Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen

Chapter 14

Chapter 144,041 wordsPublic domain

"Nog even!" riep Pencroff uit.

"Wat is er?" vroeg de reporter.

"De jacht is wel verboden, maar de vischvangst toch niet, veronderstel ik," zeide de matroos.

"Wij hebben geen tijd te verliezen," gaf de ingenieur hierop ten antwoord.

"Kom, vijf minuten!" hernam Pencroff. "Ik vraag slechts vijf minuten in het belang van ons ontbijt!"

En Pencroff knielde aan den kant van de beek, stak zijn beide handen in het heldere water en spoedig legde hij eenige kreeften op het droge.

"Dat zal goed smaken!" riep Nab uit, terwijl hij de matroos te hulp kwam.

"Alles is hier op het eiland, behalve tabak," mompelde Pencroff met een zucht.

Zij hadden geen vijf minuten oponthoud door die merkwaardige vangst, want de kreeften waren in overvloed in de beek. Van deze schaaldieren, waarvan de schubben een blauwe kobaltkleur hebben, en die van een schaar voorzien zijn, vulden zij een zak en vervolgden toen hun weg.

Nu zij den oever van deze rivier hielden, ging de tocht veel gemakkelijker en sneller. Ook hier was geen enkele menschelijke voetstap te vinden. Nu en dan ontdekten zij het spoor van groote viervoetige dieren die zeker hun dorst aan deze beek plachten te lesschen, maar overigens niets en het was niet in dit gedeelte van het Far-West dat het konijn getroffen was door het hageltje, hetwelk aan Pencroff een tand kostte.

Toch moest Cyrus Smith tot het besluit komen, toen hij den snellen stroom gadesloeg, dat hij en zijn vrienden zich verder van de westelijke kust bevonden dan zij eerst gemeend hadden.

De rivier werd echter langzamerhand breeder en het water kalmer. De boomen stonden aan beide zijden der rivier even dicht naast elkander, en men kon er onmogelijk doorheen zien; maar dat onafzienbare bosch was zeker geheel verlaten, want Top blafte niet en het verstandige dier zou zich wel gehaast hebben hen te waarschuwen, zoo er zich vreemdelingen in den omtrek van het water hadden bevonden.

Het was half elf toen Harbert, die hen een eind voor was, tot groote verbazing van Cyrus Smith plotseling uitriep:

"De zee!"

En eenige oogenblikken later hadden zij den zoom van het bosch bereikt en zagen zij de westelijke kust van het eiland voor zich. Maar welk een verschil was er tusschen deze kust en die waarop het toeval hen geworpen had. Geen rotsen, geen klippen, zelfs geen strand. Het bosch vormde de kust en de laatste boomen, door de golven gebeukt, bogen zich over het water. Het was geen kust, zooals de natuur die gewoonlijk vormt, namelijk een zeer breed strand van zand of een rotsketen, maar een prachtig bosch, waarin de schoonste boomen groeiden. De oever was zoo hoog dat hij ook bij springtij boven de oppervlakte der zee uitstak, en op dien vruchtbaren grond, door een rots begrensd, schenen die boomen even vast geplant te zijn als in het binnengedeelte van het eiland.

Het weer was schoon en van de steile kust, waarop Pencroff en Nab het maal bereidden, kon men zijn blik zeer ver laten gaan. De horizon was helder, maar geen zeil was er te bespeuren. Op de geheele kust, zoover het oog reikte, was geen schip noch overblijfsel van eenig vaartuig te zien. Maar de ingenieur was niet eer overtuigd, dan nadat hij de kust van de uiterste punt tot aan het Slangen-schiereiland zou onderzocht hebben.

Het ontbijt was spoedig genuttigd en ten half twaalf beval Cyrus Smith te vertrekken. In plaats van hun weg over de klippen te nemen en het strand te volgen, moesten de kolonisten nu den zoom van het bosch houden, die evenwijdig met de kust liep.

De afstand die de monding van de rivier scheidde van het Hagedis-voorgebergte, was ongeveer twaalf mijlen. In vier uur hadden zij, wanneer het strand begaanbaar was, en zelfs zonder zich te haasten, dien afstand kunnen afleggen, maar nu hadden zij het dubbele van dien tijd noodig om hun doel te bereiken, want de boomen die zij moesten omloopen, het hout dat zij moesten kappen, de slingerplanten die zij moesten breken, dat alles hield hen gedurig op.

Overigens was geen enkel spoor te zien van een schipbreuk. Wel is waar, zooals Gideon Spilett opmerkte, had de zee alles weder mede kunnen slepen, en men kon dus nog niet beweren, al vond men ook geen enkel bewijs, dat er geen schip op dit gedeelte van de kust van het eiland Lincoln gestrand was.

De redeneering van den reporter was juist, en bovendien bewees het voorgevallene met het hageltje ontegenzeggelijk dat er hoogstens drie maanden geleden een geweerschot op het eiland gelost was.

Het was reeds vijf uur in den namiddag en nog was het Slangenschiereiland twee mijlen verwijderd van de plaats waar de kolonisten zich thans bevonden. Het was zeer waarschijnlijk dat wanneer zij kaap Hagedis bereikt hadden, Cyrus Smith en zijn makkers den tijd niet zouden hebben om voor het ondergaan der zon naar het kamp, dat zij bij de bronnen der Mercy opgeslagen hadden, terug te keeren. Dus zouden zij genoodzaakt zijn in deze streek den nacht door te brengen.

Tegen zeven uur 's avonds kwamen de kolonisten uitgeput van vermoeienis aan kaap Hagedis, een soort van krul door de zee gevormd. Hier eindigde het bosch van het schiereiland en de kust in het westelijk gedeelte herkreeg weder het aanzien van een gewone kust met haar rotsen, klippen en strand. Het was dus mogelijk, dat een schip op dit gedeelte was stuk geslagen, maar de nacht viel in en zij moesten hun onderzoek tot den anderen dag staken. Pencroff en Harbert gingen terstond een geschikte plaats zoeken om hun nachtverblijf op te slaan. De laatste boomen van het bosch van het Verre Westen eindigden in dat gedeelte en daaronder vond Harbert kleine groepen bamboes.

"Zie zoo," zeide hij, "dat is een kostbare vondst."

"Kostbaar?" vroeg Pencroff.

"Ja, zeker," antwoordde Harbert. "Als ik je alleen maar zeg, Pencroff, dat de schors dezer bamboes, in smalle reepen gesneden, zeer goed voor manden en korven geschikt is; die schors kan, tot een zachte massa gekneed, tot Chineesch papier bereid worden; de halmen kunnen, naarmate zij groot zijn, tot stokken, kachelpijpen en waterleidingen dienen; de groote bamboezen kunnen zeer goed aangewend worden om het een of ander te vervaardigen en nooit zullen de insecten er in komen. Ik wil er nog niet eens bijvoegen dat, wanneer men de ruimte, die er tusschen beide knoopen is, doorzaagt, en voor bodem er een beschot dwars over heen legt, men op deze wijs stevige groote vaten verkrijgt, die bij de Chineezen zeer in zwang zijn! En dat alles zou u onverschillig wezen? Maar...."

"Maar?"

"Ik zal je ook nog zeggen, dat die bamboes in Indië als asperges gegeten worden."

"Asperges van dertig voet lang!" riep de matroos uit. "En smaken zij goed?"

"Uitmuntend," antwoordde Harbert. "Maar het zijn geen stengels van dertig voet die men eet, maar jonge halmpjes."

"Heel goed, beste jongen, heel goed!" gaf Pencroff ten antwoord.

"Ook is het merg van jonge halmen, in de azijn gelegd, een zeer lekker zuur."

"Het wordt hoe langer hoe beter.

"En bovendien is er tusschen de knoopen een suikerachtige likeur, waaruit wij een geurigen drank kunnen bereiden."

"Is dat alles?" vroeg de matroos.

"Ja."

"En wij kunnen het niet rooken?"

"Neen, beste Pencroff, wij kunnen het niet rooken."

Lang hadden Harbert en Pencroff niet naar een geschikte plaats voor den nacht te zoeken. De rotsen, die tamelijk ver van elkander verwijderd waren, door het slaan der golven tegen de kust en den noordwesten wind, boden holen aan waarin zij zich gerust te slapen konden leggen, zonder voor den invloed van de nachtlucht bevreesd te zijn. Maar op het oogenblik dat zij op het punt stonden om in een dezer holen door te dringen, werden zij door een hevig gebrul daarvan weerhouden.

"Terug!" riep Pencroff. "Wij hebben niets dan hagel in onze geweren en die dieren, die zulk een gebrul laten hooren, geven daar evenveel om als om zoutkorrels!"

De matroos greep Harbert bij den arm, sleepte hem mede uit de rots, juist op hetzelfde oogenblik dat zich een prachtig dier aan den ingang vertoonde.

Het was een tijgerkat van ongeveer dezelfde grootte als die welke men in Azië vindt, dat wil zeggen, dat zij van den kop tot den staart vijf voet lang was. Op haar huid waren regelmatige zwarte vlekken, die weder doorsneden werden door het witte haar van haar buik. Harbert herkende in haar terstond den krachtigen vijand van den tijger en veel meer te duchten dan een jaguar, die slechts de vijand van den wolf is!

De tijgerkat sloop, langzaam en behoedzaam om zich ziende, voorwaarts; de haren stonden rechtop, haar oogen schitterden, alsof het niet de eerste maal was, dat zij de tegenwoordigheid van een mensch voelde.

Op dit oogenblik kwam de reporter van achter een hooge rots en Harbert, die meende dat hij de tijgerkat nog niet bespeurd had, snelde naar hem toe; maar Gideon Spilett wenkte hem met de hand en vervolgde zijn weg. Het was zijn eerste tijger niet; hij naderde hem tot op tien pas en stond toen onbeweeglijk stil met de aangelegde karabijn, zonder een spier te verroeren.

De tijgerkat trok zijn leden samen en sprong op den jager toe, maar op hetzelfde oogenblik trof een kogel hem tusschen zijn oogen en viel hij dood ter aarde. Harbert en Pencroff snelden naar het dier. Ook Cyrus en Nab kwamen in allerijl toeschieten en stonden eenige oogenblikken in stomme verbazing over het prachtige beest, dat voor hen op den grond lag en welks huid een sieraad zou wezen in de zaal van het Rotshuis.

"O, mijnheer Spilett, wat bewonder en benijd ik u!" riep Harbert opgetogen uit.

"Goed, beste jongen," antwoordde de reporter, "gij zoudt hetzelfde gedaan hebben."

"Ik! Met dezelfde koelbloedigheid!"

"Verbeeld je eens, Harbert, dat die tijgerkat een haas was, dan zoudt gij met de grootste kalmte een schot op hem lossen."

"Nu, is het niet erger?" vroeg Pencroff.

"En thans," sprak Gideon, "nu deze tijgerkat haar hol verlaten heeft, zie ik geen enkele reden, waarom wij dit voor van nacht niet zouden innemen."

"Maar anderen kunnen er in wederkeeren!" zeide Pencroff.

"Als wij maar een vuur aan den ingang aanleggen, dan zullen zij het niet wagen binnen te dringen."

"Dan naar de woning van de tijgerkat!" antwoordde de matroos, terwijl hij het lijk van het dier achter zich meesleepte. De kolonisten begaven zich thans naar de verlaten schuilplaats van de tijgerkat en daar, terwijl Nab haar van de huid ontdeed, verzamelden zij een groote hoeveelheid droog hout, dat in overvloed in het bosch voorhanden was.

Maar toen Cyrus Smith ook een groep bamboezen zag, sneed hij eenigen af en mengde die tusschen het brandhout.

Toen dit gedaan was, maakten zij de grot gereed, die met beenderen lag bezaaid; zij laadden hun wapens voor het geval dat zij soms onverwachts mochten aangevallen worden; daarop gebruikten zij hun avondmaal en voor zij zich ter ruste begaven, staken zij den stapel hout voor den ingang aan.

Terstond daarop knetterde een waar vuurwerk in de lucht. Het was het bamboes, dat wanneer het vlam vat als een vuurwerk ontploft. Dat geraas alleen was reeds voldoende om wilde dieren angst aan te jagen.

Maar dit middel om een luide ontploffing te weeg te brengen, was niet door den ingenieur uitgedacht, want, volgens Marco Polo, gebruiken de Tartaren het reeds sedert eeuwen met goed gevolg om de wilde dieren in Midden-Azië op een afstand te houden.

XXVII.

Voorstel om langs de zuidkust terug te keeren.--Vorm van de kust.--Onderzoek naar de vermoedelijke schipbreuk.--Een wrak in de lucht.--Ontdekking van een kleine haven.--Middernacht aan de Mercy.--Een afdrijvende boot.

Cyrus Smith en zijn vrienden sliepen dien nacht den slaap der rechtvaardigen in het hol van de tijgerkat, die dat zoo beleefd ter hunner beschikking had gelaten.

Bij het opgaan der zon stonden allen aan de kust, en aller blik richtte zich naar den horizon, die voor tweederden te zien was. Voor de laatste maal bevestigde Cyrus Smith dat er geen schip, geen romp op de geheele oppervlakte te bespeuren viel en ook door den verrekijker kon men niets verdachts ontdekken. Niets, zelfs op de kust, ten minste op dat gedeelte, hetwelk de zuidelijke punt van het voorgebergte vormde over een lengte van drie mijlen, want verder op hield een bocht binnenwaarts het overige gedeelte van de kust voor het oog verborgen, en zelfs aan het uiteinde van het Slangenschiereiland kon men kaap Klauw niet ontdekken, die ook achter de hooge rotsen geheel verscholen lag.

Zij moesten dus nu de zuidelijke kust van het eiland nog onderzoeken. Men zou dat onderzoek terstond ondernemen, en den geheelen dag, den 2den November, er aan te geven.

Dat was volstrekt het oorspronkelijke plan niet, want toen zij de prauw bij den oorsprong der Mercy hadden achtergelaten, waren zij overeen gekomen, dat, wanneer zij de westelijke kust onderzocht hadden, zij haar in het terugkeeren zouden medenemen en langs de Mercy het Rotshuis weder bereiken. Cyrus Smith meende toen dat de westelijke kust een voldoend toevluchtsoord kon aanbieden, zoowel voor een wrak, als voor een schip in goeden staat; maar nu er op deze kust geen schipbreuk geleden was, waren zij wel verplicht in het zuidelijke gedeelte dat te gaan zoeken, wat zij in het westelijke niet gevonden hadden. Gideon Spilett stelde nu het eerst voor, om het onderzoek te vervolgen, zoodat de vraag: of er schipbreuk was geleden, kon opgelost worden; daarom was het van het meeste belang te weten, hoe ver kaap Klauw van het uiteinde van het schiereiland verwijderd was.

"Ongeveer dertig mijlen," antwoordde de ingenieur, "als wij de bochten, welke de kust maakt, in rekening brengen."

"Dertig mijlen!" riep Gideon Spilett uit. "Wij zullen van daag dan een fiksche wandeling hebben. Toch geloof ik dat wij langs de zuidkust naar het Rotshuis moeten terugkeeren."

"Maar," merkte Harbert op, "van kaap Klauw naar het Rotshuis is nog tien mijlen."

"Laten wij dan in 't geheel veertig mijlen rekenen," antwoordde de reporter, "en niet aarzelen die af te leggen. Wij hebben dan de ons geheel onbekende kust nagegaan, en behoeven geen nieuw onderzoek in te stellen."

"Dat is zeer juist gezien," zeide Pencroff. "Maar de prauw?"

"De prauw is wel een dag alleen gebleven," gaf Spilett ten antwoord, "dus kan zij ook nog wel een dag langer daar liggen! Tot nog toe kunnen wij niet beweren, dat er dieven op het eiland zijn."

"Toch," zeide de matroos, "als ik mij de geschiedenis van de schildpad herinner, heb ik er geen groot vertrouwen in."

"De schildpad! de schildpad!" antwoordde de correspondent, "weet ge dan niet, dat de zee haar omgekeerd heeft."

"Wie weet het?" mompelde de ingenieur.

"Maar...." zeide Nab.

Nab had iets te zeggen, dat was zeer duidelijk, want hij opende den mond tot spreken, maar zeide niets.

"Wat wilt ge zeggen, Nab?" vroeg de ingenieur.

"Zoo wij langs het strand naar de kaap terugkeeren," gaf Nab ten antwoord, "en als we de kaap zijn omgegaan dan kunnen we niet verder...."

"Door de Mercy! Dat is waar," riep Harbert uit, "en wij hebben dan geen brug of boot om haar over te steken!"

"Maar, mijnheer Cyrus, vindt ge niet dat wij door middel van eenige drijvende stammen zeer goed de rivier kunnen oversteken?"

"Het doet er niet toe," merkte Gideon Spilett op, "het zal toch altijd goed wezen een brug te maken, zoo wij een gemakkelijken toegang tot het bosch van het Verre Westen willen hebben!"

"Een brug!" riep Pencroff uit. "Welnu, is mijnheer Cyrus Smith geen ingenieur van zijn vak? Hij zal ons wel een brug maken wanneer we die verlangen!"

"Wanneer gij heden avond aan de andere zijde der Mercy wilt zijn, zonder een draadje van uw kleeren nat te maken, dan zal ik daar wel voor zorgen. Wij hebben nog slechts voor een dag levensmiddelen, meer hebben we ook niet noodig en misschien zal het ons van daag evenmin als gisteren aan wild ontbreken. Vooruit dus!"

Nu het voorstel van den reporter zoo ondersteund werd door Pencroff, gaf een ieder zijn goedkeuring er over te kennen, want allen wilden gaarne uit de onzekerheid komen, en wanneer zij over kaap Klauw terugkeerden hadden zij het eiland geheel doorzocht. Maar geen uur mocht er thans verloren gaan, want een marsch van veertig mijlen was geen kleinigheid, en zij behoefden er niet op te rekenen het Rotshuis vóor den nacht te zullen bereiken.

Ten zes ure 's morgens begaven de kolonisten zich dus op weg. Uit voorzorg, ingeval zij soms twee- of viervoetige dieren mochten ontmoeten, laadden zij hun geweren met kogels, en aan Top, die den tocht moest openen, werd bevel gegeven den zoom van het bosch te volgen.

Toen zij de uiterste punt van het voorgebergte, dat als het ware den staart van het schiereiland vormde, verlieten, maakte de kust een bocht van vijf mijlen, welke zij spoedig hadden afgelegd, zonder dat zij, na zeer nauwkeurige nasporingen, eenig teeken gevonden hadden van een vroegere of tegenwoordige ontscheping, noch van een schipbreuk, of van eenig kamp, noch de asch van een uitgedoofd vuur, of den indruk van een voetstap.

Het geheele gedeelte van het eiland, dat zij thans bezochten, was hun vreemd, maar nadat zij een oogenblik gerust hadden, hadden zij het met een oogopslag overzien.

"Welk schip zich in deze streek durft wagen, is onherroepelijk verloren," zeide Pencroff. "Zandbanken strekken zich hier tot zeer ver in zee uit en verder op heeft men steile klippen. Het is hier een gevaarlijke kust!"

"Maar toch zou er eenig overblijfsel van een schip moeten te vinden zijn," merkte de correspondent aan.

"Ja, er zouden stukken hout op de klippen kunnen blijven liggen, maar op de zandbanken niet," gaf de matroos hierop ten antwoord.

"Waarom dat?"

"Omdat die banken nog veel gevaarlijker dan de rotsen zijn, daar zij alles verzwelgen wat er op komt; en weinige dagen zijn voldoende om de romp van een schip van eenige honderden tonnen geheel te doen verdwijnen."

"Dus Pencroff," vroeg de ingenieur op zijn beurt, "zoo een schip hier vergaan was, zou het volstrekt niet vreemd wezen als wij geen enkel spoor er van vonden?"

"Neen, mijnheer Smith, door de werking van den tijd of van den storm. Toch zou het mij verwonderen, zoo zelfs in dat geval, geen stuk mast of splinters op de kust geworpen waren buiten het bereik der zee."

"Laten wij onze nasporingen dus vervolgen," antwoordde Cyrus Smith.

Om een uur 's middags hadden de kolonisten de baai van Washington bereikt; op dat oogenblik hadden zij twintig mijlen afgelegd. Nu hielden zij eenigen tijd rust om zich wat te versterken.

Toen er een half uur om was, begaven de vrienden zich weder op weg; hun oog liet geen punt van de rotsen of het strand onopgemerkt. Pencroff en Nab waagden zich zelfs tusschen die klippen, zoodra eenig voorwerp hun aandacht trok. Maar geen enkel overblijfsel was er te bespeuren; zij werden nu en dan slechts misleid door den zonderlingen vorm van een rots. Wel waren er op dit strand een overvloed van schelpdieren te vinden, maar zij konden die eerst medenemen wanneer er gemeenschap bestond tusschen de beide oevers der Mercy en de middelen tot vervoer beter waren.

Na nog een paar uur geloopen te hebben, stelde Gideon Spilett zijn vrienden voor op deze plek weder halt te houden. Dit werd aangenomen, want de wandeling had aller eetlust opgewekt, en hoewel het uur voor het middagmaal nog niet geslagen was, weigerde niemand zich met een stuk vleesch te verkwikken. Zij zouden nu met eenig ander eten kunnen wachten tot zij in het Rotshuis waren teruggekeerd.

Eenige oogenblikken later waren de kolonisten onder een prachtige groep pijnboomen gezeten en verslonden zij de gerechten die hun door Nab werden voorgezet. De plek lag vijftig of zestig voet boven de oppervlakte der zee. Zij konden dus alles goed overzien, en achter de laatste rotsen van de kaap strekte zich de Unie-baai uit. Maar noch het eilandje, noch de bergvlakte van het Verre Uitzicht waren zichtbaar, en zij konden dit ook niet wezen, want de grond was hier hooger en de hooge boomen verborgen den noordelijken horizon.

Het is onnoodig er nog bij te voegen, dat ondanks de uitgestrektheid der zee, die de tochtgenooten voor zich zagen, en hoewel de ingenieur met zijn verrekijker de geheele oppervlakte, waarin hemel en water te zamen smolten had nagegaan, geen schip was te bespeuren. Zij lieten eveneens over dat geheele gedeelte der kust, dat hun nog onbekend was, den verrekijker dwalen, maar geen spoor van een wrak was er te zien.

"Kom," zeide Gideon Spilett toen, "wij moeten ons er overheen zetten en ons troosten met de gedachte, dat niemand ons het bezit van het eiland Lincoln zal komen betwisten!"

"Maar wat moeten wij dan van het hageltje denken?" vroeg Harbert. "Het was toch niet denkbeeldig."

"Om den duivel niet!" riep Pencroff uit, toen hij aan zijn verloren kies herinnerd werd.

"Tot welk besluit moeten wij dan komen? vroeg de reporter.

"Tot dit," gaf de ingenieur ten antwoord, "dat er drie maanden geleden hier een schip vrijwillig of onvrijwillig aan wal geweest is..."

"Wat, gij meent dus ook Cyrus, dat het geheel en al verzwolgen is, en er geen enkel overblijfsel is achtergebleven?" riep de reporter uit.

"Neen, beste Spilett; maar bedenk wel, indien het zeker is dat een menschelijk wezen hier voet aan wal heeft gezet, het niet minder zeker is dat hij het eiland thans weder heeft verlaten."

"Dus, als ik wel begrijp, mijnheer Cyrus," zeide Harbert, "dan is het schip weder vertrokken?"

"Waarschijnlijk wel."

"En wij hebben zulk een goede gelegenheid gemist om weder naar ons land terug te keeren," was thans Nab's opmerking.

"En die zich nimmer meer voor zal doen, vrees ik."

"Welnu, daar die gelegenheid ons ontsnapt is, laten wij dan toch maar voorwaarts gaan," zeide Pencroff, die reeds heimwee naar het Rotshuis voelde.

Maar nauwelijks had hij zich opgericht of Top deed een heftig geblaf hooren, terwijl hij uit het bosch snelde met een lap, geheel met slijk bemorst, in zijn bek. Nab rukte hem dit uit den bek. Het was een stuk stevig linnen. Top blafte nog steeds en door zijn heen en weer loopen scheen hij zijn meester te vragen om hem te volgen.

"Er moet daar iets wezen, dat misschien wel een verklaring aan mijn hagel kan geven!" riep Pencroff uit.

"Een schipbreukeling!" antwoordde Harbert.

"Misschien gewond!" zeide Nab.

"Of dood!" luidde des reporters vermoeden.

En allen volgden den hond tusschen de hooge pijnboomen, die zoo overvloedig in dit gedeelte van het bosch groeiden. Voor alle zekerheid hielden Cyrus Smith en zijn vrienden hun geweren gereed.

Zij moesten zeer diep in het bosch doordringen; maar tot hun groote teleurstelling, zagen zij nog geen enkelen indruk van een voetstap. Kreupelhout en slingerplanten waren ongeschonden, en zij moesten zelfs door middel van hun bijlen er zich door heen werken, evenals zij in het binnenste gedeelte van het bosch gedaan hadden. Het was dus niet zeer aannemelijk, dat hier een mensch zich reeds een weg had gebaand en toch liep Top heen en weer, niet als een hond die in het wilde iets zoekt, maar als een dier, dat door eigen wil gedreven wordt en een doel volgt.

Toen zij acht of negen minuten geloopen hadden, stond Top stil. De kolonisten kwamen nu op een open plaats, omringd van hooge boomen, zij namen alles rondom zich nauwkeurig op, maar zagen niets, noch onder het kreupelhout, noch tusschen de stammen van de boomen.

"Maar wat is er dan toch, Top?" vroeg Cyrus Smith.

Top blafte nog luider, en sprong tegen een hoogen pijnboom op.

Eensklaps riep Pencroff uit:

"Goed zoo! Heel goed!"

"Wat is er?" vroeg Gideon Spilett.

"Wij zoeken eenig overblijfsel van een schipbreuk in de zee of op de aarde!"

"Welnu?"

"Wij moeten het in de lucht vinden!"

De matroos wees op een grooten witten lap, die in den top van een boom hing en waarvan Top een stukje dat op den grond lag, had medegebracht.

"Maar dat is geen overblijfsel van een schip!" riep Spilett uit.

"Ik vraag u verschooning!" antwoordde Pencroff.

"Wat? Het is?...."

"Het is alles wat er van onzen luchtballon is overgebleven; onze ballon heeft zich in den top van dezen boom vastgehaakt."

Pencroff bedroog zich niet en hij uitte een luid hoezee, er bijvoegende: