Het eiland Seran en zijne bewoners
Part 2
De heer Gijsels, toenmalige gouverneur, trok er daarom zelf op los met eene vloot van 15 corra2, 300 soldaten en 800 inlanders, om de sluikers te vangen. Hij vond den 31en Augustus op Kellang 7 jonken van Javanen en Makassaren en te Asaoedi 2 andere vaartuigen, die verbrand werden. De Javanen, wel 300 man sterk en waarvan 100 met snaphanen bewapend, werden uit hunne stellingen gejaagd en hunne schepen verbrand. In Januari verscheen Adriaan Antoniszoon met 5 jachtjes, die wederom 7 schuiten vernielde en de dorpen Masawoi en Kellang verwoestte. In April volgde de heer Gijsels met de hongi, die al de overige vaartuigen bij Erang in den grond boorde en ongeveer 5000 nagelboomen, 100 notenmuscaatboomen en 500 klapperboomen omkapte. Daarna trok hij naar Seran laoet, alwaar hij vond dat men zich duchtig versterkt had in eene steenen versterking van 10 voet dik en 10 voet hoog, en ofschoon men in het begin 50 koppen en 245 gevangenen buitmaakte, zoo moesten wij ten slotte nog met 4 dooden en 136 gekwetsten wijken. Den volgenden dag maakten wij ons gereed om den vijand opnieuw aan te tasten, toen deze verzocht om accoord te maken tegen betaling van 50 tapil Seransch goud en 200 slaven.
Onderwijl had de Kimelaha ongeveer 60 menschen, waaronder 8 Hollanders, te Asiloeloe gedood en had ook Leliato met 10 corra2 een aanval op Alang gedaan, terwijl berichten kwamen dat weer ongeveer 20 vreemde vaartuigen voor Manipa, Kellang en Boano waren gekomen, doch het was niet meer mogelijk daarop af te gaan, omdat de Amboineezen zeer afgemat waren en vele ziekten onder de soldaten heerschten. Eerst in 1633 trok de heer Gijsels weer naar Kaibobo, dat men vermoedde te heulen met den Kimelaha en waarvan men al de prauwen verbrandde of indeelde bij de vloot. Daarna kreeg Piroe een beurt, dat geheel verbrand werd en waarvan zooveel mogelijk nagelboomen vernield werden, en terugkeerende van Kaibobo werd, toen de gevluchte bevolking niet wilde terugkeeren, ook dit schoone groote dorp geheel in de asch gelegd. Daarop vertrok de heer Gijsels naar Manipa, veroverde voor Tonoewaroe een vreemde jonk met krijgsvoorraad en zeilde toen naar Loehoe, alwaar hij de bezetting deed verhuizen naar eene nieuw door hem gebouwde sterkte die hij den naam gaf van fort Bullebak.
Eindelijk op den 3en Mei 1638 verscheen Koning Hamza van Ternate zelf voor Kambélo, alwaar de gouverneur der Molukken de heer Van Diemen, hem ontmoette. Zijne Edelheid vereerde aan Zijne Hoogheid een groote gouden keten en een staafje goud, bij zijne eerste aanspraak. Daar was een algemeene vreugde over de zamenkomst van deze twee groote mannen, en men hoopte alom nu wel haast een spoedig einde van alle de geschillen, onrust en ongevallen te zien. De landvoogd verzocht hem reeds dadelijk af te rekenen met de vreemde jonken, die nog steeds voor Lessidi en Kambélo lagen, doch de koning draaide hier zeer omheen zoodat de gouverneur ze stil door zyn krygsvolk ('t geen wel 60 Coracoras, jonken of kleine vaartuigen vernielde), deed bespringen.
Dat de rol van den koning dubbelzinnig was bleek wel uit het feit, dat toen Zijn Edelheid de gouverneur hem verzocht de twee Kimelaha's, Leliato en Loehoe, die de hoofdoorzaak van alle troebelen waren, vast te zetten, dit aanvankelijk wel gedaan werd, doch niet lang daarna de Kimelaha Loehoe, zonder eenige reden weder door den koning werd vrijgelaten. De beide machthebbenden trokken naar Hila, ter verdere besprekingen. Alhier werd hij "heerlyk, zoo door de onzen, als door de Hitoësen ingehaalt, en met zooveel geschenken van gongen, petolen, kleeden, kleene stukken, visschen, vrugten enz. beschonken, dat de Hitoësen de kosten daaraan gedaan, in geen 30 jaren hebben konnen te boven komen." Men kwam den 9en Juni eerst bijeen, bij welke eerste vergadering de Ternatanen "met zulk een geweld en menigte in onze Logie drongen, dat zy op verscheide plaatzen de houte pagar doorbraken, waar over zyn Edelheid die Ternataansche Heeren niet weinig beschrobde, toonende hen dat zy met eene vesting (!) van de E. compagnie zoo niet moesten handelen."
Met dat al toonden de Ternatanen niet al te veel ontzag te hebben voor de Edele compagnie! Maar ten slotte werd er maar weer een verdrag opgesteld, gedateerd 20 Juni Aº 1638. De Kimelaha Leliato werd onthoofd, doch de Kimelaha Loehoe, dien de vorst had vrijgelaten, versterkte zich vrij spoedig in zijn stellingen te Kambélo en liet den vorst weten, dat hij liever niets meer met hem te maken wilde hebben, vreezende hetzelfde lot te zullen ondergaan als Leliato. Koning Hamza, die op zijn terugreis de alfoersche negorijen in de Piroebaai bezocht, legde daaraan zulke hooge schattingen op, dat de bevolkingen misnoegd het gebergte invluchtten, en maakte aldus dat ondanks het pas gesloten verdrag, de toestand even slecht, zoo niet slechter werd dan te voren. Naar Manipa zeilende, werd hij daar zoo goed onthaald, dat hij, daardoor gevleid, de lieden van Manipa voor vrijen verklaarde en hun een eigen Sengadji gaf, hiermede de verwikkelingen nog grooter makende. Wel klaagde de vorst aan den heer Ottens (gouverneur) zijn nood over den Kimelaha Loehoe, doch toen deze hem den raad gaf om dan maar dadelijk dien afvallige aan te grijpen, verkoos hij liever naar Ternate terug te keeren, aan ons overlatende, de zaken weer in orde te brengen. Waarlijk, wij zijn wat betreft het onhandig omspringen en schipperen met inlandsche hoofden, bij niemand vreemd in de leer gegaan.
In 1639 deed de Kimelaha Loehoe weder een inval met 14 corra2 bij Lahoe, begon Asaoedi te versterken en liet te Lessidi een 14tal koppen snellen, waarop door ons eene steenen versterking te Lessidi gebouwd werd. Deze vesting werd door hem vrij spoedig belegerd, doch hij moest aftrekken met 30 dooden.
De landvoogd ondernam een hongitocht naar Asaoedi, dat vermeesterd en vernield werd, waarbij hij 3 corra2 en wel 50 kleinere vaartuigen als buit bekwam. Te Asaoedi werd eene houten barricade met kleine bezetting gelegd. In Maart viel de Kimelaha bijna in onze handen; hij was op weg naar Amboina met handelsjonken, toen 2 onzer jachten hem overvielen en 4 zijner schepen in den grond boorden. De Kimelaha ontsnapte ternauwernood. Hiermede taande zijn roem, waartoe de aanwezigheid der versterkingen op Hoeamoal niet weinig bijdroeg. Ten langen laatste bood hij zijne onderwerping aan te Kambélo, werd in genade aangenomen en ten slotte bij zijn vertrek nog met musketschoten vereerd! In 1642, toen de nieuwe gouverneur, de heer Demmer, naar Kambélo vertrok om aldaar een deugdelijk reduit op te richten, leende de Kimelaha nederig de hand hiertoe. Omstreeks dien tijd werd ook te Manipa eene nieuwe vesting gebouwd en de onderkoopman Johan Comans aldaar gevestigd om er de nagels in ontvangst te nemen. In 1646 werd het fort te Kambélo nog beter versterkt en van geschut voorzien, terwijl het den naam Hardenberg ontving. Te Kaibobo, waar niet minder dan 12 Orang kaja's heerschten, en waardoor natuurlijk voortdurende oneenigheid ontstond, bracht hij orde, door dit getal met goedvinden der bevolking terug te brengen op twee. En zoo was er werkelijk eenige jaren een tijdperk van rust ingetreden op Seran en hadden de de onzen slechts onderlinge geschillen te beslechten.
Maar lang duurde dit vredestijdperk niet. Den 13en Maart 1647 deed de heer Arnold de Vlaming van Outshoorn zijn intrede in de Molukken en heeft zijn naam zoodanig met het zwaard in de geschiedboeken geschreven, dat die tot op den huidigen dag bij de inboorlingen bekend is gebleven. Doch hoewel deze landvoogd dikwijls wreed en onnoodig streng is opgetreden, zoo moet men hem toch de eer geven, dat zijn bestuur de Oeliassers werkelijk in ontwikkeling vooruitbracht en hij veel had goed te maken, wat door lauwheid of onhandigheid van zijn voorgangers bedorven was. Op Hoeamoal was langzamerhand een zekere Madjira de opvolger van Kimelaha Loehoe het hoofd gaan opsteken en had getracht zich overal invloed te verwerven, hetgeen bij een half wild volk, altijd belust op onrust en gevecht, vrij gemakkelijk viel. Zoo wist hij eene samenzwering op touw te zetten om ongeveer gelijktijdig de verschillende vestingen der Hollanders af te loopen en dit gelukte hem maar al te goed.
Den 10en Maart 1651 vielen de lieden van Kambélo onze bezetting aan en vermoordden die geheel, op één man na, die zich had overgegeven en de muiters van kruit had voorzien. Op hetzelfde uur geschiedde de overval te Lessidi, doch aldaar wist de luitenant van Outshoorn zich in de reduit Hardenberg staande te houden. Deze officier was toevallig op weg geweest naar Kambélo en zag toen dat alles reeds vermoord was en de stukken op hem gericht werden, waarop hij terugroeide naar Lessidi en aldaar den vijand, die zich reeds van het reduit had meester gemaakt, er weer uitjoeg. Gelukkig voor hem, deinsde nu Madjira terug voor de gevolgen van zijne daad en nam de vlucht naar Lokki. Ook schijnt het dat hij, geholpen door den Ambonees Jan Pays, afgesproken had om het kasteel te Amboina eveneens te overvallen, een voornemen dat verijdeld werd.
Maar wel gelukte de aanslag op de Christenen van Kaibobo, die naar de bergen gejaagd werden, evenals de moorden op Noesa Telo, Klein Hatoeaha, Assaoedi, Boano, Amblauw en Manipa gepleegd. Te Amblauw werd onze bezetting, van een sergeant en 4 man, verraderlijk afgemaakt en de vrouw van den sergeant Laurens Sipkes, Senhora Catherina, gevankelijk naar Boeroe gevoerd, nadat ook hare drie kinderen om het leven waren gebracht.
Te Manipa werd evenzoo, onder een verraderlijk voorwendsel, de reduit binnengedrongen en de bezetting vermoord. De vrouw van den onderkoopman Coman, die zich nog eenigen tijd met een halve piek verweerde, werd onder gruwelijke mishandelingen ter dood gebracht, haar beide dochtertjes gevankelijk weggevoerd. Alvorens de overval op Kambélo plaatsgreep, had men onder een listig voorwendsel den luitenant Rimbach met eenige manschappen naar Erang weten te lokken. Toen hij daar aankwam, werd hij ook aanstonds overvallen en met de zijnen afgemaakt, evenals een korporaal en 8 man, die te Erang bezig waren met balken te kappen.
Te Loehoe alleen had men zich staande weten te houden, doch verkeerde de bezetting in benarde omstandigheden, daar de vijand de drinkwaterleiding had afgeleid en de bevelhebber, de vaandrig Helwig zeer terneergeslagen was. Geheel onverwacht kwam de heer De Vlaming uit Ternate voor Loehoe aan, plaatste aldaar den luitenant Outhoorn en begon aanstonds aan het werk der wrake. Hij had hiermede te meer vrije hand, daar als gouverneur werd aangesteld de heer Verbeek, terwijl hij zelf benoemd werd tot super intendent of veldheer en zeevoogd, met het volkomen oppergezag over de drie "oostersche landvoogdijen".
Den 14en Mei 1651 verscheen uit Ternate een nieuw stedehouder ter vervanging van Madjira, doch nu zag men eindelijk in, dat men met de stedehouders niets opschoot en besloot men geen nieuwe meer aan te stellen.
Den 10en July vertrok De Vlaming met 5 schepen en 350 man naar Manipa "het schendigste moordnest" en verwoestte hier zoodanig den omtrek "dat 't niet meer hetzelfde geleek." Hij liet daar kapitein Verheyden met 3 kompagnieën achter "om het land verder te bederven". Deze voldeed grondig aan dien last, (men bedenke dat de huisvrouw van Coman, zijne zuster was!) en stevende daarna naar Amblauw, om ook dáár de negorijen in de asch te leggen. Nog werd Kajéli op Boeroe eveneens door hem verbrand en den 19en Augustus sloeg hij met de geheele krijgsmacht het beleg voor Kambélo, ook hier den omtrek zooveel mogelijk verwoestende. De heer De Vlaming was ondertusschen voor zaken naar Banda getogen, van welke gelegenheid Madjira gebruik maakte om overal waar hij kon, rooftochten te houden.
Even vóór de terugkomst van den heer De Vlaming, die ten einde voorstellen te doen omtrent den nagelhandel, eerst nog naar Batavia was geweest, begon de strafoefening opnieuw. Piroe en Tanoenoe werden geheel afgeloopen en daarna de pas van Tanoenoe bezet; aan de Noordkust hiervan vielen ons 10 vijandelijke corra2 in de hand en lieten wij 5 vijanden snellen. Daarna werden de dorpen Lisiëla, Bora en Hoelong verwoest. Dit alles geschiedde nog onder bevel van den heer Verbeek, die daarmede Madjira toonen wilde dat ook zonder hulp van den heer De Vlaming, die in aantocht was, de compagnie nog altijd sterk genoeg was. Toen deze ter plaatse kwam zette hij het vernielingswerk voort met de verwoesting van Kaibobo en omstreken, nadat hij de kust van Boeroe van af Tomahoe tot Wainitoe had doen in brand steken, wijl de Boeroeneezen verklaard hadden, alleen naar Madjira te willen luisteren en een onderkoopman benevens een soldaat en matroos hadden vermoord. Voor Lokki, de hoofdversterking van den opstandeling Madjira, werd voorloopig de luitenant Laurens Keller met eene bezetting van 300 man gelegd, in eene versterking "de Dwingeland" gedoopt en onderwijl toog De Vlaming naar Boano, alwaar het dorp Serohi (sedert verdwenen) werd afgeloopen en talrijke vaartuigen werden vernield.
Merkwaardiger wijze gelukte het de vrouw Catherina, van den op Amblauw vermoordden sergeant Sipkens, die anderhalf jaar op Boeroe gevangen had gezeten, na een verschrikkelijken tocht door moerassen en mangi mangi-bosschen, aan de kust te Kajéli te komen, waar zij vernomen had, dat een Hollandsch Jacht op wacht lag. Zij werd gelukkig door de onzen opgemerkt en gered en kon den heer De Vlaming verhalen hoe of de moord op Amblauw geschied was, waarbij de medeplichtigheid van den bovengenoemden Jan Pays te Ambon aan de algemeene samenzwering aan het licht kwam. Deze verloor dan ook het leven door den scherprechter.
De laatste stelling Lokki, van Madjira, werd nu stormenderhand met zeer veel moeite genomen. Zij bestond uit 7 versterkingen boven elkander en De Vlaming zelf, ofschoon pas van eene ziekte hersteld, zoodat hij op een stok moest leunen, voerde den overval, die des nachts om twee uren ondernomen werd, aan, met het gevolg dat de sterkten wel vermeesterd werden, doch Madjira ontsnapte. De troep bleef er 3 weken, die door werden gebracht met het vernielen der aanwezige nagelboomen. Madjira verzamelde zijn verstrooide troepen weer te Erang, doch De Vlaming verdreef hem ook van daar en toen hij de wijk nam naar den heuvel van Tapinalo, werd deze stelling, uit 8 boven elkander gelegen borstweringen bestaande, eveneens genomen, zij het dan ook na een oogenblik van tegenslag. Hierop ontvluchtte Madjira naar Kellang, van waar hij zich in verbinding stelde met den vorst van Makassar, om hulp te verkrijgen, die wel in naam, doch niet inderdaad verleend werd. De pas van Tanoenoe bleef door De Vlaming bezet, de vesting Dwingeland werd, doelloos geworden zijnde weder afgebroken. "Hy liet ook de moordenaars van Waypoeteh en Liëla die veel Nederlands bloed vergoten hadden, den 26en Augusti op Hila straffen, waar 4 Hoofd Orang Kaja's van 't eerste dorp (na 't uitsnyden van de meineedige tongen aan drie derzelve) gerabraakt en een de hand afgekapt wierden.
"Drie wierden er geworgd en op 't rad gelegt en 15 gevleugeld in 't water van 't jagt de Leeuwerik afgeworpen, en door ons volk daar doodgeslagen, hoedanig zij ook met de onzen gehandeld hadden. Een Orang Kaja wierd gegeeseld en ettelyken raakten voor hun leven in de keten. Zekere moorsche paap van Lebelehoe, op de Reduit vast zittende, sprong van boven neder om 't verder te ontvluchten, doch de heer de Vlaming liet dezen verrader, die door deze sprong zyn been gebroken had, weer boven brengen en die sprong nog eens doen, waaraan hy dood bleef."
Het is te begrijpen dat door deze geweldige strafoefeningen, waarbij Hoeamoal ten halve ontvolkt was geworden, de schrik er in kwam. De legende spreekt van 99 dorpen die op Hoeamoal lagen, en op den huidigen dag duiden alleen enkele plaatsnamen nog het bestaan van vroegere negorijen aan. In het oude lied van Patinama heet het dan ook: "Verlaten lag toen Sial en het sprak, maak u op ter lijkvaart!" Het sterk geachte Ihamahoe, dat nog steeds in verzet was gebleven, gaf zich thans ook zonder strijd over, hun voornaamste raddraaiers en hunne geweren uitleverende.
Nog moesten Madjira's volgelingen van Manipa en Kellang verdreven worden. Toevallig ontdekte de lieutenant Frans Male het toevluchtsoord der opstandelingen op den Heliebesar op Manipa, een nauwelijks toegankelijk roofnest. Op 5 December 1652 trok De Vlaming met 150 soldaten en 166 Loehoeneezen daarop af en wanhoopte er reeds bijna aan die sterkte, van waaruit de vijand hem met scheldwoorden tergde, te vermeesteren, toen het den wakkeren luitenants Keller en Male, die zich "op den nagt in de ruigte verborgen" gelukte er binnen te dringen. "Zy sloegen den vijand er hol over bol uit, zoo dat zy van boven neder, de steilte af na beneden sprongen, daar zy regt in de handen van Frans Male vielen en weer op nieuw klop kregen".
Nadat deze versterking genomen was werden de vluchtelingen zoo achtervolgd, dat zij zich den 27en December op genade of ongenade overgaven. Hun werd genade geschonken op voorwaarde dat zij al hunne nagelboomen zouden omkappen. De heer De Vlaming vond niet goed om thans iemand te straffen, "hy moest tot een beter tyd nog veinzen, alzoo hy by de overkomst van 't Macassars ontzet, vrienden, en geen vyanden van noode had." Het was nl. Madjira, die zich in de gebergten van Kellang, zooals bleek had schuil gehouden, gelukt om te ontsnappen en zich naar Makassar te begeven, alwaar hij den koning had overgehaald, hem met troepen te steunen.
De Vlaming richtte zich nu tegen den Sengadji van Boano, die reeds lang een tuchtiging had verdiend. Door middel van een spion, wist men na drie vergeefsche pogingen, des nachts voor den steilen berg te komen, waarop de Sengadji zich versterkt had. De heer De Vlaming, die zelf mede was gegaan, bevond zich hier in groot gevaar, omdat hij aan den voet der versterking komende zag, dat slechts 28 man hem gevolgd waren, de overigen waren òf verdwaald òf door het zeer slijkerige voetpad opgehouden. Niettemin had zijn wakker optreden het gevolg dat velen des vijands zich overgaven, al viel de Sengadji hem ook niet in handen. Men vestigde de goedgezinden in een dorp aan de kust, doch het duurde niet lang, of de Sengadji had het door ons aangestelde hoofd doen vergiftigen en de bevolking weer tot zich getrokken. Hij werd daarop opnieuw belegerd door den majoor Verheiden. De drinkwatertoevoer werd afgesneden en twee fortjes "Halstoe" en "Dorstenburg" genaamd, gebouwd op de wegen die toegang gaven tot 's vijands versterking, doch desondanks wist hij in Januari 1653 te ontsnappen, tevens het eiland verlatende.
Onderwijl waren werkelijk de Makassaren met eene vloot overgekomen en hadden zich ter dege verschanst te Asaoedi, eene plaats die door het aanwezig zijn van zeer steile heuvels met aan de zeezijde loodrechte wanden, zich daar goed toe leent. De Vlaming trachtte eerst de vloot der Makassaren te beletten aan wal te komen, doch door tegenwind gelukte het hem slechts 2 vaartuigen daarvan te vermeesteren, waarop hij den 1en April zijn geschut liet spelen op de versterkingen. Twee werkjes, de Macasaarsche Bril en Voorburg, werden aan het riviertje Asaoedi gebouwd om te beletten, dat meer schepen binnen zouden loopen en daar zaken den heer De Vlaming naar Amboina riepen, werd voorloopig met een beleg volstaan. Toen hij terugkwam in het laatst van Mei, zag hij tot zijne groote verbazing dat majoor Verheiden "buiten last en op een zeer slegt voorgeven van een pas tot hun vertrek te willen verzoeken, met de Macassaren stilstand van wapenen, tot groot nadeel voor ons gemaakt had, in welken tyd van omtrent 3 weken zy zich van alles redelyk wel voorzien hadden."
De Vlaming bood den vijand vrijen aftocht, indien zij hem Madjira en eenige andere muiters wilden overleveren, doch moest toen vernemen, dat deze zich niet bij de Makassaren bevond en dat zij zich ook niet wilden overgeven, waarop de bloedvlag weer geheschen werd. De Vlaming, zich voornamelijk van Madjira willende meester maken, ging hem met eenige schepen opzoeken, voer Boeroe en de Xoela eilanden om, overal negorijen verbrandend en kruidnagelbosschen vernielend, om ten slotte naar Ternate te zeilen. Aldaar verklaarde hij den koning van Tidore den oorlog, wijl deze de Ambonsche en Ternataansche muitelingen steeds steunde.
Den Portugeezen werd verzocht zich hiermede niet te bemoeien. Op dezen tocht leed De Vlaming met de zijnen dikwijls groot gebrek, zelfs honger, daar er aan de kusten der Moluksche eilanden weinig voedsel te halen viel. Toen de veldheer vernam, dat Madjira met 3 corra2 en twee tjampans naar Ambon was overgestoken, ging hij weer terug naar Asaoedi, alwaar hij tot zijne groote vreugde het jacht Leeuwerik met 120 soldaten en eenig rundvee vond, die door den kapitein-luitenant Van Outhoorn uit Banda waren aangevoerd. De Makassaren konden zich blijven staande houden, waarop De Vlaming besloot nogmaals naar Batavia te zeilen om meer hulptroepen te halen, nadat hij gelast had om de bezetting te Manipa in de houten vesting Wantrouw te legeren en acht te geven op Madjira, die voornemens moest zijn zich daar "neer te slaan". Dadelijk na zijn vertrek, waagden een 400tal Makassaren met 5 jonken een uitval en het gelukte de onzen, met een verlies van 8 dooden en 11 gewonden niet, hun te beletten door te breken. Door een gevangene vernamen wij dat nog 300 Makassaren en 250 Maleiers onder Daeng Bolecan te Asaoedi achtergebleven waren. Tezelfder tijd rukte ook de heer Cos van Amboina uit, met een hongi van 40 corra2, die nadat zij het eiland Kellang had aangevallen en verwoest, voor Asaoedi aankwam, alwaar 10 corra2 ter versterking van Verheiden werden achtergelaten, terwijl de rest doorging om Misool, Salawatti en Hatoé op Seran te gaan tuchtigen.
De toestand zag er echter niet rooskleurig uit, daar een tweede Makassaarsche vloot op Seran verwacht werd. Spoedig vernam men dan ook dat 38 Makassaarsche schepen den 25en Februari Boeroe hadden aangedaan, terwijl den 3en Maart 17 andere voor Toniwara op Manipa verschenen. Als veiligheidsmaatregel, dat de bevolking daarvan niet zoude overloopen had De Vlaming van elke Orangkaja aldaar, een zoon op het schip de Leeuwaarden in gijzeling genomen, terwijl de door ons aangestelde Sengadji in het fort Wantrouw moest wonen. Verder bleef onze vloot voor het Nassauwsche gat liggen om de schepen voor Manipa te beletten naar Asaoedi te komen.
Madjira nam zich voor Loehoe te nemen, alwaar de Orangkaja Cramer verdacht werd met hem te heulen en den 27en Maart deed hij dan ook met bedoelden Orangkaja, met ongeveer 1000 man, een verwoeden aanval op ons fort Bullebak, doch werd flink afgeslagen, waarna hij wegtrok. De Vlaming liet toen de trouwe Loehoeneezen bij elkander wonen om meer bestand te zijn tegen dergelijke invallen, doch het volk van Kaibobo, dat hij daarheen had geplaatst na de tuchtiging hunne negorij toegebracht, werd nu gelast op Haroekoe te gaan wonen, alwaar zij gedurende 22 jaren bleven. De landvoogd Willem Verbeek, die door al die onlusten geen lust meer had om hier langer te blijven, gaf nu zijn ambt aan den heer De Vlaming over, die aldus den vijftienden Ambonschen landvoogd werd.