Het eiland Seran en zijne bewoners

Part 10

Chapter 103,766 wordsPublic domain

De Oost-Alfoeren maken eenig werk van de versiering hunner schilden, door die in te leggen met stukjes glas en paarlemoer en te bekleeden met stukken kasawarihuid. Bij de strandbevolking is eenige meerdere nijverheid te bespeuren. Er zijn verscheidene timmerlieden, die vrij knap een houten huis in elkander weten te zetten. Hier en daar treft men een smid aan, met zijne bekende primitieve smidse van bamboekokers met zuigers, als blaasbalg dienst doende. Weven en pottenbakken is echter onder hen ook onbekend, met uitzondering van eenige negorijen op Z.O. Seran, waar enkele vrouwen met een primitief weefgestoelte eenvoudige kaïn oeté2 weten te vervaardigen. Daarentegen zijn onderscheidene negorijen bekend voor haar mattenvlechten. De matten worden vervaardigd van reepen pandanusblad, die rood, geel, zwart en blauw gekleurd worden; het patroon is dikwijls wel aardig. Roemah Olat aan de Noordkust is bekend voor het vlechten van manden (tagalaja), zeeven en groote en kleine doozen, terwijl men op Boano aardige sirihdoozen vervaardigt in den vorm van missigits.

De Oost-Alfoeren maken hoofddeksels van bamboe en gekleurde pandanusbladeren, met schelpjes en paarlemoer versierd, terwijl de Zuid-Oost-Seranners worden genoemd om hunne tetoemboe, groote en kleine veelkleurige koffers, eveneens van pandanblad, geschikt om kleederen in te bergen en die dikwijls zeer sierlijk van afwerking zijn. Zij werken echter slechts op bestelling of wanneer zij er lust in hebben. Van het drijven van bepaalden handel in nijverheidsartikelen is geen sprake.

Op Hoeamoal zijn zeer enkelen, die hun brood winnen met het stoken van kajoepoetih olie. Men verzamelt de bladeren van den kajoepoetihboom in een vat en kneust ze met water vermengd. Daarna distilleert men het mengsel middels eene eenvoudige koperen distilleerkolf, waarvan de buis wordt afgekoeld in een tweede vat en vangt de uitloopende olie in de bekende vierkante jeneverflesschen op.

Daar, waar de kanarieboom in groote hoeveelheid voorkomt, leggen de vrouwen zich wel toe op het vervaardigen van olie daaruit, hoofdzakelijk door kneuzing en afkoken der amandels, aldus eene zeer fijne braadolie verkrijgend, terwijl het vervaardigen van klapperolie overal bekend is. Indien men voortdurend de bewoners aanspoort en er toe opwekt, is er wel eenige meerdere levendigheid in handel en nijverheid te brengen, zooals moge blijken uit het feit, dat in de afdeeling Wahaï de waarde der uitvoerartikelen (hoofdzakelijk bestaande in boschproducten, coprah, hout, hertehuiden en hoorns,) in drie jaren tijds van ± f 9000 op ± f 20.000 kon worden gebracht.

De eenige rijkdom der Alfoeren bestaat eigenlijk in het bezit van een meerder of minder groot aantal borden, kommen en schotels. Hoewel het gros hiervan meestal de gewone goedkoope porseleinsoorten zijn, bezitten zij toch ook vele zeer oude en schoone Chineesch en Delftsch(?) porseleinen schotels. Zij vertoonen die slechts ongaarne en weten heel goed, dat Europeanen daar veel geld voor willen geven. Onze voorvaderen schijnen vrijgevig geweest te zijn met het begiftigen van de regenten daarmee. Dikwijls ziet men in hunne handen zeer fraaie langwerpige en zeskantige schotels, met een Hollandsch motief er op en soms wel van een familiewapen voorzien. Bij het betalen van boeten, die doorgaans betaald worden met deze borden, onderzoeken de Alfoeren die nauwkeurig stuk voor stuk. De klank speelt een hoofdrol daarbij. Terwijl een persoon een schotel, op de vlakke hand geplaatst, door middel van een tik deed klinken, zag ik een ander, die de beweging maakte van het uitmeten van vademen met de armen; dit deed hij zoolang, tot de toon niet meer waarneembaar was en uit het verkregen aantal vademen kon hij dus vergelijken den duur van doorklinken met andere schotels, een zeker niet onaardig middel, bij gebrek aan een horloge.

Nog is in aanzien een verglaasde aardewerk schotel van bleekblauwe of bleekgroene kleur de pinggang batoe. Van een echte pinggang batoe beweert men, dat het glazuur barst als er vergif in den schotel gedaan wordt.

Een volledige "harta", oorlogsschatting of boete, bestaat bij de Patasiwa uit:

9 vlaggen, 9 mangkok serasa (kommen) en groote schotels, 90 oude borden, 900 kleine bordjes en 9 gongs; bij de Patalima vraagt men geen vlaggen, doch respectievelijk 5 kommen, 50 oude borden, 500 kleine bordjes en 5 gongs. Men houdt zich echter niet streng aan deze adat, doch voegt er wel eens andere zaken aan toe, die men begeert. Vooral de hebzuchtige West-Seranners zijn hiervoor bekend en dikwijls eischen zij b.v. een extra harta als een moord geschied is, voor de oogen, den mond of eenig ander lichaamsdeel van den verslagene. Het niet of slechts gedeeltelijk voldoen van de geëischte harta is de hoofdoorzaak van de meeste veeten tusschen de verschillende stammen.

Landbouw. De Alifoeroe zijn nog altijd in hoofdzaak een jager- en visschersvolk; den landbouw of liever tuinbouw beoefenen zij als nevenbedrijf. De buitengewone luiheid van dit volk zal wel oorzaak zijn, dat het een afkeer heeft van het geregeld bewerken van den grond.

De landbouw op Seran is overal roofbouw. Dáár waar hem dit goeddunkt, kapt de Alfoer een terrein open, plant er zijn gewas en ziet na den oogst niet meer naar dit stuk grond om, dat spoedig weder in eene wildernis herschapen is. De tuinen zijn dan ook wijd en zijd om de negorijen verspreid. Slechts bij de strandbewoners, die zich niet ver van hunne dorpen willen of durven wagen, kan men eenigszins van blijvende tuinen spreken, doch men verwachte niet, dat men daarom wel gezuiverde, goed beplante velden aan zal treffen. Tusschen de vruchtboomen of veldgewassen in schiet het onkruid welig op, zelfs de voetpaden door den tuin zijn meestal niet onderhouden. Men moet er zich toch over verbazen, dat de Alfoer bij al zijne luiheid, er weinig tegen opziet om groote stukken bosch te vellen, welk zware werk hem zeer vlug afgaat en vreemd is het, dat hij na zulk een arbeid verricht te hebben, plotseling tot andere gedachten komt, zijn met moeite verkregen zaaiterrein schijnbaar zonder eenige reden verder laat liggen voor wat het is en zijne landbouwplannen opgeeft.

Ook op ander gebied handelt hij zoo. Menigmaal ziet men in het bosch vierkant bekapte balken en stijlen liggen voor den huizenbouw, waarvan de eigenaar den verderen arbeid gestaakt heeft; ook wel vindt men in het bosch eene half of bijna geheel afgewerkte prauw liggen, die men blijkbaar niet meer noodig had. Wellicht wordt onder het werken de luiheid den Alfoer toch te machtig en ziet hij tegen de voltooiing op.

Den sagopalm, die hem zijn hoofdvoedingsmiddel verschaft, behoeft hij eigenlijk niet te verbouwen. Ten eerste groeit deze op Seran in ontzaggelijke massa en ten tweede plant hij zichzelf voort. Als de boom ongeveer 6 jaren oud is, is hij geschikt om meel te leveren. Hij wordt geveld en in de lengte in tweeën gekapt. Het vezelige merg wordt met een soort dissel verbrijzeld en murw geklopt. Daarna wordt de massa met water gekneed en door eene zeef geperst en het vocht langs een goot geleid naar een vat, waarin het sagomeel bezinkt. Hiervan maakt men kegelvormige of cylindrische pakken (toeman) met behulp van sagobladeren en hiermede is de bewerking afgeloopen. Bijzondere hulpmiddelen zijn hiervoor niet noodig geweest. Een der bladstelen dient als afvoergoot; het dikke ondereinde der takken vormt den mengtrog; de zeef vervaardigt men uit het weefsel, dat in groote lappen het boveneinde van den stam bedekt en het vat, waarin men de emulsie opvangt, kan men uit sago-bladscheeden maken. De natuur zorgt dus al buitengewoon goed voor den Alfoer.

Ook voor de Oeliassers is Seran de voorraadschuur, daar op die eilanden weinig palmen voorkomen en door de bevolking moeten worden bijgeplant. Voor den rijstbouw kapt men een terrein open en nadat men het omgekapte heeft laten drogen, wordt het in brand gestoken. De groote boomen die in het terrein liggen, blijven daarna soms wekenlang doorsmeulen. Met een scherpen stok maakt men gaten in den grond, werpt daarin eenige korrels en dekt ze dan losjes dicht. Dikwijls worden er nog takjes en struikjes los overheen gelegd, tot afweer van de vogels. Tusschen het onkruid schiet dan de padi op.

De korrel der Seranrijst is dan ook klein en vrij hard als ze gekookt is, maar een proefsawah op Javaansche manier aangelegd, leverde met zaaipadi van Seran, een prachtigen korrel, geheel gelijk aan Javarijst en even smakelijk. Slechts de Malowanstammen verbouwen de rijst op eenigszins groote schaal, terwijl wij aldaar tot onze verbazing, eenige berghellingen beplant vonden met de gewone aardappels, echter niet groot van stuk. De Alfoeren vertelden, dat zij zeer lang geleden eenige aardappels van een Civiel-gezaghebber gekregen hadden en die waren blijven verbouwen. Ook op Boeroe, waar onder aanmoediging van het Bestuur, aardappelen worden geteeld, gedijen deze goed. Op Seran troffen wij ze echter nergens anders aan.

Bij Lisabata, te Amahei en op Manipa groeien eenige honderdtallen koffieboomen, vroeger op last van het Bestuur als proef geplant. Er wordt geenerlei zorg aan besteed en toch geven de boomen een tamelijken oogst. Te Lisabata staan zij op slechts honderd meters van de kust, eigenlijk nog in het zand en bloeien toch vrij goed. Bijna iedere Alfoer verbouwt eenige tabaksplanten en stelt deze liefst in de onmiddellijke nabijheid van zijn huis op, dikwijls onder den dakrand, zoodat de planten bij regen in den drup komen te staan. De bladeren zijn groot en krachtig. Nadat zij fijn gekorven zijn, droogt men ze op platte schotels of wannen op het dak van het huis en als de massa licht geelbruin geworden is, is de tabak voor het gebruik geschikt. Slechts om Sétie (Wahaï) heeft de tabaksbouw grootere afmetingen en mag de tabak der Sétie-Alfoeren zich in een zekeren roep verheugen.

Te Soahoé zijn nog eenige notemuskaatbosschen, en de kokospalm tiert overal welig; op Noord-Seran nog beter dan op Zuid-Seran, wijl aldaar de vernielende klappertor weinig voorkomt [15]. Overal verspreid komt de cacao voor, terwijl op N.O. Seran eenige katoenplanten, vroeger als proef geplant, in het wild zijn blijven groeien.

De Radja van Amar op Z.O. Seran is vrijwel de eenige der inboorlingen, die meer uitgebreide notemuskaattuinen bezit en in noten handel drijft. De overigen verbouwen hunne gewassen hoofdzakelijk voor eigen gebruik en verkoopen daarvan slechts, als zij zelven het minder noodig hebben of overvloed bezitten.

Evenzoo primitief als de rijst, verbouwt de Alfoer nog suikerriet, maïs, cassave, katjang en obi (patater) en het is slechts aan den buitengewoon vruchtbaren bodem van Seran te danken, dat de bijna onverzorgde gewassen nog voldoende vruchten afwerpen.

Jacht. De geliefkoosde wijze van jagen is het zich in hinderlaag stellen, evenals bij het koppensnellen. Men noemt dit aan de kust "pergi loer" (op den loer gaan). Om den zeer schuwen casuaris te bemachtigen, moet de Alfoer soms een geheelen dag in hinderlaag blijven, welke moeite hij zich gaarne getroost, daar het vleesch van dien vogel zeer gezocht is en de beenderen hem dienstig zijn tot het maken van lansspitsen, priemen, papedavorken etc. Het gebruik van springlansen en strikken is algemeen. De eerste zijn zeer scherpe bamboelansen, die door een veerkrachtigen, sterk gebogen tak voorwaarts gedreven worden, als de liaan, die dwars over het pad gespannen is, wordt aangeraakt. Soms plaatst men twee van die lansen evenwijdig boven elkaar.

De springlansen worden ook wel met vijandige bedoelingen geplaatst en zijn door hunne moeilijke zichtbaarheid vrij gevaarlijk. Zij mogen dan ook niet in de onmiddellijke nabijheid der negorijen geplaatst worden en dan nog wordt op een tiental passen vóór de plek, waar de springlans opgesteld is, een stok geplaatst waaraan een cirkelvormig gebogen stuk liaan bevestigd is, ten einde tot voorzichtigheid aan te manen. Over de strikken valt niets bijzonders te vermelden, dan dat men ze ook wel zoodanig aan een gebogen tak verbindt, dat indien het dier in den strik geraakt, het een haakje, waaraan de strik bevestigd is lostrekt, door de veerkracht van den tak omhoog geslingerd wordt en hangen blijft. Ter bemachtiging van een koesoe2 plaatst men in de boomen zeer kunstige strikken van lianen, waarin het dier zich vangen laat.

Soms maakt de Alfoer van den strijdlust, waarmede de herten gedurende den paartijd bezield zijn gebruik, om het dier te verschalken. Hij stelt zich op eene gunstige plek in het kreupelhout op en slaat zachtjes met een takje tegen een boom. Het mannetjeshert, denkende een tegenstander aan te treffen, die uitdagend zijn gewei wet, komt dan nieuwsgierig en strijdlustig binnen het bereik van den Alfoer. Wellicht wordt het hert in zijne meening versterkt, doordat de Alfoer eene lucht van zich afgeeft, niet ongelijk aan die van een dier.

Scheepvaart. Bijna iedere kustbewoner bevaart de zee en oefent de vischvangst uit. De prauwtjes zijn hoogst eenvoudig gekapt uit een enkelen boomstam en voorzien van vlerken. Dit is de prahoe séman (zeeman?) Een beter soort prauwen, uit planken vervaardigd, met scherpe kiel, heet "pakatora" en is door Ternatanen ingevoerd. Grootere prauwen voor handel op Amboina, heeten djoengkoe en orembaï; [16] zeer eigenaardig is, dat bij het bouwen van eene groote orembaï men niet eerst op den kielbalk de inhouten en ribben bevestigt, om daar omheen de buitenhuid te leggen, doch eerst de buitenhuid bouwt en daarna pas de inhouten aanbrengt. Doordat de planken van den romp niet gebogen, doch gedeeltelijk krom gekapt worden (er is immers hout in overvloed) zoo is de samenstelling dezer prauwen, hoe eenvoudig ook, zeer sterk. De naden worden gestopt met "baroe" een zwam van den gemoetoeboom afkomstig, daarna worden zij van buiten dicht gesmeerd met kanarihars. Verder treft men verscheiden toekang's aan, die een schoener van Europeesch model weten te vervaardigen, hier pennis (penas) genoemd, terwijl deze alsmede orembaï's en djoengkoe's op Europeesche wijze getuigd worden met zeilen van keperdoek.

Het roeien der groote prauwen geschiedt op gongen tifaslag en onder het zingen van een beurtzang van roeiers en tifaslagers. De grootste onzin wordt hierbij dikwijls uitgekraamd, hetgeen er niets toe doet, mits men in de maat blijve. Haast heeft men nimmer en men roeit langzaam en krachteloos voort, maar houdt dit dan ook uren lang vol. Maar opeens gebeurt het, dat de roeiers "den geest" krijgen, de tifa slaat een woesten slag en alles begint onder het uitstooten van een vreeselijk gegil, zoo woest en hevig te roeien, dat men meent eene partij krankzinnigen te zien. Deze opwinding houdt soms een kwartier aan en dan laat plotseling weer iedereen de riemen zakken en gaat uitgeput een pruimpje sirih kauwen.

De wind wordt steeds eerbiedig behandeld en men noemt hem altijd "Toean". Eigenaardig is de aanroep: "Krrrrr! Marilah toean Timor, datang dari belakang toeroen di haloewan, antar prahoe Radjah, makan baik, mínoem baik, mari dengan mara-mara sadikit, toean!" (Kom, heer Oostenwind, van achteren naar den steven en geleid deze vorstelijke prauw, goed eten en drinken is dáár, kom met een beetje boosheid, (harder blazen) Heer!) Wordt de bergwind aangeroepen, dan heet het: "Ajo, Poetri goenoeng, kipas-kipas kain sadikit!" (Kom, vorstin der bergen, wapper eens een beetje met uwe sarong!) Is de wind zwakjes, dan verzoekt men: "Tambalah barang satoe gantang, doea gantang, satoe mangkok, doea mangkok, satjoepa doea tjoepa." (Doe er nog een of twee maten, een of twee kommen, een of twee vingerhoeden bij!) Maar als de wind den geheelen dag wegblijft, dan kan het ook wel gebeuren, dat de roerganger in arren moede den wind toesnauwt: "Zijt gij niet beschaamd, Heer, zoo den geheelen dag te slapen?" Dien man in ernst zoo boos te zien, maakt een komischen indruk.

De strand-Alfoer is goed bekend met het zeeleven en durft dikwijls brutaal zeilen, maar hij is zeer roekeloos en onverschillig voor zijne vaartuigen. De reiziger, die in een daarvan zal stappen, doet wel met de prauw altijd grondig te onderzoeken, wil hij niet onderweg beleven, dat eene plank lek springt, de mast omvalt of een vlerk plotseling afbreekt, dingen die den Alfoer, uitmuntend zwemmer als hij is, vrij koud laten. Prof. Martin zag eens een Alfoer op zulk een grooten afstand van de kust in zee, dat hij meende een drenkeling te zien. Het bleek echter, dat de man eenvoudig zijn weggedreven prauwtje achterna zwom!

In de Piroebaai gebeurde het in 1904, dat een man, niet ver van Piroe, bij ruw weder overboord sloeg. De opvarenden kwamen het vrij onverschillig mededeelen, zeggende, dat de golven te hoog gingen om hem te kunnen redden, doch dat hij wel terecht zou komen. De prauwen, die daarop van verschillende kanten uitgezonden waren, vonden den man niet, doch bijna twee dagen later, was hij gezond en wel te Poeloe Kasa aangeland. Dat de Alfoer tot zoo iets in staat is, verklaart wel eenigszins zijne roekeloosheid bij het varen. Op een nacht wakker wordend, bemerkte ik, dat de roerganger van mijn schoener in slaap was gevallen, terwijl hij het roer gemakshalve maar had vastgebonden! Gelukkig was er bijna geen wind en dreven wij maar wat rond. Het reizen langs de kust van Seran is op die manier vol verrassingen. Legt men op eene nachtelijke vaart, dicht bij het doel gekomen zijnde, zich ter ruste, in de meening "zie zoo, over een uurtje zijn we er, dat kunnen de roeiers alleen wel af" dan gebeurt het zeer dikwijls, dat men zich den volgenden dag verbaasd de oogen uitwrijft, als men bemerkt in volle zee te zijn, of op een heel ander gedeelte der kust. De oplossing van het raadsel is, dat iedereen, toen de "toean" zich ter ruste begaf, dit voorbeeld maar gevolgd heeft, het aan den stroom of den wind overlatende de prauw te drijven, waarheen het hem goeddunkt! Maar de stuurman vertelt U met een geheimzinnig gezicht, dat een polyp de prauw heeft weggevoerd, waarop volgt het verhaal van een verren bloedverwant, wien dat eveneens is overkomen "drie kommandanten geleden!"

Visscherij. Voor de strandbevolking is de visscherij een hoofdmiddel van bestaan, terwijl de Berg-Alifoeroe gaarne hunne tuingewassen tegen gedroogde visch komen inruilen. Het visschen geschiedt op onderscheidene wijzen. Ten eerste met den hengel "hohaté" genaamd (Noord-Seran.) De hengel is een bamboespriet met een snoer van uitgegloeid koperdraad en van een zelf vervaardigden, uitmuntenden haak voorzien. De visschen zijn bijna alle roofvisschen van zeer gulzigen aard, zoo komt het, dat dikwijls de moeite van een aas aan te slaan bespaard wordt, door eenvoudig een bosje witte veeren aan den haak te binden. Slaat men nu den haak snel door het water, dan hapt dikwijls, vooral in de monding van rivieren een "bobara" daarnaar. Het aas bestaat uit kleine vischjes makki-makki of "téri" genaamd sterk op sardines gelijkend. Deze vischjes zwemmen in dichte drommen rond; om ze te vangen, maakt men gebruik van het werpnet, maar ook van een hengel met zeer dun snoer en grooten haak zonder aas. Dezen laat men in de school zinken en haalt dan met een snellen ruk op, waardoor een vischje letterlijk aan den haak geslagen wordt, zoo dicht is de school.

Den sako, een geepvormige visch met een spitsen bek, die snelle sprongen boven water maakt, vangt men wel eens met een hengel, waaraan instede van een haak, een strik om het aas is bevestigd. Hapt de sako er in, dan haalt men snel op, trekt den strik dicht en vangt zoo het dier. Wanneer men op groote diepte met de lijn vischt, wordt de haak voorzien van een klapperblad, waaraan een steen gebonden is. De aldus bezwaarde haak zinkt dan snel tot op eene diepte van tachtig vaam en meer. Raakt men den grond, dan geeft men een snellen ruk, zoodat de haak het brooze klapperblad doorscheurt en nu vrij komt. Van de nerven van den gemoetoe-boom, knoopt men eene vrij sterke, zeer dunne lijn. Hieraan wordt een klein koperen haakje bevestigd met vederen voorzien en dan wordt de lijn achter een prauwtje aan gesleept. Over koraalriffen varende krijgt men altijd visschen van ± 2 d.m. lengte aan den haak. In één uur werden soms aldus 12 visschen van 7 verschillende soorten opgehaald. Het visschen is dus hier, ook als sport, zeer loonend te bedrijven.

De "djolong", een in dichte scholen levende visch, wordt "geschept". Is een djolongschool verkend, dan varen de prauwen er in een halve maan op af. Iedere prauw heeft op den boeg een V vormig bamboestel, waartusschen een net, eindigend in een zak, is bevestigd. Plotseling gaan alle vorken neer, men vaart een slag vooruit en werpt met steenen over de school heen om die naar zich toe te jagen, onder het maken van luid misbaar, klappen met roeiriemen enz. Daarna worden de netten omhoog gewipt en de inhoud binnen boord gehaald. Tot duizenden djolongs worden aldus in een kwartier geschept. Zij worden dan tusschen bamboeraampjes gewerkt en gerookt om aldus als opgelegde voorraad nog lang goed te kunnen blijven. Schildpadden en groote visschen, alsmede de doejong worden gejaagd met den atjo (harpoen) terwijl langs het strand op visschen geschoten wordt met pijl en boog. Ook met de kalawai, een lichten drietand, wordt in scholen visch geworpen, maar de vangst op deze wijze vereischt eene bijzondere geoefendheid, die lang niet iedereen bereikt. Verder bezigt men om op ondiep water te visschen het werpnet, ook elders in den archipel bekend, terwijl enkele een groot treknet bezitten, gebreid van ganémoe-vezel en met bloed en toerisap zwart geverfd.

Op bepaalde tijden vertoonen zich in de baaien dichte zwermen lémah. Het visschen hiernaar is een groot genoegen voor de strandbewoners. Talrijke prauwtjes drijven dan in het duister op het water, alle voorzien van eene harsfakkel, waarvan het licht de visschen aantrekt. Nadat door beproeving de diepte gevonden is, waarop de school zich bevindt, laat men zeer dunne lijntjes zakken met een stukje lood bezwaard, terwijl het beste aas is een klein stukje van den lémah zelf. Onophoudelijk kan men dan ophalen, terwijl de door honderden lichtjes blikkerende baai, het vroolijk elkander toeroepen en schertsen, dit soort visschen (mengaïl) tot een zeer aangenaam tijdverdrijf maakt en het voor den inboorling eene gemakkelijke wijze van verkrijgen van smakelijk voedsel is.

Op de Oeliassers beschouwt men dit dan ook als eene geschikte gelegenheid om eene nachtelijke pic-nic te houden. Begeleid door guitaar en zang, visschen de dames en heeren genoegelijk voort, terwijl men soms op een medegevoerd komfoor dadelijk eenige visschen bakt en in de prauw verorbert. De lémah is waarlijk een zeebanket. De Alfoer schijnt dit ook zoo te vinden, daar ik herhaaldelijk zag, hoe men den pas gevangen visch rauw verslond.

Zoodra de maan opkomt, bijten de visschen niet meer, de fakkels worden gedoofd en onder vroolijk gezang stevent de vloot huiswaarts.

De verbazingwekkende rijkdom van visch der Moluksche zeeën zou eene zeevisscherijonderneming ten stelligste succes waarborgen, meer nog dan in de Javazeeën. Immers potvisschen vertoonen zich herhaaldelijk in deze wateren en waar die komen, moet de voorraad kleinere visschen ook groot zijn? Eene eigen diepzeevisscherij zou het met graagte visch verbruikende Java, van die uitmuntende volksvoeding kunnen voorzien, terwijl men thans verplicht is, slechte en dikwijls voor het gebruik schadelijke vischsoorten uit Siam en elders in te voeren.