Het eiland Seran en zijne bewoners
Part 6
Dat de kustbewoner onder leiding zeer goed bouwen kàn, blijkt uit de woningen van de Regenten van Roemah Kai, Kaibobo, Lisabata, Hatoé, Iha, Loehoe en vele andere, waar men werkelijk zeer goed opgetrokken huizen, kerken en missigits aantreft. Deze woningen zijn van goede ramen voorzien en hebben eene indeeling in kamers, terwijl kerken en missigits meestal een half steenen muur bezitten. Doch om dergelijke gebouwen op te richten moet de ongelooflijk luie strandbewoner ten krachtigste worden aangespoord; hij leeft voor zichzelf even lief in eene "paparisa" d.w.z. een afdakje van atap, met atap of bladeren omwanding. Zóó heeft, nadat Hatoe Soea door de vloedgolf van de Elpapoetihbaai in 1899 verwoest was, de bevolking tot 1904 geleefd in dergelijke hutjes die men zonder eenige regelmaat aan het strand had opgetrokken, waarvan de daken lekten en vele zelfs geene omwanding bezaten. Slechts onder krachtigen druk van het bestuur bouwde men in 1904 in 5 maanden tijds de oude negorij weer op. En Hatoe Soea telde nog wel eene Christenbevolking, die voor vrij beschaafd doorging, waaronder jarenlang een posthouder had gewoond, waar eene talrijk bezochte school stond! Hatoe Soea werd "klein Ambon" genoemd!
De Alfoerenwoningen van Seran bewesten de lijn getrokken van Roemah Olat naar Sepa bestaan uit kleine huizen voor eene familie. De vloer is op palen, op verschillende hoogte (op West-Seran meestal op manshoogte), aangebracht, terwijl van de huizen in het binnenland van Oostelijk Seran de vloer op meer dan reikhoogte wordt gebouwd.
Ofschoon het viervlakkige dak bij de West-Seransche huizen alle licht en lucht afsluit, (soms reikt dit dak tot op nauwelijks een meter hoogte van den grond), dus zeer onhygiënisch moet zijn, zoo begrijpt men toch, dat de Alfoer er toe gekomen is, een dergelijken bouwstijl te bezigen, als men overnacht in een Alfoerendorp, dat meestal op een hoogen bergtop gebouwd is. In den Westmoesson gieren dan snerpend koude winden door de bergen en is des avonds het aanleggen van een vuurtje geen overbodig iets.
De lange dakvlakken beschutten dan het huis zeer goed. Op het eerste gezicht meent men dat het huis eene driehoekige doorsnede moet hebben, totdat een onderzoek onder het dak den inwendigen zesvlakkigen vorm laat zien. Het gezin brengt overdag het leven meest op de dego2 (rustbank) onder het huis door, daar het binnen bijna geheel duister is. De vervuiling van die donkere huizen is natuurlijk zeer groot en het ergste is dit bij de stammen oostelijk van Wahaï, waar men ook zijne behoeften door openingen in den vloer doet!
De woningen oostelijk van de straks gegeven lijn zijn familiewoningen, die tot een 100tal zielen kunnen bevatten. Vooral de huizen achter Kobi zijn zeer groot en bestaan uit een vloer op palen rustend en een dak. De omwanding is alleen daar doorgetrokken, waar de kamertjes der gehuwden zijn. Overigens is er een rondloopende dego2 beschut door een wand van eenige decimeters hoogte om het geheele huis gebouwd, waarop de ongehuwden slapen en het dagelijksche huiswerk wordt verricht. Iedere familie heeft haar eigen vuurhaard, bestaande uit eene leemen schijf, gevat in een band van boomschors, die over den vloer, welke meestal uit gespleten bamboe bestaat, heen en weder kan geschoven worden. Huisraad is er al bijzonder weinig en bestaat in hoofdzaak uit eenig keukengerei. Aan den wand ziet men bamboekokertjes om daarin harsfakkels voor nachtelijke verlichting te kunnen steken. Eenige rekken dienen om potten, borden en brandhout op te stapelen, terwijl messen, jachttuig e.d. eenvoudig tusschen de atappen van het dak worden gestoken. Bijna in iedere Alifoeroewoning vindt men de bekkeneelen van varkens, herten, koesoe2 enz. aan een balk hangen, terwijl de staarten van visschen tegen de wanden en stijlen worden gespijkerd. Dit doet de jager, om zich van eene voortdurend goede jacht te verzekeren.
Kleederen en sieraden worden opgeborgen in "tetoemboe" of "tagalaja", vierkante doozen van pandanusbladeren gevlochten, terwijl in een hoek altijd eenige bamboekokers, gevuld met drinkwater, gevonden worden en in West-Seran met de onmisbare sagoeweer.
Als huisdier heeft de Alfoer een leelijk, mager soort hond met steile ooren, gelijk aan het algemeen door Indië verspreide "gladakker" type. Hij zorgt er zeer goed voor en als het beest nog klein is, wordt het door den eigenaar steeds in den arm heen en weer gedragen, om het te gewennen zijn meester te volgen. Voor het opdrijven van wild zijn die dieren uitnemend geschikt. Merkwaardig is het te zien, hoe behendig deze honden tegen den klimbalk, een rondhout waarin treden zijn uitgekapt en waarlangs men in het huis komt, weten op te klimmen. (Te Wakolo heeft men een afzonderlijke ladder of klimbalk voor mannen en voor vrouwen, een gebruik dat men elders niet aantreft).
Dat de hond (even als de kat), is ingevoerd, kan misschien blijken uit den naam "asoe" dien hij bijna overal draagt. De kat, die de Alfoer gaarne bezit, doch die niet veel voorkomt, heet "mèong", dus eene zuivere onomatopee. Verder kweeken vele Alfoerenstammen het varken als huisdier, terwijl men dikwijls tamme herten en kasawari in de negorijen ziet rondloopen.
De woningen der Patasiwa staan meestal bij elkander zonder regelmaat, terwijl de tusschenliggende grond zeer schoon wordt gehouden. Deze dorpen bevinden zich doorgaans op bergtoppen om aldus beter beveiligd te zijn tegen aanvallen. Daar de Alfoer zeer weinig water drinkt en zich nooit wascht, heeft de nabijheid van een riviertje geene aantrekkelijkheid voor hem. Hij ziet er niet tegen op om het water in bamboekokers eenige honderden meters den berg op te moeten voeren of liever, hij laat zijne vrouw zulks doen. De huizen van Oost-Seran, waarvan soms één huis eene negorij bevat, staan daarentegen meest bij rivieren en verspreid (daar hier geen koppensnellen gevreesd wordt) zonder dat men de moeite neemt om den grond er omheen of zelfs er onder van onkruid te zuiveren. De negorij Maneoe bestaat uit drie huizen, die door een overdekten overloop aan elkander verbonden zijn.
Bij de woningen ziet men zeer kleine hutjes staan, die dienen om door de vrouw tijdens de menstruatie bewoond te worden. Men kan er nauwelijks in staan, zij zijn ellendig ingedekt en van eene slordige omwanding voorzien, zoodat het verblijf daarin voor de vrouw verre van aangenaam moet zijn. Het is den man ten strengste verboden in die huisjes te komen en het verbod van omgang met de in dien toestand verkeerende vrouw komen alle Alfoeren zeer streng na. Het visschen naar garnalen in de riviertjes is haar dan verboden. Het gebeurde eens bij de Roemah Soalstam, dat een jong meisje, terwijl zij de menstruatie had, toch ook aan het garnalenvisschen had meegedaan. Zij werd niet minder dan ter dood veroordeeld. Men plaatste haar op een steen midden in de rivier en kapte aan den oever een boom, die haar in zijn val moest verpletteren. De berekening faalde echter en het meisje bleef ongedeerd. De hulpprediker, die toevallig in de buurt aanwezig was, wist de lieden te overtuigen, dat de booze geesten blijkbaar het offer niet wilden en zoo redde hij het meisje.
Op Oostelijk Seran ziet men ook wel, dat die roemah pamali tegen de algemeene familiewoning zijn aangebouwd.
In Van Doren's "Fragmenten" leest men op blz. 149, dat de Alfoeren van Masisihoelan in holen leefden. Het bezoek van dien heer greep plaats in 1839; doch thans zijn van die holenwoningen niets te vinden en bestaat het dorp Masisihoelan uit zulke woningen als elders op West-Seran worden aangetroffen.
Iedere Alfoerennegorij heeft haar "batoe pamali", naar het heet, den steen dien men uit de bergen van de oorspronkelijke negorij heeft medegebracht. Dikwijls liggen deze steenen bij de baileo of ook wel op eene meer verborgen plaats in de nabijheid. Het is een gewone kei, soms op drie andere keien geplaatst, doch meestal half ingegraven. Veelal liggen daarnaast eenige tahoeri of groote kinkhoorns, waarop bij plechtige gelegenheden geblazen wordt.
Kleeding. De Mohammedaansche strandbevolking kleedt zich zooals elders in den Archipel gebruikelijk is [10]. De Christenen hebben de kleederdracht der Ambonsche Christenen overgenomen, d.i. een buis en broek van katoen, terwijl het haar kort wordt geknipt en het hoofd onbedekt blijft. De Christenen uit den omtrek van Amahei en ook die van Kaibobo hebben een eigenaardigen broek, waarvan de pijpen tot aan de kuiten reiken en waarvan het zeer wijde kruis maakt, dat de pijpen eigenlijk slechts een decimeter lang zijn. Als kerkgewaad draagt men een samaar van zwart katoen, de vrouwen eene zwarte lange kabaja, die tot bijna aan het ondereind van den sarong reikt. De ouderlingen hebben op dat zwarte hemd een staand kraagje achter in den nek, ongeveer zooals men aan de Scheveningsche vrouwenmantels ziet.
De Regenten kleeden zich, als zij het betalen kunnen, geheel Europeesch en voelen eene groote voorliefde voor den rok of "smoking" en kunnen er daarin inderdaad zeer deftig uitzien. Zoowel bij de Mohammedanen als bij de Christenen geldt de adat, dat alleen Regenten en hunne familieleden schoenen mogen dragen. De vrouwen en dochters van Regenten dragen drie haarnaalden aan de rechterzijde van den haarwrong, terwijl de overige vrouwen zich met een of twee naalden moeten vergenoegen. De onderscheiding van "njonja plooi" en "njonja rok", te Amboina gebruikelijk, kent men hier echter niet.
Behalve deze dracht hebben verscheidene negorijen het "pakean tanah" of de landsdracht, die alleen bij feestelijke gelegenheden door de meisjes gedragen wordt. Zij bestaat doorgaans uit een kort baadje van gekleurde stof, versierd met zilveren ornamentjes en eene sarong van eigenaardig geweven stof, die zeer oud moet zijn. Meestal draagt men twee sarongs boven elkander, de eene korter opgeschort dan de andere. Te Sawaï en Hatoé hebben de meisjes over dit kleed nog een wit hemd aan, waarvan de mouwen niet gebruikt, doch tot een knoop samengebonden, over de schouders geworpen worden. De bedoeling hiervan wordt bij de beschrijving der dansen uitgelegd. Bij dit gewaad wordt meestal een losse kraag van gekleurde stof gedragen, die met passement en filigraanwerk versierd is, terwijl om den kondeh een snoer, vervaardigd uit een soort vlierpit (papatjéda) gewikkeld wordt, in verschillende kleuren geverfd. De meisjes zien er aldus soms lang niet onaardig uit en zijn even coquet en hebben even lang werk met haar toilet als hare westersche zusters. In het dagelijksche leven echter maken zoowel mannen als vrouwen weinig werk van hunne kleeding en zien er doorgaans zeer armoedig, om niet te zeggen onoogelijk uit. Tot het verrichten van werkzaamheden in het bosch of in hunne prauwen zijnde, behouden de mannen alleen den broek aan of trekken eene sarong tusschen hunne beenen door, aldus een schaamgordel vormende.
Als sieraad dragen de vrouwen in het haar, behalve de genoemde haarspelden, de "sisir mas" (gouden kam), een hoornen kammetje van den halven maanvorm, beslagen met een stukje gebloemd koper- of zilverblik. Om de polsen dragen zij zeer eenvoudige zilveren of vergulde armringen en ook zulke vingerringen. Te Piroe en te Hatoe Soea behoort bij het boven beschreven pakean tanah een hoofdtooisel bestaande uit een zilveren pennetje, waaraan evenals bij een schelleboom, kleine ruitvormige zilveren plaatjes hangen aan korte stukjes ketting. Vroeger schijnt men meer gouden en zilveren sieraden bezeten te hebben, vooral genoemd wordt de "oelar mas" (gouden slang), doch bij den overgang tot het Christendom werden die zaken als behoorende tot heidensche verfoeilijkheden, in zee geworpen; hiertoe werd men aangezet door het drijven van fanatieke inlandsche godsdienstleeraars.
De tegenwoordig gedragen sieraden werden door Makassaarsche handelaars ingevoerd. Een sirihdoosje, van den vorm van eene ouderwetsche horlogekast, hangende aan een platten, zilveren ketting, die bij het dansen nog wel gedragen wordt, schijnt echter van ouderen oorsprong te zijn. Wanneer zij geheel in feestgewaad zijn, mag een klein zakdoekje, soms vrij aardig bestikt, niet gemist worden bij het toilet. In enkele negorijen van Wahaï geven de vrouwen b.v. den bestuursambtenaar de hand met dit zakdoekje over de handpalm gespreid, welk voorbeeld door sommige Alfoerenvrouwen wordt nagevolgd. Bij het menari noodigt het meisje den jongeling uit met haar te dansen, door hem het zakdoekje aan te bieden of toe te werpen. Na afloop geeft men het weder aan de eigenares terug.
De kleeding der heiden-Alfoeren is eenvoudig en bestaat voor de mannen alleen uit den tjidako of schaamgordel en den rooden hoofddoek. Eene uitzondering maken de Nisawélé en Wae Ramastammen, die een hoofddoek dragen van ingevoerde, bedrukte stof, zooals ook elders in den Archipel gebruikelijk. De tjidako bestaat uit eene strook witte boombast, die door aanhoudend kloppen met een houten hamer, waarin dwarse groefjes zijn aangebracht, buigzaam is gemaakt. De Patasiwa hitam hebben voor het gedeelte, dat om het midden komt, een afzonderlijk stuk dikkere boombast (zie photo) waar omheen een stuk tjidakostof wordt gewikkeld; bij de overige stammen maakt dit gedeelte één geheel uit met de rest van den gordel. De uiteinden worden met strepen en driehoekjes van roode, gele of blauwe kleur beschilderd, doch indien de eigenaar zich erop beroemen kan een kop gesneld te hebben, dan wordt op het middenstuk eene ringvormige figuur geteekend; heeft hij meerdere koppen gesneld, dan komen daarbinnen weder nieuwe ringen, de witte banden die dan blijven staan, stellen het aantal koppen voor. Over den tjidako, die met een breed einde van voren afhangt, wordt een driehoekig stuk roode stof gehangen.
Het haar, dat de Alfoer lang draagt, wordt om een ring van klapperdop gewonden en om den aldus gevormden "chignon" wordt dan stevig de hoofddoek gewikkeld, die dan verder bevestigd wordt met een riem of band, bezet met schelpen en stukjes paarlmoer. De dikke wrong haren beschermt op die wijze het hoofd voldoende tegen een paranghouw. De ongehuwde mannen der Patasiwa dragen het haar los op de schouders hangende en in het midden gescheiden, terwijl het in bedwang wordt gehouden door een bandje van rottan of klapperblad om het voorhoofd. Evenzoo doen de Honitétoe-Alifoeroe, wier sluik haar ook met eene scheiding wordt gedragen. Ook vele Christenen van Kaibobo, Eti en Piroe laten het haar loshangen, doch houden het bijeen door een kromme kam, die in het midden geen tanden heeft. Echter dragen alleen de ouderen dezen kam en hij raakt langzamerhand in onbruik. Wanneer zij in oorlogstooi zijn of bij feestelijke gelegenheden worden in den hoofdriem hanevederen of wel een samenstel van kasuari- en kakatoeavederen gestoken in den vorm van eene V, hetgeen een krijgshaftigen indruk maakt. De Roemah Soal Alifoeroe steken ook wel eene enkele haneveder schuin boven het oor en meenen, dat deze hun snelheid van beweging zal geven.
Verder wordt het lichaam behangen met kralensnoeren, diagonaal over de borst hangende. Niet zelden hangt aan het uiteinde der snoeren een koperen schelletje of wel de porseleinschelp, die ook bij de versiering van andere voorwerpen en van den nok van een huis eene rol speelt. Om den bovenarm draagt men dan van riet gevlochten armbanden in zwart en geel gekleurd of zij bestaan uit een samenstel van ringen uit schildpad of uit klapperdop gesneden, welke door de strandbewoners vervaardigd worden en vrij kostbaar zijn. Tusschen deze breede armbanden worden dan neerhangende pluimen van klapperbladeren of aan reepjes gesneden en gekleurde tjidakostof gestoken. Bij eene spontane versiering bezigt men hiertoe ook wel bosjes crotonbladeren.
Verder is de Alifoeroe nimmer zonder zijn maskéké (aan de Noordkust aldus geheeten) d.i. een klein vierkant taschje van gevlochten bamboe, bekleed met een lap linnen met overhangende klep. Het linnen wordt door insmering met bloed en het sap van den toeriboom ondoordringbaar voor water gemaakt en de klep dikwijls met knoopen en schelpjes eenvoudig versierd. In de maskéké bergt de Alfoer zijn sirih en pinang, zijn haarkam, kogels, buskruit (in kleine bamboekokertjes) mes, geld, vuurslag en verdere artikelen voor 't dagelijksch gebruik. Het taschje wordt aan een touwtje over den schouder gehangen, zoodat het onder den arm komt en slechts zelden legt de Alfoer de maskéké, die dan ook zijne meeste schatten bergt, af. Velen hangen terzijde van de tasch een halven klapperdop als drinkbeker en een klein fleschje met olie tot onderhoud van het geweer, terwijl meestal eene vuurroode, platte, harde boon of wel de porseleinschelp als versiering ervan wordt aangebracht. De meeste officieren en minderen van de detachementen op Seran schaften zich ook een maskéké aan, omdat zij werkelijk zeer praktisch zijn, om daarin zakboekjes, rookgerei enz. op te bergen en daarin beter te beschermen zijn voor vocht, dan in de zakken gedragen.
De kleeding der Alfoersche vrouwen van Midden- en West-Seran bestaat alleen uit een tjidako of koelit kajoe. Eene uitzondering hierop maken de vrouwen van Roemah Olat, Opin, Wae Loeloe, Loöen, Lisiëla, Hérélaoe en Hatoe Noeroe-Aloené. Om welke reden deze dit niet doen, doch slechts eene korte sarong dragen, evenals de vrouwen van oostelijk Seran, is niet bekend. De vrouwelijke tjidako bestaat uit een dun koord van gevlochten bamboe of rottan, dat om den buik wordt geknoopt en zoolang gedragen wordt, totdat het vergaan is en vernieuwd moet worden. Voorin wordt eene smalle strook van tjidakostof gestoken; het gedeelte dat tusschen de beenen komt, wordt als een touw ineengedraaid en het andere einde vervolgens met een lossen knoop weder om het buikkoord gestrikt. Bij de gehuwde vrouwen laat men dit losse einde lang afhangen, soms zoo lang, zooals bij de vrouwen van Hatoe Noeroe Wae-Mataoe, dat het als een omgekruld staartje onder de sarong, die tot aan de knieën reikt, uitsteekt. Merken zij, dat men er naar kijkt, dan worden zij verlegen en vluchten.
De vrouwen van Warasiwa vervaardigen den band, die het schaamdeel moet bedekken, niet van tjidakostof, doch van het blad van een pandanussoort. Alleen met dezen schaamgordel gekleed vertoont de Alifoeroevrouw zich tegenwoordig niet meer aan het strand, doch zij draagt alsdan eene lendenlap daarover heen. Bij werkzaamheden in de tuinen en in het bosch echter vormt de tjidako het eenige kleedingstuk. Andere kleedingstukken worden door haar alleen als versiering beschouwd. Bij feestelijke gelegenheden trekt zij dikwijls zooveel mogelijk daarvan aan; soms twee of drie sarongs en baadjes over elkander en daarover nog eene slendang, alleen om haren rijkdom te toonen. Verder hangt zij zich alle kralensnoeren, waarover zij kan beschikken, om den hals en wordt de arm tot aan den elleboog voorzien van armbanden van koper, zilver, schildpad of uit vlakgeslepen schelpen vervaardigd. Ook enkelringen worden wel gedragen en voornamelijk bij de Patalimastammen.
Evenals de mannen dragen de vrouwen een plat mandje met kralen versierd, onder den arm, doch het bezit geen sluiting en is geheel van gevlochten bamboe vervaardigd. Zoowel de mannen als de vrouwen leggen den tjidako voor het eerst aan bij de intrede der puberteit. Wanneer of men rekent, dat dit bij de jongens geschiedt, is niet bepaald uit te maken. Te Oewin Patahoé ziet men kleine kereltjes van naar schatting 8 jaren bij krijgsdansen reeds met den tjidako loopen, terwijl men elders lang opgeschoten jongelingen met de sarong gekleed ziet, blijkbaar dus reeds man genoeg om niet meer naakt te mogen loopen.
De man bindt den tjidako zoo stevig om het middel, dat de maag er dikwijls sterk overheen uitpuilt. Men beweert, dat zij daardoor in staat zijn om buitengewoon hard te loopen, wat ook werkelijk het geval is, doch het behoeft geen betoog, dat door die insnoering lever en milt zeer moeten lijden en wellicht is dit ook een van de redenen, dat de Alfoer over het algemeen geen hoogen ouderdom bereikt.
Bestuur. Over geheel Seran is het bestuur patriarchaal. Onder de soa, die zich tot een geheel hebben samengevoegd en die bestuurd worden door den bovenvermelden Kapala soa, is er een, die de "soa latoe" of familie, waaruit het algemeene hoofd verkozen moet worden, genaamd wordt. Het bepaald kiezen van een soa-hoofd of van eenen regent schijnt echter langzamerhand onder den invloed van ons bestuur te zijn ingesteld. Vroeger waren bijna immer de oudsten der stam, de bestuurders daarvan en het schijnt, dat bij de Berg-alifoeroe iemand, die zichzelf krachtig genoeg vond om als leider der krijgstochten op te treden, zich daartoe opwierp.
Zoo ziet men, dat ook thans nog de Roemah Soal-alifoeroe evenals de Nisawélé, aangevoerd worden door 3 hoofden, die gelijke macht bezitten. Te Roemah Soal worden zij Naten, Sérik métan en Sérih poetik geheeten, bij de Nisawélé-alifoeroe noemt men ze eenvoudig "oudsten". Door onze regeering worden tot hoofden aangesteld, mannen door de bevolking daartoe verkozen, met den titel van Orang kaja, Patih en Radja. Ten teeken hunner waardigheid voeren zij een rottan met zilveren knop, voorzien van het rijkswapen, terwijl ter belooning van verdiensten, aan hen kunnen geschonken worden papieren zonneschermen van de 1e, 2e en 3e klasse, evenals wimpels, om aan den mast hunner orembaais te voeren, terwijl de grootste onderscheiding wordt geacht te zijn, het verleenen van een gouden rottanknop.
Over het algemeen onderscheiden deze regenten zich weinig van hunne onderdanen; zij trekken gezamenlijk met hunne onderhoorigen er op uit om het dagelijksch brood eigenhandig te verdienen en het gezag door hen uitgeoefend, is volstrekt niet onbetwist. In de grootere Christen- en Mohammedanennegorijen is deze toestand wat gunstiger en tracht de Regent door zijn meerdere beschaving, betere kleeding en fraaiere woning zich zijn ambt waardiger te maken. De Regent wordt niet bezoldigd door het gouvernement, doch heeft recht op de zoogenaamde quarto diensten, d.w.z. op de kostelooze dienstbaarheid van 4 mannen uit zijne negorij, die bij toerbeurt hem eene maand moeten dienen. In de kleinere Alfoerennegorijen echter met een gering aantal mannen, worden deze quarto-diensten met goedvinden van den Regent, vervangen door eene gave in tuinproducten a.a., waartoe ieder ingezetene bijdraagt. Men begrijpt, welk een verkeerd stelsel bovenstaand is, daar de Regent op deze wijze zeer afhankelijk van zijne bevolking wordt en hij niet al te streng tegen hunne vrijheden durft op te treden, daar hij anders moeite krijgt met zijne quarto-diensten.
Het aantal klachten over nalatigheid of onregelmatigheid in deze, is dan ook zeer groot en eene bron van last voor het bestuur. Verscheidene der Alfoerenhoofden, die in het binnenland wonen, wenschen geen rottanknop te ontvangen, daar dit voor hen "pamali" is, doch de acte van aanstelling nemen zij gereedelijk aan en zij worden ook zonder tegenzin in hunne waardigheid beëedigd. De hoofden van Wae Rama, Hatoe Olo of Ajerbesar en Maneo verzochten bij hunne aanstelling om eene jas, die dan eenigszins uitgemonsterd wordt, zonder aan een bepaald model te voldoen.