Het Eiland Texel en Zijne Bewoners
Part 7
Nadat den Hoorn eerst bediend was door den predikant van het geheele eiland, verbleef het bij Den Burg tot aan 1619, toen het een eigen predikant bekwam in Willem Barents, die echter in het volgende jaar reeds overleed. Gedurende de dienst van Aris Goossen, te Burg en Hoorn, welke in 1599 beroepen en in 1624 Emeritus werd, is Den Hoorn derhalve van Den Burg gescheiden.--De Hervormde kerk was vroeger eene kapel, welke later eene parochiekerk werd. Deze kerk is een klein, doch betrekkelijk hoog gebouw zonder orgel, doch versierd met eenen spitsen toren, welke tot baak in zee dient, en daarom door het Departement van Marine onderhouden wordt.
De gemeente der Doopsgezinden alhier, staat geheel op zich zelve, en telt ongeveer 60 ledematen, met een eigen leeraar en een klein bedehuis, dat aan den ingang van het dorp staat.
De Roomschgezinden, die hier bijna evenveel communicanten tellen, zijn kerkelijk vereenigd met die gemeente aan Den Burg.
Het aantal leerlingen der openbare school bedraagt 90 à 100.
In 1744, toen Den Hoorn zich in eene algemeene welvaart mogt verheugen, werd er een gasthuis voor onvermogenden gesticht, terwijl Mejufvrouw Aaltje de Keijzer, weduwe van den Predikant dezer gemeente Hendrik Schutte, in 1839, een huis en tuin vermaakt heeft, om tot predikantswoning te dienen.
Vooral is Den Hoorn bekend als de geboorteplaats van den beroemden dichter en romanschrijver Loosjes, die hier den 15 Mei 1761 het levenslicht aanschouwde.--
In de nabijheid van Den Hoorn plagten vroeger twee bedijkte polders te zijn, de Binnen- en Buitenkuil genoemd, waarvan de eerste nog bestaat; terwijl de laatste reeds lang vernietigd is.--
Zuidwaarts van daar, stond oudtijds nog een dorp, den Ouden Hoorn genoemd; dit dorp is echter reeds in 1398 door de Friezen verbrand.--
5. Het voormalige dorp Den Westen.
Weinige zijn de overblijfsels van dit oudtijds zoo schoone dorp, dat thans vereenigd is met Den Hoorn.
De overgebleven groote en hooge Westertoren, waarvan in 1710 de spits is afgeslagen, en de weinige, hier en daar verspreid staande, huizen, doen ons vooronderstellen, dat Den Westen vroeger een der voornaamste dorpen van het eiland moet geweest zijn.
Men zegt, dat bij eene landing der Watergeuzen, in het begin van Maart 1571, het huis van den schout en de kerk zouden verbrand zijn; ook dat het dorp Den Westen, door de Spanjaarden verbrand zoude zijn, waarvoor echter geen andere grond van waarschijnlijkheid is, dan dat er voorheen, omtrent Den Hors, een inham is geweest, het Spanjaardsgat genoemd. In 1514 was hier zekeren pastoor Willem van Alkmaar, die hier een huis benevens 18 morgen en 22 perceelen lands in eigendom bezat; en ofschoon hij in zijne pastorij niet woonde, trok hij nog 66 Rijnguldens 's jaars.
Niet verre van den Westertoren ligt het eenige gewijde kerkhof van Texel.
Op den 31 December telde men hier slechts 15 huizen met 84 bewoners.
6. De Koog.
Dit plaatsje, 1 1/4 ure van Den Burg verwijderd, telt tegenwoordig slechts een 17-tal huizen, bewoond door ruim 70 menschen. Het ligt in eenen lossen zandgrond, is onbestraat, en zonder boom of heester.--Volgens hetgene mij verhaald werd, was dit dorpje weleer eene zeer bloeijende plaats, alwaar zich vele menschen gevestigd hadden, die zich van de toen aldaar uitgebreide visscherij onderhielden. Inzonderheid bloeide dit dorpje, toen de groote visscherij of walvischvangst haren hoogsten top bereikt had, toen een aanzienlijk getal commandeurs van de Groenlandsvaarders hier hun verblijf hielden, en leven en welvaart over dit dorp verspreidden; ja, men zegt, dat de Koog vroeger zelfs de hoofdplaats des eilands moet geweest zijn, 't geen echter te betwijfelen is, aangezien Den Burg, oudtijds versterkt en met poorten voorzien, meer tot verblijf der regering, en dus tot hoofdplaats, geschikt was.--
Dan, wat daarvan ook zijn moge, het afnemen door de zee, van uitgestrekte buitenlanden of uiterwaarden, ten N. W. van De Koog, het verval of verplaatsen der visscherij en scheepvaart, enz. heeft deze plaats bijna geheel doen verdwijnen; en het is alleen aan de overgeblevene kerk, den rang van dorp nog te danken, daar het, na de zeer belangrijke afneming in de laatste 50 of 60 jaren, naauwelijks op den naam van gehucht aanspraak zoude kunnen maken.
Aan De Koog is zelfs geen spoor meer overig van de visscherij en zeevaart, vroeger zijne mildvloeijende bronnen.
De weinige inwoners, welke zich thans hoofdzakelijk op de veeteelt, en bepaaldelijk op de schapenfokkerij toeleggen, leven zeer eenvoudig. Jammer maar, dat de gesteldheid van den grond in deze streek, zoo schraal en door gebrek aan behoorlijke waterleiding zoo ongezond, of, zoo als men hier zegt ongans, is. Vooral noordwaarts van hier, op het zoogenaamde Koogerveld, vindt men moergronden met pollen en spichtig gras.
Het Kooger kerkje is een vrij net, doch klein steenen gebouw, voorzien van een houten koepeltorentje en uurwerk.
De eerste leeraar welke hier het predikambt bekleedde, was Petrus Serooskerke, die hier in 1632 beroepen werd, en in 1637 overleed.--Na den dood van den predikant Henricus Lambertus Glasvoort, die op den 7 October 1808 overleed, zijn de Hervormden gecombineerd met de Waal. De Roomschgezinden behooren tot de gemeente van Den Burg, terwijl de weinige Doopsgezinden, mede tot die van Den Burg behooren.--Het aantal leerlingen der openbare school aldaar, bedraagt gemiddeld 30 kinderen, zoo van het dorpje zelf, als van het omliggende veld.--
Oude lieden weten, bij overlevering, dat de Koog zich heeft uitgestrekt tot de oude kerk, welke echter, blijkens de afbraak en het kerkhof, slechts klein moet zijn geweest.
De visschers geven den naam van Noord-Koog aan eene plaats in de Zuiderzee, Z. Z. O. van De Koog gelegen, waar men, naar men zegt, nog heden eenen weg van duifsteen vindt. Dezelve ligt ééne mijl van den Texelschen wal af, en is, naar gissing, 3/4 mijl lang. Deze plaats wordt ook wel de Straat genoemd.--
7. Oostereind.
Dit dorp, ook wel Oosterend of Oosteinde genoemd, ligt 1 1/2 uur N. N. O. van Den Burg. Het heeft, omgeven door veel houtgewas en net aangelegde tuinen, geen onbevallig voorkomen, en bevatte, op 1 Januarij 1856, ruim 500 inwoners en 160 huizen.
Het is wel bebouwd, heeft de oostelijkste ligging, en is na Den Burg, de grootste plaats des eilands; behoorende daartoe ook het gehucht, Het Nieuwe Schild.
Oestervisscherij, veeteelt, en eenigen landbouw, maken de hoofdmiddelen van het bestaan der inwoners uit. De Hervormden, het grootste gedeelte der bewoners, maken eene gemeente uit, welke tot den ring Burg op Texel, behoort. De eerste predikant, die hier het leeraarsambt bekleedde was Wessel Verruhert, in 1666 daar bevestigd, en in 1702 overleden. Vóór de Reformatie was de kerk toegewijd aan St. Martinus, en werd begeven door de Graven van Holland. Over deze begeving ontstond weleer twist tusschen den Stadhouder der Graven en den onderpastoor van Haarlem, welke laatste beweerde, de pastorij verkregen te hebben van den Heer van IJsselstein, als Stadhouder van Holland, terwijl de aanstelling gehaald moest worden bij den Aartsdiaken der Utrechtsche kerk.--Deze pastorij was toen belast met eene laste van zestig of zeventig Rijnsche guldens, (f 80 à f 90); doch de pastoor die er zijn verblijf hield, genoot daarvan niet meer dan vier pond groot (f 4.).
Ook het kosteraat werd door de Graven begeven en had een half morgen, dat gemiddeld eene som van drie Rijnsche guldens (f 4,20), opbragt. De kerk is een groot kruisgebouw, welks muren meerendeels van duifsteen zijn opgetrokken, en welks ouden zwaren duifsteenen toren, die sedert onheugelijke jaren van zijnen spits beroofd was, afgebroken en van gele steen herbouwd is. Volgens eene overlevering, waarvan ook melding wordt gemaakt in de Chronijk van Medemblik, moet in die kerk een beeld van den Heiligen Nicolaas gestaan hebben, hetwelk zoo groot van omvang was, dat de muur der kerk moest worden doorgebroken, om het er uit te halen.--Dit beeld zou daarna op het kerkhof verbrand zijn geworden.
Verreweg het grootste gedeelte der huizen staat in eenen wijden kring om de kerk gebouwd, en langs het kerkhof, dat met een muur omgeven is, staat eene rij opgaande lindeboomen, welke de kom van het dorp zeer versieren.
De leden der Doopsgezinde kerk, welke hier verblijf houden, behooren tot de gemeente Burg- Waal- en Oostereind terwijl de R. K. tot de gemeente aan Den Burg behooren.
8. Het Nieuwe Schild.
Dit gehucht, kerkelijk vereenigd met het dorp Oostereind, en van daar 1/2 uur verwijderd, werd vroeger hoofdzakelijk door loodsen bewoond, die algemeen bekend stonden voor zeer ijverige, bekwame en koene zeelieden, wier woonplaats hier zeer geschikt gelegen was om de schepen te loodsen, die van Amsterdam kwamen en op den Vlieter lagen.
In dit gehucht, dat weleer een 50 tal woningen telde, zijn er thans niet meer dan 4, te zamen bewoond door 35 zielen. De opkomst van het Nieuwe Diep, welke eerst eene gedeeltelijke, en daarna eene algeheele verplaatsing van den loodsmansstand ten gevolge had, was oorzaak van het verval van deze plaats, die hare eerste opkomst te danken had aan de overbevolking van het oude Schild. Oostwaarts van dit gehucht is in 1844 eene nieuwe haven aangelegd voor oestersvisschers, voornamelijk bekostigd door Rijks- Provinciale- en Gemeente-subsidiën.--Bij deze haven, die thans echter weder in verval is geraakt, is onlangs eene ijzeren baak opgerigt ten dienste van de schepen, die, uit de Zuiderzee komende, deze plaats passeeren.--Vroeger bestond hier eene kleine helling om de loodsschuiten te herstellen, alsmede een gebouw op steenen voet, hetwelk gebezigd werd als Magazijn, ter berging van goederen, als ook van gereedschappen en bouwstoffen ter herstelling van de dijken en zeeweringen.
9. Oost.
Even als het Nieuwe Schild, behoort ook het gehucht Oost, dat vroeger Om de Oost werd geheeten, tot het dorp Oostereind. Waarschijnlijk ontleent het dezen naam van wege zijne ligging op de Oostpunt van het eiland. Het bestaat uit omstreeks 40 woningen en telt 268 inwoners, welke deels in visscherij, deels in landbouw en veeteelt, hun bestaan vinden. [29]--
10. De Cocksdorp.
Dit dorp, op het nu met Texel vereenigde Eijerland aangelegd, en aldus genoemd naar wijlen den Heer J. J. de Cock, van Rotterdam, ligt 2 3/4 uur N. O. van den Burg, nabij de Roggesloot, op eenen zandgrond. Het telde ten jare 1841 een 20-tal woningen met 120 bewoners; behalve de school, die toen door 40 à 50 leerlingen werd bezocht, benevens eene met vlas overdekte koren- en pelmolen, eene wagenmakerij, smederij en broodbakkerij.
Sedert heeft deze plaats vele uitbreiding ondergaan, zoodat men er thans 53 huizen en eene bevolking van 276 zielen telt; bevattende de geheele polder Eijerland 140 huizen met 1000 bewoners.--Door deze uitbreiding wordt de bovengenoemde school thans door 120 kinderen bezocht, terwijl er in 1853, door het Gemeentebestuur van Texel, eene tweede school en onderwijzerswoning in het zuidelijk deel van den polder is gesticht, die gemiddeld 100 leerlingen telt.
De Hervormden, die tot de gemeente Eijerland behooren, hebben hier eene kleine kerk en pastorie, welke beiden in 1839 zijn gebouwd. De eerste is voorzien van eenen kleinen naaldtoren, terwijl den 19 Maart 1842, eene particuliere woning, na tot een bedehuis voor de R. K. te zijn ingerigt, ingewijd is en bediend wordt door pastoor G. van den Bosch.
De eerste leeraar, die bij de Herv. gemeente het leeraarsambt heeft bediend, is Pieter Haesebroek, die in 1841 herwaarts beroepen is.
De net aangelegde begraafplaats ligt dáár, waar de dorpsweg zich door eene bevallige kromming met den postweg vereenigt.--Vroeger stond hier een groot steenen magazijn, dat thans is veranderd in eene bouwmanswoning, Dijkzigt geheeten.
Men heeft te Cocksdorp ook eene Afdeeling der Maatschappij, t. N. V. 't. A. dat in 1837 is opgerigt, terwijl er eene jaarmarkt gehouden wordt op den tweeden Pinksterdag.
De bewoners vinden hun bestaan, deels in den landbouw, en deels in de schelpvisscherij. Vele duizende kubiek ellen schelpen worden jaarlijks door hen van de zandbanken, tusschen Texel en Vlieland, gehaald, die naar verschillende oorden in ons vaderland, meerendeels voor de kalkbranderijen en ook voor het aanleggen en onderhouden van kunstwegen, vervoerd worden.
11. De Waal.
Ofschoon de tijd der stichting van dit dorpje niet met zekerheid te bepalen is, zoo is het niet te min hoogst waarschijnlijk, dat het van zeer ouden oorsprong is. De Hervormde kerk, die aan de Noordzijde nog grootendeels uit duifsteen bestaat, en op eene aanmerkelijke hoogte gelegen is, pleit o.i. voor eene oude stichting.--Ook de Doopsgezinden hebben hier eene kerk, waarvan echter het in- of uitwendige niets bijzonders oplevert.
Landbouw en veeteelt maken het hoofdbedrijf der 131 inwoners uit, die hier in 32 huizen wonen en te zamen een 36tal huisgezinnen uitmaken. De openbare school wordt gemiddeld door 40 leerlingen bezocht.
In het laatste gedeelte der vorige eeuw, werd alhier, beoosten het dorp, eene tumulus of oude Romeinsche begraafplaats gevonden, waarvan wij bereids gesproken hebben. [30]
Behalve de beschrevene plaatsen, zijn er nog eenige weinig beteekenende buurtschappen op Texel, waarvan eigenlijk geene bijzonderheden zijn mede te deelen. Het aantal huizen en bewoners is opgenomen in de Staat van Bevolking, welke wij op bladz. 11 gegeven hebben.
Deze buurtschappen zijn:
1. Zevenhuizen, Noordwaarts gelegen van Oostereind. 2. Harkenbuurt, Z.O.waarts gelegen van Oostereind. 3. Spang, N.O.waarts gelegen van de Waal. 4. Molenbuurt, Noordelijk gelegen van de Waal. 5. Burgen, Noordelijk gelegen van de Waal. 6. Dijkmanshuizen, Noordwaarts gelegen van het O. Schild. 7. Zuidhaffel, Oostwaarts gelegen van den Burg. 8. Westergeest, en 9. De Hooge Berg, waarvan wij bereids gesproken hebben, bij het O. Schild.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE VOORNAAMSTE TEXELSCHE POLDERS.
1. De Prins-Hendrik-Polder.
Deze polder ligt in den Z. O. hoek van het eiland, en werd reeds ten jare 1769, onder den naam van Polder Hoorn en Burg, ingedijkt. Deze bedijking moest echter reeds spoedig zoodanig gewijzigd worden, dat het middengedeelte van den dijk veelmeer binnenwaarts moest verlegd worden, omdat door eene inbraak, eene groote diepte was veroorzaakt.
Ook in 1776 leed deze polder veel van stormvloeden, en werd in 1796 geheel geïnundeerd, en der baren prijs gelaten.--
Vóór dien tijd was hij hoogst waarschijnlijk voorzien van eene uitwateringsluis, en werd droog gehouden door twee kleine watermolens. Voorts bevonden er zich twee kapitale gebouwen, nabij den Griedijk, waarvan de sporen lang zigtbaar zijn gebleven, en waarvan het grootste den naam draagt van het Heerenhuis. Ook nabij de duinen, is, in het huis Hooren en Burg, een overblijfsel van dien poldernaam bewaard gebleven. De eigenaar van dit gebouw, dat door eenen dijk tegen stormvloeden werd beveiligd, kocht in 1823, een gedeelte van de daarbij liggende domaniale goederen, welke, liggende op eene hoogte van 0,70 el boven vol zee, met elken stormvloed onderliepen. Er tierde echter eene soort van fijn gras op, dat uitnemend voor schapenweide geschikt was.
Genoemde polder was door drie wegen doorsneden, onderling op gelijken afstand van elkander verwijderd; terwijl een dwarsweg midden door den polder, van den Griedijk naar den buitendijk, was opgeworpen; met de verdere indeelingen van dezen polder, was hij in 264 percelen gesplitst, waarvan een vierde tot bouw-, en het overige tot weiland, vooral voor schapen, werd gebruikt. De tarwe, inzonderheid, die er geteeld werd, was uitmuntend.--De bebouwde gronden grensden aan het Hoorner Nieuwland, het Grie en het Weezenspijk.--
In 1846 werd aan den Heer P. Langeveld, C. S., te Texel, concessie verleend tot wederindijking van voornoemde gronden, en wel, onder den naam van Prins Hendrik Polder. Na getroffen overeenkomsten met den aangrenzenden eigenaar D. de Graaf, het dijkskollegie van Texel en andere besturen, werd eene maatschappij met 60 aandeelen opgerigt. Naar het plan van den bekwamen opzigter en landmeter, P. van der Sterr, werd de sluis aangenomen door J. van Haaften & Co. van Sliedrecht, voor eene som van f 16,600, welke in September 1847 voltooid was. Met het begin van 1847 werd eenen aanvang gemaakt met het leggen van den dijk, die niet publiek werd aanbesteed, maar door concessionarissen en deelhebbers, met een genoegzaam aantal werklieden gemaakt zoude worden. Gebrek aan rijs, en andere bijkomende omstandigheden, werkten echter zoodanig tegen, dat de dijk niet vóór den winter gereed konde zijn, dien dan ook in dit barre getijde, groote schade werd toegebragt door elken buitengewonen vloed en harden wind. Daarom besloot men de verdere voltooijing van den dijk, ter lengte van 3522 el, aan te besteden, ten gevolge waarvan de aanneming geschiedde door A. Visser, Pz. en Co., van Sliedrecht, om denzelven vóór of op 1 Augustus 1848 te voltooijen. Medio Julij echter was de dijk reeds voltooid, opgenomen en goedgekeurd.
In het begin van 1848, werden er 42 aandeelen aangekocht door Z. K. H. Prins Alexander der Nederlanden; terwijl de overige aandeelen werden vertegenwoordigd door Jhr. P. A. Reuchlin, te Tiel.
Het verdere beheer en toezigt over de werken van verkaveling, bemaling en voltooijing, werd vervolgens opgedragen aan den Ingenieur van den Waterstaat Jhr. J. Ortt van Schonauwen [31], door wien het bouwen van eenen vijzelwatermolen, en andere werken werd aanbesteed.--Daarna werd de polder opgemeten, in kaart gebragt, en het op de kaart voorgestelde plan van verkaveling goedgekeurd; welke verkaveling den 20 September 1848 werd aanbesteed.--
Reeds bevorens, in Maart, was de opbouw eener boerderij aanbesteed geworden, welke werken allen, uitgezonderd een gering gedeelte der verkaveling, in den loop deszelfden jaars werden voltooid; terwijl men in het begin van 1849, het ingesloten water, reeds tot 0,20 el beneden het laagste land, had uitgemalen.--
De bedijking van den Prins Hendrik-polder, had echter vier der duikersluisjes, welke in de dijken der omliggende polders tot uitwatering dienden, ingesloten en buiten effect gesteld, waardoor men dus genoodzaakt werd om sluizen te bouwen in den dijk des nieuwen polders.--Diensvolgens besloot men, ééne sluis met drie openingen daar te stellen, om door gezamenlijke uitstrooming, buiten beter diepte te kunnen behouden. De grootste of noordelijke dezer openingen dient alsnu tot ontlasting van het water uit de oude landen van Texel, dat voor de Zuidhaffeldersluis gelegen in den Texelschen zeedijk, nabij de Redoute wordt aangevoerd; de middelste opening dient regtstreeks tot uitwatering van den Prins Hendrik-polder zelven, terwijl eindelijk de derde of zuidelijke opening tot lozing van het water in de polders Hoorner-Nieuwland en Buitendijk dient.--Midden door den polder heeft men eenen hoofdweg gelegd ter breedte van 9 ellen, benevens twee kruiswegen, welke den eersten regthoekig snijden, en strekkende tot naaste communicatie met de sluis en den gemeenteweg, tusschen de dorpen den Burg en den Hoorn, terwijl de hoofdweg eene zeer geschikte gelegenheid aanbiedt tot vervoer van goederen en gewassen, van en naar den beschelpten Texelschen zeedijk, en verder van en naar de haven van het eiland.
De polder is verdeeld in 22 kavels, ieder van 20 bunders, uitgenomen de eerste en laatste kavel, welke eene kleinere oppervlakte hebben; iedere kavel is weder verdeeld in 3 of 4 onderdeelen.
De oppervlakte van den Prins-Hendrik-polder is vrij effen en vlak. Het hoogste gedeelte vindt men langs de dijken van het Hoorner-Nieuwland, de Grie en het Weezenspijk. De geheele oppervlakte beslaat 430 bunders; de eene helft klei-, de andere zandgrond.
Door de bedijking van den genoemden polder, zijn ook de landen van wijlen D. de Graaf, ter grootte van ongeveer 60 bunders, ingesloten. Deze waren in 1848 reeds grootendeels bebouwd met tarwe, winter-koolzaad, rogge en garst, welke gewassen eenen voordeeligen oogst hebben opgeleverd. Ook buiten den dijk van den polder, aan het Horntje, bezat genoemde D. de Graaf eenige landerijen, groot 16 bunders, welke mede in 1848 bedijkt zijn, waarbij voor een gedeelte gebruik is gemaakt van den nog overgebleven dijk van 1769.
Behalve de landhoeve, die voor rekening van Z. K. H. Prins Hendrik in 1848 op Kavel No. 19 werd gebouwd, liet Jhr. P. A. Reuchlin, op Kavel No. 20, mede eene aanzienlijke boerderij zetten, terwijl er mede in dit jaar, ook op de landerijen van D. de Graaf, eene bouwhoeve is gesticht.
Aldus erlangde Texel, door de bedijking van den Prins-Hendrik-polder, eene belangrijke aanwinst, naardien daardoor bijna 530 bunders lands aan de zee ontwoekerd zijn.
2. Eijerland,
Aldus genoemd naar het verbazend groot aantal eijeren, dat hier in vroegere jaren gevonden werd [32], was vroeger een afzonderlijk eiland. Thans maakt het, vereenigd met Texel, waarmede het nu verbonden is, het grootste van de reeks eilanden uit, welke zich van Hollands Noordelijken uithoek tot naar den mond der Elve, uitstrekken en die de overblijfselen uitmaken van den aaneengeschakelden duinzoom, die oudtijds ook aan onze Noordkust, de binnenlanden tegen de woede van den Oceaan gedekt heeft. Weleer bestond het Eijerland uit de van ouds bekende Duinkom, gevormd door diluvische of oorspronkelijke gronden, (waarop het geheel op zich zelf staande Eijerlandshuis [33] gevonden wordt), en het tusschen dit Eijerland en Texel gelegene Buitenveld, zijnde een aangeslibte grond.
Dit buitenveld bestond uit onbegroesde zandvlakten en begroesde kweldergronden, waaruit zich oostwaarts eene menigte natuurlijke kreken, hier zwennen of slufters genoemd, ontlastten, en waarvan de zuidelijkste of de Hoogezands-kil, benevens de Noordelijkste of de botrijke Roggesloot, de voornaamste waren.
Vóór ongeveer twee eeuwen spoelde het Noordzeewater, bij spring- en stormgetijden, over deze door de aanslibbing der zee, opgehoogde tusschenruimte, waarover het zich eenen weg naar den boezem der Zuiderzee baande. Dit veranderde echter in de jaren 1629 en 1630, toen Oud-Eijerland, door het opwerpen van eenen zanddam over die vlakte, met het eiland Texel werd verbonden. Deze dam, welke thans onder de benaming van Zanddijk bekend staat, vertoont zich nu als eene duinketen, welke zich, ter hoogte van 18 tot 25 ellen, in eene regte lijn uitstrekt van Maikeduin, noordelijk van de Koogerduinen, tot voorbij Zanddijkshuis aan Oosterduin, over eene lengte van ongeveer 4700 ellen. Tot welke hoogte deze zanddijk oorspronkelijk opgeworpen zij, is niet bekend; dit echter is zeker, dat hij zijne tegenwoordige hoogte erlangd heeft, zoo door natuurlijke opstuiving, als door kunstmatige helmbeplanting, welke nog heden ten dage, op last der provinciale overheid, jaarlijks met de meeste zorg wordt onderhouden.