Het eiland Seran en zijne bewoners
Part 5
De wouden van Seran bevatten een grooten schat aan uitmuntende houtsoorten. De meest waardevolle zijn bij hunne inlandsche namen genoemd: het nannihout, van een glad donkerbruin voorkomen. Dit hout heeft eene zoo groote hardheid, dat het zeer moeilijk te bewerken is en, wanneer het goed droog is, slaat men minder deugdelijke bijlen er op stuk. Het leent zich voortreffelijk tot pilaren, duc d'alven e.d. Dan volgt het goefasahout, dat een buitengewoon geschikt hout is voor den scheepsbouw. Het is van eene lichtgele kleur, zwak gevlamd, vrij hard en bezit de eigenschap van zeer weinig te krimpen, zoodat de inlanders dan ook de versch uit het bosch gekapte planken bezigen tot het vervaardigen hunner prauwen. Daarenboven wordt het zeer weinig aangetast door paalworm en andere zeeinsecten. Eene plank, die zeker 12 jaar in zee had gelegen, vertoonde zich nog bijna geheel gaaf. Voor meubelhout zijn bijzonder geschikt het lassihout of "witte ebbenhout", dat veelvuldig op Boano en verdere steenachtige streken voorkomt, het salamoelihout, zeer veel gelijkenis hebbend met notenhout, het kajoe koening, eene fraai gevlamde, citroengele houtsoort en het lingoea of Ambonsch mahonihout, terwijl voor timmerhout van algemeenen aard, het ijzerhout in twee soorten, in geweldige hoeveelheid voorkomt naast eene talrijke verscheidenheid van zachtere houtsoorten tot plankenmateriaal geschikt. De djatiboom komt sporadisch voor, hier en daar op last onzer Regeering in vroeger jaren aangeplant, doch dit hout tiert er niet zoo welig als op Java. Een zeer eigenaardige boom, die niet nalaat de verbazing van den vreemdeling te wekken is de patola. Deze heeft een gladden, recht opgaanden stam van dikwijls meer dan een meter middellijn en is bekleed met eene glinsterende schors, die op een lichtgroenen ondergrond, grijze en rose vlekken vertoont, aldus een wonderlijken indruk makend. De schors laat zich gemakkelijk in breede lappen afschillen en uitmuntend bezigen tot dakbedekking van bivakhutten en tot bekleeding van den grond. In gedroogden toestand is het hout lichtbruin gekleurd, vrij zacht en geschikt tot pakkistenmateriaal e.d. Eene bijzonderheid is nog, dat deze boom uitsluitend aan den kant, of in de onmiddellijke nabijheid van stroomend water groeit. Op Midden-Seran komt hij in veel grooter exemplaren en ook talrijker voor dan op het overige deel des eilands. Verder treft men voornamelijk op Hoeamoal, Boano en Kellang de kajoepoetihboom aan (melaleuca leucododendron) uit welks bladeren de door geheel Oost-Indië welbekende en gezochte kajoepoetiholie wordt gedistilleerd.
Op hoogten boven de 300 M. groeit de dammarboom (dammara alba Rumph.) die een zeer gezocht hars levert, ook "gom koopal" genaamd. Verder is overal de arènpalm verspreid, die naast de voor de bevolking zoo onontbeerlijke "gemoetoe", tot het vlechten van touw, ook de voor haar verderfelijke palmwijn "sagéroe" levert, waarover later. De bamboe (boeloeh) komt op geheel Seran voor in meer of minder dichte bosschen, doch in de omstreken van Loemah Pèloe (Malowan) groeit eene bamboe betong soort van zulke afmetingen als op Java niet worden aangetroffen. De ondereinden dezer bamboesoort zijn veelal van 2 tot 3 d.M. in doorsnede, vormen een uitmuntend materiaal voor huizenbouw, waartoe de Malowan-Alfoeren het dan ook bezigen. De begroeiing van den bodem is niet overal gelijk in dichtheid, maar houdt verband met de woestheid van de oppervlakte. Zoo nemen de bosschen van het Oosten naar het Westen geleidelijk in dichtheid toe; treft men op Oost-Seran vrij open bosschen aan, waardoor het niet moeilijk is zijn pad te kiezen, op de bergen van West-Seran, het best te vergelijken met de versteende golven der zee, maakt het dichte onderhout het doordringen in de bosschen moeilijk en opmerkelijkerwijze is ook de geaardheid der bevolking, van het Oosten naar het Westen gerekend, toenemend in ruwheid en onbeschaafdheid.
Over de aanwezige mineralen op Seran kan niet veel gezegd worden, daar dit eiland nog nimmer ernstig is onderzocht geworden.
Te Boela komt petroleum voor, dat er uit den bodem opwelt in de nabijheid van de reeds vermelde moddervulkanen. De rivieren de Isal, de Samal en de Aké Ternate voeren dikwijls steenkoolbrokken af en ook aan de kusten van Oost-Seran vindt men veel stukken kool, waarvan de heer Verbeek getuigde "zij zijn hard en glanzend, bevatten weinig asch, zoodat zij een nader onderzoek wettigen". Ondanks het groote handels- en maritiem belang, dat een kolenstation op dit gedeelte van den Archipel zou kunnen hebben, is tot dusverre nog geen onderzoek naar kolen ingesteld. Omtrent andere aanwezige mineralen wordt slechts sporadisch door toevallig aanwezige, of gelegenheidsgeologen wat vermeld. Door den off. v. gez. Schneider werd in 1854 medegedeeld, dat sommige door hem op de Zuidkust aangetroffen grondsoorten tot 10% tinerts bevatten. Verder werd door hem dicht bij Batoe Tambaga (Loehoe) een primitieven mijnput voor het winnen van zwavelijzer gevonden, terwijl hij vermoedde, dat bij Batoe Kapal steenkolen moesten aanwezig zijn. De geoloog Maier onderzocht later de verzamelde ertsen en bevond, dat zij geen spoor van tin bevatten. De Alifoeroe dragen overal tinnen staafjes als oorhangers, doch dit behoeft volstrekt niet te duiden op de aanwezigheid van dat metaal, om welke reden men het b.v. op Flores vermoedde te zijn. Die oorhangers hebben een hoogen ouderdom en zullen waarschijnlijk vroeger door Makassaarsche handelaren over de Molukken verspreid zijn.
De heer Moorrees, voor een onderzoek naar Seran gezonden, zegt o.a.: "Uit het gehouden chemisch onderzoek blijkt, dat er waarschijnlijk zeer rijke goudaderen moeten aanwezig zijn. Koper komt ook zeer veel en in rijke lagen voor. Verder is er veel steenkool van zeer goede kwaliteit en aan de Noordkust zijn rijke petroleumbronnen".
Ook Ribbe deelt mede, dat op Seran behalve steenkool, graphiet, ijzer, koper, petroleum en in de rivieren goud gevonden kan worden.
Prof. Martin, die het meeste geologische materiaal verzamelde, vond op zijne reizen geen nuttige mineralen. Zeker is het, dat de bevolking nimmer eenige delfstof uit den bodem won, terwijl zij het door ons verzamelen van gesteenten en het onderzoek doen naar kolenaderen met zekere vrees beschouwen en daarom gemakshalve voor zich zelf "pamali" verklaren.
De Seransche wouden bevatten geen groote verscheidenheid van diersoorten, indien wij de insecten, waarvan wellicht alle soorten nog niet eens bekend zijn, buiten beschouwing laten. (Ribbe verzamelde b.v. 19000 insecten). Roofdieren worden alleen vertegenwoordigd door eene soort civetkat (viverra tangalunga Gray) en door verscheidene slangensoorten, terwijl in vele riviermondingen evenals overal elders in onzen archipel de krokodil huist.
In zeer groote hoeveelheid komt eene hertsoort voor (Cervus moluccensis) die, ondanks dat er sinds jaren een levendige handel in huiden en hoorns van de dieren gedreven wordt, niet merkbaar schijnt te verminderen. Eene eigenaardigheid van deze dieren is, dat zij met vallend water naar de kust toekomen en met opkomenden vloed weer naar het binnenland trekken. De jagers houden dan ook met deze eigenschap rekening. Des avonds bij wassende en volle maan begeven geheele kudden zich naar het strand om daar te spelen en ziet men op zulke "dansplaatsen" het zand over eene groote oppervlakte omgewoeld door hunne hoeven. Bijna even talrijk als het hert leeft op Seran het wilde zwijn.
Vooral Oostelijk Seran telt hiervan zeer groote exemplaren met zware slagtanden. Het hertzwijn, dat men wel op Boeroe aantreft, komt op Seran merkwaardigerwijze niet voor. Veel minder talrijk is de kasawari (casuaris galeatus Neill), die vooral op West Seran weinig gezien wordt, hetgeen zeer zeker ook verband houdt met de meerdere dichtheid der bosschen, waarin zich een dergelijk groote tweevoeter moeilijk kan bewegen. Op Oost-Seran komt hij daarentegen in veel grooter aantal voor. Over geheel Seran verspreid is de koesoe2 (phalangista orientalis) een buideldier, dat in de boomen leeft en eene vrij mooie vacht heeft, die de Alfoer echter niet waardeert, daar het beest altijd mèt de huid op een vuur wordt geroosterd. De reuk van het verbrande haar, die ons zoo tegenstaat, geeft volgens den Alifoeroe juist een eigenaardig aroma aan het vleesch. Andere zoogdieren komen op Seran niet voor. Ook de vogelwereld is niet rijk aan verscheidenheid. De grootste vogel is de tahon2 of jaarvogel, dus genoemd naar de bewering, dat hij met elk jaar op den snavel een ring meer krijgt (Buceros plicatus Penn).
Vervolgens treft men de zeer talrijke blauwe en witte houtduif aan (Myristicivora bicolor Scop. en Carpophaga neglecta Schleg.) die de grootte van eene kleine kip hebben en een smakelijk vleesch leveren, terwijl verder witte, roode en groene papegaaien, loeris en parkieten de bosschen met hun geschreeuw vervullen [8]. In sommige reisbeschrijvingen leest men ook wel van het voorkomen van paradijsvogels, doch deze leven zeer beslist niet op Seran. Ook de groote witte Seransche papegaai (cacatua moluccensis Grn.) verschilt van die der Papoeaeilanden in grootte en door zijn oranjekuif, terwijl de loeri in tegenstelling met die welke op Ternate en Nieuw-Guinea leeft, een zwart-paarsch kapje op den kop draagt. Ook is opmerkelijk, dat ofschoon het diertje uiterlijk geen verschil in vederdos heeft, de loeris van Malowan (het achterland van Soekaradja), de eenige zijn, die kunnen leeren napraten. Een onaanzienlijke grauwe vogel, de boeroeng siang of dagvogel, is de profeet der Alifoeroe en uit zijn gekrijsch leiden zij af, of zij al dan niet gelukkig in hunne ondernemingen zullen zijn. Eenige kleinere vogelsoorten uitgezonderd, herbergen de kuststreken behalve eenige exemplaren van steltloopers, die ook elders in den archipel voorkomen, ook nog de moeleoe, eene soort van boschhoen (Megapodius Wallacei).
Ofschoon van de grootte van eene gewone kip, legt deze vogel eieren, die wel tweemaal zoo groot zijn als een hoenderei en eene licht oranje gekleurde schaal hebben. De graad van verschheid van het ei kan men eenigermate bepalen, naar gelang men de kleur met den nagel meer of minder gemakkelijk er af kan krabben. Hoe ouder het ei is, hoe gemakkelijker dit kan gebeuren. De moeleoe legt hare eieren alleen des nachts. Van de twee soorten, die Seran telt, de zoogenaamde bosch- en de strandmoeleoe, legt de eerste haar eieren in groote zandhoopen, die het dier zelf opkrabbelt en die soms wel 3 tot 4 meter doorsnede hebben, bij eene hoogte van 1/2 meter. In dit heuveltje maken dan verscheidene moeleoe hare legholen, die tot 4 dM. diep zijn en waarin de eieren tot ontwikkeling komen door de warmte der zich daarin bevindende rotte bladeren en humus. De strandmoeleoe maakt haar leghol in het strand en bedekt de eieren daarna weer met het uitgekrabde zand [9].
Slangen komen op Seran zeer veel voor, doch zoover bekend is, is hun beet althans voor den mensch niet vergiftig. Het meest verspreid is de patola, eene Pythonsoort, die reusachtige afmetingen kan aannemen. Pythons van 5-6 M. lengte zijn geene zeldzaamheid en eens bracht men de huid van een 9 M. lang exemplaar te Wahaï. De Alifoeroe vreezen dit dier niet bijzonder en slechts zelden worden zij er door aangevallen. Het vleesch wordt door verscheidene stammen gegeten. De kleinere Pythonsoorten van 1 tot 2 M. lengte komen veelvuldig in de huizen voor en zijn met hunne glinsterende, gladde lijven eene onaangename nachtelijke verrassing. Een merkwaardig dier is de "oelar kaki ampat", eene dikke hagedis met stompen staart en geen slang, zooals de naam zou aanduiden. Dit dier wordt ten zeerste gevreesd en de Alfoer beweert, dat de beet er van doodelijk is. Een onderzoek echter deed, voor zoover onze kennis reikte, blijken, dat het geen giftanden, doch wel twee knobbelachtige kiezen bezat. Een haan, door het dier gebeten, toonde geen sporen van vergiftiging. Met dat al is het een afkeerwekkend dier, dat met opengesperden muil, den mensch aanvalt, als hij in zijne nabijheid komt. Het houdt voornamelijk verblijf in alang2 velden.
De wateren van Seran zijn buitengewoon vischrijk en het zou ondoenlijk zijn de talrijk voorkomende en vreemdsoortige visschen te beschrijven. Ook hiermede, evenals met de beschrijving der fraaie schelpen heeft Valentijn zich voor de liefhebbers verdienstelijk gemaakt. In zijn werk over de Molukken, komen vrij goede teekeningen van talrijke visch- en schelpsoorten voor. Wij willen volstaan met de mededeeling, dat verscheidene schildpadsoorten, waaronder de waardevolle karetschildpad (chelonia imbricata S.) naast de doejong, de potvisch, de gewone haai en de zygaena, de zwaard- en zaagvisschen, in de Seransche zeeën worden aangetroffen.
Wellicht is nog wetenswaard, dat tweemalen te Wahaï is gevonden de door conchylienverzamelaars zoo gewaardeerde en met honderden guldens betaalde schelp, conus gloria maris.
HOOFDSTUK III.
HET VOLK.
De oorspronkelijke bewoners van Seran, waarvan de bergbewoners de afstammelingen zijn, duidt men met den algemeenen naam van Alifoeroe of Alipoeroe aan, evenals de bewoners van het binnenland van Djilolo, Celebes en Nieuw-Guinea. Zelfs werd, met de vaardigheid, waarmede de Europeaan de polynesische namen verbasteren kan, deze naam tot Harafoera. Wat of het woord Alifoeroe beduidt, of waarvan het is afgeleid, is niet bekend. Eenmaal zag ik de meening verkondigd, dat het zou ontstaan zijn uit de woorden "hari poeroen", aangevende menschen, die wonen, waar de dag opgaat. Mij dunkt deze uitleg nog al gezocht. De bergbewoners noemen zich zelve niet "Alifoeroe", men spreekt slechts onder dien naam van hen en deze betituleering heeft eigenlijk eene eenigszins minachtende beteekenis. Spreekt men op beleefde wijze over den Alfoer, dan noemt men hen "orang hindoe" (heiden) of, zooals aan de Noordkust wel voorkomt, wémalé. De strandbewoners zijn grootendeels eveneens Alifoeroe, doch in verscheidene negorijen, vooral in de Mohammedaansche, is het ras vermengd met dat van vreemdelingen (Javanen, Makassaren, Maleiers) en in het Oosten is de invloed van de Ternataansche overheersching, in bloedsmenging duidelijk. De groote Virchow kwam na het bestudeeren van een Alfoerenschedel tot de uitspraak: "dasz die Ceramesen in ihrer Hauptmasse keine Papuas sind, dasz sie sich aber auch von den eigentlichen Malayen unterscheiden". Prof. Martin voegt hier echter aan toe: "Ich glaube betönen zu müssen, dasz es sich hier um die Schädel von Strandbewonern handelte, welche ohne Zweifel gemischt sind und das Resultat der Untersuchung Virchows nicht ohne weiteres auf die Bergalfuren übertragen werden darf".
De Seransche bevolking behoort tot drie hoofdstammen: de Patasiwa, de Patalima en die van het Oostelijk deel des eilands, die geen bijzonderen naam dragen.
De Patasiwa verdeelt men weer in Patasiwa hitam en Patasiwa poetih, d.w.z. in getatoeëerde en niet geteekende P.s. Wat die namen beteekenen is ook al weer onbekend, de bevolking zelve kan ze niet verklaren. Op de Oeliassers noemt men ze ook Oelisiwa en Oelilima. Siwa beduidt negen, in vele Alfoersche taaleigen, terwijl lima vijf beteekent, evenals in 't Maleisch. De getallen 9 en 5 zijn voor de betreffende stammen dan ook heilig, terwijl oorlogsschattingen betaald worden in veelvouden van die cijfers. Ook gebeurt het wel, dat bij de Patasiwa bijv., na het afleggen van een eed of belofte, men plechtig telt tot 9 en daarbij na het uitspreken van het getal 8 een oogenblik wacht en daarna eerst besluit met "siwa"! Hoe een deel der Patasiwa er toe overging om zich te tatoeëeren en met welk doel, is onbekend. Van Hoëvell vermoedt, dat die mannen, die zich met voorbijgaan van onderlinge veeten wilden te weer stellen tegen de geweldenarijen der O.I. Compagnie, zich, ter herkenning, van een ingeprikt merk in de huid voorzagen en aldus een politieken bond gevormd werd en geheel onmogelijk is dit niet, als men waarneemt, dat die getatoeëerde Alfoeren, alleen op West-Seran voorkomen, dat dan ook bijna uitsluitend van de heerschappij der O.I. Compagnie te lijden had.
Volgens den ter dood veroordeelden Kapitan Marcus Kakiay, die in de gevangenis te Amboina mededeelingen heeft gedaan omtrent het Kakihanisme, bestond dit reeds voor de komst der Portugeezen. Dit is echter bijna niet aan te nemen, daar Valentijn als nauwkeurig geschiedschrijver er dan zeker wel melding van gemaakt zou hebben en zou dus het Kakihanisme ontstaan zijn in de eerste helft der zeventiende eeuw, welke meening ook von Rosenberg verkondigde. In ieder geval is het tatoeëeren thans adat geworden en vormen de Kakihans, zooals zij genoemd worden, tegenwoordig geen zelfstandige politieke partij meer. De grenzen van het adatgebied der Patasiwa hitam zijn in het Noorden de Wae Pinang bij Warasiwa (volgens den adat eigenlijk de Haoe, die van weerszijden voortdurend bewaakt werd)--awara = wachten, bewaken--in het Zuiden de Malarivier bij de negorij Elpapoetih. Die, tusschen de Patasiwa poetih en de Oost-Seranners zijn niet zoo scherp te trekken, doch men rekent in het Noorden de Aké Ternate en in het Zuiden de Bobot tot de grensscheidingen. Ondertusschen ziet men, dat te Paä en te Roemah Sokat Patasiwa hitam, te Wae Loeloe Patasiwa poetih wonen, dus midden in het gebied der Patalima.
Dit is het gevolg van het feit, dat toen het bestuur er toe overging om de Alifoeroe van uit de bergen naar de kust te verplaatsen, dit geschiedde zonder kennis van zaken, dus verkeerd en het gevolg van deze dooreenmenging van stammen was, dat er voortdurende veeten ontstonden over grensscheidingen van doesons, vischterrein enz., die tot op den huidigen dag onrust verwekken en aanleiding geven tot koppensnellen.
De negorij Lisiëla is door De Vlaming van Hoeamoal verjaagd en behoort thans tot de Patalima; Lisabata, dat zich heeft afgescheiden van Lisabata op West-Seran, behoort eigenlijk ook tot de Patasiwa poetih, ofschoon het thans het gezag voert over Patalima-negorijen.
Men kan de bevolking van Seran niet als een geheel beschrijven, daar behalve bovengenoemde algemeene indeeling de Alfoeren in zeer vele stammen verdeeld zijn, die ieder een eigen dialect spreken en waarvan zeden en gewoonten dikwijls bepaald verschillen. Dit is zelfs zoo sterk, dat twee negorijen, die dicht naast elkander zijn gebouwd en waarvan de straten ineen loopen, toch verschillende gebruiken kunnen hebben en eene verschillende taal spreken. Het zou eene nauwgezette studie vorderen om te bepalen, welke stammen eene bepaald verschillende taal spreken en welke slechts in uitdrukking, klemtoon en enkele woorden verschillen.
Aan de Noordkust dient de behasa Hatoé, in de Piroebaai die van Loehoe, eenigermate als lingua franca, met dien verstande, dat de toegesprokene de genoemde behasa wel verstaat, doch antwoordt in zijn eigen dialect. Langs de geheele kust echter wordt als voertaal der gedachte Maleisch gesproken en daar zeer velen die taal op school hebben geleerd en deze sinds eeuwen her in de Molukken op die wijze is onderwezen en gesproken, zoo is dat Maleisch vrij zuiver het Riouwsch Maleisch gebleven, zij het dan ook dat eigenaardig Moluksche zinswendingen en vreemde woorden zijn ingeslopen. Het bovenstaande in aanmerking nemende, is het duidelijk, dat vele reisbeschrijvingen in zooverre onjuist zijn, omdat zij generaliseeren en plaatselijke gebruiken als algemeene voorstellen. Vooral bij het lezen van het werk van Riedel "de sluik- en kroesharige rassen" rijst menigmaal de vraag: "waar doet men zulks en in welk dialect spreekt men zoo", terwijl eene beschrijving van land en volk, opgesteld naar mededeelingen van verschillende personen op Seran, die uit den aard der zaak toch zeker niet altijd bevoegd waren tot scherp oordeelen en waarnemen, noodzakelijkerwijze veelvuldige onjuistheden en soms volkomen onwaarheden zal bevatten.
De heer Boot geeft op blz. 1186 T. A. G. een aantal woorden in verschillende dialecten. Alleen moet ik hierbij aanteekenen, dat het geen zin heeft van een behasa Patasiwa of Patalima te spreken, daar op West-Seran het door hem vermelde dialect niet kan worden gebezigd, evenmin als op de Zuidkust het door hem bedoelde dialect voor de Patalima aldaar geldt. Daar waar het dus geen algemeene karaktereigenschappen of zeden der Alifoeroe betreft, behoort steeds te worden aangegeven, waar ter plaatse men het vermelde waarnam.
Behalve de indeeling in Patasiwa en Patalima worden nog de Hoaoeloe-Alfoeren onder den verzamelnaam van Makoeala, die van het achterland van Soekaradja (Wahaï) Malowan, die van het achterland van Nakaela, Makahala-Alfoeren genoemd. Zoo heeten de bewoners van de omstreken van Sollok (achter Wahaï) de Wae Ramastammen, die, welke om Makoeala Inan aan den bovenloop van de Isal wonen, de Hatoe Olo-Alfoeren, wier hoofd gevestigd is te Ajerbesar.
Sterkte der bevolking. Deze is nog altijd niet nauwkeurig op te geven, ten eerste, omdat de door de posthouders gehouden tellingen, niet met de noodige nauwkeurigheid geschiedden en veelal afgingen op opgaven van de hoofden, die zelden in staat zijn, groote getallen te tellen;
ten tweede, omdat in de bergnegorijen de bevolking uit vreesachtigheid dikwijls het zielenaantal verbergt, of wel uit eene neiging tot grootspraak, die bij de Alfoeren wordt aangetroffen, het aantal stamgenooten overdreven groot opgeeft en
ten derde, omdat nog zeer vele negorijen niet eens bekend zijn of ooit bezocht werden.
Zoo schatte Van der Crab het aantal bewoners op 78.214 zielen; Van Hoëvell, die zoo goed mogelijk zijne cijfers verzamelde, doch geen persoonlijke telling hield, kwam tot een totaal van 63.487; Bleeker schatte het zielenaantal op 150.000; Riedel daarentegen op slechts 40.000, terwijl Van Eck 39.955 zielen, alleen aan kustbewoners opgeeft en Ribbe het aantal inwoners zelfs op 350.000 begroot. In 1902 werd voor het eerst de bevolking van Wahaï, in 1904 die van West Seran zooveel mogelijk bepaald geteld, waarbij wij tot resp. ± 11.000 en ± 17.000 zielen kwamen; rekent men voor de afdeelingen Amahei en Waroe ongeveer gelijke getallen, dan zal de opgave van Van Hoëvell het dichtst bij de waarheid komen.
De telling geschiedt aldus: De Alfoerenstammen zijn ingedeeld in families of soa, die eenzelfden geslachtsnaam dragen en waarvan een man bij keuze wordt aangesteld tot Kapala soa. Deze man kent al zijne familieleden bij name en nu legt hij voor ieder door hem getelde persoon een stokje neder, verschillend in grootte voor man, vrouw, knaap of meisje. Het tellen van de aldus verzamelde bosjes stokjes, geeft vrij nauwkeurig het zielenaantal der beide seksen aan.
Huizen. De huizen der heiden-Alfoeren zijn alle paalwoningen en onderscheiden zich daardoor van die hunner Mohammedaansche en Christenrasgenooten, die het aardoppervlak tot vloer bezigen.
Het algemeene type dezer laatste woningen is een vierkant gebouw met een smalle open voorgalerij. Het dak is viervlakkig en heeft openingen in de hoeken tot doorlating van den rook. De meer vooruitstrevenden echter bouwen achter tegen het huis een kleiner optrekje, dat als keuken dienst doet. Aan ventilatie en raamopeningen wordt geen zorg besteed. Het raam bestaat dikwijls in 't geheel niet of is een klein vierkant gat in den wand. De stijlen van het huis zijn uit het woud gekapte rondhouten, de omwanding van gabba2 (nerven van de arèn- en de niboengpalm, die van de bladeren ontdaan, naast elkander gesteld en door middel van bamboepennen verbonden worden). Slechts zeer zelden treft men eenige versiering aan. Alleen het huis van den Regent of van een Kapala soa wordt soms hechter gebouwd en meer op Europeesche wijze in elkander gezet van geschaafde balken en stijlen met een planken omwanding, terwijl de vloer wordt opgehoogd en omgeven door een gemetseld walletje. Het is nog niet lang geleden, dat het verbod heerschte op West-Seran, om eenig metselwerk aan zijn huis te bezitten, daar dit alleen voorbehouden was aan het kakihanhuis (zie daar).