Het eiland Seran en zijne bewoners

Part 7

Chapter 73,802 wordsPublic domain

In West-Seran staan de Alfoeren, al is het dan eigenlijk slechts in naam, onder het Saniribestuur. Er zijn 3 Saniri's of raden: van de Sapoléwa, de Eti en de Talarivier, die tot voorzitter hebben den Kapala Saniri of Inama. Deze voorzitters worden door de Alfoeren zelf gekozen en door het Gouvernement benoemd. Zij ontvangen dan een frak met broek van rood, groen of geel laken, met geel koperen knoopen, terwijl zij eene muts van dezelfde kleur, voorzien van drie punten, en waarop in eene rijzende zon van zilverblik hunne waardigheid staat vermeld, op het hoofd en een ijzeren drietand, waarop een plaatje met wapen, in de hand dragen als symbool der drie wateren. Aan ieder is toegevoegd een Oedjong en Pohon bandera (uiteinde en stam van den vlaggestok), die hen als boodschappers dienen en evenzoo gekleed zijn, doch geen drietand voeren. In Tala is nog een bijzondere boodschapper, de Siwaléte, die zich meestal aan de Zuidkust te Asinahoe ophoudt. Wanneer of deze Saniriraden werden ingesteld, is niet meer na te gaan, doch zij moeten van tamelijk jongen datum zijn, daar Valentijn ze niet vermeldt; zelfs meenen sommigen, dat zij tijdens het Engelsche tusschenbestuur werden in het leven geroepen. Hoe dit zij, de instelling er van was eene fout. Want de Kapala Saniri zijn tevens de hoofden van het Kakihanverbond en zitten voor bij de aanneming van neophyten. De ritus van het Kakihanisme eischt, dat bij de instelling van nieuwe leden ook een of meer koppen gesneld worden. De Regeering staat dus feitelijk, daar zij de Saniri's erkent, het koppensnellen toe, terwijl zij aan den anderen kant pogingen doet om dit wreede bedrijf uit te roeien.

Het doel der Saniri's was om van tijd tot tijd eene groote algemeene vergadering der Alifoeroe te houden, op welke zij hunne 101 grieven en veeten zouden kunnen voorbrengen en beslechten. Op deze vergaderingen zond de Regeering ook een afgevaardigde, ten einde op de hoogte te blijven van het verhandelde. Maar tot het beslechten van twisten en tot rechtspreken is centraal gezag noodig en dit nu misten de Sanirihoofden ten eenenmale. Al zeer spoedig werden juist die vergaderingen een bron van nieuwe twisten en beleedigingen; naar de uitspraken der Sanirihoofden luisterde men zelden; het driftige, onafhankelijke karakter der Alifoeroe maakte, dat hij zich niet eenvoudig kon neerleggen bij een geveld vonnis en eindelijk gebeurde het, dat bij het uit elkander gaan der verschillende stammen velen het eene geschikte gelegenheid vonden, om een paar koppen mede naar huis te nemen. Toen ten slotte zelfs de Siwalété van Tala gesneld werd, zag men in dat het geheele Saniribestuur een wassen neus was en verbood de Regeering verdere vergaderingen, ofschoon de Kapala Saniri met hunne boodschappers gehandhaafd bleven.

Voor de negorijen in welker buurt zulk een Saniri gehouden werd, was die vergadering een ramp, want al die honderden gasten moesten zoo goed mogelijk onthaald worden, hetgeen den armoedigen gastheeren met hunne geringe hulpmiddelen uiterst moeilijk viel, terwijl de plek, waarop die talrijke benden Alifoeroe waren nedergestreken, er uitzag of zij door eene sprinkhanenplaag bezocht was geworden.

Het oude bestuur der Patasiwa hitam had behalve de 3 Kapala Saniri en boodschappers nog 3 Radja's, die van Tala of Latoe Ponoenoe, van Eti of Latoe Asaoedi en van Sapoléwa of Latoe Pasanea, benevens 3 Patihs, die respectievelijk den naam droegen van Latoe Toeha Tomatala, Loekoe en Latoe Iha (dit is dialect voor Lisabata).

Voor de aanvoering in den strijd de kapitans Makorissi (ook thans nog bestaande) Tépé Soewa en Manoemétan. Al deze titels en waardigheden zijn in onbruik geraakt of althans treden de laatstgenoemde Radja's, Patihs en Kapitans niet meer in het openbaar op. Merkwaardigerwijze is de Latoe Pasanea, in de afdeeling Wahaï terecht gekomen, welke bevolking thans tot de Patalima behoort.

Iedere negorij heeft verder haar Marinjo, veldwachter of politieagent, blijkbaar eene instelling uit den Portugeeschen tijd. Deze man moet de bevelen bekend maken, verlangde personen oproepen en voor de orde zorgen; hij is gerechtigd tot het zoo noodig uitdeelen van slagen met een rietje, dat tot zijne uiterlijke waardigheidsteekenen behoort en wordt door den Regent aangesteld.

De afdeeling Wahaï is nog in de onderafdeelingen Hatiling, Sawaï, Pasanea, Lisabata, Warasiwa, Soekaradja en Hoaoeloe verdeeld; de hoofden der gelijknamige negorijen voeren in schijn het oppergezag over de hoofden der verschillende andere negorijen. Het is eene fout onzerzijds geweest, om iedere negorij zijn eigen hoofd te geven en het gezag niet meer te centraliseeren, want al die negorijen vormen thans even zoovele zelfstandige staatjes, wier belangen quasi altijd met elkander in strijd zijn en waarvan ieder tegenover zijn buurman een toon van gezag poogt aan te nemen. Men kan deze fout herstellen door langzamerhand in de door sterfgeval a. a. ontstane vacaturen niet te voorzien en geen hoofden over de kleine negorijen (er zijn zelfstandige Orangkaja over een dorp van ± 15 zielen!) meer aan te stellen, doch deze te doen besturen door den oudsten Kapala soa en de verschillende afdeelingen, evenals die van Wahaï, te verdeelen in onderafdeelingen onder één Radja. Eerst dan kan er aan gedacht worden om deze weinige hoofden te bezoldigen, waardoor zij onafhankelijk worden en een werkelijk bestuur over hunne onderhoorigen kunnen uitoefenen.

Nog behoort de "Radjah tanah" in zekeren zin tot het negorijbestuur. Zijne taak is het bewaren van den adat en het onderzoeken van geschillen over grond- en vruchtboomenbezit, terwijl zijne waardigheid erfelijk is. Mocht hij al vroeger macht hebben gehad, tegenwoordig treedt zijne figuur zeer weinig op den voorgrond.

ALGEMEENE KARAKTERTREKKEN EN EIGENSCHAPPEN.

De Alfoeren van West-Seran zijn welgebouwde, vrij groote personen met wilden oogopslag en fiere houding. De Midden-Seranners zijn kleiner van gestalte en vredelievender van voorkomen. Eene gemiddelde meting van 10 Nisawélé-Alfoeren gaf als lengte aan 1.52 M.; de mannen en vrouwen daar zijn niet zoo fraai gebouwd als de West-Seranners, terwijl de bewoners van Oost-Seran zeer schuwe lieden zijn van een vreesachtig voorkomen. De strandbewoners aldaar hebben zeer veel overeenkomst met Ternatanen, wat betreft kleeder- en haardracht, die zij waarschijnlijk van hen overnamen. In lichaamsbouw zijn zij de minste der bewoners van Seran. Behalve te Seléman, trof ik langs de geheele Noord- en Westkust of in de bezochte bergnegorijen nergens albino's aan. Te Seléman toonde men mij een kind, dat met zijne blanke huid, blauwe oogen en lichtblonde haren, volkomen het type van den Europeaan bezat en dat volstrekt niet het terugstootende uiterlijk van den albino, met zijne rose huid en roode oogen, vertoonde. Men zeide, dat in zijn geslacht de kinderen altijd eerst blank waren en later pas donker werden. De vader en de grootvader, die nog leefden en zeiden evenzoo blank te zijn geweest als 't kind, waren wel eenigszins lichter gekleurd dan de overige bevolking, doch niet opvallend; ook bezat de vader lichtbruine oogen, in plaats van de algemeen voorkomende donkerbruine of bijna zwarte.

Alle Alfoeren zijn zeer zenuwachtig, opgewonden en blufferig van aard. De Alfoer spreekt bijna immer in superlatieven, vervalt spoedig in een luiden toon en als hij zich warm maakt onder zijn gesprek, begint het geheele lichaam op en neder te schokken. Opmerkelijk is dat de Christen en de Mohammedaansche strandbewoners deze eigenaardige gewoonte bijna geheel hebben afgelegd, die bij den Berg-Alfoer een zeker teeken is dat hij zich boos maakt. Door zijne overdreven spreekwijze, zijne heftige gebaren, tracht hij op zijn tegenstander indruk te maken. In eene vergadering met Malowan-Alfoeren b.v. stelde het bestuur voor, een hunner, die overwicht op zijne kameraden bezat, tot Kapala soa te benoemen. Als antwoord op dit voorstel sprong de man woest op, greep zijne lans, slingerde die over onze hoofden in een boom, waarin zij trillend bleef steken, voerde eenige krijgsdanspassen uit en bleef toen in trotsche houding voor ons staan, zeggende: "mijnheer heeft gelijk, ik ben een kranig man!"

Vraagt men een Berg-Alfoer naar de sterkte zijner negorijen, dan geeft hij maar een groot getal op, hetgeen schatting der bergbevolking zeer bemoeilijkt. Bedreigingen om eene negorij aan te vallen gaan altijd gepaard met de verzekering: "dat thans die negorij geheel uitgeroeid zal worden!" Een koelie, wiens vracht te zwaar is, verklaart u, dat zijn hals reeds gebroken is! Iemand, die mededeelt dat hij aangerand werd zegt: "ik was reeds dood, maar toen kwam die en die en redde mij." Met deze voorbeelden wenschten wij aan te toonen, dat de Alfoer liefst den overtreffenden trap gebruikt bij zijne verhalen, waarmede men dus rekening heeft te houden.

Eene hoofdondeugd der Alfoeren is de dronkenschap.

Vooral op West-Seran is de drankzucht zoo groot, dat er verscheidene negorijen zijn, waarvan bijna alle mannen tegen 11 uren des ochtends min of meer onder den invloed van drank zijn.

Bij besprekingen met Berg-Alfoeren moet men met die ondeugd rekening houden, daar men het den Alfoer niet altijd kan aanzien, of hij gedronken heeft of niet en in dien toestand belooft of beweert hij vele zaken, waar hij zich later niet aan houdt of waarvan hij zich niets meer herinnert. Ook onder de Christenen komt dronkenschap nog veel voor. Vaak spreken eenige mannen af, om zich gezamenlijk te bedrinken. Zij begeven zich daartoe, voorzien van sagoeweer, sagobroodjes en visch of vleesch naar een sagéroeboom in het bosch, om dadelijk weer nieuwe voorraad bij de hand te hebben en bedrinken zich daar dan zoodanig, dat zij buiten kennis blijven liggen. Dikwijls worden zij zoo eene prooi van de koppensnellers, die op eene dergelijke pic-nic loeren.

De sagéroe wordt afgetapt uit het vruchtbeginsel van den arènpalm. De steel, waaraan de vruchten hangen, wordt door heen en weer zwaaien en kloppen gedurende eenige dagen, murw gemaakt; daarna wordt hij afgesneden en de palmwijn drupt eruit in lange bamboekokers, die eronder worden gehangen. Men slaat ook wel bamboebuisjes in den stam, om het vocht af te tappen. Door toevoeging van eene zekere houtsoort krijgt men een groengrijs, bitter vocht en men staat verwonderd, dat zelfs Europeanen daar zoo aan verslaafd raken. Te Kamarian b.v. woonde in 1904 een gepensionneerd Europeesch fuselier, die alleen om volop sagéroe te kunnen drinken, zich aldaar had gevestigd. Per dag gebruikte hij minstens 4 "vierkante potten" dus 6 L. Het eenig doeltreffende middel tegen deze drankzucht zou zijn, den sagéroepalm zooveel mogelijk uit te roeien, ware het niet, dat men aldus doende ook de gemoetoe [11] zou doen verdwijnen. Zeker is het, dat een dergelijk onmatig gebruik van alcohol een van de redenen is, dat dit ras zoo achterlijk blijft en weinig vruchtbaar is, zoodat het bestuur middelen behoort te vinden om het euvel zooveel mogelijk te bestrijden; onderwijs en godsdienst kunnen daartoe ten zeerste medewerken.

Gelukkig staat de bevolking van Midden- en van Oost-Seran hierin hooger en is het drankmisbruik aldaar lang niet zoo sterk of algemeen. De Nisawélé-stammen gebruiken zelfs in 't geheel geen sagéroe. Evenzoo is het met de betrouwbaarheid gesteld: van het Oosten naar het Westen wordt de betrouwbaarheid der bevolking minder, zelfs in die mate dat de West-Seranners soms trachtten om een gedanen eed, die in het algemeen door den Alfoer heilig wordt gehouden, op listige wijze ongedaan of slechts gedeeltelijk van kracht te verklaren.

Door dit vermelden der hoofdondeugden zou echter de meening kunnen gevestigd worden, dat de Alfoeren een weerzinwekkend volkje zijn en dit is de bedoeling niet. Integendeel, zijn de Alfoeren een volk, waarin men belang gaat stellen en waarvoor men bij nadere kennismaking gaat gevoelen. Het is vooral bij het bivakkeeren op tochten, als men na een vermoeienden marsch de leden uitstrekt op de warme heldere grintbedding eener halfdroge rivier (eene geliefkoosde kampeerplaats), dat men het best verneemt van de grieven en nooden, het lief en leed van zijne halfwilde begeleiders. Vertrouwelijk en gezellig komen zij dan bij u neerhurken, zich gemoedelijk de beenen inwrijvende met daon gatal, of het slijk van hunne kuiten krabbende met den parang.

Het vroolijke en kinderlijke, gepaard aan de poging om zoo hulpvaardig mogelijk te zijn bij het opslaan der afdakjes, onder welk werk de Alfoer van tijd tot tijd, bij gebrek aan taalkennis, u eventjes minzaam toegrinnikt met een hoofdknikje, maakte dat vooral de Midden-Seranners aan alle officieren sympathiek waren en ook de soldaten best met hen konden opschieten. Ook luisteren zij naar vertoogen en valt zeker met hen te redeneeren, indien zij met takt geleid worden en de woordvoerder hun vertrouwen bezit. Dit was bijv. in ruime mate het geval met onzen tolk Laha, iemand van Ternataansche afkomst. Als hem het te behandelen onderwerp goed werd uitgelegd, dan kon men zeker zijn van een goeden uitslag der besprekingen. Hij won zich dan ook den eeretitel van "Kapala tolleki" (hoofd der tolken).

Van tijd tot tijd echter ontstaat er eene "strubbeling"; dan schalt de stem van Laha door het huis of door het woud, rad vliegen de woorden, vergezeld van breede gebaren, over zijne lippen en teekent zijn gelaat hevige verontwaardiging. De woorden "Sulthan Wilhelmina en Kompania en Kommandant" komen veelvuldig in zijne rede voor en alle Alifoeroe luisteren eerbiedig, met de oogen naar den grond geslagen en bewonderend knikkend toe, want welsprekendheid of liever volubiliteit is bij hen hoog in eere. Dit is, als de Alifoeroe zich nu maar niet dadelijk met de hun voorgelegde zienswijze kunnen vereenigen en als Laha dan op adem is gekomen en ik vraag hem naar de reden van deze philippica, dan heet het: "Och, meneer, die kerels wisten het natuurlijk beter en toen heb ik hun verteld, dat ik mij voor hen schaamde, dat Koningin Wilhelmina en de kommandant (men vergeve deze gelijkstelling, zij is van een eenvoudigen Alfoer!) zich nog met hen bemoeiden!" Daarna spuwt Laha nadrukkelijk ter zijde en zwijgt in stille verontwaardiging. Dan was hij magnifiek! En altijd na eenige oogenblikken van drukkende stilte, nam dan de een of ander het woord en zeide: "'t Is ook zoo, wij zijn maar domme menschen, de kommandant moet maar niet boos zijn," en dan was de vrede weer geteekend en het gesprek weer algemeen.

Het ontroerde mij, als ik in het halfduister liggende, te midden van dit natuurvolk en die woeste, ongerepte wouden en bergen, hoorde hoe Laha de meest wondere verhalen van de Koningin deed, hij die zelf maar een flauw begrip van Haar had. En toen een Alfoer hem naïef vroeg, waarom de Sulthan niet eens te Wahaï kwam, gaf hij dezen een goedaardigen, luid klinkenden slag om zijn ooren en vroeg hem, of hij zoo onbeschaamd durfde zijn om de Koningin te verschrikken met zijn zwarte gezicht? En daarna den een na den ander te hooren stamelen het moeilijk woord "Wilhelmina", dat onze waardige zelf ook niet zuiver wist voor te zeggen.

Brave Laha, onbekende, trouwe dienaar van H.M.!

HOOFDSTUK IV.

ZEDEN EN GEWOONTEN.

Godsdienst. Een bepaalden eeredienst of godsdienst hebben de Alifoeroe niet. Bij de stammen achter Kobi en ook wel op Oost-Seran, heerscht eene soort vooroudervereering. Men treft in een uitbouwseltje aan de familiewoning, een of meer doodskoppen, afkomstig van gestorven Kapitans aan. Hier worden van tijd tot tijd eenige eetwaren aan geofferd. Bij de Halamoeristammen vindt men op het gewone rek, waarop ook het huisraad ligt, een doodshoofd op een schotel liggen, dikwijls met een hoofddoek bekleed. Op den weg naar Halamoeri vonden wij eene paparisa [12], waaronder vier op schotels geplaatste doodshoofden elkander aangrijnsden, terwijl bij den ingang van eene negorij eveneens een doodskop op een soort tafeltje naast een parang lag. De bevolking wist er niet (of wilde er niet) meer van te vertellen, dan dat het aldus behoorde en dat de schedels van beroemde voorvaderen moesten vereerd worden. Alle Alifoeroe gelooven aan goede, doch meest aan booze geesten, de nitoe2, die in het bosch moeten rondzwerven, ook roept men bij sommige plechtigheden de schimmen der voorvaderen aan.

De Alfoeren van het Oostelijk Seran roepen bij hunne eedsaflegging een opperwezen "Lahatalla" [13] aan, in alle dialecten aldus geheeten. Daar zij het gelaat alsdan opwaarts richten, zoo kan verondersteld worden, dat die geest in den hemel wordt gedacht. Maar verder bewijst men aan Lahatalla geenerlei eer en brengt hem geen offeranden; ook bij uitroepen wordt die naam niet genoemd.

De westelijke Alifoeroe roepen bij hunnen eed en hunne bezweringen zon, maan en sterren aan en erkennen Lahatalla niet. De Patasiwa hitam hebben een soort eeredienst in het Kakihanisme. Het ritueel wordt echter zeer geheim gehouden en v. d. Crab heeft gelijk, als hij uitroept: "indien men 20 verschillende Alifoeroe naar het Kakihanisme vraagt krijgt men ook 20 verschillende verhalen, terwijl ieder verhaler beweert, dat zijne mededeelingen de juiste zijn en dringend verzoekt ze geheim te houden." Verscheidene artikelen treft men in de tijdschriften hierover aan met bijzonderheden, die wij geheel voor rekening van de schrijvers moeten laten, terwijl het ons verwonderen moet, op welke wijze de schrijvers, die met uitzondering van den heer van Ekris, Seran slechts vluchtig bezochten, al die mededeelingen wisten te ontlokken aan inboorlingen, die slechts ongaarne de bijzonderheden van hun intieme leven vertellen en dan nog wel omtrent het Kakihanisme, dat zoo geheim gehouden wordt, dat nog heden ten dage zelfs verboden is om te vragen: "wat is dat voor een teeken op uwe borst", eene vraag, die dengeen die haar doet op het leven kan te staan komen en bijna zeker de oorzaak is geweest van de vernieling van Wae Samoe in 1903 door de Roemah Soal-Alifoeroe. Vreemd is het tevens, dat zelfs de Christen Alifoeroe nog veelvuldig lid zijn van dien geheimen bond. Het volgende kan met zekerheid omtrent den bond worden medegedeeld.

Zoodra bij de knapen de puberteit intreedt, moeten zij in den bond worden opgenomen. Tot het aanrichten van een kakihanfeest moet de vergunning worden gevraagd van het hoofd der negorij en van den gouvernementsambtenaar, hetgeen zeker zonderling genoeg is, maar het feest mag volstrekt niet in het geheim geschieden; eerst nu tegenwoordig een dergelijk verzoek steeds geweigerd wordt, komt het voor, dat de aanneming geschiedt bij stammen, die in de bergen wonende, zich aan ons toezicht kunnen onttrekken.

Elke negorij van West-Seran heeft hare "maoewin", een soort priesters, waaronder één de "maoewin besar" als opperste optreedt en de bewaker van de baileo (raadhuis) en het kakihanhuis is. Eerst wordt onder leiding van deze maoewin, (wier waardigheid alleen erfelijk is voor den oudsten zoon) de mannelijke bevolking verzameld om het kakihanhuis in orde te brengen of opnieuw te bouwen. Eene merkwaardigheid is dat dit gebouw, op eene geschikte plaats in het bosch opgetrokken, gedeeltelijk van eene gemetselde omwanding voorzien is, van daar het hiervoren vermelde verbod voor den Alfoer om metselwerk aan zijne woningen te hebben of zelfs om kalk te branden. De anders zoo buitengewoon vadsige inboorling gaat thans met grooten ijver aan het bouwen van den tempel en de maoewin zetten hen hiertoe nog meer aan, door het uitdeelen van duchtige slagen, zoodat kreten van pijn veelvuldig weerklinken. In gewone omstandigheden zou de Alfoer zich niet zoo laten mishandelen. Is het huis gereed, dan deelt de maoewin besar in de negorij mede, dat de jongens naar zijn huis moeten gebracht worden en dat de vrouwen en meisjes eetwaren moeten gereedmaken. Von Schmid vertelt ons: "Het geheele wezen van den kakian is eigenlijk niet anders dan een bedrog der mannen om gedurende eenigen tijd lui en lekker te leven en de vrouwen te noodzaken voor goed eten en drinken te zorgen, waartoe deze zich niet zouden leenen zonder de vrees voor den duivel en voor hare kinderen!"

Zulk een eenvoudig doel nu heeft het Kahihan zeer zeker niet. Bij alle Alfoerenfestijnen wordt zeer veel gegeten en gedronken, trouwens ook in de beschaafde maatschappij is dat veel het geval en daarom alleen behoeft de Alfoer zich niet met een waas van geheimzinnigheid te omhullen.

Leeken mogen het kakihanhuis tot op een tiental passen naderen; het binnentreden is hun op doodstraf verboden. Nadat de opperpriester de knapen weggevoerd heeft, komt hij terug en deelt mede, dat de duivel hen verslonden heeft. Onder luid geweeklaag trekken moeders, zusters en magen naar de noodlottige plek, waar men groote bloedplassen op den grond vindt en de struiken met bloed bespat zijn. De negorij blijft dan in rouw, tot op een zekeren dag de priesters komen vertellen, dat door hunne kracht de jongelingen weer in leven zijn teruggekeerd en weldra komen deze in het dorp terug, vuil en beslijkt; zij praten niet, doen alsof zij niet loopen kunnen en eerst weder opnieuw de levensverrichtingen moeten leeren. Zij hebben een grillig besneden en beschilderd bamboestokje in de hand, dat zij van den duivel heeten ontvangen te hebben. Tijdens hun verblijf in het kakihanhuis hoort men daarin een dof gebrul en gekrijsch, veroorzaakt door het schreeuwen in holle bamboes. Dit moeten dan de stemmen der voorvaderen verbeelden.

Volgens sommigen worden de knapen door eene opening in het huis, dat den vorm van een krokodillenmuil heeft, naar binnen gestoken en dadelijk daarop quasi onthoofd, terwijl aan de vrouwen die buiten staan, bebloede speren en parangs worden vertoond van achter de omheining van het huis. Ook Valentijn meldt: "Pas na de overgave van hunne kinderen hooren de ouders een afgryselijk gehuil en gejammer en zien ook tegelyk verscheidene pieken, daar het bloed by neder druipt door het dak te voorschyn komen, dat hun doet vooronderstellen, dat de kinderen vermoord worden, hoewel zy weten, dat zy na drie jaren er in geweest te zyn, naar het ouderlyk huis terugkeeren.

"Wanneer die tyd daar is, krygt ieder kind een geschilderd stokje van dun wit bamboe, waarop eenige zonderlinge figuurtjes of karakters gebrand zyn en waaraan eenige snoertjes met een soort van koperen plaatjes als penningjes hangen.

"Als deze kinderen weder thuis komen, kunnen zy nog gaan nog spreken en moeten zulks opnieuw als pasgeboren kinderen leeren."

Van Doorn voegt hier naïef aan toe: (de Alfoeren van Wahaï besprekende) "Deze tempels vond men in vroegere tijden ook bij de Wester-Cerammers, die ook de heidensche leer beleden." (!)

Het feit is, dat zij nimmer bij de Patalima en Oost-Seranners hebben bestaan. Doch uit Valentijns beschrijving blijkt, dat het ritueel in zijn tijd reeds bestond, al sprak men toen niet van den geheimen kakihanbond.

Van Rees gaat zelfs zoover met mede te deelen welke woorden door de holle bamboes aan de neophyten worden toegeroepen. De geslotenheid van den Alfoer op dit punt kennende, ook zelfs van hen die bij ons in dienst zijn getreden als soldaat en een beschavingsproces hebben ondergaan, kunnen wij niet anders dan aan de juistheid daarvan twijfelen. Bij een laag staand volk als de Alfoeren treft het toch, dat men zoo iets als de idee eener wedergeboorte heeft, alsook het bestaan van een geheim woord Fahadjoel, waarom sommige spreken van de Seransche vrijmetselarij. Bij hunne terugkomst dragen de ingewijden op borst, rug of dijbeen ingeprikte figuren in ster- of halvemaanvorm. Soms zelfs komt een kinderlijk geteekend dierfiguurtje voor. (Zie Martin. Reisen in den Molukken, plaat XXVI). De vrouwen van de Hatoenoeroe's en van enkele Owinstammen dragen op het voorhoofd ook een getatoeëerd halve maantje of kruisje. Dit heeft echter niets met het Kakihan te maken, daar vrouwen nimmer in den bond worden opgenomen.