Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen
Chapter 11
"Het middengedeelte van Zuid-Amerika en Afrika zullen het meest bevolkt worden. De Laplanders en Samojeden zullen dezelfde luchtgesteldheid, welke zij aan de poolzeeën vonden, dan aan de Middellandsche Zee vinden. Wie zegt ons, dat in dit tijdperk de streken bij den evenaar niet te klein zullen wezen om het menschdom te huisvesten en te voeden? Waarom zou dus de natuur die alles voorziet, niet nu reeds, ten einde een wijkplaats aan de geheele planten- en dierenwereld te geven, onder den evenaar de grondslagen hebben gelegd van een nieuw vasteland en hiertoe de infusiediertjes hebben gekozen?"
"Menigmaal heb ik over al deze dingen nagedacht, en ik geloof inderdaad dat het aanzien van onze aarde eenmaal geheel veranderen zal, tengevolge van de oprijzing van nieuwe landen; de oude zullen door de zee verzwolgen worden en in de volgende eeuwen zullen Columbussen de eilanden van Ghimborasso, Himalaya en Mont-Blanc gaan ontdekken, die de overblijfselen zullen zijn van een verzwolgen Amerika, Azië of Europa. Eindelijk zullen natuurlijk die nieuwe eilanden op hun beurt onbewoonbaar worden; de warmte zal ook daar afnemen, evenals een lichaam dat sterft en het leven zal van de aarde verdwijnen, zoo niet voor altijd, dan toch voor het oogenblik. Misschien zal onze bol dan tot rust komen en zich weder door haar dood herstellen om eenmaal een hoogere plaats in te nemen. Maar dit alles, mijn vrienden, is het geheim van den Schepper aller dingen, en wat het werk dezer infusiediertjes betreft, wellicht heb ik te ver in de geheimen der toekomst willen doordringen."
"Beste Cyrus," antwoordde Gideon Spilett, "deze theorieën zijn voor mij profetieën, en eenmaal zullen zij verwezenlijkt worden."
"Dat is het geheim van God," antwoordde de ingenieur.
"Dat alles is goed en wel," zeide Pencroff toen, die aandachtig geluisterd had, "maar kunt gij mij zeggen, of het eiland Lincoln door infusiediertjes is gemaakt?"
"Neen," hernam Cyrus Smith, "het is geheel van vulkanischen oorsprong."
"Dan zal het eenmaal verdwijnen?"
"Waarschijnlijk."
"Ik hoop dan dat wij er niet meer zijn zullen."
"Neen, stel u gerust, Pencroff, wij zullen er niet meer zijn, omdat wij niet den minsten lust hebben om te sterven en misschien zal het ons gelukken eraf te komen."
"Maar laten wij ons hier toch inrichten alsof we tot in de eeuwigheid hier moeten blijven. Men moet niets ten halve doen."
Hiermede eindigde dit gesprek. Het ontbijt was afgeloopen. Zij hervatten hun onderzoek en nu naderden zij dat gedeelte waar de moerassige streek een aanvang nam.
Het was een moeras, waarvan de uitgestrektheid tot aan de afronding van het eiland in het zuidoosten ongeveer twintig vierkante mijlen bedroeg.
Een menigte vogels fladderden boven deze stilstaande wateren. Maar bij gebrek aan geweer, waren zij genoodzaakt hen door pijlschoten te dooden.
Tegen vijf uur 's avonds keerden Cyrus Smith en zijn vrienden naar hun woning terug over de brug, welke zij den vorigen ochtend gemaakt hadden.
Om acht uur 's avonds zaten zij weder bij elkaar in het Rotshuis.
XXII.
De vallen.--Vossen.--Wilde zwijnen.--Sneeuwstorm.--De mandenmakers.--De grootste koude.--Kristallisatie van suiker.--De geheimzinnige put.--Plan tot onderzoek.--De hagelkorrel.
Die vinnige koude duurde voort tot den 15den Augustus, zonder evenwel het maximum der graden Fahrenheit te overtreffen, die tot nog toe waargenomen waren. Als de dampkring kalm was, konden zij gemakkelijk zulk een lage temperatuur doorstaan; maar als de wind opstak, dan was het nauwelijks voor hen uit te houden omdat zij dun gekleed waren. Pencroff begon te treuren, dat er op het eiland Lincoln niet eenige beren huisden, liever nog dan die vossen en zeehonden, wier bonte vellen zoo veel te wenschen overlieten.
"De beren," zeide hij, "zijn gewoonlijk goed gekleed, en ik zou niets liever willen dan gedurende den winter hun warmen dikken pels te leenen."
"Maar," antwoordde Nab lachende, "die beren zouden er misschien niet in toestemmen, Pencroff, om u hun pels te leenen. Die beestjes zijn ook geen heiligen!"
"Wij zouden ze er wel toe noodzaken, Nab; wij zouden hen wel dwingen," antwoordde Pencroff op een toon van gezag.
Maar die groote vleeschetende dieren huisden niet op het eiland, zij hadden er zich tenminste nog niet laten zien.
Harbert, Pencroff en de verslaggever besloten evenwel vallen te plaatsen op de bergvlakte en aan de zoomen van het bosch. Volgens den zeeman zou elk dier, welk ook, een goede vangst zijn en knaagdieren of vleeschetende dieren, die door de nieuwe strikken gevangen konden worden, zouden hoogst welkom zijn in het Rotshuis.
Deze vallen waren intusschen zeer eenvoudig; de kolonisten maakten diepe kuilen in den grond, legden er een laag takken en gras over, die de opening verborg en plaatsten onderin het een of andere lokaas, waarvan de reuk de aandacht van de beesten trok; dit was alles. Men moet er echter bijvoegen, dat de kuilen niet willekeurig gegraven waren, maar op plaatsen waar talrijke sporen van viervoetige dieren bewezen, dat deze in grooten getale voorbij trokken. Zij werden elken dag nagezien en men vond in de eerste dagen tot drie keer toe van dezelfde vossen, die men reeds op den rechteroever van de rivier gezien had.
"O zoo! er zijn dus alleen vossen in dit land!" riep Pencroff uit, toen hij voor den derden keer zulk een dier, dat schuw onder in de val zat, er uit haalde. "Beesten, die tot niets deugen!"
"Zeker zijn zij tot iets goed?" zeide Spilett.
"Waartoe dan?"
"Om ze als lokaas te gebruiken!"
De correspondent had gelijk en van dat oogenblik af werden de doode vossen altijd tot dat doel gebezigd.
De zeeman had ook strikken gemaakt van de vezels van een plant en deze strikken brachten grooter voordeel aan dan de vallen. Er ging zelden een dag voorbij, zonder dat er een konijn gevangen werd. Men at elken middag konijnen, maar Nab wist zulk een afwisseling in het bereiden der sausen te brengen, dat de kolonisten er zich volstrekt niet over beklaagden.
In de tweede week van Augustus leverden de vallen een paar keer iets anders op dan die honden, iets veel nuttigers. Het waren eenige van die wilde zwijnen, die zij reeds aan de noordzijde van het meer bespeurd hadden. Pencroff behoefde ditmaal niet te vragen of die dieren eetbaar waren. Dit kon men gemakkelijk zien aan hunne overeenkomst met het Amerikaansche en Europeesche varken.
"Maar dat zijn geen varkens," zeide Harbert. "Ik waarschuw je, Pencroff."
"Jongenlief," antwoordde de zeeman, terwijl hij zich over de val boog en een van de vertegenwoordigers van dat soort bij zijn staart naar boven trok; "laat mij gelooven dat het varkens zijn!"
"Waarom?"
"Omdat ik dat prettig vind!"
"Houdt ge dan zooveel van varkens, Pencroff?"
"Ik houd dol veel van varkens," antwoordde de zeeman, "vooral om hun pooten, als ze er acht in plaats van vier hadden, zou ik nog dubbel zooveel van hen houden!"
Den 15den Augustus veranderde de dampkring plotseling door het keeren van den wind naar het noord-westen. De luchtgesteldheid steeg eenige graden, en de dampen, die in de lucht opgezameld waren, gingen weldra in sneeuw over. Het geheele eiland was door een witte laag overdekt en toonde zich onder een nieuw voorkomen aan zijne bewoners. Gedurende eenige dagen viel de sneeuw overvloedig en lag weldra twee voet hoog.
De wind blies heftig en in het Rotshuis hoorde men de zee op de klippen breken. Op sommige plaatsen ontstond er als het ware een hoos en steeg de sneeuw op in hooge draaiende kolommen, die op waterhozen geleken en zich wentelden om haar basis en die men op schepen door een kanonschot uit elkaar doet stuiven. Daar de storm uit het noordwesten woei en dwars over het eiland blies, bleef het Rotshuis door zijn ligging voor een rechtstreekschen aanval gespaard. Maar te midden van die sneeuwjacht, die hevig als in de poolstreken was, konden noch Cyrus Smith, noch zijn metgezellen zich buiten wagen, hoe gaarne zij dit ook gedaan hadden. Zij bleven dus vijf dagen, van 20 tot 25 Augustus, opgesloten. Zij hoorden den wind in de bosschen loeien, die er zeker onder moesten lijden. Er zouden ongetwijfeld verscheidene boomen ontworteld worden, maar Pencroff troostte zich met de gedachte, dat hem dan de moeite gespaard werd ze om te hakken.
"De wind is houthakker geworden, laat hij zijn gang maar gaan," herhaalde hij.
Er bestond overigens ook geen middel om hem dit te beletten.
Hoe dankbaar waren de bewoners van het Rotshuis, dat zij zulk een sterke en onwrikbare schuilplaats hadden! Cyrus Smith kreeg wel zijn rechtmatig deel in den dank, maar de natuur had hun toch die grot verschaft en hij had haar slechts ontdekt. Daar waren zij allen in veiligheid en kon de storm hen niet bereiken. Hadden zij op de bergvlakte een huis van steen en hout gebouwd, dan zou dit zeker de woede van zulk een orkaan niet hebben kunnen weerstaan. Wat de Schoorsteenen betreft, men was vast overtuigd, dat zij volstrekt onbewoonbaar waren, als men slechts het bulderen van de golven hoorde, want zoodra de zee het eilandje overstroomde, zou zij al hare woede daarop bot vieren. Maar hier in het Rotshuis, te midden van die rotsen, die tegen lucht en water bestand waren, hier had men niets te vreezen.
Gedurende de weinige dagen, dat zij opgesloten waren, bleven de kolonisten niet rusten. Er was hout in planken gezaagd in overvloed in het magazijn en langzamerhand werd het huisraad, wat tafels en stoelen betrof, voltallig.
De schrijnwerkers werden vervolgens mandenmakers, en daarin slaagden zij zeer goed. Ze hadden aan den noordelijken oever van het meer een groot rijsbosch ontdekt, waar de wilgen in menigte groeiden. Vóór het regengetij hadden Pencroff en Harbert deze nuttige boomen binnengehaald en hunne takken waren nu uitmuntend tot dat doel geschikt. De eerste proeven waren slecht, maar door de handigheid en het vernuft van de werklieden werd het materiaal van de kolonie weldra vermeerderd met manden van allerlei aard en grootte.
Gedurende de laatste week van de maand Augustus veranderde het weer nog eenmaal. De temperatuur werd lager en de storm bedaarde. De kolonisten haastten zich om naar buiten te gaan. Er stond zeker twee voet sneeuw, maar men kon zonder veel inspanning over hare harde oppervlakte loopen; Cyrus Smith en zijn metgezellen bestegen toen de bergvlakte.
Welk een verandering! Dat bosch, dat nog groen was toen zij het voor het laatst zagen, verdween nu onder een en dezelfde kleur. Alles was wit, van den top van den berg Franklin tot aan de kust, de bosschen, de weiden, het meer, de rivieren en de oevers. Het water van de Mercy stroomde onder een gewelf van ijs, dat men bij eb en vloed met een oorverdoovend leven hoorde kruien. Tallooze vogels fladderden over de bevroren oppervlakte van het meer; het waren eenden, watersnippen, duikerhoenen en anderen. Er waren er duizenden. De rotsen, waartusschen de waterval stroomde, waren met ijskegels bedekt. Men zou gezegd hebben dat het water ontsnapte uit een monsterachtigen drakenkop, die gehouwen was met de phantasie van een kunstenaar uit den tijd der Renaissance. Men kon de schade, die door den storm in het bosch veroorzaakt was, nog niet beoordeelen, en men moest daarmede wachten tot de laag sneeuw verdwenen zou zijn.
Gideon Spilett, Pencroff en Harbert namen deze gelegenheid waar om hunne vallen na te zien. Zij konden ze niet gemakkelijk onder de sneeuw terugvinden. Zij moesten zelfs oppassen om er niet zelf in te vallen, hetgeen gevaarlijk en vernederend tevens zou zijn; een put te graven en er zelf in te vallen! Zij waren echter voorzichtig en vonden hun vallen onbeschadigd terug. Zij waren echter allen ledig en in den omtrek waren er toch verscheidene sporen van dieren, waaronder enkele indrukken van scherpe klauwen. Harbert twijfelde niet of het eene of andere vleeschetende dier, tot het geslacht der katten behoorende, had daar rondgezworven, hetgeen ook overeenstemde met de meening van den ingenieur omtrent de aanwezigheid van wilde dieren op het eiland Lincoln. Zeker huisden verscheurende dieren vooral in het dichtste gedeelte van het bosch, maar door den honger er toe gedwongen, hadden zij zich tot op de bergvlakte gewaagd. Roken zij misschien de bewoners van het Rotshuis?
"Maar waaruit bestaat dan dat kattengeslacht?" vroeg Pencroff.
"Uit tijgers," antwoordde Harbert.
"Ik dacht dat men deze beesten slechts in warme landen vond?"
"In de nieuwe wereld," antwoordde de knaap, "vindt men ze van Mexico tot in de Pampas van Buenos Ayres. En daar Lincoln ongeveer dezelfde breedte heeft als de provincies van la Plata, is het niet te verwonderen dat men er eenige tijgers vindt."
"Goed, wij zullen oppassen," antwoordde Pencroff.
Eindelijk verdween de sneeuw door de zachte temperatuur, die weder begon te stijgen. De regen viel bij stroomen neer, en dank zij den dooi was er weldra niets meer van die witte massa te zien. Niettegenstaande het slechte weer, deden de kolonisten van alles weder nieuwen voorraad op, zoowel van planten als van dieren. Hiervoor moesten zij noodzakelijk eenige keeren door het bosch en zij bevonden, dat er een zeker aantal boomen door den laatsten storm geveld waren. De zeeman en Nab belaadden zelfs verscheidene malen hun handwagen met steenkolen, opdat men dan weder eenige tonnen brandstof zou hebben. In het voorbijgaan zagen zij dat de schoorsteen van den steenoven zeer veel van den storm te lijden had gehad, en er minstens zes voet afgebroken was.
Terzelfder tijd werd ook de voorraad hout van het Rotshuis vernieuwd, en men maakte daarbij gebruik van den stroom der Mercy, die weder vrij van ijs was geworden, om de noodige vrachten aan te voeren. Het zou kunnen gebeuren dat de koude nog niet voorbij was.
Zij brachten eveneens een bezoek aan de Schoorsteenen, en de kolonisten mochten blij zijn dat zij daar niet gedurende den storm gewoond hadden. De zee had er geduchte sporen van verwoesting achtergelaten.
Zij hadden, bleek het, niet te vergeefs nieuwen voorraad brandstof opgedaan. De kolonisten hadden nog niet met de strenge koude afgerekend. Men weet, dat de maand Februari zich op het noordelijk halfrond vooral kenmerkt door groote daling van de temperatuur. Hetzelfde geval heeft op het zuidelijk halfrond plaats, en het einde van Augustus, welke maand overeenstemt met Februari in Noord-Amerika, ontkomt niet aan deze wet van het klimaat.
Den 25sten draaide de wind plotseling naar het zuidoosten, nadat er voor de tweede maal een groote hoeveelheid sneeuw en regen was gevallen en het werd vinnig koud. Volgens den ingenieur zou een thermometer van Fahrenheit niet minder dan 8 graden onder nul aangewezen hebben, en deze koude werd nog ondragelijker door een scherpen wind die verscheidene dagen aanhield. De kolonisten moesten op nieuw in het Rotshuis blijven, en daar alle openingen in den rotswand hermetisch gesloten moesten worden en nu slechts zooveel lucht in mochten laten als hoog noodig was voor de luchtverversching, werden er zeer veel kaarsen verbruikt. De kolonisten stelden zich meestal met het licht, dat het vuur gaf, tevreden, waaraan dan ook geen brandstof gespaard werd. Soms waagde de een of de andere zich op het strand, te midden van de ijsschotsen, welke de vloed daar aanspoelde, maar men keerde spoedig naar het Rotshuis terug, en het was niet zonder veel moeite en pijn aan hunne handen dat zij de sporten van de touwladder vasthielden. Bij die vinnige kou, brandde dat hout hunne vingers.
Gedurende deze gevangenschap, moesten de bewoners van het Rotshuis toch hun tijd doorbrengen. Cyrus Smith ondernam daarom een werk dat binnen 's huis geschieden kon.
De kolonisten hadden geen andere suiker tot hun gebruik dan het sap dat zij uit den ahornboom trokken door diepe inkervingen in den stam te maken.
Maar Cyrus Smith wist een beter middel, en op een dag zeide hij tot zijn metgezellen dat zij raffinadeurs zouden worden.
"Raffinadeurs!" zeide Pencroff. "Dat is een warm werkje, geloof ik?"
"Zeer warm!" antwoordde de ingenieur.
"Welnu, dan is het er nu juist de tijd voor!"
Om dit sap te kristalliseeren was het voldoende om het door een zeer eenvoudige bewerking te zuiveren. Zij stortten het in groote aarden potten op het vuur en lieten het een poos lang verdampen, waardoor het schuim zich weldra aan de oppervlakte vertoonde. Zoodra het dik begon te worden, roerde Nab er langzaam met een houten lepel in, de verdamping werd daardoor verhaast en tegelijkertijd het aanbranden belet.
Nadat het een paar uur had staan koken op een flink vuur, dat evenveel goed deed aan de werklieden als aan de zelfstandigheid die bewerkt moest worden, was het sap in een dikke stroop veranderd. De stroop werd in de aarden vormen overgegoten, die in denzelfden oven daarvoor gebakken waren en waarvan men verschillende figuren had gemaakt. Toen de stroop den volgenden ochtend afgekoeld was, waren het brooden en koeken. Het was suiker, wel wat rood van kleur, maar bijna doorschijnend en goed van smaak.
De koude hield tot half September aan en de bewoners van het Rotshuis begonnen hunne gevangenschap wel wat lang te vinden. Bijna elken dag beproefden zij naar buiten te gaan, maar te vergeefs. Zij werkten dus onophoudelijk om hunne woning in volmaakte orde te brengen. Onder het werken praatte men. Cyrus Smith onderwees zijn lotgenooten in alles en verklaarde hun vooral de practische toepassingen der wetenschap. De kolonisten hadden geen bibliotheek tot hunne beschikking; maar de ingenieur was voor hen een gewillig boek, altijd opengeslagen op de bladzijde die ieder noodig had, een boek dat al hunne vragen beantwoordde, en dat zij dikwijls opsloegen. Zoo ging de tijd voorbij en deze kloeke mannen schenen voor de toekomst niet meer te vreezen.
Het werd echter tijd dat er een einde kwam aan die gedwongen opsluiting. Allen verlangden naar het zachte jaargetijde of ten minste naar het eind van deze ondraaglijke kou. Waren zij slechts zoo gewend, dat zij dat weer konden trotseeren, welke tochten zouden zij niet beproefd hebben, door de duinen zoowel als door het moeras! Het wild moest gemakkelijk te naderen zijn, en hun jacht zou zeker veel opgeleverd hebben. Maar Cyrus Smith was er voor alles op gesteld dat allen hun gezondheid in acht namen, want hij had alle armen noodig en zijn raad werd opgevolgd.
De meest ongeduldige in deze gevangenschap, na Pencroff, was natuurlijk Top. De trouwe hond vond het veel te eng en te benauwd in het Rotshuis. Hij draaide van de eene kamer naar de andere en uitte op zijn manier zijne verveling.
Cyrus Smith merkte dikwijls op, dat de hond, wanneer hij in de nabijheid kwam van een diepen put, die met de zee in verband stond en waarvan de opening in het magazijn uitkwam, een zonderling gebrom deed hooren. Top draaide soms om dien put heen, die slechts door een plank gesloten was. Enkele malen trachtte hij zijn pooten onder de plank te brengen, alsof hij haar wilde wegschuiven. Hij jankte daarbij zoo zonderling, dat men er uit op kon maken, dat hij woedend of ongerust was.
De ingenieur sloeg hem menigmaal gade. Wat was er dan in dien afgrond, dat zulk een indruk maakte op het verstandige dier? Het was zeker dat die put in zee uitkwam. Zou hij zich mogelijk in dunne buizen verdeelen en door het geheele eiland loopen? Stond hij misschien met andere onderaardsche spelonken in verband? Zou misschien het een of andere zeemonster van tijd tot tijd op den bodem van den put verschijnen? De ingenieur wist niet wat hij er van denken moest en kon niet nalaten, zich de onmogelijkste dingen voor te stellen. Daar hij gewoon was op het gebied der wetenschappelijke werkelijkheid diep door te dringen, kon hij het niet verdragen dat hij zich liet meeslepen op het gebied van het onwaarschijnlijke en bijna bovennatuurlijke; maar hoe het te verklaren, dat Top, een van die honden, welke hun tijd niet verbeuzelen met de maan aan te blaffen, steeds bleef ruiken en luisteren bij de opening van dezen afgrond, zoo er niets voorviel dat zijn onrust kon gaande maken? Het gedrag van Top wekte in hooger mate de belangstelling van Cyrus Smith op dan hij zich zelven wel wilde bekennen.
De ingenieur deelde zijn bevindingen evenwel slechts aan Gideon Spilett mede, daar hij het onnoodig achtte zijn metgezellen bekend te maken met de gedachten, welke onwillekeurig bij hem oprezen op grond van iets, dat misschien slechts een gril van Top was.
De kou week eindelijk. Het regende nog wel, er viel zelfs nog sneeuw en nu en dan stak de wind heftig op, maar dit hield slechts kort aan. Het ijs was gesmolten en de sneeuw ontdooid; de kust, de bergvlakte, de oevers van de rivier en het bosch waren weder begaanbaar. Deze terugkeer van de lente verheugde de bewoners van het Rotshuis zeer en weldra brachten zij daar slechts de uren van hun nachtrust en van hun middagmaal door.
Zij jaagden veel in de tweede helft van September, hetgeen Pencroff reden gaf om met vernieuwden aandrang vuurwapens te vragen, die hij beweerde dat hem door Cyrus Smith waren beloofd. Deze wel wetende, dat het hem onmogelijk was, zonder bijzondere werktuigen daartoe, geweren te maken die eenigen dienst konden bewijzen, stelde het werk steeds tot later uit. Hij deed overigens opmerken, dat Harbert en Gideon Spilett bekwame boogschutters waren geworden, dat het voortreffelijkste wild als konijn-varkens, kangaroes, waterzwijnen, duiven, trapganzen, wilde eenden, watersnippen, in één woord pluimgedierte en ander wild onder hun pijlen vielen, en dat men bijgevolg nog kon wachten. Maar de koppige zeeman was doof aan dat oor, en hij liet den ingenieur geen rust voordat hij aan zijn verzoek zou voldaan hebben. Gideon Spilett ondersteunde den wensch van Pencroff.
"Wanneer er op het eiland, zooals men moet gelooven," zeide hij, "verscheurende dieren zijn, dan moet men zich voorbereiden om ze te bestrijden en uit te roeien. Er kan een oogenblik komen dat dit onze eerste plicht zal zijn."
Maar op dat tijdstip was het niet de quaestie van vuurwapens, die Cyrus Smith bezig hield, maar wel die der kleederen. Die, welke de kolonisten droegen waren dien winter meegegaan, maar konden niet tot den volgenden winter duren. Hetgeen men zich tot elken prijs moest verschaffen was de huid van vleeschetende dieren of de wol van herkauwende, en daar er muffeldieren in overvloed waren, wilde men trachten een kudde er van bij elkander te krijgen, die dan uitsluitend tot het gebruik der kolonisten zou gehouden worden. De beide gewichtige plannen, welke men gedurende het zachte jaargetijde ten uitvoer moest brengen, waren: een omheinde plaats te maken voor de huisdieren en een plein in te richten voor het gevogelte, in een woord, een soort van boerderij aanteleggen op een gedeelte van het eiland.
Bijgevolg moest men met het oog op de toekomstige inrichtingen, noodzakelijk het onbekende gedeelte van het eiland Lincoln gaan verkennen, namelijk de groote bosschen, die zich op den rechteroever van de rivier uitstrekten van haar mond tot aan het uiterste gedeelte van het kleine schiereiland, en over de geheele westelijke kust.
Men wachtte dus met zeker ongeduld, toen er iets voorviel dat het verlangen van de kolonisten nog versterkte om hun geheele gebied te verkennen.
Het was de 24ste October. Pencroff had dien dag de vallen nagezien. In een daarvan had hij drie dieren gevonden, welke hoogst welkom waren geweest. Het was een muskuszwijn met twee jongen.
Pencroff keerde verheugd over zijn vangst naar het Rotshuis terug en zooals gewoonlijk maakte hij veel ophef van zijn jacht.
"Nu zullen wij smullen, mijnheer Cyrus!" riep hij uit. "En gij ook, mijnheer Spilett, gij zult er ook van eten!"
"Dat wil ik gaarne," antwoordde de verslaggever, "maar waar zal ik van eten."
"Van het speenvarkentje!"
"Komaan, Pencroff, een speenvarkentje? Ik dacht minstens dat gij getruffeerde patrijzen bracht!"
"Wat?" riep Pencroff uit. "Zoudt gij soms een speenvarkentje versmaden?"
"Neen," antwoordde Spilett, zonder eenige opgewondenheid, "en als men er niet te veel van eet...."