Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen
Chapter 12
"Goed, goed, mijnheer de journalist," hernam de zeeman, die niet gaarne zag dat men zijn jacht geringschatte, "zijt gij zoo kieskeurig uitgevallen? Zeven maanden geleden, toen wij op dit eiland aan wal kwamen, zoudt gij maar al te gelukkig zijn geweest zulk een stuk wild te ontmoeten!....
"Nu ziet gij alweer dat de mensch nooit volmaakt, noch tevreden is."
"Nu," hernam Pencroff, "ik hoop dat Nab in dit geval een uitzondering zal maken. Zie eens! Deze twee jonge zwijntjes zijn nog geen drie maanden oud. Zij zullen zoo malsch als boter zijn! Kom Nab! Ik zal zelf bij het klaarmaken zijn."
De zeeman en Nab gingen naar de keuken en verdiepten zich in hunne kookkunst.
Men liet hen hun gang gaan. Nab en hij bereidden een kostelijk maal van de twee speenvarkentjes, een soep van kangaroe, gerookte ham, amandelen, thee van Oscoego,--in een woord, alles wat er goeds te vinden was; maar van alle schotels was die der gestoofde speenvarkentjes de voornaamste.
Te vijf uur begon het diner in een van de zalen van het Rotshuis De kangaroe-soep stond dampend op tafel. Men smulde er aan.
Op de soep volgden de speenvarkentjes, die Pencroff zelf wilde voorsnijden en waarvan hij reusachtige portiën aan zijn dischgenooten toediende.
Deze speenvarkentjes smaakten overheerlijk, en Pencroff verslond zijn deel toen plotseling een kreet en een vloek hem ontsnapten.
"Wat is er?" vroeg Cyrus Smith.
"Ik.... ik.... ik breek mijn tand!" antwoordde Pencroff.
"Zoo, zoo! er zijn dus steenen in uwe speenvarkentjes?" zeide Gideon Spilett.
"Ik zou het bijna gelooven," zeide Pencroff, terwijl hij het voorwerp uit zijn mond haalde dat hem een tand kostte!....
Het was geen steen.... Het was een kogeltje!
XXIII.
Over een hagelkorrel.--De samenstelling van een boot.--De jacht.--Niets dat de tegenwoordigheid van een mensch verraadt.--Eene vischvangst van Nab en Harbert.--De omgekeerde schildpad.--De verdwenen schildpad.--Uitlegging van Cyrus Smith.
Zeven maanden was het geleden dat de luchtvaarders op het eiland Lincoln waren geworpen. Sedert dien tijd hadden zij, welke onderzoekingen zij ook gedaan hadden, geen spoor van eenig menschelijk wezen ontdekt. Geen rook had de tegenwoordigheid van een mensch op het eiland verraden. Geen handen-arbeid was er te vinden die zijn spoor kon aanwijzen, noch in een vroeger noch in het tegenwoordige tijdperk. Niet alleen scheen het onbewoond, maar men moest zelfs gelooven, dat het nooit door eenig mensch bezocht was geweest. En thans was het geheele gebouw hunner overtuiging in een gestort door een enkel hageltje, dat zij in het lichaam van een konijnvarken hadden gevonden! Natuurlijk moest dit stuk lood uit een vuurwapen gekomen zijn en slechts een menschelijk wezen kon dit voorwerp hebben gebruikt!
Toen Pencroff het kogeltje op tafel legde, zagen zijne vrienden hem met de innigste verbazing aan. Alle gevolgtrekkingen uit deze gebeurtenis waren van groot gewicht, niettegenstaande haar schijnbare onbeduidendheid. Toch was hun geest er geheel mede vervuld. De plotselinge verschijning van een bovennatuurlijk wezen zou hun niet meer hebben kunnen verwonderen.
Cyrus Smith had niet geaarzeld terstond de onderstelling van dit zoowel wonderlijke als onverwachte feit te formuleeren. Hij nam het stukje lood in zijn hand, keerde het om en weder om, betastte het tusschen duim en voorvinger, en zeide toen:
"Gij zijt overtuigd, Pencroff, dat het diertje door dezen kogel getroffen niet ouder dan drie maanden was?"
"Nauwelijks, mijnheer Smith," antwoordde Pencroff. "Het zoog nog bij zijn moeder toen ik het vond."
"Welnu," zeide de ingenieur, "wij hebben dus het bewijs dat hoogstens drie maanden geleden een geweerschot op het eiland Lincoln is gelost."
"En dat het hageltje," voegde Gideon Spilett er bij, "het konijn wel getroffen, maar niet gedood heeft."
"Dat is onbetwistbaar," hernam Cyrus Smith, "en ziehier welke gevolgen men uit dit voorval kan afleiden: òf het eiland was voor onze komst reeds bewoond, òf drie maanden geleden hebben menschen hier voet aan wal gezet. Zijn zij hier met hun eigen wil gekomen of bij toeval gestrand of hebben zij schipbreuk geleden? Deze vragen kunnen wij eerst later ophelderen. Wat zijn het voor menschen? Europeanen of Maleiers, vrienden of vijanden van ons? Niets kunnen wij raden, ook niet of zij het eiland nog bewonen, dan wel verlaten hebben; dit weten wij evenmin. Maar deze vragen zijn te belangrijk, dan dat wij langer in de onzekerheid zouden blijven."
"Neen! honderdmaal neen! duizendmaal neen!" riep de matroos uit, terwijl hij van tafel opstond. "Er zijn geen andere menschen dan wij op het eiland Lincoln! Wat duivel! Het eiland is niet groot, en zoo het bewoond was, hadden wij reeds een zijner bewoners gezien!"
"Het tegendeel zou inderdaad zeer zonderling wezen," zeide Harbert.
"Maar nog meer zou het mij verbazen," merkte de reporter aan, "zoo het konijn met dit kogeltje geboren was!"
"Zoo Pencroff," zeide Nab op ernstigen toon, "zich tenminste niet...."
"Ziet gij dit, Nab?" antwoordde Pencroff hierop. "Ik zou dus reeds vijf of zes maanden dit kogeltje tusschen mijn kaken hebben. Maar waar zou het dan verborgen zijn geweest?" voegde de matroos er nog bij, terwijl hij zijn mond opende, zoodat zijn twee en dertig witte tanden te zien kwamen. "Zie goed, Nab, en zoo je één holle kies vindt, dan geef ik je verlof er een half dozijn uit te halen!"
"Wat Nab daar zegt, kunnen wij niet aannemen," antwoordde Cyrus Smith, die ondanks zijn ernstige gedachten een glimlach niet kon weerhouden. "Het is vrij zeker dat er hoogstens drie maanden geleden een geweerschot op het eiland gelost is. Maar ik ben geneigd te veronderstellen dat zij, die op deze kust gestrand zijn, eerst sedert kort zich op het eiland bevinden of het slechts overgestoken zijn, want, indien het eiland bewoond was geweest in den tijd toen wij den berg Franklin onderzochten, zouden wij de bewoners of zij ons gezien hebben. Het is dus waarschijnlijk dat eerst sedert eenige weken schipbreukelingen door den storm op de kust zijn geworpen. Hoe het ook zij, het is voor ons van groot gewicht dit te weten te komen.
"Toch geloof ik, dat wij voorzichtig te werk moeten gaan," zeide de correspondent.
"Dat vind ik ook," zeide Cyrus Smith, "want het is, helaas! te vreezen dat het zeeroovers zijn, die op het eiland voet aan wal hebben gezet!"
"Mijnheer Cyrus," vroeg de matroos, "zou het niet raadzamer wezen, voor wij een onderzoek instelden, een boot te maken, die ons in staat stelt, hetzij de rivier op te gaan of de kust om te zeilen? Wij moeten zorgen, dat we niet overvallen worden."
"Dat is een goed denkbeeld, Pencroff," antwoordde de ingenieur, "maar wij kunnen het niet uitstellen, want, één maand zullen wij tot het maken dezer boot wel noodig hebben...."
"Een wezenlijke boot ja," antwoordde de zeeman, "maar wij hebben er geen noodig die tegen de zee bestand is, en binnen vijf dagen maak ik een prauw gereed, waarmede wij de rivier kunnen bevaren?"
"Binnen vijf dagen," riep Nab uit, "een boot maken?"
"Ja, Nab, een Indiaansche boot."
"Van hout?" vroeg de neger, op een toon, waaruit duidelijk zijn ongeloof sprak.
"Van hout of liever van boomschors. Ik herhaal het, mijnheer Cyrus, dat in vijf dagen de geheele zaak volbracht is."
"Goed, binnen vijf dagen dus!" antwoordde de ingenieur.
"Maar van nu af aan moeten wij zeer voorzichtig wezen," merkte Harbert op.
"Zeer zeker, beste vrienden," antwoordde Cyrus Smith, "en ik verzoek u dringend uw jachttochten niet ver van het Rotshuis uit te strekken."
Het maal eindigde minder vroolijk dan Pencroff wel gehoopt had.
Het eiland was dus bewoond of bewoond geweest door anderen dan de luchtvaarders. Dit was sedert het vinden van het stukje lood onbetwistbaar geworden, en zulk een ontdekking kon niet anders dan vrees opwekken.
Cyrus Smith en Gideon Spilett hadden, vóór zij zich ter ruste begaven, nog een lang gesprek. Zij vroegen zich zelf af, of deze gebeurtenis niet in eenig verband stond met de onverklaarbare redding van den ingenieur en andere bijzonderheden, die hun menigmaal hadden verbaasd. Maar nadat Cyrus Smith het voor en tegen van de zaak overwogen had, eindigde hij met de woorden:
"Zoudt gij nu uw meening eens willen zeggen, Spilett."
"Ja, Cyrus. Zij is deze: hoe nauwkeurig wij het eiland ook onderzoeken, wij zullen niets vinden!"
Terwijl Pencroff en Nab voor het maken der boot zorgden, gingen Harbert en Spilett elken dag op de jacht en natuurlijk liep het gesprek gewoonlijk over het hageltje. Eens zeide Harbert, het was den 26sten October:
"Mijnheer Spilett, vindt gij het toch niet zonderling, zoo er eenige schipbreukelingen op het eiland waren geworpen, dat zij zich nog niet in de nabijheid van het Rotshuis vertoond hebben?"
"Zeker verwondert mij dit, zoo zij er nog zijn," antwoordde de reporter, "maar het verwondert mij niet, zoo zij er niet meer zijn!"
"Dus gij denkt dat zij het eiland reeds verlaten hebben?" vroeg Harbert.
"Dat is meer dan waarschijnlijk, beste jongen; want zoo zij hier langer waren gebleven en vooral zoo zij hier nog waren, zou toch het een of ander hun tegenwoordigheid hier verraden hebben."
"Maar zoo zij in de gelegenheid geweest waren weer te vertrekken, zouden het geen schipbreukelingen zijn?"
"Neen, Harbert, of ik zou ze dan tijdelijke schipbreukelingen noemen. Het is inderdaad zeer wel mogelijk, dat een windvlaag hen op het eiland geworpen heeft, zonder dat zij hun schip daarbij verloren, en dat, toen de storm voorbij was, zij weder zijn weggezeild."
"Maar dat is toch zeker, dat mijnheer Smith de tegenwoordigheid van menschen op ons eiland meer vreesde dan wenschte!"
"Dat is zoo," antwoordde de reporter, "hij denkt slechts aan zeeroovers die deze zeeën doorkruisen, en het is beter met die heeren niet in aanraking te komen."
"Het is toch niet onmogelijk, mijnheer Spilett," hernam Harbert "dat wij eens de sporen van hun ontscheping vinden, en misschien zijn wij tot dit doel bestemd."
"Ik zeg geen neen. Een verlaten plaats, een uitgedoofd vuur kunnen ons op het spoor brengen, en dat zullen wij voortaan op onze ontdekkingstochten zoeken."
Eens dat Gideon en Harbert weer op jacht waren in een naburig bosch, waar zeer hooge spitstoeloopende boomen groeiden, die de inboorlingen van Nieuw-Zeeland den naam van "Kauris" geven, zeide Harbert:
"Nu heb ik iets goeds bedacht, mijnheer Spilett, zoo ik eens in den top van een dier kaurissen klom, dan zou ik het land vrij ver kunnen overzien?"
"Het is een goed denkbeeld," zeide de correspondent, "Maar zoudt gij den top van die reuzenboomen kunnen bereiken?"
"Ik kan het in elk geval beproeven," gaf Harbert ten antwoord.
De vlugge en behendige knaap was in een oogwenk op de eerste takken, en spoedig was hij in den top.
Van dat verheven punt kon hij zijn blik laten gaan van den zuidelijken uithoek van het eiland, tot aan kaap Klauw, het zuidwesten van het voorgebergte Hagedis, tot in het zuidoosten. In het noordwesten zag hij den berg Franklin, die een groot gedeelte van den horizon onzichtbaar maakte.
Maar Harbert kon van uit zijn uitkijk, de geheele streek overzien, die hem nog onbekend was, en aan de vreemdelingen, wier tegenwoordigheid men duchtte, een schuilplaats had kunnen geven of wellicht nog gaf.
De knaap sloeg alles nauwkeurig gade. Op zee echter was niets te bespeuren. Geen zeil, noch aan den horizon, noch op de kusten van het eiland. Toch was het mogelijk, dat achter die hooge boomen een schip lag, zonder mast, en dat Harbert niet zien kon.
Eenige oogenblikken meende Harbert in het oosten een dunne rookwolk te zien opstijgen, maar bij nader onderzoek bleek het, dat hij zich bedroog. Hij nam alles om zich heen met de uiterste zorg waar en zijn gezicht was zeer scherp.... Neen, zeer zeker was er niets.
Harbert daalde nu weder uit den boom af en de twee jagers keerden naar het Rotshuis terug. Cyrus Smith hoorde hem bedaard aan, schudde het hoofd en zeide niets. Hij kon zich over dit punt niet uitlaten vóor hij het geheele eiland onderzocht had.
Op den morgen van den 28sten October had er een voorval plaats waarvan zij nog vuriger oplossing verlangden.
Toen zij weder langs de kust dwaalden, op ongeveer twee mijlen afstands van het Rotshuis, waren Harbert en Nab zoo gelukkig, een zeeschildpad te vinden.
Harbert zag dit dier het eerst zich tusschen de rotsen bewegen om zoodoende de zee te bereiken.
"Zie eens, Nab, zie eens!" riep hij uit. Nab snelde er heen.
"Welk een prachtig dier!" zeide Nab, "hoe zullen wij dat machtig worden?"
"Wel, niets is gemakkelijker, Nab," antwoordde Harbert. "Wij zullen de schildpad op haar rug leggen en zoodoende kan zij ons niet meer ontsnappen. Neem uw stok en doe zooals ik."
Het dier scheen te beseffen dat het in gevaar verkeerde, en kroop in zijn schild. Men zag nu noch zijn kop, noch zijn pooten en het lag zoo onbeweeglijk als een rots.
Harbert en Nab brachten toen hun stokken onder het lichaam van het dier en met vereende krachten gelukte het hun, niet zonder moeite, het op den rug te leggen. Deze schildpad, welke drie voet lang was, moest minstens vier honderd pond wegen.
"Heerlijk," riep Nab uit, "dat zal onzen vriend Pencroff verheugen."
Pencroff was er dan ook zeer mede in zijn schik, want het vet der schildpadden, die zich met zeeplanten voeden, is zeer smakelijk. Op dat oogenblik liet zij haar platten kop even te voorschijn komen.
"En wat zullen wij nu met onze vangst doen?" vroeg Nab. "Wij kunnen haar niet naar het Rotshuis dragen."
"Wij kunnen haar hier laten, daar zij zich toch niet kan omkeeren, en wij zullen haar met ons wagentje halen!"
"Dat is uitstekend!"
Toch nam Harbert nog de voorzorg, hoewel Nab het zeer overbodig vond, het dier groote steenen onder het schild te leggen. Daarop keerden zij naar het Rotshuis terug, langs het strand, dat toen tengevolge van de eb, zeer breed was. Harbert, die Pencroff een verrassing wilde bezorgen, zeide niets van hetgeen hij gevonden had; maar twee uur later waren zij met hun wagentje weder op het punt, waar zij de schildpad hadden omgekeerd op het zand, maar zij was verdwenen.
Nab en Harbert zagen elkander verbaasd aan, en zochten toen op het strand. Het was op deze plaats toch, dat zij de schildpad achtergelaten hadden. De knaap vond zelfs de steenen terug en hieruit kon hij dus opmaken, dat hij zich niet had vergist.
"Zoo, zoo," zeide Nab, "deze diertjes kunnen zich dus omkeeren?"
"Het schijnt zoo," antwoordde Harbert, maar hij begreep er niets van, en zag slechts naar de steenen die op het zand verspreid lagen.
"Pencroff zal nu ook niet in zijn schik zijn!"
"En mijnheer Smith zal weder verlegen zitten om deze plotselinge verdwijning te verklaren!" dacht Harbert.
"Nu," zeide Nab, die zijn teleurstelling wilde verbergen, "laten wij er niet over spreken."
"Integendeel Nab, wij moeten het juist vertellen," hernam Harbert.
En zij keerden nu met het wagentje, dat van geen nut was geweest, naar het Rotshuis terug.
Toen zij aan de timmerwerf kwamen waar de ingenieur en de matroos werkten, vertelde Harbert hun het voorgevallene.
"O, hoe onhandig zijt gij geweest!" riep de matroos uit. "Gij zijt minstens vijftig porties schildpadsoep kwijt!"
"Maar Pencroff," hernam Nab, "het is onze schuld niet, dat het dier ontsnapt is, want wij hebben het omgekeerd."
"Dan hebt gij het niet ver genoeg omgekeerd!" bracht hier de onhandelbare zeeman tegen in.
"Niet genoeg!" riep Harbert uit. En hij vertelde dat hij juist uit voorzorg het dier nog tusschen twee steenen had gelegd.
"Dan is er een wonder gebeurd!" hernam Pencroff.
"Ik dacht, mijnheer Cyrus," zeide Harbert, "dat wanneer een schildpad eenmaal op haar rug ligt zij niet weer op haar pooten kon komen, vooral wanneer zij zoo groot is?"
"Dat is ook waar, beste jongen," antwoordde Cyrus Smith.
"Hoe heeft zij het dan kunnen doen?"
"Hoever was de schildpad van de zee verwijderd?" vroeg de ingenieur, die zijn werk had gestaakt en over het voorval nadacht.
"Op vijftien voet afstands, hoogstens," antwoordde Harbert.
"En was het laag water op het oogenblik?"
"Ja, mijnheer Smith."
"Welnu," antwoordde de ingenieur, "wat de schildpad niet op het strand kan doen, kan zij misschien in het water. Zij zal zich omgekeerd hebben, toen het weer vloed was, en zoodoende in zee zijn gekomen."
"O, wat zijn wij dom geweest!" riep Nab uit.
"Juist wat ik u daareven reeds gezegd heb," viel Pencroff in.
Cyrus Smith had deze verklaring, die zeer aannemelijk was, aan het gebeurde gegeven. Maar was hij zelf wel van de juistheid overtuigd? Men zou het moeten betwijfelen.
XXIV.
De boot wordt beproefd.--Een wrak op de kust.--Inhoud van de kist.--Wat Pencroff ontbrak.
Den 20sten October was de boot van boomschors geheel gereed. Pencroff had zijn belofte gehouden en een soort van prauw, met een romp die uit zeer buigzaam hout van den crejimbaboom bestond, binnen vijf dagen vervaardigd.
"Prachtig! nietwaar?" riep de matroos uit, die niet aarzelde om op deze wijze zijn eigen werk te begroeten. "Hiermede kunnen wij de reis...."
"Om de wereld maken?" vroeg Gideon Spilett.
"Neen, om het eiland. Met eenige steenen tot ballast; een mast en een zeil zal mijnheer Smith ons wel maken, en dan kunnen wij een heel eind komen! Welnu! mijnheer Cyrus, en gij mijnheer Spilett, en gij, Harbert en Nab, komt gij onze nieuwe boot niet eens beproeven? Wat drommel! wij moeten toch eerst zien, of zij ons alle vijf wel houden kan!"
Zij moesten dan ook de proef er van nemen. Pencroff haalde met zijn roeispaan de boot dichter bij het strand door een nauwen doorgang, welke de rotsen daar vormden, en zij kwamen thans overeen, dat zij de prauw zouden probeeren langs de kust tot aan het punt, waar de rotsen in het zuiden eindigden.
Op het oogenblik dat zij instapten, riep Nab uit:
"Maar het water loopt er in, Pencroff!"
"Dat is niets, Nab," antwoordde de matroos. "Het hout zal zich wel uitzetten! Eer het twee dagen verder is zal het er niet meer inloopen. Laten wij instappen!"
En Pencroff duwde de boot met een fermen stoot in het midden der schuimende golven. Het was prachtig weer en de zee was zoo kalm alsof het water tusschen de enge oevers van een meer was besloten, en de prauw kon zich te midden van deze golven wagen alsof zij den stillen stroom eener rivier opvoer.
Nab en Harbert namen elk een roeispaan en Pencroff bleef achter in het vaartuig staan, om het roer te kunnen sturen.
Zij verwijderden zich ongeveer een halve mijl van de kust, om den berg Franklin goed te kunnen zien.
De boot voortgestuwd door de beide roeispanen, stevende zonder eenige moeite de rivier op. Gideon Spilett met zijn potlood en papier in de hand, teekende met ruwe trekken de kust af. Nab, Pencroff en Harbert praatten, terwijl zij dat gedeelte van hun grondgebied gadesloegen, dat hun geheel nieuw was, en naarmate de prauw het zuiden bereikte scheen de kaap Mandibule zich te verplaatsen en zich meer bij de baai der Vereenigde Staten aan te sluiten.
Cyrus Smith sprak niet; hij zag slechts om zich heen; op zijn gelaat was duidelijk te lezen, dat hij zich hier in een hem geheel onbekende streek bevond.
Toen zij drie kwartier gevaren hadden, was de boot de zuidelijke kaap genaderd en Pencroff stond op het punt haar om te roeien, toen Harbert opstond en op een zwart punt wees, terwijl hij zeide:
"Wat zie ik daar ginds op het strand?"
Aller blikken richtten zich naar dit punt.
"Ja waarlijk," zeide de reporter, "er is daar iets. Men zou zeggen een stuk hout dat half in het zand is verborgen."
"O!" riep Pencroff uit, "ik zie wat het is!"
"Wat dan?" vroeg Nab.
"Vaten, vaten! die misschien gevuld zijn!" antwoordde de matroos.
"Naar de kust, Pencroff!" beval Cyrus Smith.
Met een paar slagen was de boot de kust genaderd en sprongen de passagiers op het strand.
Pencroff had zich niet vergist. Twee vaten lagen in het zand, en waren aan een groote kist bevestigd, die weder door de vaten werd tegengehouden en op de kust gedreven.
"Er moet een schipbreuk zijn geweest in de omstreken van het eiland?" meende Harbert.
"Blijkbaar," gaf Cyrus Smith hierop ten antwoord.
"Maar wat is er in die kist!" riep Pencroff ongeduldig uit. "Wat is er toch in die kist? Hij is gesloten en wij hebben niets om het deksel er af te breken! Dan maar steenen er op geworpen...."
En de matroos nam reeds een grooten steen op met het plan om dien tegen een der wanden van de kist te werpen, toen de ingenieur hem weerhield met de woorden:
"Pencroff, heb nog slechts een uur geduld."
"Maar, mijnheer Cyrus, bedenk toch! Misschien vinden wij daar alles in wat ons thans nog ontbreekt!"
"Wij zullen het toch te weten komen," antwoordde de ingenieur, "maar geloof mij, verniel deze kist niet, want zij kan ons nog te pas komen. Laten wij haar naar het Rotshuis brengen; daar kunnen wij haar gemakkelijker openen. Zij is geheel voor een zeereis ingericht, en daar zij hierheen gedreven is, zal zij het ook wel tot de monding der rivier kunnen brengen."
"Gij hebt gelijk, mijnheer Cyrus, en ik had ongelijk," antwoordde de matroos, "maar men is zichzelf niet altijd meester!"
Het was een goede raad van den ingenieur, want de prauw zou waarschijnlijk niet alle voorwerpen, die zij bevatte, kunnen dragen, daar de kist zeer zwaar was; zij dreef dan ook op twee leege vaten. Het was dus beter haar mede te slepen.
Maar vanwaar kwam dit voorwerp? Dat was een belangrijke vraag. Cyrus Smith beschouwde nauwkeurig den grond, en ging zelfs een honderd passen het strand op. Maar geen ander overblijfsel ontdekten zij. Zij sloegen aandachtig de zee gade. Harbert en Nab beklommen een hooge rots, doch zoover hun oog reikte bespeurden zij niets. Niets was er in het gezicht, geen schip zonder mast of zeilen, noch een schip met volle zeilen.
Toch moest er schipbreuk geleden zijn. Misschien moesten zij het gebeurde in verband brengen met het hageltje? Misschien waren er vreemdelingen op een ander punt van het eiland geland? Misschien waren zij er nog? Toch waren zij het met elkaar eens, dat het geen zeeroovers konden wezen, want de inhoud was bepaald van amerikaansche of europeesche herkomst.
Zij gingen nu allen naar de kist, die vijf voet lang en drie voet breed was. Het waarschijnlijkste was, dat zij door een schip, dat zijn koers naar het eiland richtte, over boord was geworpen, in de hoop dat zij wel naar de kust zou drijven, waar men haar later zou terugvinden. De passagiers toch hadden de voorzorg genomen om de kist aan een drijvend toestel te bevestigen.
"Wij zullen haar naar het Rotshuis slepen," zeide de ingenieur, "en daar zullen wij eens zien wat zij bevat; zoo wij nu op de kust nog eenige overblijfselen van deze vermoedelijke schipbreuk vinden, kunnen wij ze aan de eigenaars teruggeven. Zoo we niemand vinden...."
"Zullen wij ze voor ons houden!" riep Pencroff uit. "Maar zie dan toch eens wat er in is!"
Zij haalden nu de boot en de kist op het strand, en daar het water afliep lagen beide spoedig op het drooge. Nab was de werktuigen gaan halen waarmede zij de kist konden openbreken zonder haar te beschadigen, en nu zou de inhoud te voorschijn worden gehaald. Pencroff gaf zich geen moeite zijn ontroering te verbergen.
"Zeg eens," riep Nab uit, toen zij de kist geopend hadden, "zouden er levensmiddelen in zijn?"
"Ik hoop van niet," antwoordde de reporter.
"Zoo er maar...." zeide de matroos fluisterend.
"Wat?" vroeg Nab, die de woorden niet gehoord had.
"Niets!"
De zinken plaat sneden ze nu door en langzamerhand werden voorwerpen van zeer verschillenden aard op het zand nedergelegd. Bij elk nieuw voorwerp klonk een nieuw hoezee uit Pencroffs mond. Harbert klapte in de handen en Nab danste als een neger. Er waren dan ook boeken, die Harbert half krankzinnig van blijdschap maakten en keukengereedschap dat Nab wel had willen kussen.