Het eiland Seran en zijne bewoners
Part 11
Voeding. De voeding der Alifoeroe is zeer eenvoudig, welk feit verband houdt met de allerbedroevendste culinaire bekwaamheden hunner vrouwen. Het hoofdvoedsel bestaat uit sago, die onder verschillende vormen genuttigd wordt. Het meest geliefkoosd is de papéda, bestaande uit eene pap, die men verkrijgt door versch sagomeel te overgieten met kokend water, waardoor een gerecht ontstaat uiterlijk volkomen gelijk aan behangersstijfsel. De papéda wordt in eene aarden kom opgediend; met een vork van twee kruiselings aan elkander bevestigde stokjes, draait men zich een bal uit de kleverige massa en werpt die op zijn bord, waarna men de papéda opslurpt zonder zijne vingers of een lepel te gebruiken. Deze wijze van eten is ook op de Oeliassers gebruikelijk, zelfs bij de hoogere, Hollandsch sprekende of met Europeanen gelijkgestelde bevolking.
De Alfoeren nuttigen bij de papéda vleesch en visch, soms een lombok, terwijl bij de strandbewoners meestal eene dunne soep van visch en specerijen (pindang) er bij gegeten wordt. Hoe onoogelijk het gerecht er ook uitziet en hoe onsmakelijk de wijze van eten er van schijnt, ook de Europeaan kan er vrij gemakkelijk aan gewennen en het smakelijk vinden. Om op marsch te bezigen stopt men het sagomeel in eene dunne bamboe en roostert deze boven het vuur. Als de bamboe is opengebarsten, heeft de sago zich samengepakt tot een rol, niet ongelijk aan den gummistok onzer politieagenten. Men begrijpt, dat het verorberen van eene dergelijke staaf eene taaie geschiedenis is.
Door het sagomeel in langwerpig vierkante, leemen vormpjes te roosteren, verkrijgt men de zoogenaamde sagobroodjes, die door hun klein volume en platten vorm, gemakkelijk mede te voeren zijn, doch die bij volkomen smakeloosheid en korreligheid het gevoel geven als knabbelde men op droog zand. Niettemin is de bevolking zeer tevreden met deze broodjes, die zij in een weinig water weeken en met wat toespijs nuttigen. Op zeetochten ziet men velen het broodje in het zeewater dompelen en dan verorberen.
Voor de bereiding van vleesch en visch kent men slechts ééne wijze n.l. het roosteren. Men legt een vuurtje aan en plant daar omheen in een kegelvorm stokken, waaraan men de stukken vleesch of den visch heeft geregen en laat het vleesch dan roosteren; hier en daar dooft men met de vingers het vuur, dat het gerecht dikwijls aantast. De eenige smaak, die het aldus toebereide vleesch heeft, hetzij het van herten, varkens, duiven of papegaaien komt, is altijd dezelfde n.l. "rookerig!"
Bij de strandbewoners is het bakken en braden en bereiden met specerijen reeds bekend, al is ook bij hen de kookkunst nog zeer in wordingstoestand. In de tweede plaats gebruikt men rijst, maïs, cassave (kasbi) en aardknollen, hier patatter genaamd, doch deze voedingsmiddelen zijn lang niet algemeen en worden door de Alfoeren slechts in kleine hoeveelheden verbouwd.
Behalve wat sago, legt de Alfoer ook bijna geen voorraad in zijne huizen op. Is zijne provisie verbruikt, dan gaat hij nieuwe halen en te Piroe merkte ik op, dat velen zoo lui zijn, dat zij eerst nadat alles schoon op is en zij tevergeefs getracht hebben bij een buurman wat te leenen, er pas toe kunnen besluiten om opnieuw te gaan sago kloppen of te jagen!
Genotmiddelen. Bij de strandbewoners komen meer en meer de lekkernijen in gebruik, die men ook elders in den Archipel aantreft. De Berg-Alfoeren echter gebruiken als genotmiddelen niet veel anders dan sirih en pinang. Van de sirih gebruikt men meer de langwerpige vrucht dan de bladeren. Tabak wordt ook vrij algemeen gebruikt, doch voornamelijk om te pruimen, terwijl hier en daar uit het sap van den arènpalm suiker wordt gekookt. Het gebruik van sagéroe is reeds uit de vorige bladzijden bekend. De uitspraak van Ribbe: "der Muhamedaner liebt das Opiumrauchen über alles", geldt alleen den Z.O. Seranner, daar opium elders bijna onbekend is en slechts door vreemdelingen ten eigen bate wordt binnengesmokkeld.
Wapens. Het inheemsche wapen is de boog. Deze wordt gesneden uit bamboe of hout en is zeer eenvoudig van vorm, zonder versierselen. De pees wordt van ineengedraaide rottan of ganémoevezelen vervaardigd. De schacht der pijlen wordt gevormd door een rietstengel (glaglah) terwijl de spitsen vervaardigd worden van ijzer, bamboe en arèn of wokkahout. De oorlogspijl wordt in jachtpijl herschapen door het opplaatsen van eene losse bamboespits. Terwijl deze in het getroffen dier blijft zitten, laat de pijl los en kan dus door den Alfoer gemakkelijk teruggevonden worden. De ijzeren spits van den oorlogspijl wordt meestal gevormd door een daartoe bijgeslepen stuk mes. Ook wordt hiertoe wel gebezigd een scherp behakt stukje vogeldijbeen.
Onder de oorlogspijlen zijn er altijd eenige, die uitgekerfd zijn of van weerhaakjes zijn voorzien, doch dit snijwerk is niet zoo kunstig als dat der Nieuw-Guinea-Alfoeren; ook versiering blijft geheel achterwege. Om meer uitwerking te hebben bij het schieten op den koesoe2, gebruikt men een pijl met drievoudige spits van bamboe, waarin weerhaken zijn uitgesneden. Een steentje dient om de 3 punten uit elkander te houden. Tot het schieten van visschen, waarin de Alfoer zeer behendig is, bezigt men eveneens eene meervoudige spits van dunne scherpe punten van arènhout. De lans, meestal van wokka, wordt bijna uitsluitend voor de jacht gebezigd. Zij bestaat uit een eenvoudigen ± 2 M. langen spitsen stok. Op Oost-Seran voorziet men haar dikwijls van eene spits, bestaande uit een schuin afgesneden casuarisdijbeen, terwijl ter versiering een bosje casuarisvederen, aan het boveneinde gebonden, moet dienen. Een bijzondere lans, bijna over de geheele lengte voorzien van geitenhaar en casuarisvederen dient alleen om bij den schilddans (menari parisi) of bij den waaierdans (menari kipas) door den voordanser te worden gebruikt. Zij komt, zoover mij bekend, alleen te Hatoé en te Loehoe voor en is waarschijnlijk uit Celebes afkomstig. (De Toradja's hebben b.v. vrij wel dezelfde lans).
Het schild, de salawakoe, wordt alleen bij krijgsdansen gebezigd. Het bestaat uit een eenvoudig bewerkt langwerpig stuk hout, aan de binnenzijde van een handvat voorzien en doorgaans versierd met stukjes paarlmoer en porselein scherven. Hier en daar komen fraaier bewerkte, zeer kleine schilden voor, die echter uit Ternate afkomstig zijn.
De parang (kapmes) wordt meest uit Ternate ingevoerd. Die van West-Seran zijn veel grooter dan die van Midden- en Oost-Seran. Het gevest wordt uit hout gesneden, met rottan vlechtwerk om den angel bevestigd en met eene harssoort vastgezet; op West-Seran worden de gevesten met eenig kunsteloos snijwerk versierd of ook wel rood geschilderd. Met de parang zijn de Alfoeren zeer handig en doordat het zwaartepunt geheel in het uiteinde gelegen is, kunnen er geduchte houwen mede toegebracht worden. Op marsch draagt men het wapen op den schouder gesteund, doch moet de Alfoer zijne beide handen vrij hebben, dan klemt hij het gevest van de parang met zijne kin vast, terwijl het lemmet over den schouder ligt. Op deze wijze klimt hij b.v. met gemak in boomen.
Nog bezit men lila's, kleine koperen kanonnetjes, dikwijls fraai bewerkt, die van elders afkomstig zijn. Deze worden nimmer in den krijg gebezigd, doch dienen om vreugdeschoten te lossen of om daarmede boeten en bruidschat te betalen. Affuiten ervoor zijn onbekend. Te Kambélo ligt in het bosch een oud kanon van ons vroeger fort aldaar afkomstig waaraan door de inwoners wel geofferd wordt.
Bijna alle Alfoeren van West-Seran zijn met een voorlaadgeweer bewapend. Hoe deze in hunne handen gekomen zijn, kon niet worden nagegaan, doch vele geweren dragen Engelsche merken. De West-Seranners onderhouden hunne geweren veel beter, dan de overige Seranners, ook bezitten de Berg-Alfoeren van Midden- en Oost-Seran veel minder vuurwapenen. Pijl en boog vormen daar nog altijd de hoofdbewapening. De behendigheid hiermede is niet altijd zoo groot als men zou verwachten en de werkzame afstand daarvan is ongeveer dertig passen. Trouwens de dichte begroeiing van Seran maakt het ook onmogelijk om verder te schieten.
Koppensnellen en oorlogvoeren. Evenals bij zoovele volken in den Indischen Archipel bestaat het koppensnellen reeds sedert onheuglijke tijden, al zijn de drijfveeren er toe verschillend. Zonder ons in philosophische bespiegelingen over het waarom te verdiepen, moeten wij toch erkennen, dat het 't meest zekere bewijs is van overwinning, als men den kop van den tegenstander kan vertoonen en het dus natuurlijk lijkt, dat primitieve volken tot het koppensnellen kwamen. [17]
Het is beslist onjuist, te meenen, dat op Seran het noodzakelijk voor den man is om minstens een kop te hebben gesneld, alvorens hij zich eene vrouw kan verwerven, zooals men van andere volksstammen en ook van de Seran-Alifoeroe beweert. Natuurlijk staat hij, die eenige koppen geroofd heeft, in hooger aanzien dan degeen die het niet deed en daardoor zal hij het vrouwelijk hart eerder winnen, doch een vereischte is het niet. Ook zijn de gesnelde koppen niet het eigendom van dengene, die ze verwierf, doch van de negorij, terwijl voor het feit, de geheele negorij aansprakelijk is. Zelfs is het bij de kakihans streng verboden de vraag te doen: "wie snelde dien kop?"
De Alfoer, die er op uitgaat om een kop te rooven, doet dit doorgaans door zich in hinderlaag te leggen en van daar uit zijn prooi neer te schieten, liefst met pijl en boog, ten einde zoo min mogelijk gerucht te maken. Daarna houwt hij den gewonde of doode het hoofd af. Dit wordt in eene tasch geborgen om te voorkomen, dat bloedsporen de richting zullen aanwijzen, in welke hij vlood. Na het afhouwen van het hoofd stoot hij den hoogen, gillenden toon uit, die bij alle bergvolken, zoowel in Europa als in Azië, bekend schijnt te zijn. Zijn meerdere koppenjagers vereenigd, dan schijnt het gezicht van het hoofdelooze lijk zoozeer hun hartstocht te prikkelen, dat allen in blinde woede daarop inhouwen, zoodat het lijk eene afgrijselijk verminkte massa wordt. De behaalde kop wordt zoo spoedig mogelijk en in het geheim bij den maoewin gebracht. Deze geeft aan de negorij kennis van de heldendaad, waarop eenige dagen feest wordt gevierd en iederen avond de kahoewa of kairori (zie later) om het zegeteeken gedanst wordt.
Nadat de kop geheel van het vleesch is ontdaan, wordt hij, zonder den onderkaak, aan den middenbalk van de baileo gehangen. Bij de Patalima wordt het hoofd ergens in het bosch of in rotsholten bewaard, terwijl bij de Malowanstammen bemerkt werd, dat men vele menschenschedels in boomen had gehangen. Het gebeurt zeer zelden, dat de Alfoeren elkaar in groot aantal beoorlogen; doet men dit, dan noemt men dat de "hongi" in navolging van onze vroegere strooptochten. De "hongi" neemt haren weg over de moeilijkste en minst bevolkte streken, om zoo ongemerkt mogelijk in de nabijheid der vijandelijke negorij te komen. Zij wordt steeds voorafgegaan door een kapitan met 6 of 8 man. Deze sluipen zeer behoedzaam over een korten afstand voorwaarts, waarop een man teruggaat om de rest der hongi den weg te wijzen enz. Worden dan slechts een of weinige koppen verkregen, dan krijgt iedere stam, die aan den tocht deelnam, een stuk van den schedel.
Zooals gezegd is, worden op een sneltocht vrouwen noch kinderen gespaard. In onderscheidene baileo ziet men menigen kinderschedel onder het aantal doodshoofden hangen.
Het nachtverblijf in een baileo, waar als versiering boven uwe slaapplaats honderden menschenschedels hangen, is natuurlijk niet vroolijk en het gebeurde wel, als de wind zachtjes door de oogholten floot, dat de Javaansche soldaten dit zoo "unheimlich" vonden, dat zij maar liever in den guren wind buiten overnachtten of onder de baileo kropen.
Soms gebeurt het, dat de koppensnellers eenige dagen om de negorij in hinderlaag liggen, zoo noodig zelfs zonder voedsel om maar een gunstig oogenblik voor hun aanslag te kunnen afwachten. Men vertelde mij, dat eens een gezelschap koppenjagers uit Roemah Sokat, dat om niet ontdekt te worden, zijn pad koos over het woeste rotsgebergte achter Sawaï, daarin blijkbaar verdwaalde en van gebrek omkwam. Dat zij niet eerder terugkwamen, komt daar vandaan, dat een Alfoer, die eenmaal op de menschenjacht is uitgegaan, er zich voor schaamt om platzak terug te keeren en zich de uiterste inspanning getroost, om zijn doel te bereiken.
Zijn vijand in front aanvallen doet een Alfoer nooit; dit gaat zelfs zoover, dat herhaaldelijk gebeurt, dat hij het slachtoffer, waarmede hij b.v. staat te praten, door kleine listen er toe brengt zich om te keeren of zich te bukken, door hem iets te laten oprapen, waarna verraderlijk de houw wordt toegebracht. Onder de strandbewoners geldt dan ook de regel, nooit een Alfoer achter zich te laten loopen in het bosch. Bij velen bestaat een bepaald ingeschapen moordzucht. Zoo kwam te Wahaï een geval te berechten van een Alfoer, die zijn kameraad met wien hij geenerlei twist had, den kop had afgeslagen, omdat de toevallige, verleidelijke houding, waarin deze stond, hem blijkbaar te machtig was geworden. Een gevreesd alamanan, hoofd van Riring (West-Seran) sneed eens een naast hem slapenden jongen heimelijk den hals af; eerst toen het bloed door de reten van den vloer op degenen, die onder het huis sliepen, druppelde, merkte men de misdaad. Te Wahaï kwam het voor, dat een Alfoersch hoofd om onbekende redenen plotseling zijne gastvrouw, die bezig was de lamp op te steken, met één houw het geheele hoofd afhieuw; daarna trad hij naar buiten en vermoordde zijn dochtertje, waarop hij door de bevolking werd neergeschoten. Het is zeer waarschijnlijk, dat drankmisbruik een hoofdoorzaak is van dergelijke gruweldaden.
Vooral de Honitétoe-Alfoeren kenmerken zich door hunne ruwheid en bandeloosheid. Toen zij eens werden aangemaand, om het moorden te laten, antwoordden zij: "Indien God niet zoo hoog zat, zouden wij ook op God schieten." Men voelt, dat tegen een dergelijk volk, dat zelfs met gespannen haan ter vergadering met het bestuur kwam, niet te redeneeren valt en alleen door geweld tot rede is te brengen, zooals thans gelukkig geschied is.
De Oost-Seranners snellen sinds menschenheugenis niet meer. Wel beschuldigt men hen van met vergif hun tegenstanders om het leven te brengen. Ook komt het bij hen wel voor, dat men op zijn tegenstander "in effigie" schiet, in de overtuiging dat hij dan gedood zal worden of minstens een ongeluk zal krijgen. Een hoofd van daar zeide, terwijl hij de zachtere zeden van zijn volk roemde, met een eigenaardigen term: "wij zijn de "behagian perampoean" (vrouwenafdeeling)."
Nog eene eigenaardigheid is, dat men te Maréhoenoe, wellicht daartoe genoodzaakt door ons streng verbod om koppen te snellen, zich vergenoegde om in plaats daarvan iemand in den slaap een vlok haar af te snijden [18], terwijl hier en daar in de negorijen aan de kust om dezelfde reden een nieuwgebouwde baileo niet geheel wordt ingedekt, omdat anders een kop zou moeten worden gesneld en men thans een paar atappen aan de nok weglaat, om aldus den adat te kunnen ontduiken.
Een kwaad, dat in den loop der tijden is ingeslopen, is het "zenden van den parang" d.w.z. men belast een Alfoer, een vijand uit den weg te ruimen, door hem een of ander voorwerp in pand te geven. Bijna uitsluitend maken de strandbewoners hiervan gebruik om hunne veeten te beslechten, terwijl de schuld van den moord op de Alfoeren valt. Het is nog niet zoo lang geleden, dat het Bestuur de ware toedracht van zaken in dergelijke gevallen ontdekte en den zedelijken dader als hoofdschuldige aan de kust zocht. De expeditie van 1875 was het gevolg van een dergelijk misdrijf (zie Hoofdstuk I). De Alfoer, die de opdracht tot snellen ontvangt, kan zich daaraan niet onttrekken, daar dit zijne eer te na zou komen. Mocht al vroeger in werkelijkheid hem daartoe een parang gezonden worden, tegenwoordig geschiedt het symbolisch.
Het snelpand bestaat uit een kogel, een steentje e.d.; als men den Alfoer wil beletten om lang te dralen met het uitvoeren van die opdracht, geeft men als snelpand eenige schaamharen in een lapje gewikkeld. Toen wij krachtiger met den troep begonnen op te treden, begrepen de Alfoeren, dat op die wijze zij altijd het kind van de rekening zouden zijn, waarom verscheidene snelpanden ingeleverd werden te Wahaï, zij het dan ook na vele beraadslagingen en overreding van de zijde van het bestuur. De aanstokers tot dergelijke euveldaden, onder wie Mohammedanen en zelfs Christenen zijn, behooren immer ten strengste te worden gestraft, wil men een einde aan deze praktijken maken.
Het feit echter, dat de ambtenaar moet rechtspreken volgens het wetboek van strafrecht voor Inlanders en het politiestrafreglement, evenals in eene beschaafde maatschappij, maakt het bestraffen der zedelijke hoofdschuldigen moeilijk, dikwijls onmogelijk. Ook met het berechten van vele andere zaken is dit het geval, daar het vanzelf spreekt, dat bij allerlei geschillen, waarin de adat een hoofdrol speelt, niet alle formaliteiten van het gewone recht kunnen worden vervuld. Het instellen van eene landsrechtbank voor Seran is mijns inziens voorloopig zeker een vereischte ter behandeling van dergelijke zaken.
Uit de beschrijving van het koppensnellen blijkt, dat de Alfoer, wil hij zijns gelijken besluipen, bijzonder geschikt moet zijn om zich behoedzaam door de wouden te bewegen en snel daarin te verdwijnen. Den reiziger verrassen dan ook de lichamelijke eigenschappen van dezen echten zoon des wouds. Hij heeft een scherpen speurzin, weet aan allerlei teekenen zijn weg te vinden of een spoor te volgen en kan ongeloofelijk hard loopen. Een marsch, door een goed geoefende troep in twee en een halven dag afgelegd, volbracht een Alfoer, die met een bericht belast was, in één dag en in de gevechten op den tocht naar Roemah Soal (1904) werd geen enkele Alfoer gezien, ofschoon zij altijd onzen troep op zeer korten afstand (van 10-20 passen) bevuurden en gewonden toebrachten, terwijl zij zich steeds aan vervolging wisten te onttrekken.
Zij kozen daartoe hunne opstelling meest op hellingen van ravijnen, waarin zij zich na het afgeven van hun schot, maar een eind lieten afglijden of vallen, hetgeen dien boschmenschen mogelijk is. Ten einde zich minder zichtbaar te maken, steken zij bladeren en takken tusschen de banden van den hoofddoek, in den gordel en tusschen de armringen.
De taaiheid van den Alfoer is groot. Een Alfoersche gids kreeg een doorgaand schot door de borst, even boven den rechter longtop. Tot onze verbazing zagen wij, dat de man, die niet eens viel, bedaard ging zitten en een stukje suikerriet begon te kauwen, terwijl hij op het aanleggen van een verband wachtte. Nadat dit geschied was, marcheerde hij weer mede gedurende twee dagmarschen, waarbij de tocht door moeilijk hooggebergte ging en toen hij later in het hospitaal werd opgenomen, genas hij binnen twee weken volkomen.
Een andere Alfoer had een buikschot gekregen, waardoor een gedeelte darm naar buiten was getreden. Toen na eenigen tijd de dokter toevallig ter plaatse kwam, bevond deze, dat de wond genezen was en de darm, dien men daarbuiten had gelaten, was afgestorven en vanzelf wel zou afvallen of vergroeien, zoodat de operatie (daar ter plaatse trouwens bijna ondoenlijk) kon achterwege blijven.
Wij halen nog eenige zinsneden uit Prof. Martin's werk aan, om te doen zien, dat ook op hem de natuurlijke behendigheid van den Alfoer grooten indruk maakte. (blz. 129)
"Bald war ich in der Lage, die Geschicklichkeit und Kraft der Alfuren auf dem Waldpfade bewundern zu lernen; denn obwohl ich schon unter gleichen Verhältnissen mit Negern und Indianern gegangen war, so hatte ich doch bis dahin Ähnliches noch nicht gesehen. Dasz die Eingeborenen umgefallene Bäume nicht als ein Hindernis im Wege betrachten, ist ja selbstredend; aber erstaunt war ich doch zu bemerken, wie sie ohne Weiteres in deren Äste hineinkletterten, wenn sie zu mehreren ein Gespräch führen wollten und ihnen der enge Pfad keinen genügenden Raum zum Beieinanderstehen bot. Das ging so bequem von statten, als stiegen sie eine Treppe hinan und da saszen denn die Leute gleich Affen in den Zweigen um sich mit den am Boden stehenden zu unterhalten. Ansehnliche Äste, welche ihnen im Wege waren, schlugen sie so mühelos mit einem Schlage ihres Parangs herunter, dasz ich seither an die Behauptung glaube, es vermöge der Alfure einen Menschen ohne Umstände durch einen einzigen Hieb zu köpfen."
Medicijnen en Ziekten. Medicijnen zijn zoo goed als onbekend. Bij verwondingen gebruikt men wat klei of eene pap van gekauwde bladeren, die men daarop legt, aldus dikwijls ernstige verzweringen veroorzakende. Het geneesmiddel voor alle kwalen der Alifoeroe is eene soort netel "daon gatal", waarmede bij hoofd-, oor-, buikpijn enz. de zieke deelen worden ingewreven. Ook de Alfoer op marsch is er doorgaans van voorzien. Bij eene rust wrijft hij er zijne magere kuiten mede in en beweert, dat zoodoende de vermoeidheid dadelijk verdwijnt. Eene proefneming deed mij daarvan niets bemerken, wel dat het blad een scherpen jeuk veroorzaakte, die gelukkig spoedig verdween.
Iets waaraan zeer vele Alfoeren, tengevolge van de onreinheid op hun lichaam lijden, zijn huidziekten, bekend onder den algemeenen naam van "kaskado". Sommige lieden zien er geheel grauw uit door deze schurftsoort, die eene schubvorming van de huid veroorzaakt en waardoor soms geheele ringvormige figuren op borst of rug worden geteekend. Zelden doet men hier wat tegen; de geneeswijze is het afschuren met zand en zeewater en daarna berooken.
Velen stellen zich gaarne onder behandeling van den Nederlandschen geneesheer en het besmeren met salicyl of jodium doet den Alfoer om de bijtende werking, vergenoegde grimassen trekken. Ook elephantiasis komt vrij veel voor. De lijders beweren, dat zij door het loopen in de modderige strandlagunen b.v. het opgezette been gekregen hebben. Berooking is ook het eenige middel, dat zij daartegen aanwenden. Verder lijden vooral kinderen aan frambosiae, "boba" geheeten, die een afzichtelijken uitslag, vooral om den mond vormt. Bij verscheidene kinderen komt het voor, dat de mond daardoor tot op eene zeer kleine opening na, geheel dichtgroeit, zoodat de lijder niet kan spreken en met moeite zijne sagopap kan opslurpen. Te Wahaï werden een paar van dergelijke vergroeingen door den officier van gezondheid geopereerd, tot groote verbazing der Alfoeren. Eigenaardig was, dat de patiënten toen opnieuw moesten leeren spreken en zij (een man en een opgeschoten jongen) in den aanvang onverstaanbaar waren.
Lepra komt zeer weinig voor; in de afdeeling Wahaï b.v. konden wij (als leek) slechts 7 lijders op de ± 11000 inwoners erkennen. De Alfoeren zonderen een lepralijder vrij streng af en hebben dus de besmettelijkheid van die vreeselijke ziekte wel ingezien. Te Kalowa, aan den bovenloop van de Isal, toonde men mij zulk een ongelukkige, die naar men zeide, de laatste was van een kleinen stam, waarvan de leden allen aan lepra waren overleden. De afzondering was hier gedeeltelijk; de man moest wel alleen wonen en eten, doch men stond hem toe ook in andere huizen te verwijlen.
Tegen de kinderpokken, die op Seran epidemisch zijn, hebben de Bergalfoeren geen geneesmiddel. Komt een geval in de negorij voor, dan vlucht men het bosch in. De strandnegorijen, waar de bewoners zich niet willen laten inenten, sluiten dikwijls door middel van péléteekens zich van alle verkeer af, indien de pokken zich in de nabijheid vertoonen. Zeer velen laten zich echter door den vaccinateur, die gedurig de kustnegorijen langs reist, inenten. Hun aantal wordt steeds grooter, daar zij het vaccineeren als een deugdelijk voorbehoedmiddel hebben leeren kennen.
Opmerkelijk is, dat vele Alfoeren, die zich volstrekt niet willen laten inenten, meenende dat het geheim van het middel alleen in de overblijvende litteekens zit, zichzelf door middel van brandend zwam van litteekens op den bovenarm voorzien.