Het Eiland Texel en Zijne Bewoners

Part 8

Chapter 83,719 wordsPublic domain

Door den aanleg van den voorschreven zanddijk, werd hier veel buitenland aangewonnen, waarop in 1649 de Gecommiteerde Raden van het Noorderkwartier eene groote landmanswoning lieten bouwen, welke sedert dien tijd met het aangewonnen buitenland, waarop veel vee werd geweid, afzonderlijk van het Eijerland verhuurd werd. Te dien tijde, werden er op dit eiland vele konijnen en veel gevogelte gevonden. Er woonde toenmaals een kastelein, naar wien het Eijerlandsche Huis nog wel het huis van den kastelein genoemd wordt, en bij wiens woning toen slechts twee boerenhuizen of schaapskooijen stonden. Op kleinen afstand van des kasteleins woning, was eene vrij hooge kaap of steng, van waar men een vrij en ruim uitzigt over den Oceaan had.--De meeuweneijeren waren er ten eenenmale ontelbaar, en werden ingezameld van Mei tot 24 Junij, door en onder het opzigt van den kastelein, die daartoe bij uitsluiting het regt bezat, en gemiddeld 7 à 8 helpers noodig had. Zij werden òf op Texel verkocht, òf, en voornamelijk, naar Amsterdam en elders verzonden; ook werden zij wel als een welsmakend geschenk naar elders overgemaakt. Deze eijeroogst leverde den kastelein, behalve zijn gewoon jaargeld, een ruim inkomen op, hetwelk door de opbrengst der konijnen nog aanmerkelijk werd verhoogd.

Tegenwoordig begrijpt men onder de benaming Eijerland zoowel het voormalige Buitenveld als Oud Eijerland. Dit tegenwoordig Eijerland strekt zich in eene N. N. O. rigting van Texel uit, en grenst Noordwaarts aan het Eijerlandsche Gat, waardoor het van het eiland Vlieland is gescheiden; Oostwaarts van de laagwaterlijn tot langs de palen van den Noorder-Zeedijk van Texel; Zuidwaarts aan de limitpalen, langs den Ruigendijk, welke vroeger de polders Oosterend, Waal en Burg, als ook het Koogerveld, tegen overstrooming beveiligden, en Westwaarts aan de Noordzee, waarin, ten Noordwesten van het Eijerlandshuis, de gevaarlijke Eijerlandsche gronden liggen.

Het gansche Eijerland, dat het thans Noordelijk gedeelte van het Eiland Texel uitmaakt, beslaat eene oppervlakte van 8000 bunders, waarvan de Noordelijke en Westelijke stranden en duinen, ter grootte van 2200 bunders, aan de provincie behoorden, terwijl de overige, zijnde domaniale gronden, die door nummerpalen afgedeeld en begrensd waren, volgens den kadastralen legger, eene grondvlakte van 5807 bunders, 98 [] roeden en 83 [] ellen besloegen, en waarvan 2565 bunders kwelderlanden waren, die tot weide gebezigd werden.--Bij eene latere hermeting, werd Eijerland's oppervlakte groot bevonden te zijn 5852 bunders, 98 [] roeden en 91 [] ellen.--Genoemde kweldergronden werden in vroegeren tijd met de oostelijke slikken en aanwassen door het Domeinbestuur verpacht. De laatste verpachting in drie percelen, zoo als dit steeds vroeger plaats greep, door de Permanente Commissie van het Amortisatie-Sijndikaat, werd gehouden den 24sten Januarij 1833. De toen verpachtte percelen waren:

1. Het Eijerlandshuis, met binnengronden en duinen, benevens een gedeelte van het Buitenveld, groot ongeveer 180 bunders;--

2. Het Zanddijkshuis, grenzende noordwaarts aan het vorige perceel, van den Zwarten paal in de Oosterduinen, langs de groote Zwen naar Waltherduin, en zuidwaarts palende aan het hier na te melden 3e perceel (Kwelderbeek), bij paal b, onder den Zanddijk, groot p.m. 1022 bunders;--

3. Kwelderbeek, groot 1363 bunders, dat Noordwaarts paalde aan paal b en de Scheid-zwen, liggende Noordelijk van de Oosterbollen of Directiekeet; Zuidwaarts aan de palen bij den Ruigendijk en paal 12 bij den kwelder Maikenduin. Dirkje Maikeduin en de vallei de Nederlanden, als ongans beschouwd wordende, werden afzonderlijk gebruikt, vermits bij de voorwaarden van verpachting bepaald was geworden, dat de Koogerduinen, Slufterbollen en andere deelen, alleen met getuurde schapen en geen ander vee beweid mogten worden.

Deze perceelen werden voor den tijd van zes jaren verpacht, t. w.

Eijerlandshuis voor f 980. Op welk perceel de pachter in het laatste zijner pachtjaren weidde 220 schapen, 35 runderen en 7 paarden, welke laatsten gebezigd werden, zoo ter binnenhaling van het hooi, als ten dienste der strandvonderij.

Zanddijkshuis, met Zanddijkshoe aan den Noordkant van de Roggesloot, en een herdersstulp bij de Doodemansbollen, zuidwaarts van de Roggesloot, voor f 1340. De pachter weidde hier 800 schapen, eenige koeijen en paarden, benevens eenig jong vee.

Kwelderbeek, met de herderswoning op de Oosterbollen, aan den slufter van dien naam, voor f 2140, hier werden geweid 1230 schapen, 6 paarden en 20 runderen.

Het toenmalig zielental dezer drie pachthoeven, waarbij twee herdershuishoudingen, bedroeg ongeveer een 30tal personen. Deze vijf gezinnen erlangden hun bestaan in de schapenteelt, het zoeken van eijeren, de konijnenjagt [34] en de strandvonderij.

Reeds vroeg echter was het denkbeeld ter bedijking van het Buitenveld geopperd. Zoo vormde o. a. Leendert den Berger, woonachtig op het buitengoed Brakenstein, tusschen het Oude Schild en De Burg, reeds in 1573 het plan daartoe; tegen dit plan werd echter, vooral door de Provinciale staten van Friesland, geijverd.--Eerst in 1835 kwam het ontwerp ter bedijking van Eijerland, op eene uitgebreide schaal, tot stand, ten gevolge van een, door vier personen, aan den Koning daartoe gerigt verzoek. Den 21sten Februarij van dat jaar werd het geheele Eijerland, tegen eene koopsom van f 90,000, te betalen in 12 jaarlijksche termijnen, met eene interest van 2 1/2 % voor het onbetaalde, te rekenen met 1 Januarij 1835, in vollen eigendom overgedragen aan de H. H. Paulus Langeveld Kzn. te Giessendam, Willem Langeveld Kzn. te Hardinxveld, Marcellus Leendert Plooster, te Ameide en Tienhoven, alle aannemers van publieke werken, en Nicolaas Josephus de Cock, Handelaar te Rotterdam.

De eigendomsoverdragt had plaats, als tiendvrije eigendom, op den voet als Eijerland en het Buitenveld door het Rijk bezeten waren, en onder de gewone voorwaarden van eigendomsovergang, met het regt van visscherij en jagt.--Volgens contract, waren de koopers verpligt, de gekochte en daartoe geschikte gronden, binnen den tijd van 8 jaren te bedijken. Vooraf echter moesten de plannen dier bedijking ingezonden worden aan, en goedgekeurd door het Ministerie van Binnenlandsche Zaken, terwijl de koopers zich tevens moesten onderwerpen aan alle verordeningen, welke opzigtens het bedijken, toen bestonden, of nog gemaakt mogten worden; voorts werd bepaald, dat de koopers de duinen op de domaniale gronden, door helmbeplanting moesten onderhouden, terwijl het Rijk zich het regt voorbehield van overpaden voor wagens, paarden en personen naar de door aanslibbing nog te verkrijgene gronden, buiten de limiet van het verkochte land, en dat wel zonder eenig bezwaar of onderhoud voor den Staat, voorts eene vaart op de te graven kanalen, zonder eenige betaling of tegemoetkoming van tollen, vaarten, bruggen, enz.

Inzonderheid waren er bij het koopcontract bepalingen vastgesteld, ten opzigte van den van oudsher bestaande postrid, naar het Eijerlandshuis en de gemeenschap met de postschuit van Vlieland, als ook van den bijstand, zoowel aan den postillon als aan de schippers te verleenen.

Nadat de overdragt op deze wijze haar beslag had erlangd, werd er door de respective koopers, in verband met andere geassociëerden, eene Maatschappij opgerigt, welken den naam van Societeit van Eigendom van Eijerland heeft, welke hare werkzaamheden onder het onmiddelijk beheer, der drie eerstgenoemde Heeren, als deskundigen geadsisteerd door een viertal deelhebbers, aanvaardden en al aanstonds het plan ter bedijking ontwierp.--Dit plan werd in den verbazend korten tijd van circa 20 weken, (van medio April, tot het begin van September,) geheel voor eigen rekening, met 1500 werklieden ten uitvoer gebragt; en weldra zag men eene oppervlakte van 3165 bunders land, door eenen dijk van 11.122 1/2 el lengte, tegen de overstrooming der zee gewaarborgd. Deze dijk werd aan Woltherduin begonnen, en strekt zich van daar, in 10 regte lijnen, tot aan den Ruigendijk uit.--De lengte dier lijnen is echter zeer verschillend; zoo is b. v. de eerste 1608, en de 9de 283 ellen lang, terwijl de dijkshoogte gemiddeld 3.50 el boven vol zee verheven is.--De dijk is voorzien van twee steenen duikersluizen. Beiden hebben denzelfden inhoud, alhoewel de Noordelijkste, alwaar de dijk het zwaarste is, de grootste lengte heeft, beiden zijn 2 ellen breed en diep. De bodem van den drempel ligt 2.37 ellen onder volzee, of 2.86 ellen onder terrein.

Van deze sluis, welke het eerste stroomde, en die daartoe dan ook eene veel betere ligging heeft dan die der Hoogezands-kil, werd de dam, in September doorgestoken en het water ingelaten door den Heer Marten Douwes Teenstra, Directeur van Landbouw, die tevens met de indeeling en het cultiveren van den Eijerlandschenpolder belast was.

Te gelijk met het leggen van den dijk, werd, aan de binnenzijde er van, een kanaal gegraven van 20 ellen == terrein breed, en 12 ellen in den bodem. Dit kanaal leverde het grootste gedeelte der, tot het maken van den dijk, benoodigde specie op.

Over het geheel is Eijerlands bodem een vrij gelijk terrein, dat gemiddeld 0,50 el, boven volzee gelegen is, uitgenomen eenige begroeide zandvlakten. Deze zandvlakten zijn, van den Ruigendijk afkomende, op Texel bekend, als: het Lammerbults-zand, dat ten westen van den Meeuwenbol ligt; de Bolletjes (gebroken land met bollen), Koebultszand, Arm der Hoogezandskil en Oosterduin-zand, bij Zanddijkshuis; terwijl de voornaamste kreken, welke allen in het Dijkskanaal uitloopen, van die zelfde zijde afkomende, zijn: De Ruigendijks-zwen; de Breg- of Kwelder-zwen; de Kabeljaauwslufter; de Hoogezands-kil, de Kruisbalg; de Huisjeskreek of Oosterbollen-zwen; de Scheid-zwen; de Rogge-sloot; de Kleine-Zwen en de Groote-Zwen of Wolther-duins-kil.

De indijking nu volbragt zijnde, ging men al dadelijk tot de ontginning over, en reeds in Augustus en September 1835, werden er op 6 kavels land, te zamen ter grootte van 26 1/2 bunders, proeven genomen met winterkoolzaad; den 12den Augustus werd de eerste akker, door den directeur van Landbouw, den reeds genoemden Heer Teenstra, met koolzaad bezaaid. Deze proefstukken lagen langs het kanaal, en bepaaldelijk het Noordelijkste op den Noorderhoek van de Groote Zwen bij Woltherduin, terwijl de overigen afgezonderd van elkander, tot aan den Ruigendijk lagen. Men droeg zorg de bezaaide stukken lands, door het opwerpen van aarden dammen of dijkjes, hier tuinen genoemd, tegen het indringen van vee, te beschutten; en ofschoon het gezaaide veel door droogte leed, en later bovendien nog, ten gevolge van het niet in tijds afstroomen der sluizen, door het hooge binnenwater voor het meerendeel verloren geraakte, zoo leverde het echter nog 343 mudden zaad op, waarvan het Zuidelijkste stuk het meest rendeerde.

In den nazomer van 1835, en gedurende den daaraanvolgenden winter, werd Eijerland door wegen, slooten, togten en greppen ingedeeld. Tot basis dier indeeling nam men den Zanddijk, terwijl men op evenwijdigen afstand van dezen, twee strekkende wegen afgroef. De Oostelijkste, welke het naast aan den nieuwen dijk ligt, en Hoofdweg wordt geheeten, heeft eene breedte van 14 ellen. Ter wederzijde loopt eene sloot van 5 ellen breedte, op eene diepte van 1 1/2 en 1/2 el in den bodem; voorts aan elke zijde eenen berm van 1 el en 1/2 el talud, terwijl de kruin eene breedte van 11 ellen heeft, met eene tonrondte van 0.90 el boven terrein. Deze Hoofdweg strekt zich van den Ruigendijk, of limietweg, in eene regte lijn, 7447 1/2 ellen uit, tot dáár waar hij tegen de tweede dijklinie stuit.

De Postweg, welke 1280 ellen westelijker ligt, is gelegen tusschen slooten van 2 ellen, waarvan de Oostelijke later tot 5 ellen is verbreed, en heeft eene breedte van 10 ellen. Ook de dwarsslooten hebben diezelfde breedte, en zijn insgelijks palende aan slooten van 2 ellen breed.--Door de twee genoemde strekkende hoofd- en vier dwarswegen is Eijerland regelmatig verdeeld in sectiën van 200 bunders ieder; elke sectie bevat 10 gelijke perceelen, elk ter grootte dus van 20 bunders, welke in metjes, van éénen bunder elk, door greppen, ter breedte en diepte van 1/2 el zijn afgedeeld.--Diensvolgens hebben op Eijerland de bunders eenen langwerpig vier hoekigen vorm. Die, tusschen de Roggesloot en Eijerlands-huis, zijn 250 ellen lang en 40 ellen breed, en die, tusschen de Roggesloot en Ruigendijk, zijn 312 1/2 bij 32 ellen.--

De hooi- en weilanden bij Eijerlandshuis, reeds vroeger met slooten doorschoten, heeft men in den ouden vorm gelaten. Deze, zich hier bevallig voordoende duinkom, heeft aan de tegenovergestelde zijde, gevaarlijke N. W. loopende buitengronden, welke eene hoogst gevaarlijke offerbank voor de zeelieden uitmaken, en als zoodanig ook op de zeekaarten aangeteekend zijn.

De Noordelijkste uithoek van Eijerland, welke sterk vooruitspringt, draagt den naam van het Engelsche kerkhof, ter oorzake van de menigte schipbreukelingen, welke hier den dood vonden en begraven werden. Geen wonder, dat men van Engelsche zeelieden, bij het spreken over Eijerland, meermalen hoort zeggen: Damm Egg Island! [35]

In het jaar 1836, werd de ontginning der gronden met meerder kracht doorgezet; terwijl daarbij tevens de veeteelt, door den aankoop van runderen en schapen zeer werd uitgebreid.

De oogst van de, in de Lente van genoemd jaar, aan den grond toevertrouwde zaden, welke bestonden uit 62 1/2 bunders zomergarst, 78 bunders zomerkoolzaad, 15 bunders haver, 4 bunders maartegarst, 10 bunders aardappelen, 2 bunders meekrap, benevens 2 bunders paardenboonen, was, ten gevolge van het buitengewoon drooge en schrale jaargetijde, gansch niet voordeelig.

Evenwel werd de landbouw, ondanks den aanvankelijken tegenspoed, met ijver doorgezet en uitgebreid, zoodat reeds in Julij, Augustus en September, 817 bunders alleen met winterkoolzaad (waaronder 47 bunders met wit bloeijend) werden bezaaid. Van andere graansoorten zaaide men minder, namelijk 5 bunders garst, 5 bunders tarwe en 4 bunders rogge.--Eene groote hinderpaal bij de bebouwing, bestaat in den ongelijksoortigen grond.

Het hoogere gedeelte van Eijerland, dat uit geel zand, plantenvezelen en een weinig klei bestaat, bevat eene aanmerkelijke menigte schadelijke insecten, waarbij vooral wordt opgemerkt een', het koolzaad zeer benadeelend, gebronsd schaaldiertje, met zes pooten, en ter grootte bijna als een graankorrel. Bijna overal op Eijerland is de grond zandig en ligt, zelfs in de beste gedeelten, waar men, ter diepte van 1/2 el, eene bruinachtige, door dierlijke gelei eenigzins vette, bovenkorst vindt, zooals tusschen den Ruigendijk en de Hoogezands-kil. Voor het overige bestaat de grond grootendeels uit zand, doorgroeid en gemengd met eenig humus of teelaarde, plantenvezelen en eene geringe hoeveelheid klei; zoodat het niet anders kan, of zelfs de beste gronden van den Eijerlandschen polder, zullen al spoedig met eene vette bemesting ondersteund moeten worden.--Uitgenomen deze voor bebouwing vatbare streken, welke echter slechts 1/5 van Eijerland beslaan, is het overige te zandig en te dunbodemig om de kosten der bebouwing goed te kunnen maken, al vergadert men de mest ook op Eijerland zelf, en al vermeerdert men die door stalvoedering en graanbemesting; althans zal dit nog eene reeks van jaren het geval moeten zijn.

Op sommige plaatsen van den Eijerlandschen polder, treft men een grof en geelachtig zand aan, met eenen broek- of moerachtigen bovengrond, welks bovenste gedeelte of bovenvilt, eene donker bruine kleur heeft, en uit welken taaijen aardlaag een water van dezelfde kleur sijpelt. Deze gronden, welke, aangezien zij ongeschikt voor schapenweiden zijn, tot hooilanden worden gebezigd, liggen bij Eijerlandshuis, in den duinkom bij Moesbergen; bij de Kleine of Oosterduinen, langs den Zanddijk, en vooral ook bij Maikeduin. Vroeger staken de toenmalige bewoners van Eijerland uit deze aardsoort eene soort van turf, tot eigen gebruik. Het gemis aan behoorlijke waterloozing uit deze gronden, deed voorheen, een voor de schapen, zeer nadeelig grasgewas ontstaan, waardoor deze dieren ongans werden; eene andere schapenziekte, [36] wordt aan het drinken van het poelwater geweten.

Eene groote oorzaak, voor de schraal- en dorheid van den Eijerlandschen polder, meent men te moeten toeschrijven aan zijne ligging in de nabijheid der zee, door het zeewater, om verder afgelegene kweldergronden eene vettere en meer vruchtbare slib en klei aanvoert, omdat deze langer daarin hangen blijft dan de zooveel zwaardere zanddeelen.

De hoogere zandbollen, welke mede dor en zeer onvruchtbaar zijn, vindt men veelvuldig tusschen de Hoogezandskil en de Roggesloot.

Beter dan de landbouw aanvankelijk op Eijerland mogt slagen, ging het met de schapenteelt, welke tak van nijverheid, op Texel in het algemeen, schijnt te huis te behooren. De Societeit van Eigendom van Eijerland had reeds in 1836, 2454 vliezen wol afgeleverd, welke, na op de schapen te zijn gewasschen, (waardoor de wol p. m. 30 % in gewigt verliest,) een netto gewigt van 6794 kilo opleverden, welke hoeveelheid eene som van f 11379.95 opbragt, zijnde het kilo verkocht ad f 1,675.

Daarbij viel ook de hooibouw zeer ten genoege der Societeit uit, naardien er omtrent het midden van October, reeds 780 voeren hooi, te zamen wegende 546,000 kilo, benevens meer dan 200 voeren ruigte en biezen, gereden waren.

Zes jaren later heeft men bij Maikeduin eene eendenkooi aangelegd.

Eindelijk ging in 1841 de Societeit van eigendom van Eijerland uit elkander, waarna Eijerland, door verdeeling en door verkoop bij percelen, thans den eigendom van onderscheidene particulieren is geworden. De landbouw wordt in Eijerland, door afwisselende bebouwing der gronden, steeds geregeld voortgezet, en levert op de beste gedeelten voortdurend goede resultaten.

3. De Eendragt-polder.

Deze polder, die ten oosten van het Eijerland ligt, waaraan hij onmiddelijk paalt, is in 1846 ingedijkt geworden door de H. H. S. Keyser, P. Kuyper en P. den Bleyker, en bevat eene oppervlakte van 240 bunders land, die gedeeltelijk bebouwd doch meerendeels beweid worden. Men vindt daarin thans 9 huizen, bewoond door 9 huisgezinnen, uitmakende 26 zielen. De omringdijk, welks buiten-talud, met graszoden is bekleed, heeft eene kruinshoogte van 10 voeten boven gewoon volzee.

4. Het Grie.

Deze polder, die volgens de kadastrale ligging eene oppervlakte van 21 bunders schatbaar land beslaat, wordt begrensd t. O. door de zee, en t. N. en t. W. aan het overige Texel.

Het land in dezen polder, waarop geene boerderij is, wordt uitsluitend tot hooiland gebezigd. Door de lage ligging wordt het grootste gedeelte gedurende het wintersaisoen, door het regenwater overstroomd, van welk overtollig water, deze polder door een kleinen duiker, naar binnen in den Texelschen polders ontlast wordt.

Deze polder stond tot het noodlottige jaar 1825 onder eigen administratie. Nadat op den 2e en 3e Februarij van dat jaar, bijna de geheele dijk der Texelsche polders, door de hooge stortvloeden bezweken, en Het Grie zelf, alzoo geheel onder water gezet was, is het onder de algemeene administratie opgenomen en sedert dien tijd verbleven.

5. De Kattenpolder.

Deze polder ligt in het Zuidelijk gedeelte van Texel en heeft zijnen naam ontleend van zekeren Maarten Kat, herbergier aan den Hoorn, en eerste ontwerper van het plan ter bedijking van dien polder.

Een gewezen koekbakker van Utrecht, begon de indijking, welke later in 1776 en 1777, door eenige bijzondere personen werd voltooid, nadat evenwel twee doorbraken, waarvan de laatste plaats had, toen reeds het polderhuis en eenige boerenwoningen gebouwd waren, deze onderneming zeer hadden tegengewerkt.

Genoemde polder beslaat eene grondvlakte van bijna 700 morgen lands, Rijnlandsche maat, alsmede den inham, die er vroeger van boven de Schans tot aan het Horntje bestond, en waarin zich voorheen een groot gedeelte waters van de reede ontlastte, eer het, door het Texelsche gat, in zee stortte. Deze polder was voor omstreeks twee eeuwen, maar over een veel kleiner bestek, nog eens ingedijkt geweest.

6. Waal en Burg.

Ten opzigte van den polder Waal- en Burg, vond ik in een oud handschrift van wijlen den voormaligen Doopsgezinden predikant H. Veenstra, op Texel, het volgende aangeteekend:

"Waal en Burg, uit Slijklanden en aanworpen bestaande, werd door vrouwe Margaretha van Bourgondië, volgens haren brief van den 12den Mei 1436, gegeven aan Daniel van Nijewaal, haar Secretaris, en Jan van Noirde zamen, en aan derzelver Erven, om binnen 16 jaren te bedijken: vrij van alles, uitgenomen de tienden, na de eerste tien jaren.

"Zij verkregen niet alleen verlof om altijd wateringen, sluizen en geulen te mogen leggen, dààr hun gadelijkst dunken zoude, maar ook eenen Dijkgraaf te stellen over hunnen nieuwen dijk. Deze gift werd, ten verzoeke van vrouwe Margaretha, door Hertog Filips van Bourgondië, als Graaf van Holland, op den 2den Augustus deszelven jaars bevestigd. Dit geschiedde vervolgens mede door Keizer Maximiliaan, op den 4den Augustus 1488, ten verzoeke van Cornelis Crusink, toen Schout van Texel, en Houtvester van Holland, benevens anderen, als erf- en regthebbenden van Daniel van Nijewaal en Jan van Noirde. De Keizer verbeterde deze gifte met een stukje lands genaamd Harde Cogge, onder een erfpacht van f 6.--Hij bepaalde de koorntienden, na den vrijdom der eerste 10 jaren, op eene erfpacht van f 15, en gaf de Ambachts-Heerlijkheid, met den Ambachtsgevolgen uit, voor eene dergelijke erfpacht van f 6; zoodat de Erfpacht in het geheel f 27 'sjaars beliep. Maximiliaan behield echter aan zich zelven, of, aan het Schouten-Ambt van Texel, de kennisse in 't voordeel van alle boeten en breuken, crimineel of civiel, van welke zuivere afkomste, alleen één derde zou komen aan de verzoekers (Requestranten) in dezen.

"De latere herdijking geschiedde volgens twee octrooijen van vrijdom door 'sLands Staten, in dien jare gegeven. De onderneming, hoewel eerst ongelukkig, had eindelijk eenen goeden uitslag; maar de onkosten, die eerst op f 28.000 begroot waren, beliepen, toen het werk voltooid was, f 130.000, gelijk blijkt uit een octrooi van den 6den Julij 1619.--In den jare 1743 is, bij een nieuw octrooi, de vrijdom weder verlengd.--Burgemeesteren van Texel, hebben in den jare 1616, volgens uitspraak der Gecommitteerden in den Haag, op zich genomen, het onderhoud van 200 Texelsche Roeden in den Walenburger dijk, gelijk die toen was, en drie jaren later bewilligden zij, dat de sluizen in Walenburg, op gemeene kosten zouden onderhouden worden. De Polder werd in 1620, door den landmeeter Jan Pietersz. Douw gemeten, en 733 morgen, 397 Roeden, Rijnlandsche maat groot bevonden."--

VIJFDE HOOFDSTUK.

IETS OVER DE VOORMALIGE GEWOONTEN, ENZ. DER TEXELAARS.

In vroegere tijden schijnt men op Texel veelal de kleederdragt gevolgd te hebben, die elders in ons vaderland, vooral onder de landbouwende klasse, in zwang was.

In de 11de eeuw, droegen de mannen zoowel korte als lange broeken, eene soort van wambuis (wammes), een' plat ronden hoed, klompen of hoozen, en, bij feestelijkheden, puntschoenen. De vrouwen kleedden zich met een laag om den hals uitgesneden jak, waaraan de rok met koperen haakjes was vastgehecht, en eene muts (mopmus) die op de schouders nederhing, en waarover zij, buitenshuis een' zwarten kaper zetteden, welke laatste thans niet meer in gebruik is.

Later werd de kleeding ook gebezigd als een zigtbaar kenteeken van de meerdere of mindere fortuin dezer Eilanders. De rijksten waren toen kenbaar aan eene, aan de voorzijde opgetoomde, en aan den achterkant, nederhangende slipmuts, die aan het boveneinde in eene punt uitliep, waaraan eenen, op den rug nederhangenden staart, verbonden was. De rok sloot naauw om het lijf, en werd met eene rij knoopen van den hals tot onder toe gesloten. Voorts een korte, doch ruime broek, boven de knieën vastgehecht, benevens hoozen en puntschoenen.