Het Eiland Texel en Zijne Bewoners
Part 4
Texel's oppervlakte, welke daarna meer en meer, door tal van watervloeden, werd verkleind, bedroeg naauwelijks de helft van den tegenwoordigen vlakken inhoud, en bestond behalve uit duinen, schorren, poelen, kreken of slufters, en onbeduidende droogten: uit 28 te zamen vereenigde polderlanden, waarin de Burg, de Hoorn, de Westen, de Koog, het Oude Schild, de Waal en Oostereind gevonden werden.--
Dat het eiland Texel bij de Romeinen bekend geweest zij, is genoegzaam buiten twijfel, ja, het is zelfs meer dan waarschijnlijk, dat dit volk, hier een gewoon verblijf heeft gehouden. De naam en ligging van de voornaamste plaats, den Burg, schijnt zulks duidelijk aan te toonen, en men wil zelfs met zekerheid weten, dat de Romeinsche veldheer Drusus, de stichter van den oorspronkelijken Burg, zoude geweest zijn. De tegenwoordige Hervormde kerk aldaar, staat op een heuvel, vroeger omringd door eene gracht of sloot, de Burggracht geheeten, die vroeger veel breeder schijnt geweest te zijn, en welke heuvel, dezelfde moet zijn, waarop Drusus zijne sterkte bouwde.
Ook zijn in het begin der vorige eeuw, aldaar eenige Romeinsche penningen gevonden, waarvan ik de afbeelding heb gezien; terwijl eene vroeger ontdekte tumulus of begraafplaats, mede als een overblijfsel van de Romeinen beschouwd moet worden, aangezien de daarin gevondene voorwerpen, de duidelijkste sporen, van Romeinsche herkomst met zich voeren.--Ook heeft men voor eenigen tijd, in eenen voormaligen heuvel op Texel, de Sommeltjesberg geheeten, doch die nu geslecht is, en op kleinen afstand oostwaarts van de Waal lag, eenige Romeinsche oudheden gevonden, bestaande in een aantal metalen huisgeraden, waarbij een ketel, in welks binnenruimte een merk en, met kleine letters de naam Mutufiof, als ook metalen, in elkander sluitende lepels, met den naam Adrianus F.
Ook is het zeer waarschijnlijk, dat de Romeinen zich op Texel van levensmiddelen en verdere noodwendigheden voorzien zullen hebben; alzoo het onbetwistbaar schijnt te zijn, dat Texel voormaals veel grooter is geweest. Immers moeten de 40 geduchte watervloeden tusschen 860 en 1170, waarvan de schrijver van het oude Bataviesche Zeestrand, gewag maakt, en die van de jaren 1395, 1400, enz. veel lands aan het eiland ontroofd hebben, terwijl er betrekkelijk het bosch of woud, dat aan de Noord zijde van Texel gestaan heeft, nog valt aan te merken, "dat omtrent veertig jaren vóór dat Junius zijne Batavia schreef, Pieter van Santen, schout van Texel, op het Raadhuis had doen aanteekenen, het getuigenis van eenen Texelaar, die toen honderd en twintig jaren oud was, maar noch wèl te pas en gaauw was, en die heilig, en in alle opregtheid verklaart hadt, dat aldaar in zijnen tijd noch een bosch had gestaan, waarvan, volgens het getuigenis van Junius, noch veele stronken omtrent den jaare 1550, onbeweegelijk in den grond van de zee zaten; waarom de schippers dien hoek vermijdeden; vermits zij, hunne ankers aldaar werpende, dezelve zoo vast in die stronken raakten, dat zij ze onmogelijk konden opwinden, en dus genoodzaakt waren, hunne kabels te kappen [16]."--
Ook verhaalt men nog, dat er voor ruim derde halve eeuw, op de hoogte van het dorp de Koog, zoo veel voorland en uiterwaard lag, dat een boer niet meer dan drie vrachten daags met zijn hooiwagen kon halen.--
Van tijd tot tijd is Texel's oppervlakte echter zeer uitgebreid. De onderscheidene bedijkingen, sedert 1488 tot op dezen tijd, hebben haar zelfs meer dan verdubbeld, zoodat dit eiland, behalve de reeds hierboven bedoelde 28 polderlanden, nog de volgende polders bevat; t. w. Waal-en-Burg, het Grie, Burger-Nieuwland, de Kuil, het Hoornder-Nieuwland, het Weezenspijk, het Eijerland, de Eendragt en de Prins-Hendrik-Polder, terwijl men er vroeger nog den, in 1792 ingevloeiden polder Hoorn-en-Burg had.--
In de bovengemelde lijst van goederen behoorende aan de St. Maartenskerk te Utrecht, blijkt, dat een derde gedeelte van Texel (of zoo als het daar heet, Texle) of, ten minste een derde gedeelte, van hetgeen in Texel tot de kerkelijke schatkist of inkomsten behoorde, der Utrechtsche kerke toekwam, welke in dien tijd door zeker priester Sijbrand, die twee broeders had, Lintraven en Ostraven, uit naam van Utrechts 12n Bisschop, Otbalt of Odibald, bestuurd werd.
In het laatste gedeelte der 10e eeuw, en bepaaldelijk in het jaar 985, werd Dirk III, graaf van Holland, door keizer Otto III, met den erfelijken eigendom van het landschap of graafschap van Texel begiftigd, hetwelk deze graaf reeds vroeger in leen bezeten had; en nu hadden de Texelaren hunne lotgevallen met de Kennemerlanders gemeen. [17]
Meermalen deelde Texel in de droevige gevolgen van oorlogen en verdeeldheden, en was het ook getuige van krijgstooneelen. Zoo bedwong Graaf Floris in 1182 of 1183, de Friezen op Texel, en ook op Wieringen, hen noodzakende, om hem, bij wijze van brandschatting, 4000 markzilvers, op te brengen. Ofschoon de waarde dezer som thans moeijelijk te bepalen is, is het echter zeker, dat zij, voor dien tijd, zeer aanzienlijk was.--Ten jare 1204, werd Gravin Ada, door Graaf Willem I, in eenen kelder(?) aan den Burg op Texel in verzekerde bewaring gesteld; waarop wij later, bij de plaatsbeschrijving van den Burg zullen terugkomen. In 1288, hadden de bewoners van Texel zich, in verbinding met de Drechter Friezen, tegen de ondernemingen van Graaf Floris V tegen de West-Friezen, verzet, welke aankanting tot in 1289 duurde, toen zij zich aan Floris onderwierpen.
Uit eene oude aanteekening, blijkt, dat Texel als een grafelijk leen in bezit is geweest bij Jan van Henegouwen, Heer van Beaumont, die den bewoners, bij handvest van 1317, alle regten toestond, welke door zijnen broeder, Grave Willem III, bijgenaamd de Goede, aan die van Drechterland en Hoogwouder-Ambacht, vergund waren. [18] Naderhand hebben zijne opvolgers uit den huize van Chatillon, Graven van Blois, mede verscheidene voorregten aan de bewoners van Texel gegeven.
In 1383 werd Texel eene vrije jaarmarkt toegestaan, welke gehouden moest worden 3 dagen vóór, en 3 dagen na St. Jan. De plaats van deze markt of kermis, begon aan de Nieuwe Brug en strekte zich van daar uit tot aan Jan Schoemakers Huis.
Ook werd toen bepaald dat, indien iemand zich vergrepen had aan een beest of vogel, niet meer waardig zijnde dan 42 schellingen, de boete ook niet boven die som mogt gaan.
Men mogt toen op Texel vrij visschen en vogelen.
Een getrouwd man kon maar de helft van zijn goed verbeuren.--
Na den dood van Guij van Blois, verviel dit leen aan Hertog Albrecht van Beijeren, omstreeks 1398, in welk jaar den Ouden Hoorn, op Texel, door de Friezen verbrand werd.--In een zeer oud handschrift, vind ik, dat op dit eiland, de volgende ordonnantie, werd bepaald: "De Baljuw, Schout noch Regter mogen tappen; noch aan eenig ingezetene drank verkoopen; geen wijn, van uitheemschen gekocht, binnen Texel te tappen, geen heuschbeden of geld meer te betalen aan nieuwe Ambtslieden; provisoren niemand verder te dragen dan tot hunne Zeenten.--Koorn mag vrij van Texel vervoerd worden."
Hertog Albrecht, schijnt het leen Texel aan zijne tweede gemalin, Margaretha van Cleve, geschonken te hebben, aangezien men een handvest van haar vindt, van den 9 Junij 1401, dat door meergemelden Albrecht, in datzelfde jaar bekrachtigd werd. Ook bezat zij het na Albrecht's dood, blijkens een brief, gegeven in Texel, den 1sten September 1405.--Hertog Willem VI, Graaf van Holland, vaardigde den 26sten Maart 1414, naar stijl van den Hove (alzoo in 1415) een besluit uit, waarbij de Texelaars, het poortregt en gelijke vrijdommen als die van Alkmaar bezaten, in welke regten zij dan ook door Schout, Schepenen en Raden der stede Alkmaar, in het jaar 1434 zijn erkend.--Onder anderen, werd bij die verordening bepaald, dat er, "binnen de stede van Texel 13 Schepenen zouden zijn, als: in de Kerszoekingen Den Westen 3 Schepenen; Burgt 4, Waal 3, en Oostereind 3, door den Schout te kiezen Ter Burgt, in de kerke up ten Goeden Vrijdag: goedstijds, voormiddags, bij zijnen eede, van de rijkste, vroedste en redelijkste knapen."--Voorts dagteekent het bepaald bezit der Mielanden benevens de Wind-Koorn- en Lammertienden, op Texel, mede van 1415, welke regten die van Texel eertijds, onder een erfpacht van 50 nobelen 's jaars, bezeten hadden.--
Na den dood van Willem IV, heeft zijn weduwe deze regten, welke eenigzins in verval schijnen te zijn geraakt, hersteld. Margaretha van Bourgondië, moeder van Vrouwe Jacoba, heeft de heerlijkheid van Texel in lijftogt bezeten, hetwelk blijkt uit een octrooi, door haar in 1436 gegeven, om den polder van Wal- of Waal-en-Burg, benevens eenige andere nabijgelegen polders te bedijken. De eerste bedijking van Waal-en-Burg dagteekent van den jare 1436. Deze polder brak daarna weder in, en werd andermaal bedijkt in 1612, toen zijnen vlakkeninhoud 700 morgen lands bedroeg.--
Krachtens de bezittingen, welke Vrouwe Margaretha van Bourgondië gehad heeft, vindt men waarschijnlijk onder de privilegiën van Texel, het handvest van Hertog Filips van Bourgondië, wegens den eed, door haar afgelegd aan al de ingezetenen der landen, die hem, na den dood van Vrouwe Margaretha, weder waren aanbestorven.
Genoemde Hertog beloofde, in 1442, voor hem en zijne nakomelingen, de heerlijkheid en het land van Texel in hooge of in lage geregten nooit te zullen verkoopen of vervreemden. De Texelaars verloren echter onder het bestuur van dezen vorst, alle hunne regten en handvesten, naardien zij zich, omstreeks 1426, met de Kennemers [19] oproerig en wederspannig jegens hunnen landheer betoond hadden, en zelfs gepoogd hem de stad Haarlem te ontweldigen.
Dit vonnis werd hun echter 30 jaren later, gelijk met het opbrengen van zekere ongewone belasting op de haardsteden, kwijt gescholden en zij weder in hunne vorige regten hersteld.
Zij moesten van elke haardstede 4 grooten's jaars betalen; benevens andere straffen, breeder vermeld in de sententie tegen hen, gegeven in 1426; terwijl wij ten opzigte van de tienden, welke aan de tiendenaren moesten verstrekt worden, het navolgende lezen:
"Zij zullen ons tienden geven, den elfden schoef: de eigenaar is verpligt als het koorn rijp is, den tiendenaar driewerf te roepen, telkens zoo luid dat men het hooren mag over 7 akkeren: en komt de tiendenaar dan niet, dan mag de eigenaar het koorn uitzetten bij twee van zijne geburen, en den tiende een etmaal houden: na dien tijd er schade aan geschiedende, is de eigenaar niet gehouden tot vergoeding:--Voorts zullen die van Texel ons geven eens vronen schuld, (vroon is vrijdom van alle lasten, schattingen, loon, enz.) ten ware wij hen daarvan verdragen wilden." [20]--
De Graven van Holland hadden omstreeks 1415, ter inning hunner renten, aldaar, op Texel eenen bijzonderen Rentmeester.
In 1489, was Claas Korf, Rentmeester, van wien aangeteekent staat, "dat hij onheuslijk zijn voordeel gezocht had, uit eene aanstaande reductie der munt, waarover later, in 1506, zijne erven zijn aangesproken."--
Ten jare 1442 komt Texel voor, onder de benaming van het gemeene land van Texel, doorgaans het land van Texel geheeten.--Omstreeks dezen tijd werd Keizer Maximiliaan Opperschout [21] van Texel, en werd er om de 14 dagen Poortregt, d. i. Regtdag gehouden. Deze verandering is echter spoedig daarna vervangen door eene andere, waarbij bepaald werd, dat er drie maal per week poortregt zoude gehouden worden.--
Jan van Naaldwijk, kennis verkregen hebbende, van de onlusten en opschuddingen, welke omstreeks den jare 1491 in het noordelijke gedeelte van Holland plaats hadden, vond het geraden, zich derwaarts te begeven, ten einde er, zoo het mogelijk ware, eenig voordeel, tot ondersteuning en bemoediging zijner toen verzwakte partij, uit te trekken.--Hij vertrok dan ook werkelijk in Julij van dat jaar, met zijne vloot uit Sluis, landde naar eenen voorspoedigen togt op Texel, hetwelk hij, benevens het eiland Wieringen, bemagtigde.--Hij trachtte al aanstonds deze eilanders te doen begrijpen, dat, in stede van herwaarts te zijn gekomen, om hen leed of schade te berokkenen, hij hier kwam, om hen voordeel en rust te bezorgen, om hen van de zware schattingen te bevrijden, waaronder zij gebukt gingen, en eindelijk, om de rust in het land te herstellen en te verzekeren.--
Hierdoor verkreeg hij dan ook weldra eenen grooten aanhang. Hij hield zich, gedurende het grootste gedeelte van den zomer, op en in de nabijheid dezer eilanden op, en maakte met zijne vloot de Zuiderzee en noordelijke zeegaten, onveilig.--Terwijl eenige zijner partijgangers zich, doch te vergeefs, van de stad Hoorn poogden meester te maken, vond Jan van Naaldwijk gelegenheid, om de hoofden van het zoogenaamden Kaas- en Brood-spel, de behulpzame hand te bieden.--
De bewoners van Texel mengden zich toen ter tijd, nevens die van Kennemerland, in de onlusten, die door het Kaas en Broodvolk gesticht werden, waarover zij naderhand door den Hertog van Saxen zeer gevoelig gestraft werden.--
25 Personen van Texel moesten in het zwart, ongegord, blootshoofds en barrevoets, knielende om vergiffenis voor hunne rebellie te komen smeeken. Al de handvesten des eilands moesten gesteld worden in handen van den Hertog, terwijl deze de straffen aan zich hield, waarmede de tot den vijand overgeloopen eilanders moesten gekastijd worden. Zij moesten zijn huis of kasteel sterk maken (in weerbaren toestand brengen) naar inhoud der brieven, hun door den Raad van Holland toegezonden, terwijl zij daarenboven nog 1000 Andriesguldens, gelijkstaande met f 5000, boete betalen en gedurende twee maanden, aan 25 door hen uit te rusten manschappen, soldij en leeftogt moesten verstrekken, welke manschappen onder bevel van den Schout dienen moesten, om de rust op het eiland te bewaren.--
Naar alle waarschijnlijkheid zullen hun de toen verlorene regten en privilegiën òf te gelijk met de andere Kennemers en Kennemervolgers, òf in Maart 1494, zijn teruggegeven. Althans het regt van wind-, molen- en lammertienden [22], dat zij tegen eene uitkeering van 40 Nobelen, van 8 schellingen groete, Vlaamsche munt, 's jaars in erfpacht bezaten, en welke aan Jan van Borrij, Baljuw of Casteleijn van het slot te Medemblik, waren overgegeven, werden hun in laatstgenoemd jaar weder opgedragen. [23]
Omstreeks het begin der 16e eeuw, schijnen de zeeweringen op Texel zich in geenen gunstigen toestand bevonden te hebben, althans vinden wij, dat die van Texel, in 1509, aan hunnen landsheer een beklag inbragten, "over de groote gevaren der zee, waartegen eertijds voorzien was geweest door Vrouwe Maria van Bourgondië, die ook hunne oude privilegiën bevestigd had, bij een nieuw privilegie gegeven te Loven, den 28sten Mei 1477; behelzende onder meer de vier Raadsmannen des maandags te kiezen na Palmzondag: 26 mannen ieder rijk 100 nobelen ofte meer: hieruit kiest de Graaf, of de Schout in 's Graven naam, noemt en beëedigt op Goeden Vrijdag 13 schepenen. De Raadsmannen beëedigd zijnde, kiezen vijf Heemraden, door den Schout te beëedigen: deze stellen keuren op de dijken, sluizen, wateringen en wegen."--
Zeer rampspoedig was voor het eiland Texel het jaar 1522, toen het door de Geldersche Friezen tweemalen zeer zwaar gebrandschat werd. Deze woeste, op roof en buit verhitte, benden, landden hier in den zomer van bovengenoemd jaar, met eene vloot van 20 sterk bemande schepen, tweemaal aan. De eerste reis vorderden zij eene brandschatting van 8000 Filipsguldens (ongeveer f 40,000, van onze munt.)
Hiermede echter nog niet voldaan, eischten zij spoedig daarop eene tweede brandschatting van 10,000 Filipsguldens (bijna f 50,000.)
Doch niet alleen, dat die van Texel van vreemden overlast te lijden hadden, ook hunne eigene overheid trachtte hen, in 1525, met zwaardere lasten te drukken:
Immers lezen wij in eene oude oorkonde, Anno 1525, het volgende:
"In dit jaar wilde men die van Texel, de nobelen voor molen-, wind- en lammertienden, die zij à 50 Stuivers gewoon waren te betalen, tegen 85 St. berekenen, en dan nog wel met den achterstand van vroegere jaren."--
Deze verhooging van belasting is echter niet in werking gebragt, aangezien wij lezen:
"doch hun dat kwijtgescholden, en het regt verleend om ten eeuwigen dage te kunnen betalen, de nobel tegen 50 st.;--
"de wind-, molen- en lammertienden bedroeg des f 250 's jaars, op Meidag te betalen, zijnde de Meijlanden (waarschijnlijk de Miendlanden) voor lang daar af, en aan de Grafelijkheid getrokken;"--Iets lager staat: "dat die van Texel worden gegund, geoctroijeerd en geaccordeerd, in eeuwigen erfpacht, die windmolens, metten winde, alzoo die ter tijd stonden binnen die voorschreven stede van Texel,--die jaarlixe lammertienden aldaar, en die Meijlanden binnen derzelver stede gelegen: uitgenomen den Waal,--den Holleweg--die Lijmculen--Langewaal en dat Hooiland, gelegen aan de Oostzijde van dat hoppe, langs an Zegendijk, die den Rentmeester van 's Graven wege doet verpachten." [24]
In Maart 1571 deden de Watergeuzen eene landing op Texel, en bedreven er veel moedwil en schade. Zoo verbrandden zij er het huis van den Schout en eene kerk, waarschijnlijk de kerk van het dorp den Westen, en namen bovendien nog eene vloot van meer dan 30 schepen weg.
Dan niet slechts had Texel in den loop der tijden door toedoen van menschen veel schade te lijden, ook het water, dien algemeenen en met reden, zoo algemeen gevreesden vijand van Hollands kusten, benadeelde menigmalen dit belangrijke eiland. Vooral waren het de hooge en geduchte watervloeden van de jaren 1625, 1628 en 1629, die ook hier veel schade veroorzaakten. Den 3den November van het jaar 1638 strandden er op de kusten van dit eiland 85 zeeschepen, met eenen zuidwestelijken storm.--Den 18den December 1660 bleven er van de 155 schepen, 38 voor anker liggen, de overigen strandden of kapten bij tijds hunne kabels. Op het einde van 1683 kwamen eenige oorlogschepen uit Zweden hier voor gaats, en werden door eenen zwaren storm overvallen; daarbij strandden: de Hollandia, van 84 stukken en 450 koppen, het volk gered; de Woerden, van 72 stukken en 350 koppen, waarvan 58 gered, de Tijdverdrijf, van 54 stukken en 230 koppen, waarvan 15 gered, de Prins te paard, van 54 stukken en 230 koppen, allen verdronken; de Leeuwin, van 54 stukken en 230 koppen, allen gered; de Gouda, van 42 stukken en 175 koppen, grootendeels gered, alsmede nog twee oorlogschepen van Enkhuizen en Hoorn en verscheidene koopvaarders.--
Omstreeks eene eeuw later, stelden de Engelschen vele, doch gelukkig vruchtelooze pogingen in het werk, om eene landing op dit Eiland te beproeven. In Julij 1672 namelijk, vertoonde zich eene Engelsche vloot, van 60 zeilen, voor den Helder, met het plan om in Noord-Holland eene landing te doen, en alzoo Amsterdam van de Noordzijde te bedreigen. Zeker was zoodanige onderneming op dien oogenblik ligter ten uitvoer te brengen, dan een paar maanden vroeger, want onze vloot was door gedwongen afdanking zoo schaars van volk en krijgsvoorraad voorzien, dat zij, naar het oordeel van De Ruiter zelven, niet meer tegen den vijand bestand was. Doch, was onze vloot buiten staat om te strijden, ditmaal namen de elementen voor ons den strijd op. Op den dag, welken tot de voorgenomen landing op Texel bestemd was, verhief zich een hevige storm uit het zuidwesten, (anderen zeggen noordwesten) die gedurende drie weken bleef woeden, twee vijandelijke schepen deed stranden, vele andere zwaar beschadigde, en de geheele vloot van de kust deed afdrijven.
Volgens eene latere, vrij algemeen verspreide, en bijna algemeen geloofde volksoverlevering, zoude de mislukking der voorgenomene landing veroorzaakt zijn geworden door eene dubbele ebbe (een niet geheel ongewoon verschijnsel op onze kusten) gevolgd door eenen noordwesten storm.--
In 1756 had in de nabijheid van Texel een voorval plaats, dat zeer veel opziens baarde.
Een Duinkerksche kaper, die zich tot uitoefening van zijne kwade praktijk van een Zeeuwsche poon of Goereesche vischschuit bediende, hield op eenen Engelschen koopvaarder aan, die van New-York naar Amsterdam gedestineerd was, en digt bij het Nieuwe Diep ten anker lag; en dewijl men volstrekt geen vermoeden had op kaperij in eene onzijdige haven, en vooral niet van de zijde eener Zeeuwsche poon of vischschuit, viel den kaper de bemagtiging zeer ligt. De kaper zeilde daarop met het prijsgemaakte schip naar zee, en riep den zoogenoemden praaischipper in het voorbijzeilen toe: "Ik weet wel, dat Frankrijk en Holland het eens zijn." [25]
Weldra echter leverde de Engelsche gezant over dit feit zijne klagten bij de Algemeene Staten in, waarbij de prijs in denzelfden toestand, als waarin hij genomen was, werd terug geëischt. De Staten gaven aanstonds aan dien eisch gehoor, en gelasteden hunnen afgezant aan het Fransche hof, Lestevenon van Berkenrode, daaromtrent bij de Fransche regering te onderhandelen, hetwelk, echter niet zonder veel moeite, ten gevolge had, dat het prijsgemaakte schip met zijne lading teruggegeven, en daarmede aan den eisch van het Engelsche Gouvernement voldaan werd.--
In December 1789 hadden er op Texel vele woelingen plaats, ter oorzake eener aanstelling van de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier, waarbij Mr. Gerrit Buijskens, tot Schout en Dijkgraaf van Texel en Baljuw van Eijerland benoemd was. Genoemde Buijskens, in September 1786 door de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier tot voormelde waardigheden aangesteld, had zich in deze betrekking met allen lof van zijnen pligt gekweten, en was, ofschoon der patriotische zijde toegedaan, in dezelve gebleven, en op het einde van Wintermaand 1787 weder derwaarts gereisd. De heffe des volks uit de gemeente Oostereind,--waarschijnlijk aangemoedigd door de Burgemeesters van de Waal en Oostereind, welke hem als zoodanig weigerden te erkennen, aangezet door zekeren Lammert Dijke, kwam, vereenigd met die van het Oude Schild, en aangevoerd door den schipper van 's Lands schuit met eenige roeijers op den Burg, van welke plaats Buijskens de Regenten op het Raadhuis deed vergaderen, ten einde naar tijdsomstandigheden een besluit te nemen. Dan, zoodra had echter de zaamgevloeide en niets dan oproer en geweld in den zin hebbende volkshoop dit niet vernomen, of men bezettede den Burg, benevens het huis van den Schout, en sloot alle toegangen zoodanig af, dat men er niet dan met het grootste gevaar uit konde komen. De zaak verkreeg nu een ernstiger aanzien; was het tot hiertoe bij razen, vloeken, schelden en dreigen gebleven, thans kwam het tot dadelijkheden.--Men hieuw met den sabel, men perste geld af, en besloot eindelijk met het openloopen van de huisdeur, waardoor Buijskens eindelijk genoodzaakt werd te besluiten tot de afzegging van de voorgenome vergadering der Regenten.--