Het eiland Seran en zijne bewoners

Part 12

Chapter 123,670 wordsPublic domain

Begrafenis. De Alfoeren aan de Noordkust begraven bijna allen hunne dooden, door ze in eene zittende houding samen te binden met gemoetoetouw en ze in die houding in een kuil leggen. In het Westen worden de lijken naakt ter aarde besteld, terwijl in de omstreken van Noniali dikwijls sieraden of borden mede in het graf worden gelegd.

Over geheel Seran wordt het graf niet door eenig teeken kenbaar gemaakt, wel worden ten bewijze van rouw borden, gongen en andere artikelen daarop gebroken en neergeworpen. Verder kijkt men niet naar de graven om, doch zooals gezegd is, moet de negorij eenigen tijd rouw dragen door niet te spelen of te zingen, ja zelfs komt het op West-Seran voor, dat men in het dorp niet eens luide mag spreken.

De Patalima leggen hunne dooden op parra2 in het bosch; dat zijn manshooge staketsels van stokken en takken vervaardigd. Een honderdtal passen daar omheen is dan de grond pamali verklaard. Ook de Nisawélé behandelen het lijk op die wijze, als de overledene door moord is gevallen, terwijl zij ook nog het gebruik kennen, volgens hetwelk men het lijk van iemand, die b.v. uit een boom dood is gevallen, op dezelfde plaats laat liggen, omgeven door een hekwerk van takken. Bij alle stammen wordt zoolang het lijk nog in huis is, geweeklaagd en gehuild door verwanten en vrienden.

Men zou in de gelegenheid moeten zijn eene begrafenis geheel bij te wonen, om van de verschillende gebruiken daarbij op de hoogte te komen, want de Alfoeren zijn op dit punt nogal geheimzinnig.

Muziekinstrumenten. Van de muziekinstrumenten noemen wij: de tifa, eene uit een uitgeholden arènstam vervaardigde kegelvormige trom, waarvan de grootste opening bespannen is met een hertenvel. Zij wordt met een stok geslagen.

Enkele Alifoeroe bespelen de rebab. Eene lichte bamboe wordt aan het eene einde voorzien van een halven klapperdop met een hertenblaas overtrokken en hier over een garen gespannen.

Deze soort viool wordt met een bamboeboogje, waarvan de snaar uit garen bestaat, bespeeld. Het voortgebracht geluid is echter bijna onhoorbaar en van melodie is ook niet veel te bespeuren. De gong heeft den gewonen vorm, de waarde wordt berekend naar het aantal vingerspannen, dat zij groot is. Behalve als muziekinstrument dient zij ook als betaalmiddel. Verder gebruiken de Mohammedaansche strandbewoners nog de gewone rebana en een fluitje, waarop zij echter maar enkele zonderlinge melodieën, eigenlijk alleen bestaande uit eene aaneenschakeling van trillers en triolen, kunnen ten gehoore brengen.

Tot het begeleiden van plechtige gezangen bezigen de Alifoeroe nog stukken bamboe en groote kinkhoorns, tahoeri, waarin gaten zijn gemaakt en waarop zij blazen. De enkele toon, die voortgebracht wordt, is gelijk aan dien van een misthoorn.

In de bergen dient die kinkhoorn tot het geven van signalen en men krijgt door den adem in te halen en uit te stooten een dubbelen toon. Het blazen op dit instrument vereischt eenige oefening.

Liederen. Evenals vele volken van den Indischen Archipel bezit ook de Seranner een zeer groot aantal pantoens, vierregelige versjes, die meestal verliefde ontboezemingen bevatten en wier aantal gedurig vermeerdert door improvisaties, die dichterlijk aangelegde jongelieden gedurende het zingen ten beste geven.

De eigenlijke pantoens zijn in het maleisch opgesteld en worden bijna uitsluitend door de Christen-Alfoeren gezongen bij hunne dansen en feestelijkheden.

De meeste van deze liedjes en de melodieën daarvan zijn ook op de Oeliassers bekend en naar alle waarschijnlijkheid van daar ingevoerd. De zangwijzen zijn doorgaans zeer melodieus, doch tevens zeer kort, zoodat het tot in het oneindige herhalen daarvan ten slotte vervelend wordt, indien niet improvisaties en ondeugende toespelingen de aandacht blijven gaande houden.

Wellicht leerden de Amboneezen deze melodieën van de Portugeezen, doch de mogelijkheid bestaat ook, dat dit muzikale volk verscheiden er van zelf componeerde. Als voorbeeld van eene zangwijze die algemeen op Zuid- en West-Seran, doch weinig of niet op Ambon gezongen wordt, diene de volgende:

Ra-meh den dang den dang la be den dang den dang ra sa sa jang sa jang ba dan é é ba dan é la boe ang ba dan la é ka ma ri ba ik ba ik a da ma ni sé O.C. ad inf.

Dit is het aanhefcouplet van eene reeks pantoens, waarin de woorden rasa sajang badané en baik-baik ada manisé telkens worden ingevoegd, welke moeilijk vertaalbare uitdrukkingen zijn, die letterlijk beteekenen "medelijden met zijn lichaam (hebben)" en "goed (gedaan) is het lief". De strophe zal ongeveer beduiden "laat ons lustig zingen en beweeg het lichaam sierlijk" (n.l. bij het dansen). Zoo krijgt men o.a.

soengoeh bagoes senapan ini, ini rasa sajang enz. soedah memboenoeh saèkor roesah, baik, baik enz. soengoeh bagoes toean ini enz. soedah memboenoeh hati njang soesah enz.

(voorwaar dit is een fraai geweer het heeft reeds een hert gedood, voorwaar dit is een schoone heer hij heeft reeds harten gebroken.)

of:

Orang mengaïl di bawah boelan Rasa aroes toma sadikit Soedah patai la maoe poelang Rasa rameh tinggal sadikit.

((Indien) men in den maneschijn vischt (en) de stroom voert u weg, roei een beetje daartegen in gij wilt afscheid nemen om naar huis te gaan (doch indien) gij het vroolijk vindt, blijf dan nog een beetje).

Innige gevoelens spreken uit de beide volgende liedjes:

Tanam melati di roemah roemah Oeboer oeboer sapingang doea Kaloe mati kita bersama Satoe koeboer kita berdoea.

(Plant melati's voor de huizen Twee oeboer2 (zeedieren) op één schotel(?) Indien wij sterven, dan te zamen In een graf (zullen) wij beiden (liggen)).

Tanam padi di tanah ombong Saèkor linta di dalam pedati Poetoes tali boleh di sambong Poetoes tjinta di minta mati.

(Plant padi op de landengte In de kar bevindt zich een bloedzuiger (Indien) een touw breekt, kan men het aan elkaar knoopen (Indien) de liefdeband breekt, is het beter te sterven.)

en zoo zouden wij nog ettelijke bladzijden kunnen vullen met deze liedjes, die niet alleen bij het menari (dansen) gezongen worden, doch ook in de "billets doux", die de jongelingen en meisjes elkander druk toesturen, hunne rol spelen, ten einde den brief te versieren en teerdere gevoelens uit te drukken.

De pantoens, die in behasa of dialect gezongen worden, zijn niet talrijk. Meestal zijn het de Mohammedanen, die ze bij hun menari zingen, terwijl de zangwijzen veel eentoniger zijn dan die der maleische pantoens. Onder de verzamelnamen Makonaga, Magogoro en Tawal worden reeksen van deze gedichten in de volkstaal begrepen. Daar de gebezigde taal meestal niet meer gesproken wordt, (behasa doloe) weet men niet immer de juiste beteekenis van vele woorden en is de zin dikwijls duister. Als proeve moge hieronder de melodie en een paar coupletten van den Tawal volgen, zooals die te Piroe gezongen wordt, welke liederenreeks, zij het dan ook hier en daar gewijzigd in taal en zangwijze, vrij algemeen bekend is.

A jo ta-wal ta-wal koe toek é é e hé ka-ra njoe loe ka ra njoe loe dja ha na a ma. D.C. ad inf.

waarvan de beteekenis is: "vervloekt zij het hoofdkussen en de mat, die mij verlokten tot zonsopgang te blijven rusten!"

Niniajé loeaé simaloeti loemah hatoe Nahoemata kédjanèla

(Twee vrouwen opgesloten in een steenen huis loerden door de vensters (jaloezieën).)

Raä soësirié imanahoea rosabankoe Rota loea ratjilaka.

(Van buiten klimt (iemand) binnen, valt op de rustbank Twee menschen werden daardoor ongelukkig.)

Of dit een aaneengeschakeld verhaal is van een eertijds gebeurd voorval, dan wel op zich zelf staande pantoens zijn, is niet goed te begrijpen. Dikwijls ziet men bij het laatste couplet de meisjes schalksch lachen, zoodat men aan dat vallen op die rosabankoe (eene verbastering van rustbank) eene erotische beteekenis mag hechten.

Ook brokstukken van het aloude Séri Kambélolied (zie later) worden op deze wijze gezongen; op West-Seran schijnt men het niet meer in zijn geheel te kennen, te Wahaï daarentegen wel.

De liederen der Berg-Alfoeren zijn meer krijgszangen of legenden en hoewel de melodie doorgaans uit slechts weinige noten bestaat, is het door het gedurig door de woorden heengeweven hiaho!, alsmede door de toevoegsels é en o, zeer moeilijk, om de melodie te onthouden en op te teekenen; een phonograaf zou hierbij goede diensten kunnen verleenen. Het aantal roeiliedjes is vrij groot en iedere Afdeeling heeft daarvan hare eigen woorden en wijzen. Echter is één roeilied over geheel Seran, Boeroe en de Oeliassers bekend n.l. dat, waarvan het refrein luidt:

Ko-lé ko-lé o rem ba ai ko-lé ra dja pa tih ta nah ba rat o rem ba ai ko lé

"roei voort, orembaai, roei voort, hoofden van het westen, orembaai, roei voort."

Een zeer oud roeiliedje, dat waarschijnlijk uit den tijd der hongitochten dagteekent en ook op Ternate en Djailolo bekend is, luidt als volgt:

Ka-ra dja na kom pa ni a kang gé la djo wé o djo wé la djo wé o kang gé la djo wé. D.C. ad. inf.

hetgeen beduidt: "Het werk voor de Kompania is zwaar, ja zeer zwaar!" waaruit dus nog immer een verwijt spreekt, dat uit de tijden van de Vlaming tot ons is overgekomen.

Vroolijker is echter het onderstaande liedje, dat algemeen gezongen wordt bij het hela rotan (touw trekken), wanneer bij helderen maneschijn en onder prikkelenden tifaslag jong en oud op de been komt om aan het geliefde spel deel te nemen

He la, he-la ro-tan e ro-tan e ti-fa dja-wa dja-wa e ba boe ni he-la ro-tan he-la ro-tan soe-dah poe toes oe djong doe-wa doe-wa ba koe da pat he la ro-tan he-la ro tan soe dah poe toes oe-djong doe wa doe wa ba koe da-pat!

d.w.z.

"Touw trekken, touw trekken De Javaansche trom luidt reeds. Trek er aan, mocht het breken, Dan komen de einden weer bij elkaar!" (worden weder vastgeknoopt).

Maar merkwaardig is het, dat dit primitieve volk zonder litteratuur of schriftgeleerden en letterteekens, toch ook zijne klassieke liederen heeft, bewaard in twee zangen, die van ouder op ouder over zijn gegaan en die waarschijnlijk reeds in het jaar 1652 zijn ontstaan. In de twee liederen "Séri Kambélo" en Patinama, wordt namelijk bezongen de strijd, dien de bewoners van het schiereiland Sial streden tegen de O.I. Compagnie, die aldaar onder Vlaming de kruidnagel en notemuskaatboomen kwam verwoesten. In het eerstgenoemde lied wordt verhaald van het bouwen van verschansingen en het veroveren daarvan door onze troepen, die de vrouwen molesteerden, zoodat iedereen vluchtte.

Het tweede, de lijkzang op den Seranschen held Patinama laten wij, zooals deze te Wahaï gezongen wordt, voor de eigenaardigheid en om een denkbeeld van de taal te geven, hieronder volgen, naast eene zoo letterlijk mogelijke vertaling. De melodie, waarop deze liederen door de ouderen van dagen gezongen worden, is zeer eentonig, toch is er iets plechtigs in de wijze van voordragen, met begeleiding van doffe rebanaslagen.

Patinama. Sial soeli panoeja lani lété létéroewa rimbaloeli Hoesa posi nahoewaroe, Hoetoe rimba loa. Nalahamba élarita, awé moea hinia hitoe Wawé moegagoeroe loea Hité kaoelé manélatoe Hita kaoelé koro bangoe, laoe noesa jéla Nalahamba élarita Sio, Sio Patinama Patinama toö jea. Laoenala roembajéa nasilélé kadir Nalahoeta rimba loa posihala Nasisoelé koeboer, laoenala moeloe jea Solotania rési rési, solotania ké Batjan Solotania ké Tadoré, solotania ké Djailolo Solotania Térinaté, solotania Paimoeli Sio, Sio Patinama, Patinama toö jea. Nalahamba élarita wawé moeroe néna hitoe Pasé toeoe manésia, wawé soenggi tésaloso Nalahoeta rimba mai, tjoetji koeboerésia Nasi batja talakine, nasi hala janesio Nalaléa mataoe soö, nalaléa mataoe wéli Nalaléa mataoe koko, nalahamba élarita Sio, Sio Patinama Patinama toö jea.

Patinama's lijkzang. Verlaten lag toen Sial en het sprak: maak U op (ter lijkvaart) En de prauwen werden in zee geduwd door 50 mannen Aldus luidt het verhaal. Zijn zeven geliefden volgden. Ook zijn vader en moeder. En men offerde eene witte kip En offerde eene geit op het groote eiland (Kelang) Zoo luidt het verhaal. Helaas, helaas, Patinama Patinama de doode! Zijn naam is verdwenen. Zijne baar wordt van klamboes voorzien Vijftig mannen waren er om hem te dragen En groeven het graf. Verdwenen is zijn naam, Hij, de glansrijke Sulthan, zooals die van Batjan. Even hoog als de Sulthan van Tidore en van Djailolo Zoo hoog als de Sulthan van Ternate, was hij, Sulthan Paimoeli Helaas, helaas Patinama Patinama de doode! (En) zoo luidt het verhaal: De zeven soa (stammen) waren dáár Die wikkelden het lijk in rijke stoffen. Vijftig mannen groeven het graf. Toen las men den lijkzang, en daarop nam men hem op (Dit duurde) van dat de zon opging, totdat de zon in het midden stond, Totdat de zon onderging. Aldus luidt het verhaal. Helaas, helaas Patinama Patinama de doode!

De beschrijving van alle liederen en melodieën zou echter weder eene studie op zichzelf kunnen worden en wij willen met de bovenvermelde hier volstaan, alleen is wellicht nog meldenswaard, dat evenals bij ons, ook de jeugd hier hare onwijze rijmpjes bij het spelen bezit, waarover men zich verwondert, hoe of die toch ontstaan zijn. Als een tegenhanger van het "klassieke" "onder de groene boomen, daar ligt een Engelsch schip" onzer jeugd, kan b.v. dienen:

Boelan di dalam pajong Tataroega betelor Nonna datang dari ambon Minta kawin di kantor. Kawin baik baik Laki-laki beredom Kembang apa Kembang pérak Anak laki-laki Djangan takoet mati Anak perampoean Mati di haloewan.

De maan is in een ring (letterlijk paraplu) De schildpad is aan 't eieren leggen. De juffrouw, die uit Ambon komt Wil trouwen op 't kantoor. Trouwen in den vorm. De mannen slaan op de tifa. Wat voor bloemen? Zilveren bloemen. Jongens, Weest niet bevreesd te sterven, Meisjes Sterven op den voorsteven.

Doch hoe zinledig het versje ook moge zijn, de kleinen hebben er niet minder pleizier in om het gezamenlijk op te dreunen en het is een aardig gezicht, die halfnaakte, tengere figuurtjes daarbij in den maneschijn in een kringetje gehurkt te zien zitten.

Dansen en spelen. De Alifoeroe zijn hartstochtelijke liefhebbers van feesten en zij grijpen iedere gelegenheid tot feestvieren met graagte aan. Wordt b.v. een hoofd bevorderd, dan duren de feestelijkheden minstens eene volle week en de Christen-Alfoeren vieren het Nieuwjaarsfeest soms wel veertien dagen lang! De dansen vangen ongeveer te 8 uren des avonds aan of ook wel eerder en moeten duren tot den volgenden zonsopgang, waarna men op West-Seran een rondgang maakt door het dorp, om de jongelieden, die weg zijn gebleven of weg zijn gegaan, eene boete op te leggen. Voor de ambtenaren of reizigers, die men aldus eene beleefdheid meent te bewijzen zijn die dansen eene wanhoop, daar men zich, wil men de menschen niet grieven, niet te spoedig kan verwijderen en dan toch het luide gezang en het gedreun der tifa, den geheelen nacht den slaap uit de oogen verdrijft.

Om de dansenden heen groepeeren zich de negorijbewoners en blijven, in hunne sarongs gewikkeld, tevreden toeschouwers gedurende den geheelen nacht. De kinderen leggen zich van tijd tot tijd te slapen en liggen dan tusschen het publiek verspreid, terwijl zorgzame moeders en verwanten als het noodig is, oprijzen om wat aan de kleeding hunner dansende dochters te verschikken of te verbeteren.

Voor ons Europeanen is echter het uit den treure herhalen van dezelfde eentonige zangwijzen en eenvoudige dansbewegingen machtig vervelend, al vindt men het in den aanvang belangwekkend. Het leek mij toe, dat bij de kahoewa de deelnemers door hun voortdurend langzaam schuiven om een middelpunt, eigenlijk zich zelf biologeeren en daardoor in staat zijn om die beweging uren lang achter elkaar vol te houden.

De algemeene dans der Alifoeroe is de "Kahoewa"; ofschoon bij de verschillende stammen eenigszins van elkander afwijkend, is de wijze van dansen en ook de begeleidende tifaslag bij allen dezelfde.

De kahoewa bestaat uit het vormen van een grooten kring om de in het midden gezeten tifaslagers. Bij de strandbewoners komen in de rij afwisselend een jongeling en een meisje; deze dans wordt n.l. alleen door jongelingen (ngoengaré) en maagden (djodjaro) gedanst. De jongelingen reiken elkaar de hand. Het meisje steunt met den rug tegen hunne saamgevoegde handen en vat hare buurlieden bij den gordel. Nu wordt op de maat van den tifaslag met eenvoudige pasjes om de tifaslagers heen bewogen; de meisjes begeleiden het koor, dat na elk couplet van den voorzanger invalt, met het geklink van de koperen ringen om hare enkels. Daar deze dans, zooals gezegd is, van zonsondergang tot zonsopgang duurt, bijna zonder verpoozing, zoo zijn de enkels der meisjes altijd opgezwollen en bij velen zelfs bloedig ontveld en kunnen de ringen in de eerste dagen niet verwijderd worden. Toch nemen de meisjes met hartstocht aan de kahoewa deel.

De dansers zijn bij de Alifoeroe uitgedost met fantastische hoofdtooisels van vederen en geheel behangen met kralensnoeren, de meisjes schikken zich kabelbont op met drie rokjes over elkander, terwijl zij over haar baadje een tweede los omgeslagen dragen; hiervan hangen de mouwen, waarin een knoop gelegd is, over de armen der mannen, dit met het doel, om als het meisje zich bukken moet om haar enkelringen te verschikken, de mannen haar aan de losse mouwen kunnen vast blijven houden, waardoor de dans niet onderbroken wordt. Het is een grappig gezicht, die meisjes als aan leidsels vastgebonden, bukkende, te zien voortschuiven. Wordt de kring der dansers zeer groot, dan vormt men een spiraal.

Bij vele Alifoeroestammen staan de meisjes niet tusschen de mannen, doch vormen een kring, binnen den kring der mannen. Zij leggen dan de samengevouwen handen op den linkerschouder van hare rechterbuurvrouw en neigen het hoofd ter aarde, zoodat die langzaam zijdelings voortschuivende kring meisjes een bedeesden, zedigen indruk maakt. De kahoewa is eigenlijk een krijgsdans, die gehouden werd na een gelukten sneltocht. De verkregen koppen werden dan in het midden van den kring gelegd.

Als wij aan de Berg-Alifoeroe verzochten om de kahoewa te zien, werden altijd eerst verontschuldigingen gemaakt over den aard der dans. De Alifoeroe zijn er zeer op gesteld dat wij officieren deel nemen aan de kahoewa. Zoodra men in den kring plaats neemt, barsten allen in een luid gegil (menjélé) los en doen eenige fanatieke sprongen voorwaarts, daarbij met den rechterhiel met nadruk op den grond stampende. Deze sprong komt echter ook telkens in de kahoewa voor, de meisjes nemen daaraan geen deel. De coupletten van den zang behelzen verhalen van vroegere tochten en zijn zooals gezegd werd gesteld in de behasa doloe (oude taal). Bij de Alifoeroe is de zang dikwijls zeer welluidend, bij het refrein "hia ho" klinken hunne stemmen zeer helder en metaalachtig.

De stam Pasinalo zingt zelfs driestemmig en op eenigen afstand gehoord, maakt het gezang wel eens den indruk van een harmoniumgeluid.

Bij de West-Alifoeroe zijn het meestal oude vrouwen die als tifaslagers en voorzangsters optreden.

De Alifoeroe van Lisabata Wahaï stellen zich ook wel stervormig op. Elke straal van de ster wordt door vier mannen gevormd, die arm in arm voor- en achteruit springen. Deze dans wordt "loemaulai" genoemd. Na elk couplet slaat de tifa snelle slagen achter elkaar, waarop allen onder een lang gerekt Oh! onordelijk rondloopen om dadelijk den danspas te hervatten, als de tifa het sein daartoe geeft.

De Oostelijke Alifoeroe kennen den "séwa". Deze dans bestaat in het uitvoeren van een beurtzang, waartoe de deelnemers in twee groepen gaan zitten en het er voor de eene groep op aankomt, op de improvisatie door de andere groep gemaakt, dadelijk te antwoorden. De begeleiding geschiedt op een tifa van meer dan een vadem lengte. De Alifoeroe van Oehé Kachlakin verstaan ook onder den Séwa een dans, waartoe men zich op twee gelederen tegenover elkaar opstelt; beurtelings maakt een der partijen eene diepe kniebuiging en springt daarna met gesloten hielen loodrecht op en neer en heen en weer, hetgeen een bijzonder dwaas schouwspel is. De deelnemers lachen er trouwens zelf om. In de handen houdt men een bos aaneen geregen pitten, die dan een ratelend geluid maken. Als men dezen dans in het maanlicht ziet uitvoeren, krijgt men den indruk, alsof de Alifoeroe hem hebben afgezien van spelende kasawari.

Verder kennen alle Alifoeroe den tjakalélé of krijgsdans met zwaard en schild, waarbij een spiegelgevecht wordt uitgevoerd.

De strandbewoners doen nog aan de menari, ingevoerd uit Amboina en aan het "hela rotan" afkomstig van het "tug of war" onzer matrozen.

Tot de menari stellen de meisjes bij drieën of vieren, zich op en bewegen dan, zonder van de plaats te gaan, onder het op de maat zachtjes buigen der knieën, de armen langzaam, één voor één omhoog en weder omlaag, terwijl tevens het lichaam langzaam eenigszins rechts en links wordt gewend. De oogen worden daarbij hardnekkig naar den grond gericht. Sommigen voeren deze uiterst langzame bewegingen niet zonder gratie uit. De mannen zijn wat vrijer in hunne bewegingen en schuiven om de meisjes heen, eveneens onder het zwaaien der armen.

Het orkest, uit eenige rebana's, tifa's en een gong bestaande, zingt met die begeleiding de aloude liederen, echter bijzonder leelijk, dikwijls is het een afschuwelijk geblaat, wat ten gehoore gebracht wordt, d.w.z. als het Mohammedanen zijn.

Bij het "hela rotan" verdeelt men zich in twee partijen, die, aan een lange rotan trekkende, elkander zoeken te overmeesteren. Dit spel geschiedt alleen bij volle maan.

Op West- en Zuid-Seran kent men nog een dans makko of kairori genaamd. Hiertoe stellen de deelnemers zich tegenover elkaar op en leggen de armen gestrekt op elkanders schouders; een jongetje of meisje kruipt nu langzaam over die brug van armen heen. Het paar, dat het kind voorbij is, gaat hand aan hand onder wiegelende, soms potsierlijke danspassen naar den anderen kant der rij, om daar weder plaats te nemen enz. Dit alles gaat met gezang en tifaslag gepaard. Wat of dit spel eigenlijk te beduiden heeft, wist men niet goed uit te leggen. Het kind moet een koesoe2 voorstellen.

Enkele negorijen zooals Hatoé, Boano en Loehoe voeren soms de menari kipas en menari parisi uit. Bij de eerste hebben de deelnemers een waaier of een bos casuarisvederen in de hand en voeren, in twee rijen opgesteld, onder aanvoering van een voordanser, die de vroeger beschreven lans in de hand houdt, gelijktijdig de gewone menaribewegingen uit; hierbij zijn de dansers van kleine schilden voorzien, die met bont papier zijn beplakt, terwijl de deelnemers soms schilderachtig en sierlijk zijn uitgedost.

Deze dansen hooren echter eigenlijk op de Oeliassers thuis.