Het Eiland Texel en Zijne Bewoners

Part 6

Chapter 63,850 wordsPublic domain

De stichter van dezen Burg was, zoo men wil, de Romeinsche Veldheer Drusus, waarvan het bewijs nog aanwezig is, zoo in den naam der plaats zelven, als in de grafheuvels en andere oudheden, welken, in deze streken gevonden, van het verblijf der Romeinen in dezen omtrek getuigen.

In vroegeren tijd, schijnt de Burg omgeven te zijn geweest met wallen, schansen en poorten, een en ander ingesloten door eene breede gracht, van welke thans nog eene ondiepe, den Binnenburg gedeeltelijk omringende sloot, is overgebleven. [26]

De kom van het tegenwoordige dorp De Burg, waarbij men twee korenmolens en eene pelmolen, en waarin men twee grutterijen heeft, telt thans 272 huizen, bewoond door 1359 zielen, terwijl daarenboven nog ruim 50 boerenplaatsen met ongeveer 260 bewoners, tot zijn gebied behooren.--

De ligging van dit dorp, ten Noorden op 4, ten Westen op 2 uren, en ten Oosten en Zuiden op 1 uur afstand van de zee verwijderd, is aan alle zijden regt bevallig te noemen, en inzonderheid is het voorkomen van Den Burg, aan den kant van het Schild-pad, allezins fraai, aangezien de smaakvolle woningen bevallig onder het lommer van hoogopgaand geboomte verscholen liggen. Het dorp is regelmatig aangelegd, bijna in den vorm van eenen cirkel, waarvan de kerk der Hervormden het middelpunt uitmaakt. Dit gebouw, op het hoogste gedeelte van Den Burg gelegen, is, ofschoon reeds zeer oud, echter nog zeer hecht en van zwaar metselwerk voorzien. Het heeft een koor waarvan, volgens eene aanteekening, in 1470 de eerste grondslagen gelegd werden, en dat omstreeks 1481 volbouwd werd. In 1539 viel de spits van den toren in, die eerst in 1604 van steen weder werd opgetrokken. Het geheele gebouw is, binnenwerks, lang 34.25 Ned. ellen, en heeft bij eene breedte van 18, eene hoogte van 21 ellen.--Haar inwendig gedeelte prijkt met eenen fraai bewerkten predikstoel en een schoon, welluidend orgel.--Vroeger hingen er vele wapenborden in van het oude geslacht der Neijenburgen, terwijl de daaraangebragte versierselen betrekking hadden op zeeofficieren, die in de zeeslagen van 1666, en daaraanvolgende jaren, gesneuveld, en hier begraven zijn.--Naast den predikstoel hangt een bord, waarop het volgende geschreven staat:

Dit Bort is aan deese kerk verëerd tot een gedagtenis aan Lijsbet de Bruijn, vroedvrouw, overleden alhier MIC[C]CCI. Hier rust zij die 27 jaar Haar dienst nam trouwelijk hier waar En drie jaar buiten, tot God Haar door de dood. Tot droefheid van mans en vrouwen, weer 't huis ontboot. Lijsbeth Jans heeft gehaald 1765 kinderen.

terwijl op eene zerk dit zonderlinge grafschrift staat uitgehouwen:

Wie dat A. H. D. dit graf beschouwt, en denkt op de uitverkooren, wat dat dit voorbeeld is, dat niemand kan ontgaan, de geessel van Gods roe deed ons van D' dood ontslaan, doen Christus voor ons leed door Dirk van Hagendoorn.

De kerk vroeger zonder zoldering of verwulf, werd in 1851 van een houten plafond voorzien. De toren heeft, met de spits, eene hoogte van ruim 37 ellen. Van den omgang heeft men een zeer schoon gezigt over het geheele eiland.--Volgens een oud handschrift, was de kerk vóór de Hervorming gewijd aan den H. Johannes den Dooper, doch volgens eene andere oorkonde, welke meer met de waarheid schijnt overeen te komen, en afkomstig is van den 60e Bisschop van Utrecht, Georgius van Egmond, wordt gezegd, dat zij op den naam van Paus Sixtus is ingewijd. In later tijd, en bepaaldelijk ten tijde van Filips den Goede, Hertog van Bourgondië, is zij met Onze Lieve Vrouwe Kapittel te 's Gravenhage vereenigd. Er was een altaar in van St. Anna, en een St. Anna's Gilde, alsmede een altaar van St. Jacobus, waaraan eene vikarij was verbonden, welke door de Graven van Holland begeven werd.--Gemelde vikarij was belast met twee missen per week, en bragt jaarlijks 16 rijnguldens op.--Deze kerk daarna, ter oorzake van bloedstorting, onder het interdict vervallen zijnde, werd daarvan, door de reeds genoemden Georgius van Egmond, bij eenen openen brief ontheven. In dezen brief gaf hij aan de hoofdlieden van St. Anna's Gilde en van de kerk aan den Burg, verlof, om in die kerk de misse op eenen gewijden draagsteen te doen lezen.--

De Roomsch-gezinden, welke hier ruim 460 in getal zijn, maken, met die van de Koog en de Waal, eene gemeente uit. Zij bezitten hier eene zeer nette kerk, welke aan den H. Johannes den Dooper is toegewijd; staande aan de westzijde van het dorp. Het orgel is in 1840 vernieuwd.--

Vroeger stond op eenigen afstand van het dorp, op de eigenlijke hoogte van den zoogenoemden Hoogen berg, eene kapel, welke, naar men wil, tot het Klooster der Tempelieren behoord heeft.--Dit gevoelen wordt echter wederlegd door anderen, die de plaats van dat Klooster elders aanwijzen, namelijk in den polder Gerritsland. Deze kapel is later tot een woonhuis of herberg ingerigt, en diende tot een baken in de Zuiderzee. De tand des tijds heeft echter ook op dit gebouw zijnen vernielenden invloed zoo zeer uitgeoefend, dat daarvan in 1800 zelfs geen spoor meer overig was.

De Doopsgezinde gemeente, welke op Texel 450 leden telt, is vereenigd met die van Waal en Oostereind. Zij heeft hier eene ruime kerk; doch zonder orgel of toren.--

Het vroegere Raadhuis aan Den Burg, een ouderwetsch en zeer bekrompen gebouw, welks stichting van het jaar 1611 dagteekent, is in 1841 door een ander gebouw vervangen, dat als Raadhuis allezins doelmatig kan genoemd worden. Inzonderheid trekt de zoogenaamde Raadzaal de aandacht, zoowel door hare ruimte, als door hare smaakvolle versiering.--Men vindt in een der vertrekken twee levensgroote portretten van de Nederlandsche vlootvoogden De Ruiter en Tromp. In de nabijheid van het Raadhuis staat eene, sedert 1836 herbouwde, overdekte vischmarkt.--

In de nabijheid der Hervormde Kerk, in het Zuidoostelijk deel van het dorp, stond vroeger een Nonnenklooster, waarbij een kerkje, toegewijd aan de H. Agnes. Dit klooster, in 1572 door de bewoneressen verlaten zijnde, werd door Prins Willem I aan het eiland Texel afgestaan, om het tot een Algemeen Weeshuis in te rigten; waartoe het nog dient.--In de archieven van dat gesticht bevindt zich nog een geschrift, waarbij de overgifte van meergemeld gebouw beschreven staat, en tevens een naïf verhaal bevat van de rampspoedige reis der twee Texelsche burgemeesteren, in 1573 naar Delft, aan den Prins gecommitteerd, om het St. Agnieten Klooster, gelegen binnen Den Burg, tot een Weeshuis te verzoeken.

De bekwame en ijverige Archivarius Dr. P. Scheltema, maakt ook melding van dat stuk, in de Bijdragen voor Vaderl. Geschiedenis en Oudheidkunde, deel IX, alwaar wij het volgende lezen:

"Het Huis op het Eiland Texel, hetwelk eertijds gebouwd was door de Gravin van Holland, genaamd Vrouw Jacoba, plagt na haren dood bewoond te worden door den Schout van Texel. In het jaar, toen men schreef 1571, is er een groot oproer gerezen in den lande van Holland, te weten, tusschen de twee partijen die genoemd worden, de eene partij, de Papisten, en de andere, de Geuzen. Dit was ter oorzake van de religie.--De Geuzen hebben met vier en dertig oorlogschepen alhier in het Marsdiep gelegen, en zijn met hunne magt aan land gekomen. Zij hebben tegen die van den Burg gevochten, en de burgers moesten de vlugt nemen. Toen werd het voorzegde huis verbrand. Na dien tijd was er een officier, genaamd Jacob de Koning, van Haarlem, die in den Haag, aan de kamer van de rekeningen in Holland verzocht, om zijne woonplaats te mogen hebben, in het klooster aan den Burg, hetgeen hem bij provisie vergund werd. Wanneer de burgemeesteren van Texel dit vernamen, is daarop vergaderd het oude en nieuwe geregt, in den jare toen men schreef 1573. Eendragtelijk is besloten en geordonneerd, dat men de twee burgemeesteren zou committeren, om te trekken naar den Prins van Oranje, als toen zijnde Stadhouder van Holland, bij afwezigheid van den Graaf van Holland, Koning van Spanje, genaamd Philippus, den zoon van den Keizer Carolus Quintus, ten einde het voorzegde klooster te mogen verkrijgen tot een weeshuis, zoo ook de renten daarvan. Derhalve zijn de twee onderschreven mannen daartoe gecommitteerd.

Alstoen was er een groote oorlog in Holland, zoodat de eene stad tegen andere opstond, en het eene dorp tegen het andere, alzoo was in dien tijd de stad Haarlem vijandig tegen het eiland Texel.

De Haarlemmers hadden hunne vrijbuiters liggen bij Zandvoort, voor het duin. Deze voeren met kagen en schuiten op zee, om de schepen te nemen, die uit het Marsdiep naar de Maas voeren. Om deze vrijbuiters te vermijden, zijn de voorschreven mannen met een galjoot zoo verre van het strand afgevaren, dat wij slechts even de duinen boven het water mogten zien toppen.

Wanneer wij omtrent Zandvoort waren, zoo is er een Schip uit zee gekomen, naar ons toehoudende. Bij ons gekomen, bleek het een vrijbuiter te zijn.

"Op het Schip stond de kapitein met een slagzwaard, het zwaaijende met beide handen. Hij riep met luider stemme, dat wij onze zeilen zouden strijken, en liet met bassen en roeren door de zeilen en de schuit schieten, zoodat de laatste lek werd, en het water er door heen liep. Toen dacht hij ons te overzeilen. Een man uit ons schip riep: "Voor wien zullen wij strijken, voor den Prins van Oranje of voor den Duc d'Alba?" De kapitein antwoordde: "Ik weet van Prins, noch van Duc d'Alba, strijk!" In onze schuit was de vrouw des schrijvers van den graaf van der Marck; deze riep uit: "Schipper, strijk, want ik ben geschoten!" Ik, Hendrik Albertsz, zat ter zijde van die vrouw, en het water liep van het schieten tusschen ons beiden door de schuit.

Achter werd bij den man, die aan het roer stond, een stuk uit het boord geschoten. Wanneer de vrijbuiter ons zoo na kwam, riepen wij allen te gelijk: "Schipper, strijk!" en toen streek onze schipper het zeil. Daarop leiden zij bij ons aan boord en overvielen ons met rapieren in de hand en met rondassen voor de borst. Ons slaande, zeiden zij: "Fluks over in ons schip!" Allen moesten wij te gelijk over, niet wetende, in wiens handen wij waren. Ik Hendrik voorschreven, kreeg een' slag met een rapier op mijn schouder, zoodat ik meende, mijn' arm kwijt te wezen, doch tot mijn geluk had men mij met het plat geslagen. Toen waren wij al te zamen gevangen. Wij waren vier of vijfentwintig personen sterk, en moesten allen in het vooronder van het oorlogschip. Bij het overklimmen viel er een man over boord, het was een brievendrager van des Prinsen broeder, graaf Lodewijk, die met brieven uit Duitschland van Nassau kwam. Als wij hen gebeden hadden, dat zij hem bergen zouden, kregen zij hem vast aan een touwtje, waarmede hij opgehaald werd, maar zijne brieven wierpen zij in zee. "Daarover moet God zich erbarmen," zeide de bode, "daar hangen landen en luiden aan!" De voorzegde schrijversvrouw gevraagd zijnde, of zij gekwetst was, antwoordde: "Ik ben geschoten door mijne kleederen, doch niet gekwetst." Terwijl wij nu als gevangen waren in het donker van het schip, zoo kwam er door een luikje, hetwelk zoo groot was, dat er juist eene hand door kon, eene stem, zeggende: "Is er ook iemand van de gevangenen, die geld heeft, deze geve het aan mij, want ik ben een gevangen man, even als gij zijt; gij zult allen straks geplunderd worden. Ik ben een schipper uit Waterland, zij zijn met mijn schip weggezeild; en als gij mede geplunderd zijt, zal ik met ulieden aan land varen." Maar niemand van ons gaf hem zijn geld, hem niet betrouwende, en denkende, dat hij een vrijbuiter was. Toen deed hij het luikje weder toe, en ging van ons weg. Kort daarop werd er een groot luik open gedaan, en men zeide tot ons: "Laat een van de gevangenen voorkomen!" doch elk vreesde om de eerste te zijn. Eindelijk ging er een van de voorsten, die geplunderd en doorzocht werd. Daarna moest er weder een ander komen, tot den laatsten toe. Niemand mogt iets behouden, dan de noodigste kleederen. Al wat los was, namen zij ons af, tot mantels, hoeden en linnen toe. Echter behielden wij tot ons geluk onze brieven, daar wij blijde over waren, wegens de zaken beroerende het klooster, hetwelk wij tot een weeshuis wilden verkrijgen, en nog meer andere brieven van 's lands zaken. Toen wij geplunderd waren, moesten wij weder in de lekke schuit. Wij stopten de lekken zoo goed mogelijk, en maakten de schuit weder zeilreê. Zij lieten ons daarop drijven, zonder dat wij iets behouden hadden. De zeeroover kwam vervolgens nog eens naar ons toe zeilen. Wij hadden eenen man in onze schuit, die de kapitein van het schip kende. Hij zeide, dat het een Engelsche zeeroover was, kapitein Jonge Jan Grijsveld. Alzoo kwam dezelfde zeeroover met zijnen voorsteven naar de zijde van onze schuit zeilen, zoodat wij niet anders dachten, of hij zou ons overzeild hebben. Waarop wij overluid riepen; "Heer! in uwe handen bevelen wij onzen geest." Toen met den steven bij onze schuit komende, leide hij zijn roer over en schampte van de schuit af, al stootende en rakende. De roovers zwaaiden met de hoeden, tot schimp en spot over hunnen geroofden buit, en wij bedankten hen, dat zij ons nog gegund hadden het leven te behouden. Daarna voeren zij van ons af. Vervolgens kwam er eene krabbeschuit uit de Maas, welke hij straks weder aan boord klampte, deze doende gelijk hij ons gedaan had. Later voer hij uit ons gezigt.

Voortzeilende zagen wij weder een oorlogschip en daarbij komende bevonden wij het een boeijer te zijn. Daarop stond weder een kapitein met een slagzwaard te schermen. Wij voeren naar hem toe, denkende, dat wij nu toch niet meer konden verliezen, dan alleen het leven. Het schip liet een vaandel waaijen, zijnde een prinsenvlag; het was dus van de vrienden. Het kwam uit de Maas. Wij vertelden aan den kapitein ons avontuur en ongeluk, hem verder wijzende den koers, dien de vrijbuiter genomen had.

Het oorlogschip ging terstond derwaarts, doch kreeg hem niet. Wanneer wij voortzeilden, zoo kwam er een zwaar onweder op van donder en bliksem, regen en wind. Daar de duistere nacht op handen was, moesten wij dus het naaste land of strand kiezen. Door en door nat van den zwaren regen en het overslaande zeewater, landden wij op eene onbekende plaats. Echter was er onder de manschappen een bode van Jonkheer Sonoij, die aan de duinen bemerkte, dat men niet verre van Ter Heide was, en zeide, dat aldaar eenige visschers-huisjes stonden, waarin wij den nacht konden doorbrengen. Voortloopende ontmoetten wij eenige visschers, verjaagd door de Spaansche soldaten. Zij waren ook door hen van alles beroofd, en vermogten alzoo niet ons te helpen, daar twee naakten elkander niet kunnen dekken. Wij zochten toen wat helm en rijs, maakten vuur, om ons te droogen en wat te warmen, tot het dag werd, en hielden wacht tegen de Spanjaarden.

's Morgens gingen wij langs het strand naar Scheveningen. Daar komende, vonden wij er vele wachters, gesteld zijnde tegen de Spanjaarden. Bij onze aankomst werd er over onze manschap alarm in het dorp geroepen, doch wanneer wij naderbij gekomen waren, zonden die van Scheveningen twee mannen naar ons, en wij desgelijks twee naar hen. Zij vernamen toen, dat wij geene vijanden waren, maar vrienden. Wij vertelden hun onze passagie, zoo als die door ons bevorens gemeld is, en gingen toen verder naar den Haag, waar wij aan kennissen, welke wij aantroffen, geld ter leen vroegen; doch het werd ons afgeslagen. Van daar gaande naar Delft, vonden wij de Staten van Holland. Wij gingen bij den Secretaris van deze, Koenraad de Regteren, en verhaalden hem het voorgevallene. Hij heeft ons geleend twaalf guldens. Ook schreef hij ons een request, dat wij overgaven aan den Prins van Oranje, rakende het verzoek van het klooster, om het te hebben tot een weeshuis, hetgeen ons is vergund, blijkens de apostille en het octrooi, daartoe verkregen. Doch vermits de Prins te Dordrecht was, hebben wij hem zoo verre moeten volgen, keerende van daar weder naar Delft terug, tot het werk zijn volle beslag verkreeg. Ziende evenwel dat ons op nieuw geld ontbrak, zijn wij overeengekomen, dat Kemp Albertsz. naar huis zou gaan, om nog eenig geld te halen; terwijl ik nog twee of drie dagen te Delft moest vertoeven, om nader bescheid te bekomen; hetwelk klaar zijnde, zoude ik verder naar den Briel gaan. Later uit mijne herberg op de markt komende, ontmoette ik weder Kemp Albertsz. Als ik hem mijne verwondering daarover te kennen gaf, verklaarde hij mij, niet te kunnen vertrekken, wegens het ongestadige weder. Toen gingen wij te zamen naar den Briel. Als wij daar gekomen waren, was ons geldje verteerd op éénen stuiver na.

Wij gingen daarop de stad in, om, was het mogelijk, nog eenig geld te leenen, maar het werd ons weder geweigerd. Aldus ongetroost naar het Hoofd wandelende door het gladde slijk, moest ik een smal houten bruggetje over, waarvan ik door de gladdigheid afviel.

Naakt en koud, zonder geld of pand, waagde ik het evenwel in de herberg te gaan. Terwijl ik mij daar zat te droogen, kwam er een schip van Rotterdam aan, geladen met turf, waarvan de schipper een Texelaar was, wonende te Oosterend, genaamd St. Anna. Zeer waren wij verblijd, omdat hiermede voor ons ontzet kwam.

Wij voeren toen met hem naar Texel, hebbende in alles onzen wensch verkregen. Nooit zal God de zijnen verlaten, die naar het goede trachten en op Hem vertrouwen.--Zoo is dan het weeshuis verkregen, den 15 September in het jaar 1573, blijkende bij het request en de apostille, gegeven ter ordonnantie van den Prins van Oranje en de raden, neffens hem wezende. In kennisse der waarheid, zoo hebben wij Kemp Albertsz. en Hendrik Albertsz. het stuk beiden onderteekend, den 5 Januarij 1585, nieuwe stijl."

Het was onderteekend met het merk van Kemp Albertsz. en Hendrik Albertsz, geboren aan Den Burg op Texel."

De in dat Weeshuis opgenomen kinderen, gingen hier, tot na de Revolutie in 1795, half groen en half zwart gekleed, en van daar nog het oude spreekwoord:

"Groen en zwart Is Texel in het hart."

Naar men wil, zou dit gebouw omstreeks het jaar 1203, gedurende eenigen tijd tot gevangenis hebben gestrekt aan de rampspoedige Gravin Ada. [27] Nog heden vertoont men er haar portret in olieverw, dat waarschijnlijk reeds vóór twee (?) eeuwen werd vervaardigd. In eenen aan het Weeshuis ten Oosten belendende, en door Regenten van dit gesticht in 1830 aan eenen partikulier verkochten schuur, geleid men den vreemdeling in het Zuidelijke gedeelte daarvan, langs eene, deels vervallen, steenen wenteltrap van zeven treden, door eene zware eikendeur, in een onderaardsch gewelf, dat bij eene lengte van 4.86 ellen, eene hoogte van 2.15 ellen en eene breedte van 4.19 ellen heeft. Dit ongevloerd en van roode moppen stevig gebouwde gewelf, zou de eigenlijke gevangenis van Ada geweest zijn. Meer waarschijnlijk echter is het, dat dit gewelf voormaals tot eene kloostergevangenis heeft gestrekt; althans, eenige in den muur bevestigde, zware ijzeren krammen, pleiten voor deze onderstelling.

Behalve het opgenoemde, heeft men aan Den Burg, achter het Raadhuis, een smaakvol aangelegd plantsoen van jonge boomen, dat, als algemeene wandelplaats, door de bewoners van Den Burg in den zomer veel wordt bezocht. Aan de Westzijde van het dorp staat een ruim gebouw, met het opschrift: Gesticht van Weldadigheid, dat bepaaldelijk ingerigt is tot opneming en verzorging van kranken en behoeftigen, tot geene kerkelijke armbedeeling van het eiland behoorende, of hun domicilie van onderstand elders hebbende, in welk laatste opzigt vooral, deze liefdadige inrigting meermalen van uitstekende dienst is geweest. Ook plagt er een Gasthuis te zijn, waarin reizende landloopers drie dagen verblijf konden houden. Dit is later tot een Oud Mannen- en Vrouwenhuis voor Gereformeerde Ledematen ingerigt, en stond aan het einde van de tegenwoordige Gasthuisstraat.--Nog bestaan hier vier zoogenoemde Afdeelingen Armenkamers, zijnde liefdadige gestichten, met het doel, om daarin een zeker aantal oude lieden van beiderlei kunne, om niet huisvesting, brandstof en andere ondersteuning te verschaffen; welke Armenkamers zeer waarschijnlijk overblijfsels zijn van een vroeger hier bestaand hebbend Heilige Geesthuis. [28] Voorts bestaat er eene Afdeeling van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, in 1822 opgerigt, en thans ongeveer 40 leden tellende,--eene Afdeeling van het Zendeling-genootschap;--eene Subcommissie der Maatschappij van Weldadigheid met 40 leden;--eene Afdeeling van het Nederlandsch Bijbel- en Tractaatgenootschap; een Zanggezelschap; als ook eene Bank van Leening.--

Ten behoeve van het openbaar onderwijs bestaat hier eene zeer goed ingerigte lagere school, welke gemiddeld door 185 leerlingen wordt bezocht, benevens een Fransche school, die thans ruim 30 leerlingen telt.

3. Het Horntje.

Het Horntje was vroeger een gehucht in de nabijheid van het dorp den Hoorn, gelegen op de Z. W. punt van het eiland. Van tijd tot tijd afgespoeld en gesleten, staat er nu nog slechts ééne bouwmanswoning. In het begin dezer eeuw stond hier nog een zoogenaamd Lazaret, of Quarantaine inrigting, doch deze is sedert lang in den Oceaan bedolven. Voor omstreeks 150 jaren waren de hier liggende duinen, de hoogste van Texel.--In de vorige eeuw werd een zanddijk gelegd, welke echter, door den hoogen vloed van den 27sten November 1776, geheel weggeslagen, doch later weder hersteld werd.

Tusschen de voorschreven duinen en de Hors, lag vroeger eene kil of kreek, welke bij noodweer, den schepen tot eene veilige ligplaats verstrekte. De Amsterdamsche kooplieden vooral, stelden in het behoud dier kil het grootste belang, en besteedden jaarlijks aanzienlijke sommen, om de Hors des zomers met rijs en stroo te doen bekrammen, en daardoor de kil diep te houden; doch hunne pogingen waren te vergeefs; want één stormgetijde in het najaar, sleepte menigmaal den geheelen arbeid weg, zoodat men ten laatste van de verdere bekramming heeft afgezien, waardoor die kil nu genoegzaam geheel droog geworden of verzand is.--In de nabijheid van het Horntje stond vroeger eene hut, welke tot woning verstrekte voor die lieden, welke de smelt vingen, een vischje dienende tot aas voor den kabeljaauw.

4. Hoorn of den Hoorn.

Hoorn, Den Hoorn, of In Den Hoorn, een dorp, geheel in de lengte gebouwd en op een uur afstand van den Burg gelegen, stond vroeger onder het aanzienlijke dorp Den Westen, welke combinatie, gelijk sommigen willen, alleen betrekking had op het kerkelijke, naardien Den Hoorn toen slechts eene kapel bezat. Maar sedert Den Westen bijna geheel vervallen, en de kerk, (waarvan men de grondslagen nog aanwijst) geslecht is, heeft men alle kerkelijke goederen aan Den Hoorn getrokken. Tot 1838 mogt dit dorp, na Den Burg, het grootste der Texelsche dorpen heeten. De toen plaats hebbende organisatie van het loodswezen, deed deze plaats zeer in verval geraken, welk verval nog dagelijks toeneemt, zoodat het dorp Den Hoorn, met Den Westen vereenigd, niet meer dan 167 woningen, en 828 inwoners telt, welke zich hoofdzakelijk op landbouw en veeteelt toeleggen.--Tegenwoordig strekt Den Hoorn nog tot verblijfplaats aan de bemanning van vier Buitengewone Loodsschuiten van Texel, welke aldaar, met eenen Onder-Commissaris van het loodswezen, woonachtig zijn.--

De gemeente welke voor het meerendeel uit Hervormden bestaat, waarvan men er hier 560, waaronder 260 ledematen, telt, maken eene gemeente uit, welke tot den Ring Den Burg op Texel behoort.--