Het Eiland Texel en Zijne Bewoners

Part 5

Chapter 53,665 wordsPublic domain

Dit geweldig rumoer hield aan tot des avonds zes uren, toen vier personen, welke zich Afgevaardigden of Gecommitteerden van de oproerige volksmenigte noemden, ten huize van Buijskens kwamen, en hem uitnoodigden, zich met hen naar hunne principalen te begeven, verklarende, dat zij, in geval hij zulks mogt weigeren, niet voor het behoud van zijn leven en van dat zijner echtgenoot en woning, te kunnen instaan. Buijskens, door den nood gedwongen, gaf gehoor aan hunne uitnoodiging, en volgde deze zoogenaamde Gecommitteerden naar de herberg De Vergulde Kikkert, alwaar hij voor eene vergadering van 25 man werd gebragt, waarin de reeds genoemde Lammert Dijke het woord voerde. Deze vroeg hem, op wiens bevel en waartoe hij thans op Texel was gekomen.--Het antwoord van Buijskens, dat hij begreep desaangaande aan niemand verantwoording verschuldigd te zijn, dan aan Hun. Edel Mog., deed, zoo als trouwens te verwachten was, niets af. Evenmin het vertoonen van het besluit der Gecommitteerde Raden, waarbij hij in zijne waardigheid was aangesteld. Het opgeruide volk kwam niet tot bedaren, noch verstond reden, vóór dat hij beloofd had, binnen den tijd van drie etmalen Texel te verlaten, en zijn ontslag te verzoeken.--Buijskens begaf zich dien ten gevolge naar Amsterdam, van waar hij aan Gecommitteerden Raden van het Noorderkwartier, een breedvoerig verslag van het voorgevallene toezond.--Dit had ten gevolge, dat deze eene bezending naar Texel afvaardigden, die het gehouden gedrag der Texelaars ten zeerste afkeurde, doch het geraden vond, om, "uit overweging van de volstrekte onmogelijkheid, om hem, Buijskens, in zijnen post te doen voortgaan, zonder het eiland, zoowel als zijn persoon, aan verregaande gevolgen bloot te stellen, en omdat hij uit overtuiging daarvan zijn ambt geresigneerd had," Buijskens van zijn ambt ontsloeg, waarmede de bewegingen ophielden.--

Ook gedurende de komst en overheersching der Franschen hier te lande, was Texel meermalen getuige van vrij levendige bewegingen.

Dit eiland, dat bij den aanvang van het jaar 1795, door het menigvuldige ijs, op de reede, gedurende eenen geruimen tijd, alle regtstreeksche gemeenschap met den vasten wal moest derven, verkreeg eerst op het einde van Januarij des volgenden jaars, 1796, kennis van de komst der Franschen aan den Helder;--en, alhoewel de Texelaars voor verreweg het meerendeel, bekend stonden, als sterk verknocht aan het doorluchtig Vorsten Huis van Oranje-Nassau, ontbrak het hier, evenmin als elders, aan andersgezinden of patriotten. Groote en luidruchtige vreugde heerschte er bij deze laatsten, toen zij vernamen, "de Franschen zijn tot ons overgekomen", nu zal het zijn: Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, en even als op andere plaatsen, werden ook hier, op alle dorpen van het eiland, vrijheidsboomen geplant. De onderscheidene gemeenten kwamen te zamen, en verkozen hunne eigene volksvertegenwoordigers en regeringsleden. De Schout, Cornelis Theodorus Elout, een man, die in de algemeene achting der eilanders deelde, werd door de burgerij uitgenoodigd om aan het bestuur te blijven, terwijl de Secretaris, Cornelis Maronier, zijnen sedert 1787 verlaten post weder aanvaardde.--Eenige Fransche krijgsgevangenen, die zich sedert November op dit eiland bevonden, herkregen door dezen zamenloop van omstandigheden hunne vrijheid, en deelden met hun gansche hart in de vreugde der Patriotsche burgers van Texel. Deze nu vrijgelaten Fransche krijgslieden werkten zeer mede tot het behoud der goede orde, rust en eensgezindheid der burgerij, terwijl de Chef de Brigade Cantagnelle, inzonderheid door zijne welwillende raadgevingen, de nieuw verkozene volksvertegenwoordigers bijstand bood.

Toen daarop in 1799, tijdens de landing van de Engelschen en Russen in Noord-Holland, de geringe magt, welke zich te dien tijde hier bevond, en die uit omstreeks een 60 tal manschappen bestond, in het laatst van Augustus Texel verlaten had, werd het den 29sten dier maand door de Engelschen, namens den Koning van Engeland en den Prins van Oranje, in bezit genomen. Alle openbare gebouwen werden in beslag genomen en ingerigt tot kazernering van een korps, dat zamengesteld werd uit overloopers en vrijwillige zeelieden, terwijl tevens de burgerij met de inkwartiering van nog andere troepen belast werd.

Door dezen zamenloop van omstandigheden werd de toestand van Texel's inwoners steeds hagchelijker, aangezien in de behoeften, welke thans grooter dan gewoonlijk waren, bij gebrek van toevoer, niet kon worden voorzien; hier kwam nog bij, dat de Engelschen alles opkochten en naar hunne vloot verzonden. Hierdoor ontstond welhaast zulk eene schaarschte van levensmiddelen, dat er den 15den September geene erwten, rogge noch boter, en slechts voor zes dagen gort aanwezig was. En, ofschoon men op de klagten daarover wel eenige maatregelen tot wering van gevreesd gebrek nam, zoo werden de Texelaars niettemin in de volgende maand genoodzaakt, den Engelschen 840,000 ponden kaas te leveren. Dan, weldra waren de Texelaars van dezen overlast bevrijd, daar de vijand reeds in November ons vaderland, en dus ook Texel, ontruimde.

Ook onder het Fransche bestuur had Texel, boven vele andere plaatsen, zwaar te lijden. De handel, die milde bron van welvaart, ook voor dit eiland, was ten eenemale gestremd, terwijl het, boven de willekeurige opschrijving voor de krijgsdienst, nog genoodzaakt werd tot levering van 120 kustbewaarders, onder Fransche bevelhebbers, wier ongehoorden dwang vele huisgezinnen tot den bedelstaf bragt.

Ook hier pleegden de douanen schandelijke afpersingen en kwellingen, terwijl de meesten der, van tijd tot tijd elkander aflossende, plaatskommandanten, maires, enz., zich door mishandeling, onregtvaardigheid, ja door allerhande verdrukking, als geessels der menschheid deden kennen. Geen wonder voorzeker, dat de brave en vaderlandslievende Texelaars, welke ook hier sedert lang met ongeduld den slavenketen dier ondragelijke overheersching torschten, op het eerste gerucht van der Franschen aftogt uit Amsterdam, en de aldaar en elders ontstane bewegingen, zich ook hier gelden deden. Op den 18den October wapperde dan ook Hollands driekleur van den kerktoren te Oostereind. De Fransche adelaars werden van de huizen der beambten weggenomen; algemeen heerschte vrolijkheid en leven, zonder dat eenige baldadigheid hunne hartelijke en uitbundige vreugde onteerde. Dan, weldra werd Texel's burgerij, door de strenge maatregelen van den aan den Helder bevelvoerenden Admiraal Verhuell tegen deze vreugdefeiten genomen, genoodzaakt, om Hollands vlag weder te strijken, en de herstelling der weggenomen Fransche standaards toe te laten, waarop eene gedwongene rust ontstond, die tot den 4den December voortduurde, toen het door den evengenoemden Admiraal bevolen vertrek van eenige gewapende schepen, welke tegenover het Oude- en Nieuwe Schild gestationneerd waren, andermaal de gelegenheid openstelde, om tot de hervatting van het bevrijdingswerk over te gaan. Spoedig had zich dan ook te Oostereind en te Nieuwe Schild, een korps van tachtig schutters gevormd, welke zich op de best mogelijke wijze van wapenen voorzien had. Deze vaderlandslievende menigte, heesch andermaal, op beide voormelde plaatsen, de Hollandsche vlag, en trok vervolgens naar het Oude Schild, alwaar men bij hunnen komst mede de vlag van den kerktoren deed wapperen. Na hier eenige versterking te hebben bekomen, trokken zij naar de Schans en hadden den moed, om deze sterkte, welke door eene talrijke bezetting, onder het bevel van een Fransch officier, verdedigd werd, en bezet was met het noodige geschut, ter overgave te eischen.--Hierop kwam de sergeant, Willem Lourens, aan het hoofd van 27 man aan den buitenpost, welke door het afschieten der geweren in de lucht en het geroep van "Oranje boven!" het teeken des vredes en der verbroedering gaven.

Men ondernam echter thans geen verderen aanval op de Schans, maar trok naar den Burg, om ook dáár de vlag der onafhankelijkheid van den kerktoren te doen wapperen.--De zaak erlangde echter den volgenden dag een gewigtiger aanzien. Op den Hoogen berg kwam namelijk een korps van ongeveer acht honderd man bijeen, voorzien van allerhande wapentuig, en gezind, om op dezen dag de bevrijding van Texel te voltooijen. Dit vorderde echter de inneming eener sterkte die, zoo door bezetting als geschut en proviand, zeer wel ter verdediging was toegerust. Men had echter besloten, ook tot dit uiterste te komen, doch overlegde tevens daarbij, dat het raadzaam ware, de plaatselijke regering hiervan vooraf kennis te geven. Deze werkte dit voornemen zeer in de hand, en had zich bereids bezig gehouden met het beramen van maatregelen, ter ondersteuning van dit heldhaftig voornemen. Zij deed het voorstel, om eerst den weg van onderhandeling te beproeven, hetwelk algemeen werd goedgekeurd.

Nu begaven zich eenige gemagtigden naar het fort, welke daar binnengelaten werden en met den Franschen kommandant in onderhandeling traden, hetgeen ten gevolge had, dat des namiddags ten 5 ure een verdrag getroffen werd, waarbij men bepaalde, dat een detachement schutters de kleine poort inhouden, en de bezetting den volgenden morgen met krijgseer zoude uittrekken, om terstond op daartoe geschikte vaartuigen vervoerd te worden. Dit verdrag werd algemeen en met vreugdegejuich goedgekeurd, waarop elk in vrede en rust huiswaarts keerde.

Dan, niet lang duurde deze rust, naardien men ontdekt had, dat de Plaatsmajoor toebereidselen maakte om het fort te laten springen. Kapitein Van Breeningen nam daarop het moedig besluit, om zich van dien trouwelooze te verzekeren, en bragt, zoodra het voornemen van den Plaatsmajoor ruchtbaar werd, alles in den nacht op de been, waarop, na eene nieuwe raadpleging van de overheid met de hoofden van den opstand, geoordeeld werd, dat het verdrag geschonden was. Zij, die de vorige bezending hadden uitgemaakt, werden nu andermaal naar den Franschen bevelhebber afgevaardigd, en eischten nu de overgave der sterkte, op genade of ongenade, daarbij voegende, dat weigering of draling door eenen oogenblikkelijken storm zoude gevolgd worden. De bevelhebber de wettigheid der vordering erkennende, waarbij hij tevens zijn leedwezen te kennen gaf over hetgeen thans gebeurd was, gaf zich daarop, onder betuiging dat hij zijn vertrouwen stelde op eene edelmoedige behandeling, met de bezetting als krijsgevangenen over, aan welk vertrouwen ook beantwoord werd, door hem, op zijn woord van eer, te ontslaan.

De bezetting van het fort door de schutters, en de ontwapening en inscheping van alle Fransche en andere vreemde krijgstroepen nam dadelijk eenen aanvang, terwijl de Plaatsmajoor, die zich in zijne dolzinnige woede steeds weêrbarstig aan alles en jegens allen betoonde, geboeid aan boord werd gebragt. Deze krijgsgevangenen werden alsnu terstond met vaartuigen, waarop eene gewapende wacht was geplaatst, naar Amsterdam getransporteerd, alwaar zij aan den Admiraal Verdooren werden overgeleverd.

Texel, nu geheel van vijandelijke magt bevrijd zijnde, nam Kapitein Van Breeningen, op dringend verlangen der burgers, het opperbevel op zich. De overgeblevene krijgslieden, aan wier keus, vertrek van Texel, of trouw aan het vorstelijk huis van Oranje-Nassau, was gelaten, schaarden zich volgaarne onder zijne bevelen. De onderscheidene punten van defensie werden daarop van de noodige bezetting voorzien, terwijl men elkander trouw zwoer tot in den dood, zoo men van de zijde van den Helder weder met nieuwen dwang bedreigd mogt worden. Spoedig daarop ontving men van Amsterdam de noodige wapenen en ammunitie, waardoor men in staat werd gesteld, om, na verloop van eenige weinige dagen, vijf kompagnieën, te zamen uitmakende een korps van ongeveer achthonderd man, wel uitgerust en volledig gewapend, op te rigten. De Heer Ahlé, die zich bij het geheele bevrijdingswerk door beleid en moed, meer dan gunstig had onderscheiden, nam, als Luitenant-Kolonel, het bevel op zich over dit battaljon, terwijl de gewapende burgermagt gedurende 5 maanden met de meeste bereidvaardigheid het eiland bleef bewaken, tegenover eenen magtigen vijand, die, eerst na verloop van dien tijd zijne geduchte positie verliet. Spoedig daarna keerde de oude orde van zaken terug en werd op Texel niet weder verstoord.

Een ander en nog magtiger vijand echter, verontrustte in 1825 dit eiland, op eene andere wijze.

Neêrland's gevreesde nabuur, de Noordzee, sloeg bij den stormvloed van Februarij onderscheidene gaten in den Zuiderdijk, zoodat de polder het Grie overstroomde, waardoor ook de binnendijk bezweek en al het land ondervloeide. Een groot geluk evenwel was het voor de eilanders, dat de meesten hunner in de op heuvels gebouwde woningen konde blijven, waardoor ook het meeste vee behouden bleef. Ook voer de reddingsboot, ofschoon met groot gevaar verzeld, gedurig af en aan. Eens, in den nacht, te digt aan de dijkbreuk gekomen zijnde, werd zij door den stroom, veroorzaakt door de eb, bijna naar buiten medegesleept. Met inspanning van vereenigde krachten redde men zich ter naauwernood tegen den binnenkant van den dijk. Een andere keer werd zij door eene onweêrsbui en hoos beloopen, die de boot het onderst boven wierp, en vijf der manschappen overstelpte, zonder dat echter iemand hunner het leven verloor.

Ook de andere zeedijk, digt bij het Oude Schild gelegen, dreigde te zullen bezwijken, doch werd met veel krachtsinspanning bewaard.

DERDE HOOFDSTUK.

DE DORPEN, GEHUCHTEN EN BUURTSCHAPPEN OP TEXEL.

1. Het Oude Schild of Schil.

Dit dorp ligt aan de Oostkust van het eiland, op ongeveer 3/4 uur afstand van de hoofdplaats Den Burg.

De naam wordt op verschillende wijzen geschreven, n. l. Schild of Schil. Welke van deze twee de ware zij, valt niet gemakkelijk te bepalen. Hoogst waarschijnlijk zal het wel dien van Schil zijn, van wege de groote menigte van onderscheidene soorten van kleine schelpvisch, welke de zee in eene hier liggende kreek aanspoelt, en alhier den naam van Schil draagt. De officiëele naam echter is Oude Schild. Deze plaats is zijn ontstaan en bloei verschuldigd aan de, bij den aanvang der 17e eeuw, sterk toenemende scheepvaart. Te dien tijde, kwamen de grootste koopvaardij- en oorlogschepen geregeld voor deze plaats ten anker, voorzagen er zich doorgaans van levensmiddelen en andere behoeften, en verspreidden er langs dien weg veel leven en welvaart. Van daar dan ook, dat het Oude Schild toenmaals de verblijfplaats was van de zoogenaamde slik- of binnenloodsen, welke de schepen van de reede over de Zuiderzee naar Amsterdam moesten loodsen. Die bloei duurde tot het begin dezer eeuw, toen de haven van het Nieuwe-Diep van meerdere beteekenis, en, door den aanleg van groote en zeer doelmatig ingerigte rijkswerven, in korten tijd verbazend uitgebreid werd. Hierbij kwam kort daarna de openstelling van het groot Noord-Hollandsch Kanaal, hetwelk van toen af eene regtstreeksche gemeenschap tusschen Amsterdam en de Noordzee daarstelde. De naar en van de hoofdstad bevrachte zeeschepen, welke zich vroeger hadden moeten vergenoegen met de zeer gevaarlijke legplaats ter reede van Het Oude Schild, verkozen nu de veilige haven van het Nieuwe-Diep. De daarop gevolgde organisatie van het loodswezen, in 1835, bragt mede zeer veel toe tot het verval dezer plaats. Deze toch had ten gevolge, dat een aanzienlijk gedeelte der bevolking naar elders, inzonderheid naar het Nieuwe-Diep, verhuisde, zoodat het Oude Schild op 1 Januarij 1855 slechts 853 inwoners telde, tegen 15 à 1600 in 1828.

De aanzienlijkste woningen zijn gesloopt, terwijl met de zeevaart, de meeste en grootste hulpbronnen van bestaan in het niet zijn geraakt.--

Welligt, dat thans door den even bekwamen als ijvervollen onderwijzer, T. R. Zwaal, welke hier eene school voor de zeevaartkunde heeft opgerigt, den grond wordt gelegd voor hernieuwden bloei. Sedert de oprigting daarvan, hebben 120 personen van dat onderwijs gebruik gemaakt, van welke thans reeds 6 den rang van scheepsgezagvoerder hebben verkregen, en 66 dien van stuurman.

De bloei dezer school neemt jaarlijks toe. Het tegenwoordig getal leerlingen bedraagt 20, waarvan 14 uit de gemeente en 6 van elders.--Het nut dezer school voor deze gemeente is zeer groot, en de pogingen van den Heer Zwaal, hebben alle aanspraak op eene eervolle vermelding en krachtige aanmoediging.

De Hervormde Gemeente telt hier ruim 500 zielen, waar onder ongeveer 300 ledematen. Antonius Dambrugge of Danburg was hier de eerste leeraar. Hij kwam hier in 1650 en overleed den 11 Junij 1681.--De niet groote Hervormde kerk werd omstreeks het midden der 17e eeuw gebouwd. Zij heeft aan de eene zijde een kruiswerk, en prijkt met een' houten toren. Zij bezit geen orgel.

Volgens eene volksoverlevering werden aan deze kerk twee lichtkroonen vereerd door de Admiralen Tromp en De Ruiter. Men vindt er althans de wapens op van beide genoemde Vlootvoogden, benevens de jaartallen 1677 en 1678.--De bewijzen voor de waarheid dezer overlevering, schijnen te hebben bestaan; doch zijn in de archieven der kerk niet te vinden.

Sedert 1835 bezit Het Oude Schild een eigen R. K. kerk en Pastoor, welke eerste eigenlijk eene uitbreiding is van de reeds voor vele jaren alhier bestaan hebbende kapel. Deze kerk is toegewijd aan Onze Lieve Vrouw en den H. Martinus. De R. K. gemeente telt hier ruim 240 zielen, waaronder 150 communikanten.--

In het logement de Zeven Provinciën, wijst men den vreemdeling nog de zoogenaamde de Ruiters kamer aan, waarin de zeeheld M. A. de Ruiter meermalen overnacht heeft.--Niet ver van daar is het Distributie kantoor der brievenposterij voor het gansche eiland geplaatst.--

De stoomboot, welke een regtstreeks verkeer daarstelt tusschen Texel, het Nieuwe Diep en Harlingen, en tevens belast is met de posterij, waarvoor vroeger twee postschuiten gebezigd werden, heeft in de haven van Het Oude Schild, hare gewone landing- en afvaartplaats.--Deze haven ligt ten Oosten van het Dorp, en werd in 1778, op eene vlakte van ruim twee bunders aangelegd, ten gebruike van het weleer te Oude Schild te huis behoorende aanzienlijk getal loodsbooten en andere vaartuigen, behalve nog voor vele kleine koopvaardijschepen, die hier in hunnen zoogenaamden winterlaag liggen. Als verkenningsteeken brandt op het oostelijkste havenhoofd een lampvuur. In 1836 vorderde deze haven eene nieuwe uitdieping, aangezien deze ligplaats, vooral door de toenmaals meer en meer toenemende panharingvisscherij, en het debiet daarvan, meer van algemeen belang was geworden.--Diensvolgens werd in genoemd jaar eene Rijksen Provinciale subsidie verleend van ongeveer f 8000, waardoor de voorgenomene uitdieping werd tot stand gebragt.--Dan, alles door de groote verplaatsing der loodsen naar het Nieuwe Diep veranderd zijnde, en deze haven, door hare thans overtollige ruimte, een al te kostbaar onderhoud vereischende, heeft men in 1844 de oppervlakte, door het leggen van eenen wierdam, teruggebragt op 1 1/5 bunder.

De openbare school, welke onder de leiding van bovengenoemden Heer Zwaal staat, wordt gemiddeld door 120 kinderen bezocht. Op geringen afstand, zuidwestelijk van het Oude Schild, ligt het fort de Oude Schans. Hetzelve werd in 1572 aangelegd, en in 1812, op den last van Napoleon I, in zijnen tegenwoordigen toestand gebragt. Het heeft eene onregelmatige vijfhoekige gedaante, is voorzien van aarden wallen, omringd door eene gracht, en heeft, naar de zijde van het hooge terrein, een ravelijn met gracht, benevens eenen bedekten weg en eene voorgracht, en is voor het overige door kadijken, met voorliggende uitwaterings-slooten, in den zeedijk ingesloten. Dit fort bezit twee toegangen, eene steenen kazerne voor honderd manschappen, met een paviljoen voor officieren, benevens een gemetseld, doch niet bomvrij kruidmagazijn, geschikt tot berging van 3000 lb kruid, twee ruime regenbakken en twee zuivere welputten.--Even buiten deze sterkte, vindt men in den zeedijk eene inundatiesluis, zijnde een gemetselde duiker, tot lozing van het water der grachten in de zee, en twee gemetselde duikers, in de Oost- en Westkadijken, tot ontlasting van het landswater in de grachten.--Met dit verdedigingspunt staan in verband eene redoute en eene lunette, beide beneden den zeedijk. De eerste, aangelegd in 1811 en 1812, 900 ellen ten westen van het fort, bestaat uit een gesloten en ongeflankeerden vijfhoek; de lunette ligt ongeveer 700 passen oostwaarts van het fort, is ook ongeflankeerd en open in de keel. Genoemde werken zijn opgeworpen van aarde, zonder gebouwen, en omringd door grachten.--Al deze werken vormen te zamen eene versterkte legerplaats of kamp, oorspronkelijk strekkende, zoowel tot het beletten eener landing,--waartoe ook nog eene batterij heeft bestaan, westwaarts van de redoute op den Hoornschen Zeedijk, het Horntje geheeten,--als ook ter bestrijking van de reede.

Het geheel ondiep worden van het daar langs strekkende vaarwater, heeft nogthans het gewigt dezer positie doen ophouden. Tegenwoordig is er dan ook nog slechts eene kleine barak, welke door een' oppasser bewaakt wordt.

Tien minuten gaans ten noorden van het Oude Schild, 1000 el regts van het Schilpad, dat den wandelaar naar den Burg leidt, vindt men de zoogenaamde Weezenwaterputten, bestaande uit eene wel, welke aan den voet van eenen uitgestrekten heuvel ligt, en altoos milden voorraad geeft van zeer helder en zoet drinkwater. Sedert 1600 voorzagen zich al onze oorlog- en koopvaardijschepen, voor de uitreize, van dit water, waardoor het Algemeen Weeshuis van Texel, als eigenaar, een ruim inkomen genoot. Sedert de verlegging van de scheepvaart naar het Nieuwe Diep, heeft deze water-proviandering grootendeels opgehouden, en het is te voorzien, dat zulks eerlang geheel zal ophouden.

Links van deze putten, ligt de buitenplaats Brakenstein met een fraai uitzigt. De heerenhuizing is tegenwoordig onbewoond. De hofstede wordt door eenen landman bewoond. Voor eenige jaren stond aan de andere zijde van het Schildpad, het buitengoed Rozenhout, dat in 1740 door den Heer Roozenboom werd aangelegd. Het is thans geamoveerd en vervangen door de hofstede de Weezenplaats, welke tot de bezittingen van het Weeshuis op Texel behoort.

Op nagenoeg 1/4 uur ten westen van de voornoemde putten; en aan den tegenoverliggenden voet van denzelfden heuvel, is eene kolk van zoet water, reeds door zekeren Dirk Burger van Schoorl, in de Chronijk van Medemblik vermeld. Het is opmerkelijk, dat deze kolk, zelfs bij de langdurigste droogte, niet vermindert, noch bij de aanhoudendste regen vermeerdert.

De Hooge berg of heuvel, welke men tusschen Het Oude Schild en den Burg vindt, had voor 1481 eene aanzienlijker hoogte. In gemeld jaar werd hij meer gelijk gemaakt en tot een kerkhof aangelegd, waarop, volgens sommigen, eene kapel werd gebouwd, welke den 1sten November des jaars 1482 aan St. Catharina werd toegewijd. Sedert twee en een halve eeuw is die kapel niet meer in wezen.--In het laatste gedeelte der voorgaande eeuw, zijn daar ter plaatse twee koperen kerkkandelaars gevonden, welke in een daarliggend dijkje verscholen waren.--Van den top dezer hoogte, heeft men het fraaiste gezigt over het geheele eiland. Vroeger lagen er op deze hoogte een paar boerengehuchten, waarvan thans echter niet meer dan een paar woningen overig zijn. Ter plaatse waar men in Het Oude Schild, het binnenpad (het Schildpad) inslaat, dat naar den Burg strekt, ligt eene kleine buurt, de Jeneverbuurt geheeten; van waar deze naam zijnen oorsprong ontleent, heb ik niet kunnen gewaar worden. Welligt dat hier eenige herbergen hebben gestaan, waarin de manschappen, welke hier voor de schepen water kwamen halen, zich van verversching hebben voorzien.--

2. De Burg of Burgt.

De Burg of Burgt, de voornaamste plaats op het Eiland Texel, was, blijkens privilegie van 26 Maart 1414, reeds voor eeuwen, de hoofdplaats van het eiland.--