Het eiland Seran en zijne bewoners

Part 9

Chapter 93,758 wordsPublic domain

Het jonge meisje geniet eene groote vrijheid. Onder aanvoering van de Kapala djodjaro (Hoofd der maagden) vormen de meisjes een element van beteekenis in het negorijleven, vooral op West-Seran. Bij ontvangst van gasten, bij feestelijkheden e.d. treden zij gezamenlijk op en de jongeling getroost zich gaarne veel moeite om zijn meisje te voorzien van kleederen en snuisterijen.

Ook de Seransche jongelingschap, die den verzamelnaam van ngoengaré draagt, wordt bij feestelijkheden e.d. door den Kapala ngoengaré aangevoerd. Eigenaardig is het, dat op West-Seran en ook wel op Midden-Seran, dikwijls pic-nics worden gehouden door de jongelieden van beiderlei sekse, evenals wij dat doen; men noemt dat "makan petita". Die vrijheid en onafhankelijkheid echter zijn oorzaak, dat te vertrouwelijken omgang zeer veel voorkomt en de kuischheid der djodjaro's dikwijls zeer bedenkelijk is. Het verwekken van abortus komt dan ook bij de strandbewoners ongelukkig zeer veel voor.

Ook is merkwaardig, dat de jonkman het meisje dat hij lief heeft, dikwijls op goed geluk en onverwacht in hare des nachts donkere kamer opzoekt. Is zij van zijne genegenheid gediend, dan houdt zij zich stil, zoo niet, dan roept zij de huisgenooten wakker, waarop de indringer maakt, dat hij ijlings wegkomt, daar hij bij ontdekking de kans loopt van minstens een pak slaag te krijgen, zoo niet erger, daar de Alfoer in zijne drift al zeer snel naar de wapens grijpt. Zoo wordt de negorij soms opgeschrikt uit haren slaap door eene wilde klopjacht, die het gevolg is van eene dergelijke vlucht. Ten slotte geeft dit gebruik nog al eens aanleiding tot "chantage" en zet menige schoone den bestuursambtenaar voor de moeilijke taak, uit te maken of de persoon die zij aanwijst, werkelijk hare onschuld snood belaagd heeft!

Indien vrouwen tegenwoordig zijn, zullen de Alfoeren geen vijandige daden plegen, wat zeker een hoogstaande adat is, waar tegenover te betreuren valt, dat als hij eenmaal op sneltocht is, ook de vrouw niet door hem gespaard wordt.

Deze adat kan ook ons van nut zijn. Na het gevecht met de Roemah Soal-Alfoeren in 1904, waarbij het vrij scherp was toegegaan, wenschten deze weder in aanraking te komen met ons bestuur ten einde te onderhandelen. Maar het vertrouwen was geschokt en zij durfden zich niet naar Piroe te wagen, ondanks alle verzekeringen van het bestuur, dat de ontvangst vredelievend zou zijn. Ten slotte ging ik vergezeld van een drietal jonge meisjes en eenige hoofden, waarbij zich ook de officier van gezondheid aansloot, de Roemah Soal-Alfoeren, die ten getale van 80, tot de tanden toe gewapend, op meer dan een uur afstands van Piroe wachtten, te gemoet. Op het gezicht van de vrouwen en ons ongewapende officieren, kwamen zij te voorschijn en nadat wij den eed hadden afgelegd, dat hun te Piroe geen kwaad zou geschieden, gingen zij willig mede, er in hunne kinderlijkheid op vertrouwend, dat de eed op Alfoersche wijze afgelegd, ook voor ons Christenen bindend moest zijn.

Geboorte. Gedurende de zwangerschap neemt de Alifoeroevrouw zich volstrekt niet in acht, doch blijft zij tot het laatste oogenblik haar dikwijls zwaar werk verrichten. De vrouw van een der hoofden van Hoaoeloe ging bij eene patrouille met haren man mee, terwijl zij in vergevorderde staat van zwangerschap verkeerde; zij droeg een tamelijk zwaren last gedurende een zeer moeilijken marsch door heuvelterrein. Na het beëindigen van den tocht gaf zij het leven aan een zoon.

Gedurende de bevalling wordt de vrouw door eene vriendin bijgestaan; eene vroedvrouw of doekoen kent men niet. De houding der vrouw is bij de meeste stammen neergehurkt op de knieën, de armen gestrekt, steunende op den vloer. Bij eenige stammen in het Westen gaat de vrouw op het beslissend oogenblik met gestrekte armen hangen aan een dwarsbalk van het pamalihutje of aan een tak van een boom, op zulk eene hoogte, dat zij in zittende houding hare voeten op de grond kan steunen. De navelstreng van het kind wordt afgesneden met een scherp stukje bamboe, (een mes mag hierbij niet gebruikt worden) en met een stukje rottan afgebonden. Daarna wordt de jonggeborene zoo mogelijk met lauw water afgewasschen.

Ook gedurende de bevalling mag de vader het bewuste hutje niet binnentreden. Bijna altijd is het eten van een of ander voedsel voor hem gedurende eenige tijd pamali. Ook mag hij bij sommige stammen niet jagen of op eenigerlei wijze bloed storten; bij andere daarentegen moet hij juist een varken of hert zien te dooden en dit als feestmaal doen toebereiden.

Het aantal kinderen is doorgaans klein, de meeste echtparen hebben slechts twee kinderen, terwijl tweelingen bijzonder zeldzaam zijn. Ofschoon de bevolkingsstatistiek nog zeer onvolkomen is, zoo doet een blik op de cijfers toch zien, dat de Alifoeroe langzaam maar zeker uitsterven. De verschrikkelijke pokkenepidemieën die gewoed hebben, waarbij het aantal dooden zoo groot was, "dat de bergen stonken van de onbegraven lijken", hebben het aantal inboorlingen sterk verminderd, doch misschien is ook het voortdurend onderling en in denzelfden stam huwen, mede een reden van de weinige vruchtbaarheid en het wegkwijnen van dit ras.

Puberteit. De intrede van de puberteit gaat voor den knaap met eenige plechtigheid gepaard. De tjidako wordt hem dan aangelegd en in vroeger tijd ging de vader een sneltocht ondernemen, om met een kop als zegeteeken den jongen man te begroeten. Nu wordt deze gerekend tot de "parang voerenden". De meisjes van den Wae Rama en Nisawéléstam dragen zoodra zij vrouw worden, een touwtje onder de armen, waaraan twee lapjes, die de borsten bedekken. Tevens dragen zij dan eene korte sarong, die van het middel tot de knie afhangt. Bij de Alifoeroe van Warasiwa dragen de meisjes tot aan de intrede der puberteit een helm, gevormd uit een caladiumblad. Deze wordt met een gevlochten bandje op het hoofd vastgehouden. De haren zijn dan zeer kort geknipt, op het eindje steel van het blad steken de meisjes een pluimpje van sprieten en vederen, zoodat het geheel een aardig gezicht oplevert, vooral wanneer men haar des avonds aan den algemeenen dans ziet deelnemen. Worden zij vrouw dan leggen zij dit hoofdtooisel af en bekleeden zich met de koelit kajoe (schaamgordel).

Rechtspleging. De voornaamste taak der hoofden is het berechten der eindelooze geschillen en gedingen hunner onderhoorigen. Het gemis van letterschrift wordt door het ijzeren geheugen van den Alfoer tegemoet gekomen en zoo onthoudt hij jaren lang zijne perkara om die te gelegener tijd voor te brengen. Dit recht zoeken is op zichzelf een genot voor den Seranner, want hierdoor wordt hij in de gelegenheid gesteld om ten aanhoore van een groot publiek zijne welsprekendheid te luchten. Want deze staat bij den Alfoer hoog in eere; hoe meer beelden hij gebruikt en vooral hoe radder hem de woorden over den tong rollen, hoe grooter zijn aanzien. Daarom maakt hij van de nietigste geschillen eene rechtszaak en het is dikwerf de moeite waard om den aanklager en verdediger tegenover elkander te keer te hooren gaan.

Vooral is het zijn trots om tegenover den blanken bestuursambtenaar zijn talent te kunnen ontwikkelen. Door de uitgestrektheid van zijn gebied is deze verplicht om eenige malen 's jaars een rondreis te doen en de negorijen te bezoeken. Voor die gelegenheid bewaart men dan de ingewikkeldste perkara's en nu wordt de rechtszitting eigenlijk eene publieke vermakelijkheid. Iedereen stroomt toe: mannen, vrouwen en kinderen, tot zelfs zuigelingen worden op den arm medegenomen. Met de grootste aandacht volgt men het proces en het is zaak voor den bestuursambtenaar om ook zijn publiek in het oog te houden want daaronder zijn velen, die het geval op hun duimpje kennen en uit hunne goed- of afkeurende gebaren is dikwijls veel op te maken. Soms echter wordt het den een of anderen toehoorder te machtig en roept hij den rechter luide eenige inlichtingen toe of zegt zijne meening omtrent den getuige. In dit geval treedt de marinjo op, doet met zijn rottan eenige woeste uitvallen en deelt slagen uit (die zelden raak zijn) waarop alles uiteen stuift om grinnikend onmiddellijk achter den terugkeerenden dienaar des gerechts weder in den kring der hoorders neer te hurken, volstrekt niet uit het veld geslagen en niet anders verwacht hebbende.

Maar daarom meene men niet, dat het gemakkelijk is om die zaken te berechten, want de Alfoer heeft tevens een sterk rechtsgevoel en het is de groote moeilijkheid om te onderscheiden, welke zaak van belang is of alleen om bovenvermelde redenen wordt voorgebracht. Want een schijnbaar nietige zaak, die onjuist berecht wordt, kan aanleiding geven dat de Alfoer met zijne dikwijls kinderlijke onbillijkheid en koppigheid, zijne opvliegendheid en achterdocht, gaat broeden over eene vermeende of werkelijke onrechtvaardigheid en ten slotte naar den parang grijpt om zijn wrok te koelen. Daartegenover staat, dat met een grap de publieke opinie dikwijls gewonnen kan worden en men den Alfoer het onredelijke van zijn eisch kan doen inzien en zijn in den grond goedaardigen aard bovenkomt.

Doordat zijne zaken dikwijls zeer ingewikkeld zijn en beiderzijds bijna evenveel getuigen worden aangebracht, zoo is het soms onmogelijk die te berechten en worden zij slepende gehouden, zoodat men wel eens komt aanzetten met gedingen, die reeds 30 ja 50 jaren oud zijn, terwijl het eens gebeurde, dat men een geschil over het bezit van een eilandje voorbracht, waarbij zich de eene partij beriep op eene verklaring van den gouverneur Demmers! In een dergelijk geval, alsmede bij sommige geschillen over doesoens, zegenden wij den ouden Valentijn, voor wiens dik boek de hoofden respect hebben en van wien velen wel weten, dat hij de geschiedenis van Seran opgeteekend heeft, zoodat men zich bij het door hem vermelde nederlegde.

De adatstraffen bestaan bijna uitsluitend in het betalen van boeten, terwijl voor zeer ernstige misdrijven eene enkele maal de doodstraf wordt uitgesproken. Maar door het gemis aan gezag der hoofden worden de straffen wel opgelegd, doch veelal niet ten uitvoer gebracht, waarvan weer nieuwe geschillen het gevolg zijn.

Ook zijn de uitspraken der hoofden vrij willekeurig en worden zij wel omgekocht, hetgeen echter gelukkig niet dikwijls voorkomt. Op West-Seran bestaat een zeer merkwaardig gebruik om iemand tot betaling zijner schuld te dwingen. De schuldeischer (meestal vreemde handelaren) neemt dan ongemerkt, dus steelt eigenlijk, een of ander voorwerp van waarde uit het huis van den Regent, in de verwachting dat deze, om zijn eigendom terug te krijgen, den schuldenaar zal dwingen zijne schuld te betalen! Met deze zonderlinge wijze van doen houdt het wetboek van strafrecht, volgens hetwelk recht moet gesproken worden op Seran, wel geene rekening?

Heeft men eenmaal het vertrouwen van den Alfoer gewonnen, dan komt hij met de merkwaardigste zaken die zijn intieme huiselijk leven raken aanzetten. Hij brengt U zijne dochter om haar te berispen voor z. i. onbehoorlijk gedrag of tracht U in familiegeschillen te betrekken en of men zich al onbevoegd verklaart om in dergelijke zaken recht te spreken, hij laat niet gauw los en vraagt dan listig; "maar wat zou U zelf in een dergelijk geval doen?" Ook komt een hoofd U plotseling mededeelen, dat hij besloten heeft zijn zoon eenigen tijd onder Uwe hoede te stellen om eenige kennis en beschaving op te doen. Hij vindt dit zoo iets natuurlijks, dat hij niet eens vraagt, of het gelegen komt en er niet aan denkt dat het huisvesten van eenige van die jongelingen, die wel is waar behulpzaam zijn in de huishouding, doch die ook op Uwe kosten gevoed behooren te worden, wel eens bezwaar heeft.

Eigendomsrecht. Het eigendomsrecht op sago- of vruchtboomen, die verspreid in de wildernis staan, alsmede dat op stukken grond, wordt kenbaar gemaakt door het "sasi"teeken, aldus op Noord-Seran zoo geheeten. Dit bestaat uit het plaatsen van eenige staken, meest in den vorm van een W vóór den boom of op eenige plaatsen van den omtrek van het stuk grond. Een Alfoer zal een dergelijk teeken nimmer schenden, evenmin als hij dit een "pélé"teeken zal doen, bestaande uit een kruis van stokken, geplaatst op een voetpad om dit af te sluiten. Is eene negorij in vijandschap met eene andere, dan zal eene derde negorij, die met het geschil niets te maken wil hebben, op de toegangen daarheen pélé merken stellen, ten teeken van hare onzijdigheid.

Toen onze troepen naar Roemah Soal oprukten, hadden de negorijen Boeria (Poelia) en Patahoé, die wij voorbij moesten trekken een geheel hekwerk op hun toegangspad geplaatst, waarachter de bevolking stond ten bewijze, dat zij niet in het geschil wenschten betrokken te worden. Vóór dit hek stond een stokje, waaraan een gedraaid stukje rottan (Poelia) en een steen (Patahoé), aldus symbolisch de namen der betrokken negorijen aangevend.

Eene latere colonne, waarvan de meeste officieren en minderen vreemdelingen op Seran waren, vernielde de péléteekens van Roembéroe en Lohia, toen zij van daar uit naar Honitétoe oprukte, aldus onwetend een fout begaande, meenende, dat Honitétoe die teekens geplaatst had om haar den weg te versperren. Indien de Alfoer den weg wil afsluiten met vijandige bedoelingen, dan plaatst hij naast of op het pad een stokje met eene pijlpunt er aan gebonden, of wel, hij plaatst een pijl of lans wijzende naar de vijandelijke richting. Te Loöen trof ik eene boog met pijl aldus aan, terwijl het teeken dat Roemah Soal tegen een vijandige stam plaatste, bestond uit een stokje waaraan twee kruitkokertjes gebonden waren en een pakje van sago bladscheede, waarin randjoes en pijlpunten, met bloed besmeerd.

Diefstal komt onder de Noord-Alfoeren zeer zelden voor en wordt met zware boete of met een sneltocht bestraft. Dit is zeker het gevolg van de afwezigheid van sluiting of zelfs van omwanding in de woningen, die stilzwijgend de noodzaak in het leven riep bij onderlinge overeenkomst niet te stelen. Zoo ziet men midden in het woud een pak sagomeel staan of een hoop dammar liggen, waarvan de eigenaar zijne reis naar de kust tijdelijk gestaakt heeft en zijn eigendom aldus onbeheerd achterlaat!

Vooral de goederen aan de "Kompania" behoorend, zijn daar heilig. Op eene patrouille in het gebergte achter Soekaradja (Wahaï) verloor een soldaat zijn maskéke (Alfoerentaschje), waarin tabak, naaigerij enz. Drie dagen later langs het veel begane voetpad terug keerende, lag het taschje nog midden daarop. Een bajonet en een kapmes, in een ravijn verloren, werden zonder verdere navraag door de bevolking teruggebracht. Levensmiddelen en bagage der patrouilles werden den Alfoerenkoelies toevertrouwd, die daarmede soms een dag eerder op marsch gingen, zonder dat iemand er aan denken zou, van het toch zoo begeerlijke zout, spek enz, iets weg te nemen.

In West-Seran is dit weer geheel anders, daar komt diefstal vrij veel voor en worden gouvernementsgoederen volstrekt niet geëerbiedigd, als zij onbewaakt liggen.

Péla. Eigenaardig is het sluiten van de "péla soedara" d.w.z. verbond van broederschap tusschen twee of meer negorijen. De aldus verbondenen beschouwen elkander als zoodanig vermaagschapt, dat huwelijken tusschen de péla niet gesloten mogen worden en men die als bloedschande aanmerkt. Zelfs sluiten wel negorijen van de Oeliassers een péla met die van Seran hetgeen uitsluitend uit winstbejag geschiedt, want behalve dat de péla elkander steeds moeten bijstaan, zoowel in den oorlog als bij het verrichten van groote werkzaamheden, huizen- of kerkbouw enz., mag men elkander bij bezoeken als 't ware niets weigeren, waarom de Oeliasser de péla, waarmede de minder beschaafde Seranner zeer vereerd is, bezigt tot het kosteloos en gemakkelijk verkrijgen van sago, tuinvruchten enz., terwijl de kans, dat hij zelf wat offeren moet gering is, daar de Seranner zelden of nooit bij hem te gast komt.

Pamali. Over geheel Seran komt het "pamali" voor, d.i. vrij wel hetzelfde als het "taboe" der Nieuw-Zeelanders, een verbod om zekere dingen te doen, terreinen te betreden enz. Zoo is het voor sommige stammen pamali rijst te eten, voor andere weer zekere vruchten of riviervisch; ook voor enkele personen kan het een of ander pamali zijn. De toppen van sommige bergen zijn pamali verklaard d.i. zij mogen niet beklommen worden; soms ook is dit het geval met terreinen en kapen, zooals de naam Tandjong Pamali aanduidt. Gedurende het omvaren van de Noordkaap van Boano is het bijv. verboden zijne behoeften te doen. Het maken van zout is voor alle Alfoeren pamali, ook zooals gemeld werd, het bouwen van steenen huizen. Dit pamali zijn, is soms den Alfoer ook behulpzaam om iets na te laten, waar hij geen trek in heeft. Zoo b.v. toen zij werden aangespoord om toch wat meer aan landbouw te doen en den grond om te spitten, antwoordde de Wae Ramastam, dat zulks pamali voor hen was. De Radja van Hatoé, een tachtigjarige, vrij ontwikkelde grijsaard merkte toen zeer ter snede op met eene aardige woordspeling: "och mijnheer, zij zeggen dat het "pamali" is, doch ik denk dat het "pamalas" (lui) is."

Na een sterfgeval is voor eenigen tijd alle luidruchtigheid, zang en dans verboden. Doch de Alfoeren zijn een vroolijk volkje en deze onthouding valt hun zwaar. De Alfoeren van West-Wahaï hebben daar wat op gevonden in het "minta minjak" letterlijk "olie vragen." Eenige mannen gaan in vollen krijgstooi op marsch naar eene naburige negorij en verzoeken daar eenige borden ten geschenke; worden hun deze gegeven, dan is daarmede het pamali verbroken.

Ook het stuk grond een overledene behoord hebbende is dikwijls voor langen tijd ontoegankelijk; de erfgenaam kan het pamali opheffen, doch vergeet dit wel eens of vindt het niet noodig zulks te doen, zoodat een dergelijk terrein soms jaren en jaren niet wordt betreden; als er een pad doorheen loopt, tot eenig ongerief der bevolking.

Ribbe deelt nog mede, dat hij bij Illoe (Oost-Seran) een tampat pamali aantrof, bestaande uit een gladden steen "auf den mit vieler Mühe ein menschliches Antlitz eingehauen worden ist" en dat hier omheen als offers menschenschedels en fraaie porseleinen schotels waren neergelegd. Daar de schrijver zegt dit zelf gezien te hebben, nemen wij er nota van, anders is op geheel Seran het uithouwen in steen van eene menschelijke figuur onbekend.

Eedsaflegging. De eed der Alifoeroe is vrij omslachtig. Ten eerste kan zij alleen tusschen zonsop- en ondergang worden afgelegd en de eedsaflegger moet buiten staan. Vervolgens neemt men een kommetje, doet daarin wat sagoweer, arak of anderen sterken drank en een kogel met wat buskruit. Twee helpers houden een geweer en een parang met de punt in het vocht. De eedsaflegger vat beide voorwerpen aan en nu zegt een ouderling, hoofd, of iemand die het formulier goed machtig is, dit op zangerige, luiden toon op. De aanhef voor Oost- en Midden-Seran is "oôooh! Lahatalla"; voor West-Seran "oôooh Lanité" (hemel). Vervolgens wordt de eedsaflegger uitgenoodigd bij Lahatalla of den hemel, de aarde, waarop dan met den voet gestampt wordt, de zon, de maan, de sterren en de zee, om de waarheid te spreken of om zijn eed te houden, daar hij anders zal worden verpletterd door Lahatalla, verslonden door de aarde, gedood door pijl, kogel of zwaard of op andere wijze gewelddadig aan zijn eind zal komen. Van tijd tot tijd vallen de omstanders in met de woorden: "zoo is het", of reciteeren sommigen het formulier een eindje mede of voegen daaraan toe, wat naar hunne meening noodig is. Op West-Seran roepen allen na elke zinsnede: "hio!" Is de beëediging afgeloopen, dan drinken eedsaflegger en helpers een slokje van het mengsel in het kommetje. Op West-Seran tracht een ieder der omstanders een slokje van de lekkernij (?) te bemachtigen.

De Nisawéléstammen gebruiken instede van sterken drank, water bij de beëediging. Bij de Halamoeristammen is de eedsaflegging weer eenigszins anders. Bij het sluiten van den vrede tusschen Halamoeri en Seliha ging deze plechtigheid aldus toe:

De hoofden van Hatiling, Manoeséla, Pasahari en Hatoe Olo legden hunne dienststokken weg en stelden zich op voor den eed van onverbreekbaren vrede. Een aarden pot met water gevuld, werd op den grond geplaatst, dáárop een parang, een geweer en een paar sagobroodjes gelegd. De Radja van Manoeséla hield eene lans met de punt in het water en begon onder eene doodsche stilte Lahatalla aan te roepen en verder het eedsformulier op te zeggen. In de met rotsblokken bezaaide rivier, overschaduwd door woeste plantengroei, leverde deze plechtigheid van die eenvoudige natuurmenschen, een belangwekkend schouwspel op. Na den eed raakten allen beurtelings de lans aan, terwijl zij die schuld hadden aan den vroeger gepleegden moord, hun gezicht in het water afwieschen.

Daarna werden de handen van den moordenaar en den broeder des vermoorden in een gelegd over den aarden pot en door den Orangkaja van Ajerbesar, onder het uitspreken van eenige woorden naar de 4 windstreken heen en weder bewogen, waarna door beide partijen een schot werd gelost.

Eene andere wijze van eedsaflegging greep plaats tusschen Nisawélé en Hatiling.

Nadat de noodige besprekingen waren gehouden en de gegeven snelpanden (zie later) waren ingelost, werd een algemeene maaltijd gehouden "het pamali-eten", waaraan mannen en vrouwen deelnamen. Na afloop hiervan gingen de hoofden en Orang toea naar den pamaliheuvel, in de negorij Hatiling (oudtijds Marawali geheeten) gelegen en onder het blazen op groote klinkhoorns, werden aldaar met luider stemme de schimmen der voorvaderen aangeroepen. Teruggekeerd, werd ten huize van den Gezaghebber van Hatiling, de harta, bestaande uit borden en kaïns gekeurd en in ontvangst genomen.

Daarna schaarden zich de hoofden en de Orang toea in een kring, waaromheen de bevolking; de oudste nam een mes, bracht dat in den mond en gaf het daarna ter handreiking aan allen; nu werd beurtelings door een der hoofden een duren eed gezworen; bij de aarde (waarvan eene kleine hoeveelheid in den mond werd genomen) bij de zon en de maan, bij de zee en onder het luidkeels aanroepen van Lahatalla, het Opperwezen; gedurig vielen de overigen in koor in met het woord: "Séhoe" beduidend: "zoo is het, het is uit." Ten slotte nam Nisawélé een loeri, zwoer eveneens als de anderen, doch ook bij den heiligen berg Moerkélé en reikte daarna den loeri aan Hatiling over. De bedoeling hiervan is: het mes, dat Nisawélé ontving zal zich tegen den stam keeren, zoo hij nu iets verborgen zal hebben of later toch weer kwaad tegen het strandvolk bedrijven mocht; de loeri beduidde, dat indien Hatiling mocht vernemen, dat Nisawélé weer aan het snellen zou gaan, dit niet waar zou zijn en beschouwd moest worden als het onzinnig gebabbel van een loeri.

Nijverheid. Aan nijverheid doet de Alfoer zeer weinig. Weven, timmeren, smeden, pottenbakken enz. is bij de Berg-Alfoeren volkomen onbekend. Eigenlijk verstaat hij niet anders dan het vlechten van eenvoudige mandjes, vischfuiken en armbanden, het vervaardigen van tjidako's [14], pijlen en bogen. De voor hem zoo onmisbare parang (kapmes) kan hij niet zelf vervaardigen, doch betrekt die van de handelaren. Ook aan versiering van zijne voorwerpen van dagelijksch gebruik, doet hij zeer weinig. Slechts de kalkkokertjes, die de vrouwen der Malowan-Alifoeroe dragen, zijn van een aardig snijwerk voorzien en versierd met kralen en penningen.