Het eiland Seran en zijne bewoners
Part 8
Moge het Kakihan eertijds een politiek doel gehad hebben, thans is daarvan niets te merken. Een aaneengesloten geheel vormen de stammen volstrekt niet en er worden onderling ook koppen gesneld, als men daartoe gelegenheid heeft. Zeer beslist staat het Kakihan echter tegen het Christendom en verstoort het de orde en rust, want deze ritus zou onschuldig zijn, als niet na de aanneming der jongelieden deze verplicht waren erop uit te trekken om minstens één kop te snellen, terwijl ook de bouw van het kakihanhuis en van de baileo niet kan voltooid worden zonder dat een kop geofferd is.
De zendeling van Ekris zegt aan het slot van zijne beschrijving van het Kakihanisme: "Haar met geweld te ontbinden is niet raadzaam; Christendom en beschaving moeten haar oplossen. Zij begint in het oog van sommigen reeds belachelijk te worden." Wij kunnen het hiermede eens zijn, doch nu de Regeering zich langzamerhand wat meer van Seran begint aan te trekken, kunnen wij dit succes bespoedigen met alle moreele en materieele dwangmiddelen, die ons ten dienste staan. De inwijding der nieuwe leden moet verboden blijven, en de maoewin en de vaders der aangenomen jongens moeten gestraft worden, indien het blijkt dat zij zich in het geheim toch van de kakihanteekens hebben voorzien. De Christenen die tevens Kakihan zijn, moeten wel in de kerken en bijeenkomsten worden toegelaten, doch men moet hun niet toestaan de belijdenis te doen. Dit moge hard klinken, doch het is een zedelijke dwang waarom de Alfoer wel zal geven en die zal maken, dat hij zijn zoon niet meer tot het Kakihan zal toelaten, opdat deze aldus ook voor "vol" zal worden aangezien. Men voere leerplicht in en zorge, dat vooral de zonen der maoewin, die zooals gezegd alleen hun vader mogen opvolgen, ter school gaan en meer ontwikkeld worden, opdat zij het dwaze van de Kakihanleer in zullen zien en zich ervoor schamen zullen maoewin te worden. Is aan de kust het Kakihan aldus uitgeroeid, dan zullen de bergstammen ook wel volgen. West-Seran kan niet tot orde en rust komen, zoolang het Kakihan bestaat en daar zijne leer strijdig is met de zedelijkheid, zoo is de Regeering volkomen gerechtigd tot het verbieden van de uitoefening daarvan.
Baileo. Bij de Patasiwa is de baileo een vrij groot gebouw met slechts eene gedeeltelijke omwanding, waarin de raadsvergaderingen gehouden worden en waarin de bovenvermelde koppen worden bewaard, hangende aan den nokbalk. Aan deze koppen wordt groote waarde gehecht. De negorij Lisiëla heeft bij hare overplaatsing naar Wahaï, zooals vroeger werd medegedeeld, een aantal doodshoofden weten mede te nemen, die nu in de baileo aldaar hangen, hoewel de negorij thans tot de Patalima behoort en de bevolking niet getatoeëerd is.
De Patalima bezitten geen baileo. Bij de Alifoeroe van Malowan (achter Soekaradja) heeft men geen bezwaar vreemdelingen in de baileo toe te laten en zijn deze huizen voor de troep het aangewezen logies. Bij de West-Seranners echter laat men ons slechts noode, dikwijls in het geheel niet daarin toe. Huisraad treft men in de baileo niet aan; een dego2 (rustbank) is rond de muren aangebracht om tot zitplaats te dienen. In de baileo van Moesihoé (Malowanstam) vindt men voor de hoofden een verhoogde dego2, terwijl de zitplaats der kapitans bestaat uit een balk van zacht hout, waarin ovale zitplaatsen en relief zijn uitgesneden.
Versieringen treft men zeer weinig aan en waar zij aangebracht zijn, bestaan zij uit eenig snijwerk in den vorm van krullen, aangebracht in stijlen of aan de gevelplaat. Aan de stijlen bij den ingang van de baileo te Séa (Malowan) ziet men het mannelijk geslachtsdeel en vrouwenborsten uitgebeiteld, in die van de baileo van Horali Kolalinje zijn vrij sierlijk krokodillen en schilden uitgesneden. Behalve de vuurplaat vindt men ook nog wel een vorkvormigen tak midden in den vloer vastgemaakt, waarop de bamboekoker, waarin de sagéroe zich bevindt, komt te rusten, terwijl aan de dakrichels ook wel de mamakoer hangt. Dit is een glazen ring, waarvan men de herkomst niet meer weet en die een zeer waardevol sieraad van den Alfoer uitmaakt. Zij bestonden reeds voor de komst der Portugeezen in de Molukken en zullen waarschijnlijk wel door vreemdelingen zijn ingevoerd.
Ofschoon wij niet in staat zijn den echten van den modernen mamakoer te onderscheiden, ziet de Alfoer dadelijk het verschil. Sommige van die ringen worden van tijd tot tijd in bloed gelegd om eene heldere kleur te behouden en bijna alle worden omwikkeld met gemoetoetouw ter beveiliging tegen beschadiging. Aan den arm wordt de mamakoer nooit gedragen.
In de baileo van Eti ziet men een hertengewei, dat afwijkt van het gewone type, doordat de takken plat en breed uitloopen, evenals dat van een eland, doch van veel kleiner afmeting. De inwoners beweren, dat het al heel oud is en afkomstig van een vroeger bestaande hertsoort.
In de baileo van Noniali treft men een zeer oud zwaard aan met kruisgevest, van geheimzinnigen oorsprong, daarom dus "pamali" verklaard en het wordt slechts zeer ongaarne aan vreemdelingen ter bezichtiging gesteld, aanraken mag men het in geen geval.
Scholen. De Christenalifoeroe, die evenals de Mohammedanen allen aan de kust wonen, worden in hunne gemeenten voorgegaan door een goeroe of inlandschen godsdienstleeraar, die zijne opleiding daartoe ontvangen heeft aan eene school te Amboina. Te Amahei en te Lokki zijn Europeesche hulppredikers gevestigd die gedurig de gemeenten afreizen en aldaar onderricht geven; ook de goeroe moet den kinderen onderwijs geven in lezen, schrijven en rekenen. Over het algemeen is de Alfoer zeer leerzaam en staat men verrast te zien hoe snel de kinderen lezen en schrijven leeren, terwijl het koorgezang door hen ten gehoore gebracht, volstrekt niet behoeft onder te doen voor dat van Nederlandsche schoolkinderen.
Behalve deze scholen, die door de zending worden gesticht, heeft men nog gouvernementsscholen te Amahei, Roemah Kai, Tihoelalé, Kamarian, Seroeawan, Hatoe Soea, Kaibobo, Lokki en Boano, terwijl te Piroe eene door het gouvernement gesubsidiëerde zendingsschool bestaat. (Ook te Wahaï zal eene gouvernementsschool worden opgericht.)
Naar gelang van het aantal leerlingen staan aan het hoofd dezer scholen inlandsche hoofdonderwijzers met twee tot vijf hulponderwijzers, die over het algemeen eenvoudig en goed onderwijs geven. Deze leeraren verzuimen ook niet hunne leerlingen, voor zoover zij zelf ermede bekend zijn, te verhalen van ons Vorstenhuis en van Hollandsche aangelegenheden.
Zoo werden wij indertijd bij eene inspectie van de school in de kleine negorij Latéa verrast met het Transvaalsche Volkslied in het Maleisch en niet minder verraste het ons te Boano, dat na het doen opnoemen der namen van ons Vorstenpaar, van den Gouverneur-Generaal, van den Resident enz., de onderwijzer de vraag stelde: "En wat is de zinspreuk van Prins Hendrik?" Waarop de kleine Alfoertjes als uit een mond riepen: "Per aspera ad astra!"
Hoewel deze scholen onmiskenbaar bijdragen tot de beschaving van het volk, is het toch te betreuren, dat niet meer partij daarvan getrokken wordt door het geven van ambachtsonderwijs, daar thans de leerlingen na hun 14de jaar van school afgaan en verder weder het werkelooze leven hunner ouders leiden, terwijl anders nijverheidsontwikkeling en daarmede gepaard gaande geregelder levenswijze zou bevorderd worden.
Kerken. De kerken worden door de inboorlingen zelve gebouwd en zijn in de groote negorijen ruim en fraai opgetrokken van metselwerk en zware pilaren, terwijl eene kleine koperen klok ter oefening oproept. Hoewel de Christelijke leer nog niet diep is doorgedrongen, is het nut der zending op Seran toch groot te noemen, daar zij den Alfoeren zachtheid en zindelijkheid leert, zij zich door hun Christendom veel nader tot ons gevoelen, en hun onderling verkeer daardoor menschwaardiger wordt. Over het algemeen zijn de vrouwen beter Christen dan de mannen en daardoor is het vertrouwen niet misplaatst, dat ook langzamerhand de mannen het Christendom meer zullen gaan belijden.
De Mohammedanen op Seran wonen meest aan de Zuid-Oostkust; zij zijn niet talrijk en maken ook op geenerlei wijze propaganda voor den Islam. De imam en modin, die de oefeningen leiden, zijn bijna niet bekend met het wezen daarvan en zijn tamelijk onbeschaafde lieden, waarvan het meerendeel den Koran niet lezen kan. Men krijgt den indruk, dat het belijden van den Islam alhier meer eene kwestie van adat is geworden; men kent de algemeene gebruiken, doch bekommert zich niet veel om de voorschriften.
De Mohammedanen gaan broederlijk met de Christenen om en slechts zeer zelden zijn twisten om godsdienstredenen voorgekomen. Van tijd tot tijd gaat een Mohammedaan de reis naar Mekka ondernemen, in de kosten gesteund door zijne negorij; het aantal bedevaartgangers is echter zeer gering.
Eigenaardig is het, dat de Alfoeren van Noniali, dat dicht tegen het Mohammedaansche en daarmede zeer bevriende Lisabata is aangebouwd, ofschoon nog volkomen Kakihan, toch kleederdracht en eenige gewoonten der Mohammedanen hebben overgenomen en men soms wel over en weer vrouwen aan elkaar uithuwelijkt. Alleen gedurende de vasten grijpt onder de Mohammedaansche gemeente een opgewekter geestelijk leven plaats; anders zijn de missigits bijna leeg op de uren van het gebed. Op Z.O. Seran echter houdt men zich meer aan de voorschriften.
Te Boano islam, welks bewoners een teruggetrokken schuwen aard hebben, heerschen op het gebied van den godsdienst allerlei zonderlinge gebruiken; het ontsteken van lichtjes, het aanbrengen van bamboekokers in de missigit wijst op een heidenschen invloed op de Islamietische leer.
Ook vindt men er woningen, die tot 40 zielen bevatten, iets wat geheel indruischt tegen de Mohammedaansche begrippen van huisvesting. Trouwens over de geheele stam van Boano gaat een roep van geheimzinnigheid, men moet er geestenzieners hebben en zeer listig zijn in het giftmengen. Een onzer posthouders durfde er zelfs niets te gebruiken van wat Regenten of volk hem aanboden. Wellicht had hij er reden toe gegeven dat hij zoo bevreesd was voor de Boanoërs; ons is geen geval van vergiftiging op Boano bekend. Ook op Manipa rust bovenvermelde beruchtheid.
Bijgeloof. Evenals alle natuurvolken zijn de Alfoeren buitengewoon bijgeloovig en het zou een afzonderlijk boekdeel kunnen vullen, indien men al hunne verschillende voorteekens, spookgeschiedenissen, wichelarijen enz. wilde opteekenen. Maar in den omgang met den Alifoeroe moet men soms rekening houden met deze bijgeloovigheid. In 1866 wilden de koelies en hulptroepen ons niet vergezellen, omdat de Radjah van Taniwel een kwaden droom had gehad. In 1860 moest men een dag de excursie staken, omdat de "boerong siang" verkeerd gefloten had. In 1904 waren de koelies slechts met de grootste moeite te bewegen voorwaarts te gaan, omdat het een slecht voorteeken was, dat bij de eerste ontmoeting met den vijand aan onze zijde gewonden waren gevallen en zij bleven gedurende den ganschen tocht onwillig.
Toen een weg moest gekapt worden van Bessi naar Hoaoeloe wilden de wegwerkers met alle geweld eerst door middel van een haoewé (wichelarij) onderzoeken of de onderneming zou slagen en men het vijandelijk gezind veronderstelde Hoaoeloe den baas zou blijven. Men nam twee van den bast ontdane kokosnooten, doopte de een "Kompania", de ander "Hoaoeloe" en onder het prevelen van tooverwoorden werden de twee klappers met kracht tegen elkaar geworpen. Gelukkig voor ons legde de klapper Hoaoeloe het af, want anders waren de wegwerkers zeker gedeserteerd.
Een geel blad, dat dwars op het pad valt, is voldoende om eene Alfoerenbende, die zich ergens naar toe begeeft, de tocht te doen staken
Bij de Patasiwa mag de tjidako bij het doorwaden van rivieren niet nat worden en bij alle Alifoeroe geldt het voor onheilaanbrengend om zich het hoofd nat te laten regenen. Op marsch dekt men zich dan ook dadelijk bij de eerste regendruppels met groote bladeren of met de "kokoja", eene kleine mat die men op lange tochten, onder den arm opgevouwen, meeneemt.
Alle Seranners gelooven aan de mogelijkheid dat iemand behekst is of een toovenaar of heks kan zijn en zelfs komt men den Civielen gezaghebber wel eens voor den moeilijken taak stellen, om een van hekserij beschuldigd persoon daarvan vrij te pleiten en het is zaak daaraan te voldoen, daar men anders tot geweldadigheden tegenover die persoon overgaat.
Het gebeurde in 1902, dat de Nisawéléstam mij kwam bezoeken en de vraag stelde, of zij de ontevredenheid van het bestuur hadden gaande gemaakt, omdat zoovelen in hunne negorijen ziek lagen en verscheidene personen gestorven waren. Toen hun verzekerd werd, dat dit niet het geval was, verzochten de hoofden om eenige flesschen "tooverwater" om daarmede de zieken te genezen. Toen zij naar den dokter verwezen werden en hun medicijnen werden aangeboden, wilden zij daarvan volstrekt niets weten en beweerden, dat alleen de kommandant de kracht bezat om zieken te genezen. Ten einde raad en wetende dat te Nisawélé veel malaria heerschte werden hun eenige flesschen opgeloste kinine gegeven, waarover in hun bijzijn eenige kabalistische teekens werden gemaakt, met het voorschrift, de zieken daarvan iederen ochtend eene kleine bamboe vol te geven en de mededeeling, dat het water nu zeer bitter geworden was, waarover zij niet ongerust moesten zijn. Daarop gingen zij getroost heen en kwamen later verheugd melden, dat de ziekte vrijwel geweken was, hetgeen een hechten vriendschapsband gaf.
Te Warasiwa bestaat een godsoordeel om den schuldige in eene zaak tusschen twee personen, die niet uit te maken is, te ontdekken. De beide deliquenten krijgen een door den wichelaar betooverd stokje in de hand en moeten nu gelijktijdig in zee duiken. Hij die het langst onderblijft, is onschuldig.
Een diefstal, moord of andere misdaad, die niet aan het licht te brengen is, tracht men overal op Seran uit te vorschen door het stellen van een "matakau". Men plaatst, meestal onder een afdakje, een ruw uit gabba2 (bladsteel van den arènpalm) gesneden voorwerp, dat bijv. een krokodil, een haai, eene slang e.d. moet voorstellen. Men meent dan, dat hij die het misdrijf pleegde wel spoedig zal sterven door den beet van een dezer dieren, als hij zich niet aanmeldt.
Soms stelt de matakau een klapper of andere vrucht voor en dat wil dan zeggen, dat de misdadiger sterven zal als hij zoo'n vrucht eet. Eigenaardig is, dat de matakau alleen mag geplaatst worden na bekomen vergunning van het negorijbestuur of van den Civielen gezaghebber, in welk laatste geval het verzoek natuurlijk altijd geweigerd wordt. Op den heiden-Alfoer maakt echter de matakau, die niet dan als uiterste poging wordt opgesteld, in zijne bijgeloovigheid grooten indruk en doorgaans meldt de schuldige zich of tracht hij op de een of andere wijze zijn misdrijf te herstellen.
Eigenaardig is de aanblik van zulk een matakau, als men die plotseling op een heuveltop midden in een wijd en zijd in het rond onbewoond terrein ziet staan. Zoo troffen wij er een aan op den Topomosolinoi, daar geplaatst wegens diefstal van sagoboomen. Een klein atap afdakje beschermde de daaronder geplaatste matakau, terwijl de negorijen dagmarschen ver van dit punt gelegen waren. Ook tot het voorkomen van diefstal wordt algemeen de matakau gebezigd.
Huwelijk. Het huwelijk heeft plaats door het koopen van de vrouw. Bij de strandbewoners wordt dit koopen verbloemd uitgedrukt door den term "bruidschat geven" doch in den grond is de zaak dezelfde. Bij de Alifoeroe is de gemiddelde prijs voor eene vrouw ± 50 gulden, bij de strandbewoners 150 gulden, doch zeer dikwijls worden uit zucht tot groot doen veel hoogere sommen geëischt, die de aspirant-schoonzoon nimmer kan betalen, hetgeen menigmaal aanleiding geeft tot allerlei geschillen. Bij de Nisawélé-Alfoeroe geschiedt de huwelijksovereenkomst aldus:
De vader of bloedverwant van eenen huwelijkscandidaat doet aanzoek bij den vader van het meisje. Indien dit gunstig ontvangen wordt, bepalen zij dadelijk de harta, die de ouders van het meisje zullen ontvangen. Eene maand lang blijven de jongen en het meisje verloofd, zonder echter omgang met elkaar te hebben. Na verloop van dien tijd gaan vader en bruidegom naar het huis der bruid en spreiden voor den ingang eene mat, (kokoja), waarop de harta wordt neergelegd. De vader der bruid neemt deze weg en legt er voor in de plaats drie of meer armbanden van schelpen ( ± f 8 stuk). Daarna is het huwelijk gesloten en volgt de vrouw haren man.
De Alifoeroe mogen meer dan een vrouw hebben, hetgeen zij echter zelden doen, terwijl het meisje reeds op kinderlijken leeftijd kan worden uitgehuwelijkt. Na het huwelijk wordt er eenige dagen lang gedanst en feest gevierd. De huwelijken worden meest in eigen stam gesloten. Neemt een Alfoer een meisje van een anderen stam, dan moet hij, zoolang hij de harta niet betaald heeft, in de negorij der vrouw blijven. Zeer dikwijls betaalt men de harta niet en het hoofd der negorij waartoe de vrouw behoort, ziet dat zelfs gaarne, daar hij aldus zijne onderdanen ziet vermeerderen en daar voordeel van trekt. Later als er echter oneenigheid komt, dan geeft dit uitstel aanleiding tot eene geduchte perkara, want de Alifoeroe, Mohammedaan, Christen of Heiden, zijn aartsliefhebbers van gedingen en processen.
Het kan voorkomen, dat eene vrouw vrijwillig een man volgt zonder dat van hartabetaling sprake is. Dit noemt men dan ook schaken en wordt niet zeer netjes gevonden. De vrouw wordt dan ook beschouwd, als niet meer te behooren tot hare vroegere negorij. Mocht zij ongelukkigerwijze genoeg krijgen van den man harer keuze, dan is haar hoofd niet veel meer waard, daar zij na hare vlucht uit het huis, vogelvrij is voor haren vroegeren minnaar.
Echtscheiding kan plaats grijpen doch op eisch van den echtgenoot moet de harta of wel een gedeelte daarvan teruggeven worden, naar gelang van den tijd dat het huwelijk gelukkig heeft geduurd; zijn er kinderen, dan worden deze gelijk verdeeld. Kan de man echter bewijzen, dat het zijne schuld niet is, dat de vrouw niets meer van hem wil weten, dan heeft hij recht op alle kinderen, eveneens als de vrouw sterft. Sterft de man, dan vervallen de kinderen aan de negorij, waartoe de man behoort. Voor zoover ik heb kunnen waarnemen, zijn de Berg-Alifoeroe zeer zedig en komt echtbreuk zelden voor, bij de strandbewoners daarentegen zooveel te meer. (Eene eigenaardige uitdrukking voor een onecht kind is: "anak sirih pinang" d.w.z. dat zoo onder een praatje het leven kreeg).
Eene uitzondering maken de Alifoeroe van Sétie. Met deze stam kwamen wij eerst in 1902 in aanraking en toen werd opgemerkt, dat de leden daarvan geen vorm van huwelijk kenden, doch in vrije liefde leven. De vrouw heeft gemeenschap met den man harer keuze, tot zoolang het beiden bevalt. Verwekte kinderen, behooren der vrouw en het is eene gunst, als zij er een afstaat aan hem, dien zij van het vaderschap verdenkt.
De Mohammedanen aan het strand houden zich wel is waar in het algemeen aan den Koran, doch huldigen ook het gebruik, dat zoolang als de bruidschat nog niet geheel voldaan is, de vrouw den man nog niet behoeft te volgen. De bruidegom is verplicht, de bruid een "méhar" te geven, de eigenlijke bruidschat; deze is haar eigendom en behoeft bij echtscheiding niet terug gegeven te worden. Verder moet de bruidegom aan de ouders der bruid, de zoogenaamde "harta hadat" geven, afwisselend, naarmate van de meerdere of mindere gegoedheid, van 100 tot 500 gulden. Deze worden echter bijna nooit betaald, het is meer een bluf, dien men tegenover elkaar slaat en de goederen, die als hadat gegeven worden, vertegenwoordigen eene waarde, die zij niet hebben. Bijv. men betaalt den bruidschat met 10 kammen "sisirmas" ad f 100, 10 stukken madapolam ad. f 50 en 3 gongen ad. f 30.
De sisirmas (zie vroeger) heeft misschien eene werkelijke waarde van f 1.00 of minder; een stuk madapolam, kost tegenwoordig slechts f 2.00, doch doet immer dienst als betaalstuk van f 5 en bijna iedereen heeft daartoe eenige stukken van dit slechte goed netjes opgevouwen in zijn bezit. Verder moet nog eene grootere of kleinere som aan den Regent der negorij voldaan worden.
Het betalen van dezen bruidschat geeft bijna immer aanleiding tot verwikkelingen en moeilijkheden en men schaamt zich voor elkander, om minder te vragen voor zijne dochter. Een voorstel om den bruidschat te Wahaï niet hooger te maken dan f25, benevens 1 gong aan de moeder en f5 aan den Regent, op West-Seran resp. f30, 1 gong en f7.50, viel dan ook dadelijk in goede aarde bij de hoofden. De ingeboren zucht tot grootspraak maakt echter dat de Alfoer, hoewel in zijn hart erkennende, dat het officieel bepalen van een lagen bruidsprijs, voor allen gelijk, zeer in ieders voordeel is, zich uiterlijk niet ingenomen daarmede betoont.
Soms woont men daar vermakelijke tooneeltjes van bij. De bruidsprijs werd plechtig vóór den Civielen gezaghebber uitbetaald, de vader streek het met een hoogst ontevreden gelaat op en als hij dan buiten den gezichtskring, doch niet buiten het gehoor was gekomen, gaf hij zijn gemoed in luide verwenschingen lucht. De schoonzoon, zoo riep hij, moest zich schamen, dat hij slechts zulk een erbarmelijken spotprijs over had voor zijne dochter, dat prachtjuweel, voor wie hem reeds menigmaal honderden guldens waren geboden enz. enz. De schoonzoon echter, in den toon blijvend, riep even luidkeels, dat hij zich inderdaad schaamde, dat hij zeker veel meer zou willen geven, als de machtige Kompania het maar niet verboden had! En het zwak van zijn aanstaande schoonvader kennende, liet hij een "vierkante pot" achteloos glinsteren, waarop diens woede langzamerhand bedaarde en tegen den morgen vond men hen dronken en broederlijk in elkanders armen. M.i. moet het bestuur aan de gemaakte bepaling vasthouden, om het aantal huwelijken te vermeerderen en vooral ook moet men de exogamie bevorderen, teneinde het ontaarden en uitsterven van het ras zooveel mogelijk tegen te gaan.
Onder de strandbewoners komt ook nog wel de schaking voor, doch dit is dan meer eene "bedriegelijke nabootsing" daarvan, daar ieder van de zaak afweet. Het is behoorlijk, als de schaker op de slaapplaats der ontvoerde schoone een passend geschenk voor de ouders achterlaat. Dikwijls worden de gelieven voor de leus vervolgd met eenige geweerschoten, terwijl zij ook in de negorij van den man met geweerschoten ontvangen worden.
Liggen de betrokken negorijen dicht naast elkander, dan gebeurt het wel eens, dat de jonge lieden en jonge meisjes zich solidair verklaren en om de hun quasi aangedane beleediging te wreken, dagen zij de jongelui der andere negorij uit tot eene algemeene vechtpartij. Hierbij mogen geen wapens gebruikt worden, maar toch komen bebloede koppen wel eens voor, zoodat het goed is als het bestuur eraan een einde maakt. De strijders hebben dit ook gaarne daar dan niemands eer in opspraak komt door het lijden van de nederlaag.
De positie van de vrouw is betrekkelijk hoog; wel is zij het lastdier waartoe de man bij de Oostersche volken haar heeft bestemd, doch overigens heeft zij zoowel in den familiekring als in zaken van algemeen belang, vrij veel te vertellen.
De man behandelt haar met zekere hoffelijkheid en zwijgt zoolang zij aan het woord is. Bij de krijgsdansen zijn het dikwerf oudere vrouwen die de liederen daarbij zingen en zelfs is de vrouwelijke invloed in sommige zaken van politieken aard niet te miskennen. De Alfoer is dan ook over het algemeen zeer aan zijne vrouw gehecht. Eens gebeurde het, dat een Alfoer van Sollok, die den eigenaardigen naam Sequah droeg, toen zijne vrouw stierf, zich met boreh op haar graf vergiftigde. Op de vraag of men hem niet belet had zulks te doen, antwoordde het hoofd: "dat mag men niet beletten, hij kon toch niet meer leven zonder haar!" Een dergelijk bewijs van liefde zou men niet vermoeden bij dit half wilde volk.