Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen

Chapter 13

Chapter 133,926 wordsPublic domain

Overigens hadden de kolonisten alle reden tot tevredenheid; want de kist bevatte werktuigen, wapens, instrumenten, kleeren, boeken enz. Zij bevatte ook een bijbel, een atlas, een woordenboek van Australische talen, een encyclopedie in zes deelen en een groote hoeveelheid wit papier.

"Dat is zeker," zeide de reporter, toen zij alles uit de kist hadden gehaald, "dat de eigenaar van dezen inboedel een practisch man is. Werktuigen, wapenen, instrumenten, kleederen, keukengereedschap, boeken, niets ontbreekt er in. Men zou waarlijk zeggen, dat hij een schipbreuk verwachtte, en dat hij nu alle voorzorgen genomen heeft."

"Niets ontbreekt er," mompelde Cyrus Smith geheel in gepeins verzonken.

"En ook is het wel waarschijnlijk," voegde Harbert er bij, "dat de eigenaar van deze kist geen maleische zeeroover is!"

"Misschien is de eigenaar wel door de zeeroovers gevangen genomen...."

"Dat is toch niet waarschijnlijk," antwoordde de reporter. "Mij schijnt het mogelijker toe, dat een Amerikaansch of Europeesch schip in deze streek is bezet geraakt en dat de bemanning het noodigste wilde redden en uit dien hoofde deze kist over boord heeft geworpen."

"Is dat ook uw idee, mijnheer Cyrus?" vroeg Harbert.

"Ja, beste jongen," antwoordde de ingenieur, "het heeft zoo kunnen gebeuren. Het is mogelijk dat op het oogenblik, dat zeelieden een schipbreuk voorzagen, zij in deze kist alle mogelijke noodzakelijke voorwerpen geborgen hebben, opdat zij die weder op een bepaald punt der kust zouden kunnen wedervinden...."

"Zelfs een doos met photographie-toestellen!" riep de matroos op verbaasden toon.

"Van dien toestel zie ik nu juist het nut niet in," zeide Cyrus Smith, "en een vollediger voorraad kleeren en voedsel zou ons en elken anderen schipbreukeling beter te pas zijn gekomen en vooral meer kruit en lood!"

"Maar is er op al die instrumenten, werktuigen en boeken geen enkel teeken, geen naam, die ons op het spoor van den eigenaar zou kunnen brengen?" vroeg Gideon Spilett.

Dat zouden zij nog onderzoeken.

Elk voorwerp werd dus met de grootste nauwkeurigheid nagezien, vooral de boeken, de instrumenten en de wapenen. Maar noch de wapenen, noch de instrumenten droegen, in strijd met de gewoonte, eenig merk van een fabrikant; en toch was alles in zeer goeden staat en scheen het nog nooit gebruikt te zijn; alles was nieuw en dus een duidelijk bewijs dat de voorwerpen niet bij toeval in de kist waren geworpen, maar integendeel allen uitgezocht en gerangschikt waren. Ook bleek dit ten duidelijkste uit het tweede zinken bekleedsel, dat alles voor nat bewaard had en dat men niet in een oogenblik van haast er in had kunnen brengen.

Het woordenboek was Engelsch, maar droeg noch den naam van den schrijver noch dien van den uitgever.

Evenals de bijbel, ook Engelsch en die zeer veel gelezen scheen te zijn.

De atlas was een prachtig werk met wereldkaarten en verschillende hemelkaarten, en de namen waren allen in het fransch! maar noch een datum noch de naam van een uitgever stonden er op.

Er was dus op al deze voorwerpen geen enkel merk te vinden, waaruit zij de plaats konden opmaken, waar zij waren vervaardigd of uitgegeven, dus konden zij ook de nationaliteit van het schip niet gissen, dat zich onlangs in deze streken moest bevonden hebben.

Maar vanwaar kwam die kist, welke de kolonisten van het eiland Lincoln zoo rijk maakte, al hadden zij met behulp der natuur veel zelf weten te vervaardigen en zich uit menige moeilijke zaak weten te redden.

Toch was een van hen nog niet tevreden. Het was Pencroff. Het scheen dat die kist niet het voorwerp bevatte, waarop hij juist zulk een prijs stelde, en naarmate de kist ledig raakte, werden ook zijn hoezee's zwakker en toen alles er uit gehaald was, mompelde hij:

"Alles is goed en wel, maar gij zult zien, dat er niets voor mij in is."

Nab vroeg toen:

"Wat verwachttet gij dan wel, vriend Pencroff?"

"Een half pond tabak!" antwoordde Pencroff ernstig, "en niets zou dan aan mijn geluk ontbroken hebben!"

Zij konden niet nalaten over deze opmerking van den matroos te glimlachen.

De kolonisten oordeelden het thans noodzakelijker dan ooit om het eiland te gaan onderzoeken. Zij besloten dus den anderen morgen hiermede een aanvang te maken. Zoo eenige schipbreukelingen op een gedeelte van de kust geland waren, dan was het wel te vreezen, dat zij gebrek leden en moesten zij hen zoo spoedig mogelijk te hulp snellen.

Dien dag brachten zij de verschillende voorwerpen naar het Rotshuis en rangschikten die in de groote zaal.

XXV.

Het vertrek.--De eb.--De boomen- en plantenwereld.--Het boomkruipertje.--Het bosch.--De Eucalypten.--De koortsboom.--Apen.--De waterval.--Nachtelijk kamp.

Den anderen dag--30 October--was alles gereed tot hun voorgenomen onderzoek, dat door de laatste gebeurtenissen zoo hoog noodzakelijk was geworden. De dingen hadden inderdaad zulk een wending genomen, dat de kolonisten van het eiland Lincoln thans niet meer er aan dachten geholpen te worden, maar veeleer om hulp te verleenen.

Zij kwamen dus overeen de Mercy zoo ver die bevaarbaar was, te volgen. Een gedeelte van den weg konden zij dus, zonder zich veel te vermoeien, afleggen, en ook zagen zij zich nu in staat levensmiddelen en wapenen tot in het westelijke gedeelte van het eiland te brengen. Zij moesten niet alleen bedacht zijn op de voorwerpen, welke zij met zich namen, maar ook op die, welke zij misschien naar het Rotshuis terug zouden moeten voeren. Zoo er schipbreuk geleden was op de kust, gelijk zij veronderstelden, zou het niet aan overblijfselen ontbreken, die hun goed te stade zouden kunnen komen. Met dit vooruitzicht zou de wagen hun van meer dienst kunnen wezen dan de ranke boot, maar die zware en groote wagen moesten zij voorttrekken; hij zou dus hun tocht niet gemakkelijker gemaakt hebben, en Pencroff kon niet nalaten evenals over zijn half pond tabak, zijn spijt te kennen te geven, dat er in de kist niet een paar flinke paarden van New-Jersey waren, die de kolonisten nu zoo goed te stade zouden komen!

De levensmiddelen, welke zij medegenomen hadden, bestonden uit vleesch, bier en likeuren, een hoeveelheid, waaraan zij drie dagen lang genoeg zouden hebben--want langer dacht Cyrus Smith zijn onderzoek niet te doen duren. Bovendien zouden zij onderweg hun voorraad wel vernieuwen en Nab nam dus zijn klein draagbaar fornuis mede.

Zij voorzagen zich verder slechts van de twee houthakkersbijlen, om zich een weg door het dicht begroeide woud te banen, alsook van den verrekijker en van het kompas. Verder nog een paar geweren met vuursteenen, die van meer nut zouden zijn dan percussiegeweren, daar men gemakkelijk andere vuursteenen kon vinden, voor het geval dat men ze verloor. Ook karabijnen en eenige kardoezen namen zij mede. Van het buskruit moesten zij ook een kleinen voorraad bij zich hebben, maar de ingenieur was van plan om een ontplofbare zelfstandigheid te maken, die hen in staat zou stellen, het buskruit te sparen. Verder staken zij nog een kort-jan bij zich en op deze wijs toegerust, konden de kolonisten zich gerust in die dichte bosschen wagen en behoefden zij niet te vreezen, dat zij het er niet goed zouden afbrengen.

Het is onnoodig er bij te voegen, dat Pencroff, Harbert en Nab hun hoogste wenschen vervuld zagen, hoewel Cyrus Smith hen had doen beloven dat zij, zonder zijn toestemming, geen geweerschot zouden lossen.

Ten zes ure 's morgens staken zij van wal. Allen scheepten zich in, ook Top, en het vaartuig stevende toen naar de monding der Mercy.

Nu en dan, wanneer zij gemakkelijk den oever konden bereiken, landden zij. Dan onderzochten Gideon Spilett, Harbert en Pencroff de kust met hun geweer op schouder, voorgegaan door Top. Behalve het wild, was het ook wel mogelijk dat zij op hun weg de eene of andere zeldzame plant vonden, die zij niet mochten verwaarloozen; de jeugdige natuurkundige zag zijn wenschen dan ook vervuld, want hij ontdekte spoedig een soort van wilde spinazie, die zij gemakkelijk zouden kunnen overplanten.

"Weet gij wat dit voor een plant is?" vroeg Harbert aan den matroos.

"Tabak!" riep Pencroff uit, die dit kruid, dat hij zooveel liefde toedroeg, nooit anders dan in zijn pijp gezien had.

"Neen, Pencroff," antwoordde Harbert, "het is geen tabak maar mostaard!"

"Loop heen met je mostaard!" zeide Pencroff; "maar zoo ge soms een tabaksplantje vindt, neem het dan toch vooral mee."

"Wij zullen het eenmaal vinden!" hernam Gideon Spilett.

"Ja?" riep Pencroff uit. "Waarlijk, dien dag zou ik niets meer weten, dat ons op het eiland ontbrak."

De verschillende planten, die zij met wortel en al hadden uitgetrokken, werden in de boot gelegd, welke door Cyrus Smith, die geheel in gedachten verzonken was, niet werd verlaten.

De reporter, Harbert en Pencroff stapten menigmaal aan wal, nu eens op den rechter, dan weder op den linkeroever der Mercy. De eerste was minder rotsachtig, maar de andere boschrijker. De ingenieur zag nu ook, met behulp van zijn kompas, dat de richting der rivier, sedert de eerste wending, noordoostelijk was geworden en drie mijlen lang bijna geheel lijnrecht was. Maar wel moest hij veronderstellen, dat die richting verderop veranderen zou en dat de Mercy noordwestelijk zou loopen, naar het voorgebergte van den Franklin, die haar van water moest voorzien.

Bij een dezer uitstapjes gelukte het Gideon Spilett zich meester te maken van een paar hoenders. Het waren vogels met lange en spitse bekken, zeer langen hals, korte vleugels en bijna geen staarten. Harbert herkende ze terstond voor grashoenders en zij besloten dat zij de bewoners van den toekomstigen kippenren zouden zijn.

Tot nog toe hadden zij geen geweerschot gelost en het eerste, dat in het bosch van Far-West knalde, was om een prachtigen vogel te treffen, die op een ijsvogel geleek.

"Ik herken hem!" riep Pencroff uit, en ondanks zichzelf ging zijn geweer af.

"Wat herkent gij?" vroeg de reporter.

"De vogel, die ons de eerste maal ontsnapt is, en naar wien wij dit gedeelte van het bosch genoemd hebben."

"De amerikaansche boomkruiper," zeide Harbert.

Het was inderdaad een boomkruiper met zijn lange veeren, waarover een metaalkleurige glans ligt verspreidt. Eenige kogeltjes hadden hem ter aarde doen vallen en Top bracht hem naar de boot, tegelijk met eenige parkieten, zoo groot als duiven, groenkleurig, met karmozijnroode vleugels en rechtopstaande witte kuiven.

De eer hiervan kwam den knaap toe, die er ook trotsch op was. De parkietjes waren een beter wild dan de boomkruiper waarvan het vleesch taai is, maar men kon Pencroff moeilijk tot de overtuiging brengen dat hij niet den koning der eetbare vogels had gedood.

Het was tien uur in den morgen toen de prauw een tweede bocht der Mercy bereikte, ongeveer vijf mijlen verwijderd van de monding. Hier legden de kolonisten weder aan om te ontbijten en een half uur brachten zij door onder de hooge en zware boomen. De rivier was hier nog zestig à zeventig voet breed en haar bedding vijf à zes voet diep. De ingenieur had wel bemerkt dat verscheidene vertakkingen den stroom voedden, maar het waren onbevaarbare beken.

Het bosch strekte zich, zoover het oog reikte, achter hen uit. Nergens, noch in het hooge struikgewas, noch onder de boomen, noch op den oever van de Mercy, was het spoor van eenig menschelijk wezen te zien. De kolonisten vonden nergens iets wat hun verdacht voorkwam, en het was blijkbaar dat nooit een bijl deze stammen had gekloofd en nooit een mes ze had gesnoeid.

Zoo eenige schipbreukelingen op het eiland waren geworpen, hadden zij de kust nog niet verlaten, en niet onder deze zware boomen moesten zij de overblijfselen van een waarschijnlijke schipbreuk zoeken. De ingenieur spoorde hen dus tot grooter spoed aan om de westkust van het eiland Lincoln te bereiken, die volgens zijn berekening hoogstens vijf mijlen verwijderd was. Zij roeiden dus verder, maar de bedding van de Mercy scheen niet zooals zij eerst dachten naar de kust te loopen, maar veeleer naar den berg Franklin; zij besloten dus zoolang van de prauw gebruik te maken als er genoeg water was om vlot te blijven. Hierdoor bespaarden zij zich groote vermoeienissen en wonnen zij veel tijd, want zij zouden zich, door dat dichtbegroeide kreupelhout door middel van hun bijl, een weg hebben moeten banen. Weldra echter hield de stroom geheel op; zij moesten dus hun roeispanen weder gebruiken. Nab en Harbert plaatsten zich dan ook op de bank, Pencroff aan het roer en zij roeiden de rivier verder op.

Het scheen dat het bosch in de richting van Far-West lichter werd. De boomen stonden minder dicht bij elkaar en vaak zag men er geheel afzonderlijk staande. Maar juist door dat zij meer verspreid stonden, konden zij beter partij trekken van die vrije en frissche lucht, welke om hen heen speelde en waren zij dan ook weelderiger dan de overigen.

Wat prachtige exemplaren van de plantenwereld dezer streek! Zeker zou een kruidkundige, op hun gezicht, zonder aarzelen de parallel kunnen noemen, die over het eiland Lincoln loopt!

"Het zijn eucalypten!" riep Harbert uit.

Het waren inderdaad die prachtige planten, de laatste reuzen van den zoom der tropische luchtstreken en stamverwanten van die, welke men in Australië, Nieuw-Zeeland en in alle overige landen vindt, welke onder dezelfde breedte als het eiland Lincoln gelegen zijn. Sommigen verhieven zich tot een hoogte van twee honderd voet. De stam had dan bij den wortel een omvang van twintig voet en over de schors liepen netvormige vezels, die een zeer aangename geur verspreidden en die vijf duim dik waren. Niets prachtigers, maar ook niets zeldzamers dan deze grootsche eucalypten, waarvan de bladeren schuin naar het licht zijn gekeerd en alzoo de stralen der zon tot op de aarde doen doordringen!

"Dat zijn eerst boomen!" riep Nab uit, "maar zijn zij tot iets geschikt?"

"Och," antwoordde Pencroff. "Er moeten zoowel reuzenplanten als reuzenmenschen zijn. Die dienen tot niets anders dan om op de kermis vertoond te worden!"

"Ik geloof dat gij u vergist, Pencroff," antwoordde Gideon Spilett, "en dat het hout dezer boomen tegenwoordig door de schrijnwerkers zeer veel gebruikt wordt."

"En ik voeg er bij," zeide de knaap, "dat deze eucalypten tot een familie behooren, die zeer nuttige leden telt: daar hebt ge den Indischen pereboom, met zijn granaatperen; den kruidnagelboom, die ons kruidnagelen geeft; den granaatappelboom, die granaatappels draagt; verder de Anjelier-myrten, uit wier vruchten een vrij goede wijn kan bereid worden, ook nog de myrte "ugni," die zeer veel alcohol bevat; de myrte "caryophyllus," waarvan de schors kaneel geeft; de "engenia pementa," die ons de spaansche peper schenkt; de gewone myrte, wier bessen onze peper kunnen vervangen; de eucalyptus robusta, die een uitnemende manna voortbrengt; de eucalyptus gunei, waarvan het sap door gisting tot bier bereid kan worden, en eindelijk alle andere boomen, die onder den naam van levensboomen of ijzerhout bekend zijn, en die allen tot de familie der myrteceeën behooren, en zes en veertig geslachten en dertien honderd soorten tellen."

Zij lieten den knaap stil zijn botanisch lesje opzeggen. Cyrus hoorde hem met een glimlach op het gelaat aan en Pencroff met een zekeren trots, die moeilijk te beschrijven is.

"Goed Harbert, heel goed Harbert," zeide Pencroff, "maar ik durf toch beweren dat al die nuttige boomen, welke gij ons daar opnoemt, toch zulke reuzen niet zijn als deze!"

"Dat is zoo, Pencroff!"

"En het komt dus op mijn gezegde van daareven neer, dat reuzen tot niets geschikt zijn!"

"Dat hebt ge mis, Pencroff," zeide toen de ingenieur, "en juist zijn die reusachtige eucalypten, welke ons nu beschaduwen, tot iets nut."

"En tot wat dan?"

"Het land waar zij groeien, maken zij gezond.--Weet ge hoe men ze in Australië en Nieuw-Zeeland noemt?"

"Neen, mijnheer Cyrus."

"Men noemt ze koortsboomen."

"Omdat ze koorts geven?"

"Neen, omdat zij die wegnemen."

"Goed, dat ga ik opschrijven," zeide de reporter.

"Schrijf het op, Spilett, want het schijnt gebleken, dat daar waar men eucalypten vindt, moeraskoortsen worden geweerd. Men heeft getracht om dit natuurgeneesmiddel in zuidelijk Europa en het noorden van Afrika, waar de grond zeer ongezond is, over te brengen en het heeft zeer heilzaam op de bewoners gewerkt. In de streken waar men myrtenbosschen vindt heerschen geen koortsen meer."

"O, welk een eiland! Welk een gezegend eiland!" riep Pencroff uit. Waarlijk er ontbreekt ons niets dan...."

"Dat zal ook wel komen, Pencroff, wij zullen het wel vinden," antwoordde de ingenieur, "maar laten wij nu weder in de boot gaan en zoover varen als de rivier onze prauw dragen kan!"

Het vaartuig ging nu dwars door het bosch; de boomen werden hoe langer hoe dichter, en zoo de oogen van den matroos hem niet bedrogen, meende hij apen tusschen het kreupelhout te bespeuren. Zelfs meer dan eens stonden twee of drie van deze dieren op eenigen afstand van de boot en zagen zij de kolonisten aan, zonder dat zij eenigen angst aan den dag legden bij het zien van een mensch, want zij wisten nog niet dat zij iets van dezen te vreezen hadden. De kolonisten zouden ze gemakkelijk met de kolf van hun geweer hebben kunnen dooden, maar Cyrus Smith verzette zich tegen zulk een doelloozen moord, waartoe Pencroff wel lust scheen te hebben. Bovendien was het zeer voorzichtig gezien, want van deze apen, die zeer sterk en behendig zijn, konden zij veel te vreezen hebben en beter was het ze niet uit te tarten door een onnoodigen aanval.

Wel is waar beschouwde de matroos de apen alleen als voedingsmiddel, en inderdaad zijn deze dieren, welke slechts plantaardig voedsel gebruiken, een zeer smakelijk wild.

Tegen vier uur werd het bevaren der Mercy nog lastiger en nu ontmoetten zij telkens hinderpalen door waterplanten, en reeds ging de bedding der rivier onder de uiterste punten van het Franklin-gebergte door. De oorsprong kon dus niet ver verwijderd meer wezen, daar zij zich voedde met alle beken van de zuidelijke helling van den berg.

"Binnen een kwartier zullen wij genoodzaakt zijn halt te houden, mijnheer Cyrus," zeide de matroos.

"Welnu, dan zullen wij halt houden, Pencroff, en wij zullen ons kamp voor den nacht opslaan."

"Hoever kunnen wij van het Rotshuis verwijderd zijn?" vroeg Harbert.

"Ongeveer zeven mijlen," hernam de ingenieur, "maar dan zijn de bochten die de rivier maakt, en die ons in het noordwesten brachten, medegerekend."

"Zullen wij nog verder gaan?" vroeg de reporter.

"Ja, zoolang wij kunnen," gaf Cyrus Smith ten antwoord. "Morgen, bij het krieken van den dag, zullen wij de boot hier achterlaten en dan hoop ik binnen twee uur de kust bereikt te hebben. Dan hebben wij het verdere van den dag voor ons om dat gedeelte te onderzoeken."

"Vooruit dan!" antwoordde Pencroff.

Bij een laatste wending der rivier zagen zij door de boomen een waterval. De boot stootte nu op vasten wal, en eenige oogenblikken later lag zij, aan een boomstam vastgemaakt, op den rechter oever der rivier.

Het was nu vijf uur. De laatste zonnestralen verdwenen achter de boomen en verlichtten nog den kleinen waterval, waarvan het schuim schitterde met alle kleuren van den regenboog. Zij kampeerden in dezen omtrek, die zeer prachtig was. De kolonisten ontscheepten zich en zij legden nu een vuur aan onder zeer breede takken, waaronder Cyrus Smith en zijn makkers, zoo noodig, een nachtverblijf hadden kunnen vinden.

Spoedig was het avondmaal genuttigd, want zij hadden honger en zij moesten nu voor een nachtverblijf zorgen. Maar bij het vallen van den avond, had een verdacht gebrul hun aandacht getrokken. Zij besloten dus het vuur voor den nacht aan te houden, zoodat zij in hun slaap door het flikkeren der vlammen tegen alle aanvallen beschermd waren.

Nab en Pencroff waakten om beurten en spaarden dan ook geen brandstof. Misschien bedrogen zij zich niet, toen zij meenden eenige schimmen van dieren om hun kamp te zien dwalen, hetzij in het kreupelhout of onder de boomen; maar de nacht ging zonder bijzondere gebeurtenissen voorbij en den anderen dag, 31 October, om vijf uur in den morgen, waren allen gereed om te vertrekken.

XXVI.

Op weg naar de kust.--Eenige apen.--Een nieuwe stroom.--Een bosch op de kust.--De hagedis.--Gideon Spilett wordt door Harbert benijd.--De bamboe.

Ten zes ure 's morgens, na hun ontbijt, begaven de kolonisten zich op pad, met het plan om langs den kortst mogelijken weg, de westelijke kust van het eiland te bereiken. In hoeveel tijd konden zij daar komen? Cyrus Smith had gezegd in twee uur, maar dat hing af van de hinderpalen, die zij op hun weg zouden ontmoeten. Dit gedeelte van het Far-West scheen dicht begroeid te zijn, en evenals in het kreupelhout was hier een groote verscheidenheid van planten. Het was dus waarschijnlijk dat zij zich met de bijl in de hand een weg door het gras, het kreupelhout en de slingerplanten moesten banen--en met het geweer ook, als zij zich het gebrul der wilde dieren herinnerden, dat zij dien nacht gehoord hadden.

Zij vertrokken niet vóór zich overtuigd te hebben, dat de prauw goed op het drooge lag. Pencroff en Nab zorgden voor de levensmiddelen, die hen gedurende twee dagen in het leven moesten houden. Aan jagen werd thans niet meer gedacht en de ingenieur had hun het schieten verboden, ten einde hun tegenwoordigheid in den omtrek niet te verraden.

De eerste bijlslagen troffen het kreupelhout, even boven den waterval, en met het kompas in de hand wees Cyrus Smith hun de richting, die zij volgen moesten. Het bosch bestond nu voor een groot gedeelte uit boomen, die zij reeds in de nabijheid van het meer en de bergvlakte het Verre Uitzicht gevonden hadden. De kolonisten konden dus slechts zeer langzaam voorwaarts gaan op den weg, dien zij zich zelven moesten banen, en die, volgens de meening van den ingenieur, verderop in verband moest staan met de Roode Beek.

Gedurende de eerste uren van hun tocht zagen zij de troepen apen weer, die de grootste verbazing aan den dag legden bij het aanschouwen van menschen, welke zij voor de eerste maal schenen te ontmoeten. Gideon Spilett kon niet nalaten te vragen, of die vlugge en krachtige dieren hen niet voor verbasterde broeders zouden aanzien. En wezenlijk, de eenvoudige voetgangers, die bij elken stap dien zij deden, door de takken werden tegengehouden, staken niet zeer schitterend af bij de behendige dieren, die van den eenen tak op den anderen sprongen, zonder dat hen iets in hun sprong tegenhield. De apen waren hier zeer talrijk, maar gelukkig gaven zij geen teekenen van vijandigheid. Ook zagen de kolonisten nog wilde zwijnen, konijnen, varkens, kangaroes en andere knaagdieren en twee of drie koula's die Pencroff gaarne met een geweerschot begroet had.

"Maar," zeide hij, "de jacht is niet geopend. Springt dus maar, mijn vrienden, en vliegt in vrede voort! Bij onzen terugkeer zullen wij wel eens een paar woordjes samen spreken!"

Tegen half tien werd de weg, die hen recht naar het zuidwesten leidde, plotseling door een onbekend water versperd, dat tusschen de dertig en veertig voet breed was, en welks snelle stroom, het gevolg van zijn hellende bedding, brekende op de talrijke rotsen, zich met groot gedruisch voortspoedde. Deze rivier was diep en zeer helder, maar geheel onbevaarbaar.

"Nu kunnen wij niet verder!" riep Nab uit.

"Jawel," antwoordde Harbert, "want het is slechts een beek, die wij gemakkelijk kunnen overzwemmen."

"Waartoe zou dat leiden?" vroeg Cyrus Smith. "Zeer waarschijnlijk loopt deze rivier naar zee. Laten wij aan den linker oever blijven, en wanneer wij dien volgen zou het mij zeer verwonderen zoo wij niet aan de kust uitkomen. Vooruit dus!"

"Een oogenblik," sprak de reporter. "Hoe is de naam dezer rivier, mijne vrienden? Laten wij onze aardrijkskunde bijhouden."

"Gij hebt gelijk!" beaamde Pencroff.

"Doop gij haar, beste jongen," zeide de ingenieur tot Harbert.

"Ware het niet beter dat wij eerst de monding zochten?" merkte Harbert aan.

"Ook goed," antwoordde Cyrus Smith. "Laten wij dan niet langer stilstaan."