Het eiland Seran en zijne bewoners
Part 3
De Makassaren, die gezien hadden welk een schoon land Hoeamoal was, zetten zich onderwijl neder op Laäla en bouwden daar eene groote sterke vesting, alsmede eene aan de rivier Kahoela. Om daartegen te ageeren liet De Vlaming in twee weken tijds eene rij van 18 sterkten op de landengte van Tanoenoe leggen. Toen de heer Cos met zijne hongi terugkeerde en men dus meer krijgsvolk beschikbaar kreeg, tastte majoor Verheiden [5] den 29en Juli de sterkte bij Kahoela aan, die hij met verlies van 14 dooden en 60 gewonden nam, terwijl hij zelf ook gewond werd. De vijand had een verlies van 130 dooden. Den 31en Augustus 1654 werden 45 corra2 op Toeniwara verzameld, waarbij zich 8 schepen en 10 sloepen voegden en den 6en September daarop viel men de sterkten van Asaoedi aan. Doch daar de zaak niet voorspoedig ging, verliet de heer De Vlaming met stillen trom het tooneel van den strijd om een diversie naar Laäla "de broodkamer" van den Makassaar te doen. Juist kwam koning Mandar Sjah uit Ternate met 4 corra2 en 800 man hulptroepen, die voor Asaoedi gelegerd bleven. Na een beleg van 5 dagen werd Laäla bestormd en na een zeer verwoed gevecht vermeesterd. De vijand begeerde geen kwartier en geen wonder, "alzoo zy gezien hadden, dat zekere troep Amboineesen, met een wit vaandel by den lieutenant Keller gekomen en voor eerst aangenomen, op last van den Veldheer dood geslagen was, en dat om hen te leeren, dat men met de zoo dikwils te vergeefs van ons aangeboden genade niet spotten, nog zich inbeelden moest, dat wy altyd als 't hen in 't hoofd schoot die te verzoeken, klaar moesten staan om die te geven." Men begrijpt dat de strijd dus op leven en dood ging en zoo sneuvelden van den Makassaar 700 man, terwijl 400 werden gevangen genomen, die De Vlaming als slaven aan zijn troep gaf "dat ons volk grooten moed gaf, behalven dat er de Amboineesen nog veele, buiten ons weten, op de Coracora's geborgen hadden."
Verder veroverden wij nog 3 ijzeren stukken, 4 metalen bassen en 20 musketten, terwijl onder de dooden de "vuile Simatau", Orangkaja van Anin nevens andere hoofden waren. Na deze overwinning zeilde De Vlaming met den koning van Ternate naar Boeton, om den vorst aldaar, die in al deze verwikkelingen hulp aan de opstandelingen had verleend, eens op zijn plaats te zetten en daarna vertrok De Vlaming weder naar Batavia. Bij zijne terugkomst te Boeton bevond hij dat de koning van Ternate zeer onoordeelkundig te werk was gegaan bij het aanstellen van een nieuwen vorst, die door de Boetonners vermoord werd. Na alhier orde te hebben gesteld op de zaken en een paar wederspannige negorijen te hebben vernield, liet De Vlaming den commandeur Roos achter, terwijl aan den mond der Boeton-rivier twee forten "Kikt niet" en "Houdt den Bek" werden gebouwd. De Vlaming kwam den 22en Februari 1655 weer te Amboina. Zijn eerste werk was nu Asaoedi te bezetten en den 24en Mei verscheen hij aldaar, den vijand uitdagende, doch niemand verscheen en het bleef alstoen nog bij eenige schermutselingen. Doch den 22en Juli liet hij zijne geheele vloot voor Asaoedi komen, hield den 28en een algemeenen biddag en tastte den 29en de sterkten aan. De welbekende luitenant Frans Male beklom des nachts met zijne getrouwen de rotsen en bereikte des ochtends ten 5 uren een hoogte, grooter dan die waarop de versterkingen lagen. "Toen blies de trompetter, die by den vaandrig Buitendyk stond het Wilhelmus van Nassouwen, waarop het alles van binnen in schrik en alarm geraakte en door 't kanon op de schepen het zein tot den storm gegeven zynde is men den 29 Juli met het aanbreken van den dag op de vesting aangevallen. De Veldheer zelf met de middel troep, door van Outshoorn geleid, trad aan land, deed op zijn knien een yverig gebed en sprak toen zyn volk een wakkeren moed in." De vijand volkomen verrast, verdedigde zich niet lang doch vluchtte het gebergte in. Wij hadden slechts 2 dooden te betreuren, doch helaas ook het verlies van den wakkeren Frans Male. De buit bestond in 20 metalen bassen en falconnetten, doch grooter voordeel was dat de lieden van Boano zich thans allen overgaven en in genade werden aangenomen.
Men vervolgde den vijand naar den berg Kahili, alwaar hij door de onzen, geleid door den orangkaja van Hoelong, volkomen verrast werd en een voornaam hoofd, de kapitein laoet Kaitjili Shaidi met vrouw en zoon in onze handen viel. Een onzer gidsen een moorschen priester "vatte hem zoo als hy den dans meende te ontspringen, zelf by de krop, dog alzoo Schaydi een gezet en sterk man was, had de eene schelm den andere byna gemold zoo niet een van onze soldaaten hem een houw in 't linker been toegebragt had." Twintig Makassaren lieten bij dezen overval het leven, terwijl er nog eenigen in de vlucht "gesalveerd" werden en 44 vaandels in onze handen vielen. Deze overwinningen maakten zulken indruk op de Kellangers, dat zij zich onderwierpen en het hoofd van Madjira's halve broeder Kimelaha Dagga, in een korfje, den opperbevelhebber aanboden.
Den 11en Augustus braken de Makassaren, door nalatigheid van een vaandrig op de vesting Zeeburg, van de afsluitingslinie van Tanoenoe, daar doorheen, doch den 24sten Augustus werden deze vijanden bij Hatoe patola, bijna allen gedood door den vaandrig Willem van Mamalo, geholpen door de Alfoeren. Daar lieten ook Daeng Bolecan en 2 van Madjira's vrouwen het leven.
Madjira had zich naar Boeroe begeven en De Vlaming liet hem het ontsnappen beletten, door de versterking bij Kajéli te bezetten met 46 man. Zware touwen werden over de rivier gespannen en 2 sloepen en een jacht bleven aldaar gestationeerd.
Het was het doel van De Vlaming om Hoamoal woest te houden, daarom plaatste hij de nog aanwezige stammen over naar de andere eilanden. Hij meende dat "zy op hun land blyvende weer zekerlyk nagelboomen aanplanten, vreemdelingen aanhalen en dus weer aanleiding tot nieuwe oorlogen geven zouden; om 't welk vlak af te snyden hy niet begeerde dat eenig volk op Hoewamohel blyven wonen, maar dat zich de Orang Kaya's met de Alfoerese Heidenen aan 't Kasteel met der woon begeven, en de gemeene man zich op Hitoe's kust verdeelen zou, waar zij eveneens als alle andre vrienden der E. maatschappy zouden werden gehandeld." Toen Ambonsche hoofden die het natuurlijk niet aangenaam vonden dit vreemde volk te moeten opnemen, hem de mogelijkheid voorhielden dat die stammen wel eens weer terug zouden kunnen gaan naar Hoeamoal (zij zouden waarschijnlijk wel een handje hiertoe helpen) "vond De Vlaming, zich aan geen klein gerugtje meer kreunende goed, 'er met ruwe schoenen door te stappen, en aan die van Hoewamohel te laten weten, dat, zoo imand hier tegen kikken dorst, hij die als een muiter en oproerigen aanstonds den kop doen afslaan of zoodanig straffen zou, dat 'er een ander zich aan kon spiegelen."
En aldus is geschied en gebleven tot op den huidigen dag. Eerst in het begin van 1800 zijn de negorijen Loehoe, Iha en Koelor op hunne tegenwoordige plaats teruggekeerd en nog veel later werd Lokki weer bevolkt, de negorij Lisiëla, bevindt zich thans op de Noordkust in de afdeeling Wahaï; de dorpen Asaoedi, Masawoi, Kellang en Boano Hatoe Poetih, zijn nog thans op Manipa gevestigd. Al de overige bestaan hebbende stammen zijn uitgeroeid en van de kaart verdwenen [6].
In 1660 braken eenige onlusten, aangestookt door de lieden van Seran Laoet op Oost Seran uit, doch een hongitocht, onder kapitein Paulus Visscher met 32 corra2, hield den 30sten October eene duchtige opruiming onder de afvallige dorpen, zoodat de vrede den 10en Februari 1661 weder geteekend was. In het vredesverdrag kwam onder meer art. 16 voor, luidende:
"Tot erkentenis zullen de Orang Kajen in dezen gemeld jegenwoordig aan de E. compagnie uitkeeren vyfentwintig kloeke slaven, ende alle jaaren in de maand April 30000 Atappen aan 't Fort tot Goeli Goeli leveren, waarvan zy luiden de repartitie onder malkanderen zullen mogen maken." De inboorlingen konden hieruit wederom zien dat het met de E. compagnie kwaad kersen eten was.
Met het vertrek van den heer De Vlaming den 24sten Mei 1656, viel er behalve bovenvermelde onlusten op Oost Seran, niet veel belangrijks meer voor. De E. compagnie kon na er den schrik te hebben ingebracht vrij rustig voortgaan met het aanplanten van nagelboomen, dáár waar het haar geschikt voorkwam, even als met het uitroeien dier boomen op plaatsen, waar zij minder goed toezicht kon houden. Langzamerhand verliep zooals bekend is, de kruidnagel- en nootmuskaathandel en hielden de Moluksche eilanden op daarmede eene goudmijn voor de compagnie te zijn en geraakten zij, naarmate de compagnie op Java in bloei toenam, langzamerhand in een' toestand van verval. De regeering liet zich steeds minder aan deze oorden gelegen liggen, zoodat wij thans de wrange vruchten daarvan plukken en deze rijke, zoo niet de rijkste eilanden van onzen Archipel, improductief dáár liggen.
Op de N.O. kust bleven de Tidoreezen hunne rechten doen gelden, voornamelijk bestaande in 't heffen van belastingen en het halen van slaven aldaar. In 1767 werden zij door ons verdreven, doch zij keerden op het einde der 18e eeuw terug, totdat in 1801 het Britsche tusschenbestuur hen noodzaakte bij verdrag, afstand van Seran te doen. Tevens schaften de Engelschen de hongitochten af en bepaalden dat de levering van materialen tegen betaling zoude plaats hebben en niet zooals ons Gouvernement eischte om niet, doch bij teruggave der Koloniën aan ons Bestuur traden de oude toestanden weder in. De Ternatanen vestigden zich weer op de Noordkust en roofden en knevelden als vroeger.
In 1828 namen hun rooverijen en het koppensnellen zoodanig toe, dat de Regeering besloot een militaire post op Seran te vestigen. Zij koos die plaats eerst te Sawaï, doch deze hoogst ongunstige plek (het vlakke terrein is daar nauwelijks eenige tientallen meters breed, terwijl de bevolking de meest vredelievende is), werd het volgende jaar reeds verlaten en vestigden wij ons te Wahaï. Daar de bezetting geene mobiele kolonne bezat, was de invloed daarvan op de bevolking slechts gering. Met het binnenland bemoeiden wij ons zeer weinig, wegen bestonden er niet, zoodat de civiele gezaghebber, indien hij zijn onderhoorige negorijen langs de kust wilde bezoeken, maar zien moest er te komen, gebruik makende van Inlandsche prauwen. Het is begrijpelijk dat een bestuursambtenaar, die bevreesd was zich in dergelijke ranke, dikwijls onzeewaardige vaartuigen te begeven, eenvoudig die negorijen niet bezocht, zoodat de bestuursinvloed zeer problematisch was. In 1824 werden de hongitochten voorgoed afgeschaft door den G. G. Van der Capellen en in 1832 werd wegens willekeurige handelingen van den Sulthan van Djailolo, die te Hatiling gevestigd was, deze voorgoed afgezet en naar Java verbannen, terwijl de Djailolosche Regeering ontbonden werd.
Nu trachtte de Regeering Seran eenigszins op te heffen uit zijn staat van vergetelheid en verval, doch de bevolking was wantrouwig, vooral de bergbevolking bleef de strandbewoners beschouwen als lieden die hen uitzogen en die, als zij er kans toe zagen, hen als slaven verkochten. (Dit was in 1770 immers nog aangemoedigd door de O.I. Compagnie!) En deze toestand is tot op heden min of meer bestendigd gebleven. De strandbevolking gaf dikwerf eene verkeerde voorstelling van zaken, hetwelk aanleiding gaf tot expeditiën naar het binnenland, doch daar de Alifoeroe in hunne ruwe bergen moeilijk te treffen of te vangen waren, zoo hadden die tochten eigenlijk een negatief resultaat.
In den loop der jaren werd ook te Amahei eene bezetting gelegerd terwijl het Fort te Loehoe tot 1866 van troepen was voorzien. In 1860 werd onder Lt. Kol. De Brabant eene tuchtiging van Waisamoe en omgelegen negorijen ondernomen, wijl deze een veertigtal cacaoplanters, die op last der Regeering aldaar werkzaam waren, hadden vermoord. [7] Te Hatoesoea werd eene tijdelijke versterking opgericht om van daaruit de gevluchte bevolkingen in het binnenland op te sporen. Den 13en October werd een aanval van 300 met geweren bewapenden uit Honitétoe op deze redoute, die aan voortdurende beschietingen blootstaan, ondernomen, doch evenals een gelijktijdige aanval van 200 vijanden op de andere zijde der versterking, afgeslagen.
Daarop ondernamen de onzen een tocht naar het binnenland, die den 17en d.a.v. aanving. Den 18en bereikten wij met 14 gewonden Oeraoe (eene negorij die slechts 2 uren gaans het binnenland inligt). Den 20en eerst werd Honitétoe bereikt, waarna men terugmarcheerde naar Oeraoe en vervolgens naar het strand, waar men met 23 gewonde militairen en nog eenige gekwetsten der hulptroepen, den 22en terug was. Na ontvangen versterking van 370 Ternatanen, besloot men met een deel der colonne tegen Sapoléwa op te treden. Dit geschiedde door eene colonne van 8 officieren, 232 bajonnetten, 7 artilleristen met 2 Coehoornmortieren, 11 sappeurs en 350 man hulptroepen. Den 8en November brak men op van Nakaela en vermeesterde met eenig gevecht op den 10en Boeria, waarna ook Roemah Soal zich onderwierp en eenige andere nog weerspannige negorijen in de asch werden gelegd. Den 17en kwam de colonne met totaal 36 gewonden weder te Noniali terug, en nadat te Kamarian eene bezetting van 35 man werd achtergelaten in eene redoute bewapend met 2 drieponders, keerden de troepen 1 December naar Amboina terug.
In 1864 werd het noodig den stam Maréhoenoe (thans nog slechts eenige tientallen zielen sterk) te tuchtigen, wijl hij zich ten zeerste aan roof en sneltochten te buiten ging. Onder den luit.-kolonel Jalink debarkeerde eene colonne van 7 officieren en 156 man benevens 2 coehoornmortieren te Lisabata, alwaar zich reeds de civiel gezaghebber van Wahaï, luitenant Tersteege met 150 man Saparoeësche schutters bevond.
Den 17en Juni ving de tocht aan en den 18en bestormde men het plateau van Maréhoenoe lama waarop de vijand, zooals een ooggetuige mededeelde, verschrikt door het voor hen vreemde geluid der ten aanval blazende trompetten, op de vlucht sloeg. Men trok nog verder zuidwaarts tot aan Koelooi en omstreken, om de nederzettingen te verwoesten. Om zooveel mogelijk op Alfoeren te gelijken, waren de soldaten gekleed in boezeroen en voorzien van hoofddoeken. De vijand verdedigde zich slechts zwakjes en onderwierp zich weldra. Wij keerden zonder verliezen den 26en Juni weder naar Amboina terug.
In 1865 begon de Regeering meer aandacht te schenken aan Seran en wilde dit onder meer geregeld bestuur brengen. De eilanders opgeruid en zeer vatbaar voor de allervreemdste verhalen die in omloop werden gebracht omtrent de bedoelingen der Regeering, begonnen woelig te worden en verzetten zich te West-Seran vrij krachtig tegen onze bestuursmaatregelen, schoten te Kaibobo op den kommandant van Hr. Ms. Metalen Kruis en hadden zelfs een aanval op onze forten te Loehoe en te Kamarian in den zin. Daarom werd eene colonne van 9 officieren en 166 man onder den Lt.-kol. Strengnaerts den 15en October 1865 naar Kaibobo gezonden. Deze negorij en eenige andere ontruimd bevonden wordende, stevende men naar Karaitoe, alwaar men voorloopig bleef en in den omtrek patrouilles maakte, die ons een tiental gewonden bezorgden, zonder dat van den vijand veel bespeurd werd. Onderwijl werd versterking aangevraagd benevens machtiging tot het oproepen van 600 Ternataansche hulptroepen.
Toen er 4 officieren en 150 man versterking kwamen, begon de bevolking van de kust dadelijk toenadering te betoonen. Aan de Noordkust echter bleef het woelig, waarop den 11en Januari 1866 eene colonne te Noniali gelegerd werd, waarbij zich eenigen tijd later 500 Ternatanen voegden, terwijl nog een 500tal naar Kairatoe werd gebracht. De Noorder-colonne moest den 15en en 16en naar Ninené (?) marcheeren en den 19en voor Roemah Soal komen. De Zuider-colonne zou den 12en naar Oeraoe, den 13en naar Honitétoe, den 15en en 16en naar Manoesamanoewé en den 18en en 19en naar Roemah Soal komen.
Eerst den 23en greep de vereeniging der beide colonnes, die behalve met den zich flink verdedigenden vijand ook nog met het zeer moeilijke terrein hadden te kampen, te Roemah Soal plaats. Men bleef aldaar eenigen tijd om de omstreken te pacificeeren, om den 2en Maart zich weder in te schepen voor Amboina. Deze excursie had ons gekost 2 dooden en 68 gewonden aan soldaten, 1 doode en 51 gewonden aan hulptroepen en 2 dooden en 20 gewonden aan koelies (Ind. Mil. Tijdschr. 1871).
In 1875 werd een soldaat van de post Wahaï gesneld. De postcommandant, de kapitein Schulze, achtte toen eene tuchtiging der Nisawélé- en Hoaoeloestammen noodzakelijk, waartoe hem eene versterking van 1 inlandsche compagnie, 31 Europeesche soldaten, 2 coehoornmortieren en 377 man hulptroepen werden gegeven. Hij rukte in Juli van dat jaar op naar Hoaoeloe en Nisawélé en verbrandde die negorijen, waarvan de bewoners vluchtten en zich slechts zwak te weer stelden. (Een onderzoek heeft thans bewezen, dat de eigenlijke daders van den moord, lieden uit Nisawélé Kanikeh waren, een toenmaals bij het bestuur blijkbaar onbekenden stam en de zedelijke dader een Mohammedaan uit Hatiling, een wijk van het plaatsje Wahaï zelf, die de Alfoeren tot dien moord had weten over te halen). In 1882 werd Seran verdeeld in vier bestuursafdeelingen: Wahaï, Kairatoe (thans West-Seran), Amahei en Waroe. Te Wahaï bleef een officier als civiel gezaghebber gevestigd, op de drie andere afdeelingen werd een posthouder geplaatst op eene bezoldiging van f100 's maands en vrije woning. Ofschoon zeker verscheidene van deze posthouders hun best hebben gedaan om geregelde toestanden te scheppen, zoo was de verbetering gering, daar een bestuur in de koloniën, niet gerugsteund door de bajonet, vrijwel waardeloos is, en de posthouders bovendien minder ontwikkelde personen zonder opleiding voor hunne taak waren en veelal nog zijn, dus zeker weinig geschikt om een woelig volk als de Alfoeren te besturen.
In 1900 mocht het den civielen gezaghebber Gijsberti Hodenpijl gelukken de Regeering te overtuigen, dat indien wij de Bergalfoeren niet opzochten en in aanraking met ons brachten, het bestuur van uit eene versterking niet veel nut had en werden hem daarom eenige gelden verstrekt om wegen te kappen, ter meerdere veiligheid der patrouilles, waarlangs deze naar het binnenland zouden marcheeren.
Bijna dadelijk na het begin van uitvoering hiervan, trok de Regeering de gelden voor wegenaanleg weder in, terwijl er zelfs over gedacht werd om de vestiging te Wahaï op te heffen!
Voor dat dit onverstandige plan uitvoering had gekregen liet de volgende postcommandant de patrouilles voortzetten, gebruik makende van de Alfoerenpaden, door de geheele afdeeling, waardoor nog 26 negorijen werden ontdekt, de Alfoeren zonder verzet het Nederlandsch gezag erkenden en zich te Wahaï kwamen melden.
Langzamerhand maakte het koppensnellen, dat in de Afdeeling West-Seran onrustbarend toenam, een krachtiger optreden noodzakelijk, en toonde de Resident van Assen de wenschelijkheid eener militaire bezetting te Piroe aan, zoodat ten slotte in 1904 aldaar eene bezetting van 2 officieren en 80 man werd gelegerd, met intrekking van het detachementje van 25 man te Amahei, dat nimmer eenig nut had gehad en waarvan het fortje door de groote vloedgolf van 1899 verwoest was.
Twee jaren te voren hadden de Alfoeren van Roemah Soal de negorij Wai Samoe in brand gestoken en voortdurend de strandbewoners verontrust, waarom hun eene zware boete werd opgelegd. Toen zij weigerden deze te betalen, werden zij door een colonne (onder den civiel gezaghebber van West-Seran) van 4 officieren en 131 man, waar onder een landingsdivisie van Hr. Ms. Ceram, opgezocht.
Den 10en September 1904 trok men van Nakaëla naar Boeria en wijl de rechtstreeksche weg naar Roemah Soal zwaar versperd en in staat van tegenweer was gebracht, maakte men een grooten omweg door het hooggebergte. Doch de lengte hiervan viel tegen, de koelies, (Alfoeren die tegen hun zin als zoodanig dienst deden), weigerden om verder te trekken, heulden met den vijand en wierpen heimelijk de levensmiddelen weg, waardoor de baileo van Roemah Soal niet werd bereikt en men na een 5 daagschen tocht met 19 gewonden, waaronder de zeeofficier Dumbar en de luitenant Bouman over Wakolo weer Lisabata bereikte. Spoedig daarna kwamen de Roemah Soal Alfoeren hunne onderwerping aanbieden en vingen zij aan de opgelegde boete te betalen. De overige negorijen van West-Seran (met uitzondering van Manoesamanoewé) werden zonder daadwerkelijken tegenstand door de patrouilles bezocht.
In 1905 werden de Honitétoe Alfoeren oproerig, weigerden naar de vermaningen van het bestuur te luisteren en hielden eenige sneltochten, ofschoon zij tegenover eene patrouille, die hunne negorij bezocht niet tot vijandelijkheden overgingen. Onderwijl werd de kapitein Van de Siepkamp met het bestuur over de afdeelingen Wahaï, West-Seran en Amahei belast en hem versterkingen toegevoegd van het garnizoensbataljon van Amboina en van het 13e Bataljon te Soerabaja, waarmede patrouilleeringen werden gemaakt.
Toen Honitétoe een bepaald vijandige houding aannam, werd van uit Roembéroe een aanval daarop gedaan en de negorij in een vijfdaagschen tocht met een verlies van 12 gewonden bereikt. Toen deze tijdelijk bezet bleef, onderwierpen zich de Hoofden daarvan en maakte men verdere patrouilles naar Hoekoeina, Watoei en omliggende negorijen. Dit optreden onzerzijds en vooral het tijdelijk bezet blijven houden van het doorkruiste gebied, bracht veel verbetering in den algemeenen toestand. Zoowel strand- als bergalfoeren zagen in dat het ons thans ernst was en schikten zich in den nieuwen toestand, zoodat zelfs talrijke geweren werden ingeleverd en in West-Seran thans een meer rustige toestand is ingetreden. Indien men na dit met weinig verliezen en troepen behaalde succes niet te optimistisch wordt en meent dat militaire bezetting en toezicht verder overbodig zijn, dan kan in de naaste toekomst verwacht worden dat deze rust van blijvenden aard is en de bevolking, die het geenszins aan schranderheid ontbreekt, zich zal gaan ontwikkelen. Doch daarvoor is juist nu streng toezicht noodig, daar ook met pijl en boog de bergalfoer het den strandbewoners lastig genoeg kan maken.
Te Wahaï braken in 1904 nog eenige onlusten uit met de Wae Rama Alfoeren, waarin ten slotte de Nisawéléstam eveneens betrokken werd.
Naar aanleiding van het snellen van een Christen van Wahaï door Alfoeren van Sollok op aanstoken van inwoners van Wahaï, werd door den luitenant Stennekes eene excursie naar Sollok en Nisawélé ondernomen, die na eenig gevecht Nisawélé bereikte en bezette en na enkele dagen verblijf aldaar met een verlies van 1 doode en 22 gewonden (waaronder de aanvoerder zelf) aan mindere militairen en hulptroepen te Wahaï terugkeerde.
Niet lang daarna kwamen de bedoelde stammen weder in onderwerping en bevonden latere patrouilles het binnenland in rust, zoodat ook te Wahaï, waar trouwens de meer vredelievende aard der bewoners minder kans geeft op rustverstoring, de politieke toestand zeer gunstig is.
HOOFDSTUK II.
AARDRIJKSKUNDIGE BESCHRIJVING.