En bovendien behoeft hij geen loon!"
"Hoort ge, mijn jongen? Om te beginnen, geven we u geen loon, maar dat zullen we later verdubbelen, wanneer we tevreden over je zijn!"
Zoo gebeurde het dat de kolonie met een nieuw lid verrijkt werd, die hun meer dan een dienst bewees. De matroos vroeg, of men hem, ter herinnering aan een aap, dien hij vroeger gekend had, den naam van Jupiter mocht geven en bij verkorting "Jup".
Ziedaar hoe meester Jup, zonder verderen omslag een plaats in het Rotshuis kreeg.
XXIX.
Plannen ter uitvoering.--Een brug over de Mercy.--Een eiland maken van het Verre Uitzicht.--De graanoogst.--De beek.--Het gevogelte.--De duiventil.--De onagga's.--De kas.--Uitstapje naar de Ballonhaven.
De kolonisten van het eiland Lincoln waren dus weder in het bezit van hun woning, zonder dat zij genoodzaakt waren geweest de oude uitloozingsplaats op te zoeken, zoodat hun veel metselaarswerk gespaard bleef. Het was inderdaad gelukkig, dat op het oogenblik toen zij op het punt stonden dit te doen, de bende apen door den schrik bevangen, hoe plotseling en onverklaarbaar dit ook wezen mocht, het Rotshuis ontvlucht waren. Deze dieren schenen een voorgevoel gehad te hebben dat het gevaar hun van een andere zijde bedreigde? Dat was de eenige reden waaraan hun snel vertrek kon worden toegeschreven.
Gedurende de laatste uren van dien dag werden de lijken van de apen naar het bosch overgebracht, waar men ze begroef; daarop herstelden de kolonisten de wanorde, die door de indringers was aangericht--gelukkig wanorde en geen schade, want zij hadden het huisraad slechts omgeworpen, maar niets gebroken. Nab legde zijn vuur weder aan, en met hetgeen zij in hun provisiekast hadden, konden zij een heerlijk maal bereiden, waaraan zij ook alle eer deden.
Jup werd niet vergeten, en hij at met smaak de appelen der pijnboomen, waarvan zij hem ruim voorzagen. Pencroff had zijn armen losgemaakt, maar hij achtte het raadzamer de koorden om zijn pooten te laten tot op het oogenblik dat zij op zijn onderwerping konden vertrouwen.
Voordat zij naar bed gingen, bespraken Cyrus Smith en zijn makkers nog onder elkander wat hun het noodigste te doen stond.
Het noodigste en het dringendste was het maken eener brug over de Mercy, zoodat het zuidelijke gedeelte van het eiland in verbinding kwam met het Rotshuis; voorts de stichting van een kraal, die dienen moest tot huisvesting van buffeldieren en andere, waarvan zij het haar of de wol zouden kunnen gebruiken.
Met ziet dat deze twee plannen betrekking hadden op het punt kleederen, die toen van het grootste gewicht voor hen waren. Want een brug zou hun het overbrengen van den ballon gemakkelijker maken, waardoor zij dan een goeden voorraad linnen zouden bezitten en de kraal was voor de wol, die hun winterkleederen moest verschaffen.
Het maken der brug over de Mercy duurde drie weken, en nog moesten zij hard doorwerken. Zij ontbeten altijd op de plaats waar zij werkten en daar het toen prachtig weer was, keerden zij eerst tegen den avond naar het Rotshuis terug.
Gedurende dien tijd gewende de aap hoe langer hoe meer en kwam hij op goeden voet met zijn meesters, die hij altijd met de grootste nieuwsgierigheid gadesloeg. Toch waagde Pencroff het nog niet hem de vrijheid van al zijn ledematen te schenken, en hij achtte het raadzaam hiermede te wachten totdat de grenzen van de bergvlakte onoverkoombaar waren door de inrichting, welke zij nu tot stand brachten. Top en Jup waren ook de beste vrienden en speelden graag samen, maar Jup deed alles zoo ernstig mogelijk.
Den 20sten November was de brug gereed. Nu moesten zij het omkleedsel van den luchtballon halen, want het was voor hen van het grootste belang om dat linnen in veiligheid te brengen; maar om het te vervoeren, moesten zij noodzakelijk een wagen medenemen naar de Ballonhaven en dientengevolge zagen zij zich verplicht eerst een weg door het dichte bosch van het Verre Westen te banen. Dat kostte hun ook nog eenigen tijd. Nab en Pencroff deden dan ook eerst een verkenningstocht naar de haven, en daar zij bevonden dat het linnen niets in de grot te lijden had, besloten zij dat het werk, op de vlakte het Verre Uitzicht, onafgebroken kon vervolgd worden.
"Dus," merkte Pencroff op, "wij kunnen onze volière in den besten toestand brengen, daar wij nu noch de vossen noch eenigen onverwachten aanval van andere schadelijke dieren te vreezen hebben."
"Ook kunnen wij nu de bergvlakte ontginnen en de wilde planten hier overbrengen...."
"En ons tweede korenveld bezaaien!" riep de matroos zegevierend uit.
Hun eerste korenveld dat zij door een enkel graantje verkregen hadden, was zeer toegenomen, dank zij de zorg van Pencroff. De graankorrel had, zooals de ingenieur gezegd had, tien aren geschoten, en elke aar droeg tachtig korrels. De kolonie was dus in het bezit van acht honderd graankorrels in zes maanden tijd--dus een dubbele oogst mochten zij elk jaar verwachten.
Deze acht honderd graankorrels, uitgezonderd een vijftigtal, die zij voorzichtigheidshalve bewaarden, zouden dus op een nieuw veld gezaaid kunnen worden met evenveel zorg als de eenige korrel, die zij aanvankelijk bezaten.
Het veld werd in orde gebracht, en daaromheen een omheining gemaakt van hooge palen, zoodat de viervoetige dieren er niet over konden. En om de vogels te verwijderen, maakte Pencroff met zijn sterke verbeeldingskracht verschillende vogelverschrikkers, die hen dan ook op een eerbiedigen afstand hielden. De zeven honderd vijftig korrels werden toen weder in regelmatige voren geplaatst, en het overige werd der natuur toevertrouwd.
Den 21sten November begon de ingenieur de gracht af te bakenen, welke de bergvlakte in het westen moest scheiden van den zuidelijken uithoek van het meer Grant tot aan de bocht der Mercy. Zij hadden daar een twee à drie voet hooge laag vruchtbaren grond op het graniet. Zij moesten dus weer nitro-glycerine maken, en de nitro-glycerine had dezelfde uitwerking. In minder dan vijftien dagen hadden zij een gracht van twaalf voet breed en zes voet diep in den harden grond van de bergvlakte gegraven. Een nieuwe uitloozingsplaats hadden zij nu verkregen door hetzelfde middel als bij de rotsachtige kust van het meer, en het water stroomde in deze nieuwe bedding, aan wier stroom men den naam van Glycerine-rivier gaf, en die een zijtak van de Mercy werd. De oppervlakte van het meer daalde weer, zooals de ingenieur voorspeld had, maar bijna onmerkbaar. Eindelijk, om de grens te voltooien, verbreedden zij de bedding der beek aanmerkelijk en het zand werd door een stevigen dijk weerhouden.
In de eerste helft van December was deze arbeid voltooid. Gedurende die maand was het zeer warm. Toch wilden de kolonisten hun werk niet staken, en daar zij thans hun volière in orde moesten brengen, gingen zij hiertoe over.
Het is onnoodig te zeggen, dat, nu de geheele grens gemaakt was, Jup ook in vrijheid werd gesteld. Hij verliet zijn vrienden niet en scheen ook niet den minsten lust te hebben om te ontsnappen. Het was een zachtaardig maar krachtig dier en bijzonder behendig. Als het er op aan kwam de ladder van het Rotshuis te beklimmen, kon niemand hem in vlugheid evenaren. Hij was hun zelfs in sommig werk reeds behulpzaam; hij trok den wagen met hout beladen en bracht de steenen over, die uit de Glycerine-rivier waren gekomen.
De volière besloeg een ruimte van twee honderd vierkante meters, op den zuidoostelijken oever van het meer. Zij omringden haar met een hek en maakten er verschillende hokken in voor de dieren die haar moesten bevolken.
De eerste bewoners waren de tinamoes, die weldra een aantal kleintjes hadden; en spoedig hadden zij tot buren de eenden, die aan de oevers van dat meer veel gevonden werden. Eenige behoorden tot het Chineesche ras, waarvan de vleugels zich waaiervormig openen en wier schitterende kleuren met die der goudlakensche faisanten kunnen wedijveren. Eenige dagen later maakte Harbert zich meester van een koppel hoenders met ronden staart en lange vleugels. Wat de pelikanen, ijsvogels en watervogels betrof, deze kwamen uit zichzelf in de volière, en die geheele kleine wereld geraakte, na eenige twisten en onlusten, met elkander op den besten voet en groeiden in zulk een mate aan, dat de kolonisten zich voor hun toekomstige voeding niet ongerust behoefden te maken.
Cyrus Smith wilde zijn werk thans voleindigen en plaatste daarom in een hoek van de volière een duiventil. Zij brachten daarin een dozijn van die vogels, welke veel op de rotsvlakten gevonden worden. Deze vogels gewenden zich spoedig en vlogen elken avond naar hun nieuwe woning terug, en schenen beter geschikt om getemd te worden dan de wilde duiven, die zich niet dan in het wild voortplanten.
Eindelijk was het oogenblik aangebroken om van het omkleedsel van den luchtballon lijnwaad te maken, want om hem in dien vorm te houden en in een ballon met warme lucht gevuld het eiland te verlaten, boven een zee, om zoo te zeggen, zonder grenzen, zou slechts een aannemelijk plan wezen voor menschen, wien het geheel aan gezond verstand ontbrak en Cyrus Smith was een practisch man, dus dat kwam in het geheel niet in hem op.
Nu moesten zij den ballon naar het Rotshuis overbrengen en de kolonisten trachtten thans hun zwaren wagen lichter en handiger te maken. Maar al had men het voertuig, een geschikt trekdier hadden zij nog niet gevonden. Bestond er dan op het geheele eiland geen herkauwend dier, dat de plaats van het paard, den ezel, den os of de koe kon vervullen? Daar kwam het nu op aan.
"Waarlijk," zeide Pencroff, "een trekdier zou ons zeer dienstig wezen, maar intusschen moest mijnheer Cyrus een wagen met stoom maken, of een locomotief, want zeker zullen wij eenmaal een spoorweg bezitten van het Rotshuis naar de Ballonhaven met een zijtak naar den berg Franklin!"
De brave matroos meende het oprecht, wanneer hij zoo sprak! O! verbeelding, hoe hoog kunt gij stijgen wanneer het geloof er mede gepaard gaat!
Maar al had men geen locomotief, een trekdier zou Pencroff reeds veel helpen en men zou er ook niet lang op behoeven te wachten.
Eens, het was den 23sten December, hoorde men Nab roepen en Top uit alle macht blaffen. De kolonisten werkten in de Schoorsteenen; zij snelden in allerijl naar hen toe, daar zij vreesden dat hun een ongeluk was overkomen. En wat zagen zij? twee prachtige groote dieren, die zich onvoorzichtig genoeg op de bergvlakte gewaagd hadden, waarvan de hekken op dat oogenblik niet gesloten waren. Men zou zeggen, dat het twee paarden waren, of minstens twee ezels, de een van het mannelijk en de ander van het vrouwelijk geslacht, schoon gevormd en isabelkleurig, met witten staart en witte pooten, wit en zwart gestreept op den kop, den hals en den romp. Zij kwamen langzaam naderbij, zonder eenige vrees aan den dag te leggen en beschouwden met een levendig oog de menschen, waarin zij hun meesters nog niet konden herkennen.
"Het zijn onagga's," zeide Harbert.
"Waarom geen ezels?" vroeg Nab.
"Omdat zij geen lange ooren hebben en hun vorm bevalliger is," antwoordde Harbert.
"Ezels of paarden," was Pencroffs antwoord, "het zijn goede trekdieren."
De matroos sloop, zonder deze dieren te verschrikken, naar de hekken bij de Glycerine-rivier, sloot deze en zij hadden de viervoetige dieren in hun macht. Zouden zij zich met geweld van deze onagga's meester maken en hen dwingen zich te onderwerpen? Neen. Zij besloten, dat men ze gedurende eenige dagen vrij op de bergvlakte zou laten ronddolen, waar een overvloed van kruiden groeide, en dadelijk liet de ingenieur bij de volière een stal bouwen, waar deze dieren een goed onderkomen voor den nacht zouden vinden. Dit prachtige tweetal werd dus geheel in vrijheid gelaten en de kolonisten onthielden zich zelfs om hen te naderen, daar zij dan verschrikken zouden. Toch scheen de vlakte voor deze onagga's te klein te wezen en beproefden zij menigmaal haar te verlaten, daar zij aan uitgestrekte en dichte bosschen gewend waren. Zij zagen hen nu eens den oever der rivier volgen, die hun een onoverkomelijken hinderpaal opleverde, dan weder door het hooge gras rennen en eindelijk kalm terugkeeren. Dan stonden zij uren lang naar die bosschen te kijken, die voor altijd voor hen gesloten bleven.
Intusschen was het tuig en alles wat zij tot het aanspannen van den wagen noodig hadden, gereed; ook was een rechte weg, door het bosch van het Verre Westen aangelegd, van de bocht der Mercy tot aan de Ballonhaven. Zij konden den wagen daarheen brengen en het was tegen het einde van December dat men voor de eerste maal met deze onagga's de proef nam.
Pencroff had deze dieren al zoo tam gemaakt dat zij uit zijn hand het voedsel aten, en men kon ze gemakkelijk naderen, maar toen ze eenmaal aangespannen waren, werden zij wild en had men groote moeite hen in toom te houden. Toch moesten zij zich in hun nieuwen dienst schikken want de onagga, minder weerbarstig dan de zebra, wordt in de bergachtige streken van Afrika zeer veel als trekdier gebruikt en men heeft ze ook in Europa in een betrekkelijk koud klimaat overgebracht.
Dien dag gingen de kolonisten, uitgezonderd Pencroff, die deze dieren bij den kop hield, in den wagen naar de Ballonhaven. Dat zij door elkaar geschud werden, op dien pas aangelegden weg, spreekt van zelf; maar toch kwam het voertuig zonder ongelukken aan en dienzelfden dag konden de ballon en de verdere toestellen vervoerd worden. Ten acht ure 's avonds werden de onagga's uitgespannen en in hun stal geplaatst en, voordat zij sliepen, uitte Pencroff een zucht van voldoening, die door de wanden van het Rotshuis weerkaatst werd.
XXX.
Het lijnwaad.--Schoenen van zeehondenvel.--Schietkatoen.--Verschillende planten.--De vischvangst.--Schildpad-eieren.--Jup gaat vooruit.--De kraal.--Jacht op muffeldieren.--Nieuwe dieren en planten.--Gedachten aan het vaderland.
De eerste week van Januari besteedde men met het vervaardigen van het noodige linnen voor de kolonisten. De naalden, die in het kistje gevonden waren, gingen weldra ijverig op en neer in krachtige, hoewel niet fijne handen, en hetgeen er genaaid werd, werd stevig genaaid.
Er was geen gebrek aan garen, daar Cyrus Smith op het denkbeeld was gekomen om hetzelfde te gebruiken, dat reeds gediend had bij het vervaardigen van den luchtballon. Dit werd met bewonderenswaardig geduld losgetornd door Gideon Spilett en Harbert; Pencroff had dit werk moeten opgeven, daar het veel te kriebelig voor hem was; maar wanneer het op naaien aankwam, had hij zijn gelijke niet. Iedereen weet dan ook dat de zeelui bijzonder veel aanleg voor het kleermakersvak hebben.
Het linnen, waarvan de ballon gemaakt was, werd vervolgens van vet gezuiverd door middel van soda en potasch, hetgeen men door verbranding van planten verkreeg; het werd weder lenig, toen ook het vernis er af was, en nadat het vervolgens langen tijd aan de lucht werd blootgesteld, herkreeg het zijn zuiver witte kleur.
Eenige dozijnen hemden en kousen--deze laatste wel te verstaan niet gebreid maar van linnen genaaid--waren spoedig vervaardigd. Welk een genot voor de kolonisten om eindelijk weder helder linnen te kunnen aantrekken.--Wel is waar was het zeer hard en ruw linnen, maar om zulk een kleinigheid bekommerden zij zich niet, en 't was een feest tusschen lakens te slapen, die van de slaapplaatsen van 't Rotshuis wezenlijke bedden maakten.
In dezen tijd vervaardigden zij ook schoenen van zeehondenvel, die juist bijtijds de schoenen en laarzen konden vervangen, welke zij uit Amerika meegebracht hadden.
Zeker was het, dat die schoenen lang en wijd waren en nooit knelden aan de voeten der wandelaars.
Met den aanvang van het jaar 1866 werd de warmte grooter, en de jacht leverde nog steeds goeden voorraad op. Het wemelde inderdaad van konijnvarkens, water- en muskuszwijnen, kangaroes en pluimgedierte, en Gideon Spilett en Harbert waren te goede schutters om voortaan een enkel schot te missen.
Cyrus Smith beval hun echter steeds aan zoo zuinig mogelijk met het kruit te zijn en hij nam maatregelen om het kruit en lood, dat in de kist gevonden was, en dat hij voor later wilde bewaren, te vervangen. Immers hij wist niet waar het lot hem en de zijnen nog eens kon brengen, ingeval zij hun rijk verlieten.
Men moest zich dus wapenen tegen alle behoeften, die zich konden voordoen en het kruit sparen, door andere bestanddeelen te verschaffen, die gemakkelijk te vernieuwen waren.
Om het lood te vervangen, waarvan Cyrus Smith geen enkel spoor op het eiland ontdekt had, vervaardigde hij zonder veel moeite ijzeren hageltjes, die gemakkelijk te maken waren. Daar deze hageltjes niet zoo zwaar als lood waren, moest hij ze grooter maken, en elk schot bevatte er nu minder, doch de behendigheid der jagers kwam aan dit gebrek te gemoet. Kruit had Cyrus Smith genoeg kunnen maken, want hij had salpeter, zwavel en koolstof tot zijn beschikking; maar deze bereiding eischt de grootste zorg en zonder daartoe vervaardigde werktuigen, is het moeilijk de goede soort te leveren.
Cyrus Smith gaf er dus de voorkeur aan om schietkatoen te maken, waarbij het katoen niet onmisbaar is, daar het er slechts bij gebruikt wordt als verbindingsmiddel. Als zoodanig kan even goed gebezigd worden de grondstof van elke plant, die men bijna zuiver vindt niet alleen in het katoen, maar ook in de spinbare vezels van hennep en vlasplanten, in papier, in oud linnen, in het merg van den vlierboom, enz. De vlierboom groeide overvloedig op het eiland aan den mond van de Roode Beek en de kolonisten gebruikten reeds in plaats van koffie de bessen van dit gewas, dat tot de kamperfoelieplanten behoort.
Het was dus voldoende dit merg te verzamelen, en wat de andere bestanddeelen betreft, die noodig waren tot het maken van schietkatoen, daarvoor had men slechts salpeterzure-potasch noodig. Daar Cyrus Smith reeds zwavelzuur had, viel het hem ook niet moeilijk, salpeterzure-potasch te bereiden, door er salpeter bij te brengen, dat de natuur hem verschafte.
Hij besloot dus schietkatoen te maken en te gebruiken, hoewel hij er de vrij groote bezwaren van erkende. Er is namelijk een belangrijk verschil van uitwerking en de ontbranding gaat uiterst snel, daar het op honderd zeventig in plaats van op twee honderd veertig graden ontvlamt, en eindelijk ontwikkelt het een te plotselinge warmte, wat voor vuurwapenen niet wenschelijk is. Een voordeel was daarentegen, dat het tegen vocht bestand is, de loopen der geweren niet vuil maakt en de ontploffingskracht viermaal grooter is dan die van het gewone buskruit.
Om schietkatoen te vervaardigen was het voldoende om het merg van den vlierboom een kwartier lang in salpeterzure-potasch te houden, het vervolgens in water uit te spoelen en dan te laten drogen. De poging van den ingenieur slaagde uitnemend en de jagers hadden weldra een goed bereid middel tot hun beschikking, dat, wanneer het met mate gebruikt werd, zeer goede resultaten opleverde.
Tegen dien tijd ontgonnen zij ook een bunder grond op de bergvlakte, terwijl het overige als weide werd gehouden.
Verscheidene keeren maakten zij uitstapjes in de bosschen en zij brachten dan een gansche verzameling van wilde planten mede; door een goede bewerking zouden zij tot spinazie, sterrekers, rammenas en rapen gewijzigd worden en de voeding met stikstofhoudende spijzen, waaraan de kolonisten van Lincoln tot nog toe onderworpen waren, een weinig afwisselen. Zij brachten eveneens een groote hoeveelheid hout en steenkolen aan. Elke tocht was, tegelijkertijd een middel om de wegen te verbeteren, die langzamerhand effen werden onder de wielen van de kar.
De konijnenfokkerij leverde steeds een overvloed van voedsel aan het Rotshuis. De fokkerij was zoo gelegen, dat hare bewoners nooit op het afgezette gedeelte der bergvlakte konden komen en bijgevolg de nieuw aangelegde plannen niet konden verwoesten. Wat de oesterbank betreft, deze was te midden van de rotsen gelegen; zij verschafte steeds nieuwen voorraad, en de kolonisten genoten er dagelijks van. Weldra bracht de vischvangst, hetzij in het meer, hetzij in de Mercy, zeer veel op, want Pencroff had lijnen in het water gezet met ijzeren haken, waaraan dikwijls forellen en andere visschen kwamen, die heerlijk smaakten en wier zilverkleurige zijden met kleine gele vlekken overdekt waren. Nab, die met de zorg voor de spijzen belast was, kon dus altijd een weinig afwisseling in het middagmaal brengen. Het brood ontbrak nog slechts aan de tafel der kolonisten, en dit was werkelijk een zeer groot gemis.